Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.46.0-wmf.21
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Delen van Duitsland
100
43569
219024
219006
2026-03-28T13:55:05Z
Vincent Steenberg
280
+bron
219024
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Geschiedenis van delen van Duitsland
| afbeelding = Quaternion Eagle by Jost de Negker.jpg
| alt = Quaternionadelaar uit 1510 van het Heilige Roomse Rijk met de wapens van de belangrijkste Duitse vorstendommen
| beschrijving = Bronnen bij de geschiedenis van delen van Duitsland en [[w:nl:Deelstaten van Duitsland|bondslanden]].
}}
== Anhalt-Dessau ==
;Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666-1726)
*Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Leeuwaerden den 2 Maert|‘Leeuwaerden den 2 Maert’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p. 2] (vermeld als ‘Mevrouwe de Princesse Douariere van Nassau’).
;Marie Eleonore van Anhalt-Dessau (1671-1756)
*Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Leeuwaerden den 2 Maert|‘Leeuwaerden den 2 Maert’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p. 2] (vermeld als ‘de Hertoginne van Radzivil’).
== Graafschap Hanau ==
;Willem I van Hessen-Kassel (1743-1821)
*Anoniem (2 februari 1771) [[Opregte Haarlemsche Courant/1771/Zaterdageditie, nummer 5/Frankfort den 26 January|‘Frankfort den 26 January’]], ''Oprechte Saturdagse Haerlemse Courant'', [p. 1].
== Graafschap Rantzau ==
;Christian Detlev zu Rantzau (1670-1721)
*Anoniem (25 januari 1720) [[Opregte Haarlemsche Courant/1720/Donderdageditie, nummer 4/Hamburg den 19 January|‘Hamburg den 19 January’]], ''Oprechte Haerlemse Donderdaegse Courant'', [p. 2].
== Graafschap Rietberg ==
;Jan III van Rietberg
*Anoniem ([10 februari 1619]) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1619/10 februari/Nederlandtsche tijdinghe den 9. Februarij|‘Nederlandtsche tijdinghe den 9. Februarij’, alinea 11]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''].
== Graafschap Schaumburg ==
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/Het Crijchsvolck vanden Coninc van Denemercken|‘Het Crijchsvolck vanden Coninc van Denemercken […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Graefschap Schouwenburgh’).
== Graafschap Solms-Laubach ==
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Franckfort den 23. dito|‘Wt Franckfort den 23. dito. [= 23 januari 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Graafschap Sponheim ==
*Anoniem (16 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/16 oktober (2)#art1al3|‘Wt Amsterdam ix. Oct.’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-4.
*Anoniem (23 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/23 oktober (1)#art4|‘Wt Oppenheym 9. October’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6.
*Anoniem (17 januari 1767) [[Rotterdamsche Courant/1767/Nummer 8/Hanau den 9 January|‘Hanau den 9 January’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 1].
== Groothertogdom Berg ==
*Anoniem (28 februari 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 49/Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand|‘Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand [= 23 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
== Hanau-Münzenberg ==
;Catharina Belgica van Nassau (1578-1648)
*Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/In de Pfalts|‘In de Pfalts staet alles in vorige terminis, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘de Gravinne van Hanau’).
*Anoniem (10 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/10 april/Die Gravinne van Hanou|‘Die Gravinne van Hanou […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Hertogdom Gottorp ==
;Frederik August van Oldenburg (1711-1785)
*Anoniem (18 maart 1741) [[Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Hamburg den 14 Maert|‘Hamburg den 14 Maert’]], ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', [p. 1] (vermeld als ‘Fredrik August van Holsteyn Gottorf’).
;Hedwig Sophia van Zweden (1681-1708)
*Anoniem (18 februari 1700) [[Amsterdamsche Courant/1700/Nummer 21/Sleswig den 11 February|‘Sleswig den 11 February’]], ''Amsterdamse Donderdaegse Courant'', [p. 1] (vermeld als ‘de Hertoginne van Holsteyn Gottorp’).
== Hertogdom Kleef ==
*Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Ceulen den 29. dito|‘Wt Ceulen den 29. dito. [= 29 november 1620]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
*Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/De Clevische, ende Gulicksche Landen|‘De Clevische, ende Gulicksche Landen, ende Vorstendommen, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Hertogdom Palts-Zweibrücken ==
=== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ===
;17e eeuw
*Anoniem (25 februari 1651) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8/Een ander van den 21 dito|‘Een ander van den 21 dito. [= brief uit Keulen, 21 februari 1651]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
=== Vorsten en leden van vorstenhuizen ===
;Frederik van Palts-Zweibrücken (1616-1661)
*Anoniem (25 februari 1651) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8/Een ander van den 21 dito|‘Een ander van den 21 dito. [= brief uit Keulen, 21 februari 1651]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
;Johan II van Palts-Zweibrücken (1584-1635)
*Anoniem (26 februari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 februari/Wt Ceulen, den 20. dito|‘Wt Ceulen, den 20. dito. [= 20 februari 1621]’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
== Hertogdom Pommeren ==
=== Historische figuren ===
;Pascovius, Friedrich (1600-1670)
*Anoniem (25 februari 1653) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1653/Nummer 9/Uyt Hamburgh, den 14 dito|‘Uyt Hamburgh, den 14 dito. [= 14 februari 1653]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p. 1].
== Hertogdom Saksen-Coburg (1596-1633) ==
;Johan Casimir van Saksen-Coburg (1564-1633)
*Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Ceulen, den 10 October|‘VVt Ceulen, den 10 October’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''., [p. 2].
== Hertogdom Saksen-Coburg en Gotha ==
;Lodewijk August van Saksen-Coburg en Gotha
*Anoniem (24 december 1892) [[Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 214/Hertog August van Saksen Coburg Gotha|‘Hertog August van Saksen Coburg Gotha [...]’]], ''Limburger Koerier'', [p. 1].
== Hertogdom Saksen-Eisenach (1596-1638) ==
;Johan Ernst van Saksen-Eisenach (1566-1638)
*Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Ceulen, den 10 October|‘VVt Ceulen, den 10 October’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''., [p. 2].
== Hertogdom Saksen-Lauenburg ==
;Frans Karel van Saksen-Lauenburg (1594-1660)
*Anoniem (7 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/7 oktober (2)#art4al3|‘Wt Lyptzich vanden 10. ditto. [= 10 september 1620]’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-7 (vermeld als ‘Hoptman Sachsen Louenberch’).
== Hertogdom Saksen-Meiningen ==
;Adelheid van Saksen-Meiningen (1792-1849)
*Anoniem (1 september 1834) [[Utrechtsche Courant/1834/Nummer 105/Frankfort den 27 Augustus|‘Frankfort den 27 Augustus’, alinea 2]], ''Utrechtsche Courant'', [p. 1].
Bernhard II van Saksen-Meiningen (1800-1882)
*Anoniem (1 september 1834) [[Utrechtsche Courant/1834/Nummer 105/Frankfort den 27 Augustus|‘Frankfort den 27 Augustus’, alinea 2]], ''Utrechtsche Courant'', [p. 1].
== Hessen-Rheinfels ==
;Karel van Hessen-Wanfried (1649-1711)
*Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Ceulen den 2 Maert|‘Ceulen den 2 Maert’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p. 2] (vermeld als ‘Carel van Hessen-Rhijnfels’)
== Keurvorstendom Trier ==
=== Vorsten ===
;Lothar van Metternich (1551-1623)
*Anoniem (5 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/5 december (2)#art1al8|‘Cataloghe vande Coninghen, Princen, Graeven, ende andere Vorsten, met den Keyser Ferdinandvs II. opentlijck houdende tegen de Vnie der Caluinisten, ende alle Adherente Protestanten’, alinea 8]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
*Johan Schweicthard Eerts Bisschop tot Mens, Lotharius Eerts-Bisschop tot Trier, Ferdinandus Eerts-Bisschop te Ceulen, Hans Georg, Hertoch van Saxen, Maximiliaen, Palts-Grave aenden Rhijn, Hertoch in Oueren, ende neder Beyeren, Ludwig, Lant-grave tot Hessen (1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/Copia des Briefs vande Keur-Vorsten, ende Vorsten tot Mulhausen, vergadert|''Copia des Briefs vande Keur-Vorsten, ende Vorsten tot Mulhausen, vergadert aenden Cheur-Vorst Pfaltsz-Grave'', […]]], Hantwerpen: Abraham Verhoeuen.
== Koninkrijk Hannover ==
*Anoniem (29 juni 1852) [[Groninger Courant/Jaargang 111/Nummer 52/Duitschland|‘Duitschland’]], ''Groninger Courant'', [p. 2].
== Mecklenburg-Schwerin ==
;Christiaan Lodewijk I van Mecklenburg-Schwerin (1623-1692)
*Anoniem (4 februari 1670) [[Amsterdamsche Courant/1670/Nummer 5/Regensburg den 20 dito|‘Regensburg den 20 dito. [= 20 januari 1670]’]], ''Amsteldamsche Dingsdaegse Courant'', [p. 2].
;Helena van Mecklenburg-Schwerin (1814-1858)
*Anoniem (8 augustus 1839) [[De Noordbrabanter/1839/Nummer 95/Het vertrek van den Hertog van Orléans|‘Parijs, den 4den Augustus. Het vertrek van den Hertog van Orléans voor de reis naar het zuiden van Frankrijk is op Vrijdag den 9den dezer bepaald. […]’]], ''Noord-Brabander'', [p. 1].
== Mecklenburg-Strelitz ==
;Louise van Mecklenburg-Strelitz (1776-1810)
*Anoniem (28 februari 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 49/Berlyn den 15 van Sprokkelmaand|‘Berlyn den 15 van Sprokkelmaand [= 15 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
*Anoniem (6 maart 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 54/Berlyn den 25 van Sprokkelmaand|‘Berlyn den 25 van Sprokkelmaand [= 25 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
== Nassau-Saarbrücken ==
;Lodewijk Crato van Nassau-Saarbrücken (1663-1713)
*Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/’s Gravenhage den 4 Maert|‘’s Gravenhage den 4 Maert’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p. 2].
== Nedersaksische Kreis ==
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/Oock verstontmen van Hamburgh|‘Oock verstontmen van Hamburgh […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Oettingen-Wallerstein ==
;Wolfgang IV van Oettingen-Wallerstein (1626-1708)
*Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Adrianopolen den 29 January|‘Adrianopolen den 29 January’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p. 1].
== Palts-Zweibrücken ==
;Johan II van Palts-Zweibrücken (1584-1635)
*Iohan George Hertoghe van Saxen ende Keurvorst (25 september 1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (3)|Copye vande Antwoorde geschreuen by den Keurvorst van Saxen, aenden Pfaltz-Graeff Jan, Stadt-houder tot Heydelberch]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeven.
== Prinsaartsbisdom Bremen ==
*Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Hamburgh den 3 dito|‘Uyt Hamburgh den 3 dito. [= 3 september 1645]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 1].
== Prinsbisdom Augsburg ==
;Hendrik V van Köringen (1570-1646)
*Anoniem (30 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/30 juli (2)#art1|‘Wt Dilinghen den 13. Julij’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-7.
== Prinsbisdom Bamberg ==
;Johann Gottfried von Aschhausen (1575-1622)
*Anoniem (21 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/21 augustus (2)#art3|‘Wt Weenen’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
== Prinsbisdom Fulda ==
*Anoniem (5 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/5 mei/VVt Mentz den 27. April, 1621|‘VVt Mentz den 27. April, 1621’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Prinsbisdom Münster ==
;17e eeuw
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Eenige Compagnie Ruyters|‘Eenige Compagnie Ruyters met een deel voet volc zijn op naer het Stift van Munster, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
*Anoniem (10 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/10 april/Onse Ruyterije|‘Onse Ruyterije […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Prinsbisdom Paderborn ==
*Anoniem (21 april 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/21 april/Wt Ceulen, den 17. April|‘Wt Ceulen, den 17. April’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
== Prinsbisdom Passau ==
;17e eeuw
*Anoniem (21 augustus 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/21 augustus/VVt Ceulen, den 15. Augusti|‘VVt Ceulen, den 15. Augusti’, alinea 3-4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
== Pruisisch Opper-Gelre ==
*Anoniem (6 oktober 1769) [[Opregte Groninger Courant/1769/Nummer 80/Berlyn den 23 September|‘Berlyn den 23 September’]], ''Opregte Groninger Courant'', [p. 1].
== Rijksstad Neurenberg ==
;17e eeuw
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Furtz den 19. dito|‘Wt Furtz den 19. dito. [= 19 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Rügen (eiland) ==
*Anoniem (10 september 1675) [[Amsterdamsche Courant/1675/Nummer 37/Straelsont den 3 September|‘Straelsont den 3 September’]], ''Amsterdamsche Dinghsdaegse Courant'', [p. 2].
== Sleeswijk-Holstein ==
;Frederik III van Sleeswijk-Holstein-Gottorp (1597-1659)
*Anoniem (8 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/8 maart/Wt Dresden den 20. dito|‘Wt Dresden den 20. dito. [= 20 februari 1621]’, alinea 5]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1] (als ‘Die Hertoch van Holsteyn’).
== Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Plön ==
;Johan Adolf van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Plön (1634-1738)
*Anoniem (29 juli 1698) [[Amsterdamsche Courant/1698/Nummer 90/’s Gravenhage den 27 July|‘’s Gravenhage den 27 July’]], ''Amsterdamse Dingsdaegse Courant'', [p. 2] (vermeld als ‘de Hertog van Holstein Pleun’).
== Voor-Pommeren ==
*Anoniem (25 februari 1653) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1653/Nummer 9/Uyt Hamburgh, den 14 dito|‘Uyt Hamburgh, den 14 dito. [= 14 februari 1653]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p. 1].
== Vorstendom Brunswijk-Wolfenbüttel-Bevern ==
;Elisabeth Christine van Brunswijk-Bevern (1715-1797)
*Anoniem (2 februari 1771) [[Opregte Haarlemsche Courant/1771/Zaterdageditie, nummer 5/Berlyn den 26 January|‘Berlyn den 26 January’]], ''Oprechte Saturdagse Haerlemse Courant'', [p. 1].
== Vorstendom Hohenzollern-Sigmaringen ==
=== Vorsten en leden van vorstenhuizen ===
;Eitel Frederik van Hohenzollern-Sigmaringen (1582-1625)
*Anoniem (16 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/16 oktober (2)#art3|‘Wt Colen 9. Octobris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 5 (vermeld als ‘den Graue van Hohenzoller’).
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Aughsburgh den 3. Martij|‘Wt Aughsburgh den 3. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘de nieuwe Cardinael van Hooghenzaller’).
== Vorstendom Palts-Neuburg ==
;Wolfgang Willem van Palts-Neuburg (1578-1653)
*Anoniem (9 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/9 december (2)#art2|‘VVt Munchen daer t’hoff van den Hertoch van Beyeren is’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8 (vermeld als ‘Princeps Neoburgensis’).
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Augsburgh den 19. dito|‘Wt Augsburgh den 19. dito. [= 19 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
== Vorstendom Palts-Simmers ==
=== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ===
;17e eeuw
*Anoniem (25 februari 1651) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8/Een ander van den 21 dito|‘Een ander van den 21 dito. [= brief uit Keulen, 21 februari 1651]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
=== Vorsten en leden van vorstenhuizen ===
;Lodewijk Filips van Palts-Simmern (1602-1655)
*Anoniem (28 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 november#art3|‘VVt den Haghe den 20. Nouember’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-7 (vermeld als ‘den Broeder van den Pals-grave’).
*Anoniem (25 februari 1651) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8/Een ander van den 21 dito|‘Een ander van den 21 dito. [= brief uit Keulen, 21 februari 1651]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
== Vorstendom Schwarzenberg ==
;Joseph I van Schwarzenberg (1722-1782)
*Anoniem (17 januari 1767) [[Rotterdamsche Courant/1767/Nummer 8/Weenen den 3 January|‘Weenen den 3 January’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 1].
== Zweeds Pommeren ==
*Anoniem (18 oktober 1650) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 43/Van de Maynstroom den 9 dito|‘Van de Maynstroom den 9 dito. [= 9 oktober 1650]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 2].
*Anoniem (25 februari 1653) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1653/Nummer 9/Uyt Hamburgh, den 14 dito|‘Uyt Hamburgh, den 14 dito. [= 14 februari 1653]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p. 1].
== Overige bondslanden en regio’s ==
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Anhalt-Bernburg|Anhalt-Bernburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Vorstendom Ansbach|Ansbach]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Baden|Baden]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Markgraafschap Baden-Baden|Baden-Baden]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Baden-Durlach|Baden-Durlach]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Beieren|Beieren]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Mark Brandenburg|Brandenburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Brunswijk-Lüneburg|Brunswijk-Lüneburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Brunswijk-Wolfenbüttel|Brunswijk-Wolfenbüttel]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Hertogdom Gulik|Gulik]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Hessen-Darmstadt|Hessen-Darmstadt]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Hessen-Kassel|Hessen-Kassel]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Hohenlohe-Weikersheim|Hohenlohe-Weikersheim]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Hohenzollern-Hechingen|Hohenzollern-Hechingen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Keurvorstendom Keulen|Keulen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Keurvorstendom Mainz|Mainz]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Nassau-Siegen|Nassau-Siegen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Neder-Lausitz|Neder-Lausitz]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Oost-Friesland|Oost-Friesland]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Opper-Lausitz|Opper-Lausitz]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Opper-Palts|Opper-Palts]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Palts|Palts]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Palts-Neuburg|Palts-Neuburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Pruisen|Pruisen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Saksen|Saksen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Saksen-Altenburg|Saksen-Altenburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Saksen-Weimar|Saksen-Weimar]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Solms-Braunfels|Solms-Braunfels]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Solms-Rödelheim|Solms-Rödelheim]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Prinsbisdom Spiers|Spiers]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Waldeck-Pyrmont|Waldeck-Pyrmont]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Württemberg|Württemberg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Prinsbisdom Würzburg|Würzburg]]
== Plaatsen; afzonderlijk ==
;Ahrweiler
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/VVt Ceulen|‘VVt Ceulen’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2] (als ‘Arwijler’).
;Altrip
*Anoniem (5 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/5 mei/VVt den Palts den 27. dito|‘VVt den Palts den 27. dito. [= 27 april 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2].
;Auerbach, Hessen
*Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/VVt der Bergstraten, den 2. December|‘VVt der Bergstraten, den 2. December’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 1].
;Bad Soden am Taunus
*Anoniem (8 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 3#art3|‘VVt Franckfort in Decembris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-4.
;Baruth bei Bautzen
*Anoniem (20 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 november (1)#art1|‘Tijdinghe vvt Bohemen van des vyants Hooft-leger by Gorlits’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-4 (Baruth bei Bautzen vermeld als ‘Barut’).
;Bayerbach (Rottal-Inn)
*Anoniem (21 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/21 augustus (1)#art1al15|‘Met Brieuen wt weenen van v. Augusti’, alinea 15]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-8 (vermeld als ‘Bayrbach’).
;Bensheim
*Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/VVt der Bergstraten, den 2. December|‘VVt der Bergstraten, den 2. December’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 1].
;Berlijn
*Anoniem (22 november 1831) [[Groninger Courant/1831/Nummer 93/Berlijn den 14 November|‘Berlijn den 14 November’]], ''Groninger Courant'', [p. 1].
*Anoniem (3 april 1937) [[De Telegraaf/Jaargang 45/Nummer 16746/Avondblad/Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur|‘Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur. Groot was de invloed van Louise van Oranje. Uiteindelijk is niet veel meer van dit alles te merken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p. 5.
;Biberach an der Riß
*Anoniem (17 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/17 juli (1)#art5|‘Wt Vlm van xxiij. Junij 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
;Bischofsheim (Maintal)
*Anoniem (20 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/20 maart/Wt Franckfort den 14. Martij|‘Wt Franckfort den 14. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Bisschopsheym’).
;Bischofswerda
*Anoniem (23 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/23 september (2)#art4|‘VVt Dresden den 4. Sept’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-7.
;Bislich
*Anoniem ([augustus 1620]) ''[[Eygentlicke afbeeldinge van het Legher Ed. H. M. Heeren Staten ende sijn Princelijcke Exelentie, met alle ghelegentheydt van dien|Eygentlicke afbeeldinge van het Legher Ed. H. M. Heeren Staten ende sijn Princelijcke Exelentie, met alle ghelegentheydt van dien. Midtsgaders de Afbeeldinghe der Stadt Weesel, ende de om leggende plaetsen, daer hem onse partyen houden]]'' [nieuwsprent], Leyden: Niclaes Geelkerck.
;Bonn
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/VVt Ceulen|‘VVt Ceulen’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2].
*Anoniem ([ca. 3] november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 3 november#art1|‘Tijdinghe wt Ceulen, ende des Marquis Spinola Legher, 24. Octobris. 1620’, alinea 3-4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
;Braubach
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al4|‘Wt Ceulen’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Braunschweig
*Anoniem (16 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/16 juli (1)#art4|‘Wt Ceulen van 21. ditto. [= 21 juni 1620]’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-7.
;Bremen
*Anoniem (26 augustus 1656) [[Weeckelycke Courante van Europa/1656/Nummer 34/Hamborgh den 19 Augusti|‘Hamborgh den 19 Augusti’]], ''Weeckelycke Courante van Europa'', [p. 1].
;Bretzenheim
*Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (1)#art2|‘VVt Ments van 10. September’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7 (vermeld als ‘Breizenheim’).
;Brounevelt (= Braunfels?)
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Franckfort den 5. Martij|‘Wt Franckfort den 5. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
*Anoniem (20 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/20 maart/Wt Franckfort den 14. Martij|‘Wt Franckfort den 14. Martij’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Seckbach’).
;Büderich (Werl)
*Kaiser, F. (1855) [[Album der Natuur/1855/Bovennatuurlijk Krijgsheer, Kaiser|‘Het bovennatuurlijk krijgsheer, gezien bij Büderich den 22 Januarij 1854’]], ''Album der Natuur'', jrg. 4, p. 123-127.
;Buxtehude
*Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Hamburgh den 3 dito|‘Uyt Hamburgh den 3 dito. [= 3 september 1645]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 1].
;Darmstadt-Arheiligen
*Anoniem (10 oktober 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/10 oktober/VVt Franckfoort den 20. dito|‘VVt Franckfoort den 20. dito. [= 20 september 1620]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Demmin
*Anoniem (18 oktober 1650) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 43/Van de Maynstroom den 9 dito|‘Van de Maynstroom den 9 dito. [= 9 oktober 1650]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 2] (Demmin vermeld als ‘Dommin’).
;Diez-Freiendiez
*Anoniem (4 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/4 september#art2|‘Wt den Elsz van 24. Augusti’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7.
;Dillenburg
*Anoniem (28 februari 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 49/Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand|‘Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand [= 23 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
;Dillingen an der Donau
*Anoniem (20 juni 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 juni#art3al2|‘Wt Vlm 2. Junij’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7-8.
;Dortmund
*Anoniem (28 februari 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 49/Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand|‘Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand [= 23 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
;Durlach
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/VVtten Pals den 18. dito|‘VVtten Pals den 18. dito. [= 18 mei 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1] (als ‘Tourlach’).
;Düsseldorf
*Anoniem (28 februari 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 49/Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand|‘Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand [= 23 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
;Edingen-Neckarhausen
*Anoniem (12 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/12 mei/VVtte Berghstraet den 4. dito|‘VVtte Berghstraet den 4. dito. [= 4 mei 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2] (als ‘Neckerhuysen’).
*Anoniem (22 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/22 mei/VVtten Pals den 14. dito|‘VVtten Pals den 14. dito. [= 14 mei 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Neckerhuysen’).
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/VVtten Pals den 18. dito|‘VVtten Pals den 18. dito. [= 18 mei 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1] (als ‘Neckerhuysen’).
;Emmerik
*Anoniem (19 mei 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/19 mei (2)#art1al6|‘Hollandsche nieuwe Tijdinghen, te weten, hoemen in Hollandt de strenge Placcaten, die tegen de Arminianen ghemaeckt sijn, soeckt in ’t werck te stellen, ende te executeren, met hun het prediken te beletten, ende de Predikanten te vanghen’, alinea 6]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-8.
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al11|‘Wt Ceulen’, alinea 11]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
*Anoniem (5 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/5 september#art1al9|‘Verhael hoe dat zijn Excellentie Marquis Spinola is over den Rhijn ghemarcheert, ende ghetrocken naer Franckfort’, alinea 9]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-7.
;Engers
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al2|‘Wt Ceulen’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/28 augustus/VVt Ceulen den 25 dito|‘VVt Ceulen den 25 dito. [= 25 augustus 1620]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2] (als ‘Tol Engens’).
;Enkheim (Bergen-Enkheim)
*Anoniem (20 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/20 maart/Wt Franckfort den 14. Martij|‘Wt Franckfort den 14. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Enckenheym’).
;Enkirch
*Anoniem (30 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/30 december (3)#art1|‘Tijdinghe wt Pfalts-Grauen Lant, wt den Legher van sijn Exc. den Marquis Spinola. 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3.
;Erfurt
*Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Neurenburch den 26 dito|‘Wt Neurenburch den 26 dito. [= 26 mei 1640]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p. 1-2] (als ‘Effort’).
;Erfurt; Karl Wilhelm Adam van Breitbach-Bürresheim (....-1770)
*Anoniem (2 februari 1771) [[Opregte Haarlemsche Courant/1771/Zaterdageditie, nummer 5/Frankfort den 26 January|‘Frankfort den 26 January’]], ''Oprechte Saturdagse Haerlemse Courant'', [p. 1].
;Flamersheim
*Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Ceulen den 29. dito|‘Wt Ceulen den 29. dito. [= 29 november 1620]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Frankfurt-Bockenheim
*Anoniem ([ca. 8 september 1620]) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 8 september#art1al7|‘Tijdinghe wt Franckfort, Ende den lesten Augusti wt Bon 1620’, alinea 7]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
;Frankfurt-Fechenheim
*Anoniem (20 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/20 maart/Wt Franckfort den 14. Martij|‘Wt Franckfort den 14. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Fechenheym’).
;Frankfurt-Hausen
*Anoniem ([ca. 8 september 1620]) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 8 september#art1al7|‘Tijdinghe wt Franckfort, Ende den lesten Augusti wt Bon 1620’, alinea 7]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
;Frankfurt-Rödelheim
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Franckfort den 23. dito|‘Wt Franckfort den 23. dito. [= 23 januari 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Frankfurt-Schwanheim
*Anoniem ([ca. 8 september 1620]) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 8 september#art1al7|‘Tijdinghe wt Franckfort, Ende den lesten Augusti wt Bon 1620’, alinea 7]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
;Frankfurt-Seckbach
*Anoniem (20 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/20 maart/Wt Franckfort den 14. Martij|‘Wt Franckfort den 14. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Seckbach’).
;Friedberg (Hessen)
*Anoniem (29 januari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/29 januari/VVt Francfoort den 19 dito|‘VVt Francfoort den 19 dito. [= 19 januari 1621]’, alinea 3-4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
;Geldern
*Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Dordrecht den 3 dito|‘Wt Dordrecht den 3 dito. [= 3 juni 1640]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p. 2].
;Gelnhausen
*Anoniem (29 januari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/29 januari/VVt Francfoort den 19 dito|‘VVt Francfoort den 19 dito. [= 19 januari 1621]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
;Gernsheim (Gentsheym)
*Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Ceulen, den 10 October|‘VVt Ceulen, den 10 October’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''., [p. 2].
;Greifswald
*Anoniem (18 oktober 1650) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 43/Van de Maynstroom den 9 dito|‘Van de Maynstroom den 9 dito. [= 9 oktober 1650]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 2] (Greifswald vermeld als ‘Grijpswolde’).
;Griethausen
*Anoniem (29 maart 1636) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1636/Nummer 13/Wt Maestricht|‘Wt Maestricht’, alinea 3-6]], ''Tydingen uyt verscheyden Quartieren'', [p. 2] (Griethausen vermeld als ‘Griethuysen’).
;Guben
*Anoniem (11 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/11 december (1)#art3|‘VVt Spemberg in der Lausnitz’, alinea 2-3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 5-6.
*Anoniem (11 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/11 december (1)#art5|‘Tijdinghe vvt Buddissin den 19 Nouember, 1620’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Gulik
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/VVt Ceulen|‘VVt Ceulen’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2] (als ‘Guylich’).
;Guntersblum
*Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Franckfoort, den 11. October|‘VVt Franckfoort, den 11. October’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
;Günzburg
*Anoniem (20 juni 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 juni#art3al2|‘Wt Vlm 2. Junij’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7-8.
*Anoniem (17 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/17 juli (1)#art5al4|‘Wt Vlm van xxiij. Junij 1620’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
;Hadamar
*Anoniem (4 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/4 september#art2|‘Wt den Elsz van 24. Augusti’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7.
;Halle (Saale)
*Anoniem (29 maart 1636) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1636/Nummer 13/Wt Leipsigh den 6. Martij|‘Wt Leipsigh den 6. Martij’]], ''Tydingen uyt verscheyden Quartieren'', [p. 1].
*Anoniem (12 september 1825) [[Leydse Courant/1825/Nummer 109/Frankfort den 8 September|‘Frankfort den 8 September’, alinea 4]], ''Leydsche Courant'', [p. 1-2].
;Hanau
*Anoniem (10 oktober 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/10 oktober/VVt Franckfoort den 20. dito|‘VVt Franckfoort den 20. dito. [= 20 september 1620]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
*Anoniem (29 januari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/29 januari/VVt Francfoort den 19 dito|‘VVt Francfoort den 19 dito. [= 19 januari 1621]’, alinea 4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
;Havelberg
*Anoniem (22 november 1831) [[Groninger Courant/1831/Nummer 93/Van den Rijn den 14 November|‘Van den Rijn den 14 November’, alinea 2]], ''Groninger Courant'', [p. 1].
;Herrstein
*Anoniem (10 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/10 april/VVtte Palts den 26. dito|‘VVtte Palts den 26. dito. [= 26 maart 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Harsteyn’).
;Heilbronn
*Anoniem (26 februari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 februari/Wt Ceulen, den 20. dito|‘Wt Ceulen, den 20. dito. [= 20 februari 1621]’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Worms den 27. dito|‘Wt Worms den 27. dito. [= 27 februari 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2].
*Anoniem (5 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/5 april/Wt Worms den 20. dito|‘Wt Worms den 20. dito. [= 20 maart 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Heylbrun’).
;Ihringen
*Anoniem (19 mei 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/19 mei (1)#art5|‘Wt den Elsas 3. Mey’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 8.
;Kastellaun
*Anoniem (28 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 november#art5|‘VVt Oppenheym den 19. Nouembris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 8 (Kastellaun vermeld als ‘Castelhoen’).
;Kaub
*Anoniem (10 oktober 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/10 oktober/VVt Franckfoort den 2. October|‘VVt Franckfoort den 2. October’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1] (als ‘Coub’).
*Anoniem (14 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/14 oktober (2)#art1al7|‘Tijdinghe vvt den Legher van syn Excellentie Marquis Ambrosius Spinola, 1620’, alinea 7]] en [[Nieuwe Tijdinghen/1620/14 oktober (2)#art1al13|13]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-7.
;Kehl
*Anoniem (7 januari 1730) [[Amsterdamsche Courant/1730/Nummer 3/Regensburg den 29 December|‘Regensburg den 29 December’]], ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', [p. 1].
;Koblenz
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2|‘Wt Ceulen’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Langenau
*Anoniem (20 juni 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 juni#art3|‘Wt Vlm 2. Junij’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7-8.
;Laubach
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Franckfort den 23. dito|‘Wt Franckfort den 23. dito. [= 23 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Lauingen
*Anoniem (20 juni 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 juni#art3al2|‘Wt Vlm 2. Junij’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7-8.
;Lausitz
*Anoniem (20 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 november (1)#art5|‘VVt Buddissin 29. October’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
;Leipheim
*Anoniem (17 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/17 juli (1)#art5al3|‘Wt Vlm van xxiij. Junij 1620’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
;Lindau (Bodensee)
*Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Venetien den 18. dito|‘Wt Venetien den 18. dito. [= 18 november 1620]’, alinea 5]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1].
;Lingen (Ems)
*Anoniem (12 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/12 mei/Die van Wesel|‘Die van Wesel zijn met eenich krijchs-volck noch versterckt, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Linghen’).
;Lippstadt
*Anoniem (26 augustus 1656) [[Weeckelycke Courante van Europa/1656/Nummer 34/Lipstadt den 18 Augusti|‘Lipstadt den 18 Augusti’]], ''Weeckelycke Courante van Europa'', [p. 1].
;Löbau
*Anoniem (20 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 november (1)#art2|‘Wt Gorlitz’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 5 (Löbau vermeld als ‘Lubau’).
*Anoniem (20 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 november (1)#art5|‘VVt Buddissin 29. October’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
;Lohr am Main
*Anoniem (5 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/5 mei/VVt Mentz den 27. April, 1621|‘VVt Mentz den 27. April, 1621’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Lohr’).
;Lübeck; geschiedenis van de joden
*Anoniem (29 juni 1852) [[Groninger Courant/Jaargang 111/Nummer 52/Duitschland|‘Duitschland’, alinea 8]], ''Groninger Courant'', [p. 2].
;Lüneburg
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/Oock verstontmen van Hamburgh|‘Oock verstontmen van Hamburgh […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Lunenburgh’).
*Anoniem (6 december 1831) [[Leeuwarder Courant/1831/Nummer 97/Hamburg, den 29 November|‘Hamburg, den 29 November’]], ''Leeuwarder Courant'', [p. 1].
;Maagdenburg
*Anoniem (18 maart 1741) [[Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Berlyn den 11 Maert|‘Berlyn den 11 Maert’]], ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', [p. 1].
;Mainz
*Anoniem (18 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/18 september#art1|‘Nieuvve Tijdinghe vvt den Leger by Mentz’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-7.
*Anoniem (10 augustus 1867) [[Venloosch Weekblad/Jaargang 5/Nummer 32/De Courrier du bas Rhin|‘De Courrier du bas Rhin maakt melding van de gewelddadigheden waaraan zich de soldaten der pruisische garnizoenen in de geanexeerde landen en steden schuldig maken. […]’]], ''Venloosch Weekblad'', [p. 2].
;Mommenheim
*Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (1)#art2|‘VVt Ments van 10. September’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7 (vermeld als ‘Momenheimb’).
;Mühlhausen (Thüringen)
*Anoniem ([ca. 29 mei] 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 29 mei#art2al2|‘Van Breslauw wt der Slesien’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-5.
*Johan Schweicthard Eerts Bisschop tot Mens, Lotharius Eerts-Bisschop tot Trier, Ferdinandus Eerts-Bisschop te Ceulen, Hans Georg, Hertoch van Saxen, Maximiliaen, Palts-Grave aenden Rhijn, Hertoch in Oueren, ende neder Beyeren, Ludwig, Lant-grave tot Hessen (1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/Copia des Briefs vande Keur-Vorsten, ende Vorsten tot Mulhausen, vergadert|''Copia des Briefs vande Keur-Vorsten, ende Vorsten tot Mulhausen, vergadert aenden Cheur-Vorst Pfaltsz-Grave'', […]]], Hantwerpen: Abraham Verhoeuen.
;München
*Anoniem (20 juli 1871) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1871/Nummer 197/Duitschland|‘Duitschland’, alinea 5]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', [p. 3].
;Munster
*Anoniem (28 februari 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 49/Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand|‘Dusseldorf den 23 van Sprokkelmaand [= 23 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
;Nackenheim
*Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (1)#art2|‘VVt Ments van 10. September’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7 (vermeld als ‘Nackheim’).
;Neuenhain (Bad Soden am Taunus)
*Anoniem (8 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 3#art3|‘VVt Franckfort in Decembris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-4.
;Neurenberg
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Furtz den 19. dito|‘Wt Furtz den 19. dito. [= 19 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
*Anoniem (8 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/8 maart/Wt Ceulen den 3. Meert|‘Wt Ceulen den 3. Meert’, alinea 3]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Niederraden (Oberraden)
*Anoniem ([ca. 8 september 1620]) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 8 september#art1al7|‘Tijdinghe wt Franckfort, Ende den lesten Augusti wt Bon 1620’, alinea 7]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
;Oberwesel
*Anoniem (7 november 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 45/Uyt Ceulen den 3 dito|‘Uyt Ceulen den 3 dito. [= 3 november 1645]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 2].
;Osthofen
*Anoniem (1 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 maart/Wt Mentz den 18. dito|‘Wt Mentz den 18. dito. [= 18 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Oosthoven’).
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Worms den 27. dito|‘Wt Worms den 27. dito. [= 27 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2] (als ‘Oosthoven’).
;Passau
*Anoniem (15 februari 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/15 februari#art8al2|‘Wt Praghe den xxvi. ditto. [= 26 januari 1620]’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7-8 (Passau vermeld als ‘Passauw’).
*Anoniem (8 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/8 augustus#art2|‘Wt Regenspurg den 11. Julij’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-5.
;Peterswörth
*Anoniem (17 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/17 juli (1)#art5al4|‘Wt Vlm van xxiij. Junij 1620’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7.
;Rectz (= Rhens?)
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al4|‘Wt Ceulen’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Rees
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al11|‘Wt Ceulen’, alinea 11]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Rhede (Borken)
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Eenige Compagnie Ruyters|‘Eenige Compagnie Ruyters met een deel voet volc zijn op naer het Stift van Munster, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Renen’).
;Rheinberg
*Anoniem ([ca. 8 september 1620]) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 8 september#art2|‘Wt Ceulen’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Rockenhausen
*Anoniem (28 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 november#art5|‘VVt Oppenheym den 19. Nouembris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 8 (Rockenhausen vermeld als ‘Reckenhausen’).
;Saalfeld/Saale
*Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Bremen den 30 dito|‘Wt Bremen den 30 dito. [= 30 mei 1640]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p. 2].
;Sandhofen
*Anoniem ([ca. 8 september 1620]) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 8 september#art1al7|‘Tijdinghe wt Franckfort, Ende den lesten Augusti wt Bon 1620’, alinea 7]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-6.
;Sankt Goar
*Anoniem (14 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/14 oktober (2)#art1al9|‘Tijdinghe vvt den Legher van syn Excellentie Marquis Ambrosius Spinola, 1620’, alinea 9]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-7.
;Schlüchtern
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Franckfort den 23. dito|‘Wt Franckfort den 23. dito. [= 23 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Schweinsdorf (Freital)
*Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Franckfort den 23. dito|‘Wt Franckfort den 23. dito. [= 23 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Simmern/Hunsrück
*Anoniem (14 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/14 oktober (2)#art1al13|‘Tijdinghe vvt den Legher van syn Excellentie Marquis Ambrosius Spinola, 1620’, alinea 13]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-7.
*Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Ceulen, den 10 October|‘VVt Ceulen, den 10 October’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''., [p. 2] (vermeld als ‘Zummeren’).
;Sinte Guwer (= Sankt Goar?)
*Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al5|‘Wt Ceulen’, alinea 5]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Sinzig
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/VVt Ceulen|‘VVt Ceulen’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2] (als ‘Sintsig’).
;Stralsund
*Anoniem (6 maart 1809) [[Koninklijke Courant/1809/Nummer 54/Straalsund den 21 van sprokkelmaand|‘Straalsund den 21 van sprokkelmaand [= 21 februari 1809]’]], ''Koninklijke Courant'', [p. 2].
;Sulzbach (Taunus)
*Anoniem (8 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 3#art3|‘VVt Franckfort in Decembris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-4 (Sulzbach vermeld als ‘Sultzelach’).
;Torgau
*Anoniem (26 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/26 mei/Die van Leypsich vermelden|‘Die van Leypsich vermelden […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Traben-Trarbach
*Anoniem (28 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 november#art5|‘VVt Oppenheym den 19. Nouembris’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 8.
*Anoniem (30 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/30 december (3)#art1|‘Tijdinghe wt Pfalts-Grauen Lant, wt den Legher van sijn Exc. den Marquis Spinola. 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3.
;Varel
*Anoniem (18 maart 1741) [[Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Also den 17 February 1741 een vreemde Joodin vermoord gevonden is|‘Also den 17 February 1741, in de Graefl. Bentingse Heerschap Varel, een vreemde Joodin […] vermoord gevonden is […] [advertentie]’]], ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', [p. 1].
;Vendersheim
*Anoniem (26 februari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 februari/VVt Francfoort den 18. dito|‘VVt Francfoort den 18. dito. [= 18 februari 1621]’, alinea 4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
;Vreden
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Eenige Compagnie Ruyters|‘Eenige Compagnie Ruyters met een deel voet volc zijn op naer het Stift van Munster, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Vreen’).
;Waldsassen
*Anoniem (5 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/5 mei/VVt Greslits in Bohemen|‘VVt Greslits in Bohemen’, alinea 4]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1] (als ‘Waltsaxen’).
;Walsdorf (Hessen)
*Anoniem (4 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/4 september#art2|‘Wt den Elsz van 24. Augusti’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7.
;Westerburg
*Anoniem (4 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/4 september#art2|‘Wt den Elsz van 24. Augusti’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7.
;Westhofen
*Anoniem (1 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 maart/Wt Mentz den 18. dito|‘Wt Mentz den 18. dito. [= 18 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2] (als ‘Westhoven’).
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Worms den 27. dito|‘Wt Worms den 27. dito. [= 27 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2] (als ‘West-hoven’).
;Wetzlar
*Anoniem (26 februari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 februari/VVt Francfoort den 18. dito|‘VVt Francfoort den 18. dito. [= 18 februari 1621]’, alinea 2]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
*Anoniem (26 april 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 april/VVt Francfoort den 18. April|‘VVt Francfoort den 18. April’, alinea 4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2] (als ‘Wetselaer’).
;Wismar
*Anoniem (10 september 1675) [[Amsterdamsche Courant/1675/Nummer 37/Cleve den 7 September|‘Cleve den 7 September’]], ''Amsterdamsche Dinghsdaegse Courant'', [p. 2].
;Wolfebbüttel
*Anoniem (16 juli 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/16 juli (1)#art4|‘Wt Ceulen van 21. ditto. [= 21 juni 1620]’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-7.
;Würzburg
*Anoniem ([10] april 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/april#art1al15|‘Wt Weenen xj. Meert 1620’, alinea 15]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-8 (Würzburg vermeld als ‘Wirtzbourgh’).
;Zittau
*Anoniem (7 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/7 oktober (1)#art3al3|‘Wt Praghe’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 5-7 (Zittau vermeld als ‘Sitta’).
*Anoniem (11 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/11 december (1)#art5|‘Tijdinghe vvt Buddissin den 19 Nouember, 1620’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 6-8.
;Overige plaatsen
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Alzey|Alzey]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Augsburg|Augsburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Bacharach|Bacharach]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Bad Kreuznach|Bad Kreuznach]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Bautzen|Bautzen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Breisach am Rhein|Breisach am Rhein]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Frankenthal (Palts)|Frankenthal (Palts)]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Frankfurt am Main|Frankfurt am Main]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Görlitz|Görlitz]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Hamburg|Hamburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Heidelberg|Heidelberg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Keulen|Keulen]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Kirchberg (Rijnland-Palts)|Kirchberg (Rijnland-Palts)]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Ladenburg|Ladenburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Oppenheim|Oppenheim]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Philippsburg|Philippsburg]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Schenkenschanz|Schenkenschanz]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Speyer|Speyer]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Trier|Trier]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Wezel|Wezel]]
* [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Worms|Worms]]
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal geschiedenis]]
t37nesbunlvb0ggvvppgzai87s3epcs
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/450
104
51471
219040
165969
2026-03-28T14:44:26Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219040
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|44|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>scheidene gevallen zijn bekend, van ''Hura crepitans'' en eenige palmsoorten, waarin bij het openspringen van de vrucht of van de bloeischeede een sterk geluid wordt gehoord. Van eenen anderen aard is het volgende geval, door {{sc|göppert}} waargenomen en medegedeeld aan de redactie der ''Bonplandia'' (1862, S. 59).
{{sc|G}}, sneedt op zijne les de nog onrijpe vrouwelijke bloeikolf van ''Zamia integrifolia'' overdwars door, ten einde het maaksel daarvan aan zijne toehoorders te toonen. Bij dit doorsnijden vernam men een geluid als van eene zwakke ontploffing. Bij eene tweede doorsnijding, een duim beneden de eerste, hoorde men 't zelfde, doch zwakker. Aan eene merkelijk jongere bloeikolf derzelfde plant werd deze waarneming met gelijk gevolg herhaald. {{sc|G}}. vermoedt, dat de oorzaak van dit verschijnsel in gecomprimeerde lucht moet gezocht worden. Dat er althans geene temperatuur-verhooging in het spel was, zooals waarschijnlijk bij de openspringende bloeischeeden van palmen, bleek door het niet rijzen van een in de bloeikolf gestoken zeer gevoeligen thermometer.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Kleurstof in de vederen van Musophaga.''' — In 1858 heeft de heer {{sc|bogdanow}}, uit Moskou, aan de ''Académie des Sciences'' waarnemingen medegedeeld over de kleurstof der vogelvederen, bepaaldelijk van ''Calurus auriceps'', — van welke waarnemingen door mij even daarna een kort verslag is geleverd in dit Bijblad (1858, bladz. 13). {{sc|B}}. heeft uit zijne proeven het gevolg getrokken, dat de kleuren der vederen veroorzaakt worden: 1) door op zich zelf verkrijgbare kleurstoffen, die scheikundig kunnen verdeeld worden in: a kleurstoffen, die oplosbaar zijn in alkohol en aether (''zoo-verdine, zoo-fulvine, zoo-erythrine''), en b de in ammoniak oplosbare (de zwarte kleurstof of ''zoo-melanine''); 2) optisch, door de gesteldheid van de oppervlakte der vederen. Tot deze laatste, optische, niet door eene bijzondere kleurstof te weeg gebragte kleuren bragt {{sc|B}}, de ''blaauwe'' kleur der veêren. — Tegen deze laatste opvatting scheen eene waarneming van prof. {{sc|schlegel}}, medegedeeld in de ''Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen'', 1858. VI, bladz. 381 en overgenomen in het ''Journal d'Ornithologie'' van {{sc|cabanis}}, 1858, te strijden. {{sc|Schlegel}} had, naar aanleiding van eene waarneming van {{sc|jules verreaux}}, bevonden, dat wanneer men een levenden Touraco (''Musophaga albicristata'') met water nat maakt, de fraai violet-purperen vleugelpennen bleeker worden, maar dat de oorspronkelijke kleur met den tijd terugkomt. De vederen van een dooden vogel daarentegen veranderen niet. Zoo echter de vogel, wiens veêren gedurende het leven door water verbleekt zijn geworden, sterft voor dat die veêren hare natuurlijke kleur terug hebben gekregen, dan veranderen die<noinclude></noinclude>
3arb0yoxvscgh4af091n5k1cots685d
219041
219040
2026-03-28T14:44:40Z
DoekeHellema
16849
219041
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|44|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>scheidene gevallen zijn bekend, van ''Hura crepitans'' en eenige palmsoorten, waarin bij het openspringen van de vrucht of van de bloeischeede een sterk geluid wordt gehoord. Van eenen anderen aard is het volgende geval, door {{sc|göppert}} waargenomen en medegedeeld aan de redactie der ''Bonplandia'' (1862, S. 59).
{{sc|G}}. sneedt op zijne les de nog onrijpe vrouwelijke bloeikolf van ''Zamia integrifolia'' overdwars door, ten einde het maaksel daarvan aan zijne toehoorders te toonen. Bij dit doorsnijden vernam men een geluid als van eene zwakke ontploffing. Bij eene tweede doorsnijding, een duim beneden de eerste, hoorde men 't zelfde, doch zwakker. Aan eene merkelijk jongere bloeikolf derzelfde plant werd deze waarneming met gelijk gevolg herhaald. {{sc|G}}. vermoedt, dat de oorzaak van dit verschijnsel in gecomprimeerde lucht moet gezocht worden. Dat er althans geene temperatuur-verhooging in het spel was, zooals waarschijnlijk bij de openspringende bloeischeeden van palmen, bleek door het niet rijzen van een in de bloeikolf gestoken zeer gevoeligen thermometer.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Kleurstof in de vederen van Musophaga.''' — In 1858 heeft de heer {{sc|bogdanow}}, uit Moskou, aan de ''Académie des Sciences'' waarnemingen medegedeeld over de kleurstof der vogelvederen, bepaaldelijk van ''Calurus auriceps'', — van welke waarnemingen door mij even daarna een kort verslag is geleverd in dit Bijblad (1858, bladz. 13). {{sc|B}}. heeft uit zijne proeven het gevolg getrokken, dat de kleuren der vederen veroorzaakt worden: 1) door op zich zelf verkrijgbare kleurstoffen, die scheikundig kunnen verdeeld worden in: a kleurstoffen, die oplosbaar zijn in alkohol en aether (''zoo-verdine, zoo-fulvine, zoo-erythrine''), en b de in ammoniak oplosbare (de zwarte kleurstof of ''zoo-melanine''); 2) optisch, door de gesteldheid van de oppervlakte der vederen. Tot deze laatste, optische, niet door eene bijzondere kleurstof te weeg gebragte kleuren bragt {{sc|B}}, de ''blaauwe'' kleur der veêren. — Tegen deze laatste opvatting scheen eene waarneming van prof. {{sc|schlegel}}, medegedeeld in de ''Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen'', 1858. VI, bladz. 381 en overgenomen in het ''Journal d'Ornithologie'' van {{sc|cabanis}}, 1858, te strijden. {{sc|Schlegel}} had, naar aanleiding van eene waarneming van {{sc|jules verreaux}}, bevonden, dat wanneer men een levenden Touraco (''Musophaga albicristata'') met water nat maakt, de fraai violet-purperen vleugelpennen bleeker worden, maar dat de oorspronkelijke kleur met den tijd terugkomt. De vederen van een dooden vogel daarentegen veranderen niet. Zoo echter de vogel, wiens veêren gedurende het leven door water verbleekt zijn geworden, sterft voor dat die veêren hare natuurlijke kleur terug hebben gekregen, dan veranderen die<noinclude></noinclude>
evqzr7ssojxd23gillrr2ig8cgv5g90
219042
219041
2026-03-28T14:46:22Z
DoekeHellema
16849
219042
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|44|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>scheidene gevallen zijn bekend, van ''Hura crepitans'' en eenige palmsoorten, waarin bij het openspringen van de vrucht of van de bloeischeede een sterk geluid wordt gehoord. Van eenen anderen aard is het volgende geval, door {{sc|göppert}} waargenomen en medegedeeld aan de redactie der ''Bonplandia'' (1862, S. 59).
{{sc|G}}. sneedt op zijne les de nog onrijpe vrouwelijke bloeikolf van ''Zamia integrifolia'' overdwars door, ten einde het maaksel daarvan aan zijne toehoorders te toonen. Bij dit doorsnijden vernam men een geluid als van eene zwakke ontploffing. Bij eene tweede doorsnijding, een duim beneden de eerste, hoorde men 't zelfde, doch zwakker. Aan eene merkelijk jongere bloeikolf derzelfde plant werd deze waarneming met gelijk gevolg herhaald. {{sc|G}}. vermoedt, dat de oorzaak van dit verschijnsel in gecomprimeerde lucht moet gezocht worden. Dat er althans geene temperatuur-verhooging in het spel was, zooals waarschijnlijk bij de openspringende bloeischeeden van palmen, bleek door het niet rijzen van een in de bloeikolf gestoken zeer gevoeligen thermometer.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Kleurstof in de vederen van Musophaga.''' — In 1858 heeft de heer {{sc|bogdanow}}, uit Moskou, aan de ''Académie des Sciences'' waarnemingen medegedeeld over de kleurstof der vogelvederen, bepaaldelijk van ''Calurus auriceps'', — van welke waarnemingen door mij even daarna een kort verslag is geleverd in dit Bijblad (1858, bladz. 13). {{sc|B}}. heeft uit zijne proeven het gevolg getrokken, dat de kleuren der vederen veroorzaakt worden: 1) door op zich zelf verkrijgbare kleurstoffen, die scheikundig kunnen verdeeld worden in: ''a'' kleurstoffen, die oplosbaar zijn in alkohol en aether (''zoo-verdine, zoo-fulvine, zoo-erythrine''), en ''b'' de in ammoniak oplosbare (de zwarte kleurstof of ''zoo-melanine''); 2) optisch, door de gesteldheid van de oppervlakte der vederen. Tot deze laatste, optische, niet door eene bijzondere kleurstof te weeg gebragte kleuren bragt {{sc|B}}, de ''blaauwe'' kleur der veêren. — Tegen deze laatste opvatting scheen eene waarneming van prof. {{sc|schlegel}}, medegedeeld in de ''Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen'', 1858. VI, bladz. 381 en overgenomen in het ''Journal d'Ornithologie'' van {{sc|cabanis}}, 1858, te strijden. {{sc|Schlegel}} had, naar aanleiding van eene waarneming van {{sc|jules verreaux}}, bevonden, dat wanneer men een levenden Touraco (''Musophaga albicristata'') met water nat maakt, de fraai violet-purperen vleugelpennen bleeker worden, maar dat de oorspronkelijke kleur met den tijd terugkomt. De vederen van een dooden vogel daarentegen veranderen niet. Zoo echter de vogel, wiens veêren gedurende het leven door water verbleekt zijn geworden, sterft voor dat die veêren hare natuurlijke kleur terug hebben gekregen, dan veranderen die<noinclude></noinclude>
1e416qko2vcy9ocilr25w5h1onyll14
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/452
104
51472
219046
165971
2026-03-28T14:53:02Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219046
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|46|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>den ''laryngeus externus'' (''ramus externus nervi laryngei superioris''). — Bij de eenhoevigen ontspringen de beweegzenuwen van dit deel des slokdarms ook wel van de laatst genoemde vagustakken, maar zekere centripetale zenuwdraden komen uit den ''laryngeus recurrens''; snijdt men nu den slokdarm op het midden van den hals door, dan worden deze draden ook doorgesneden; en, daar op die doorsnijding, niettegenstaande den hoogeren oorsprong en het gespaarde centraalverband der beweegzenuwen, ''toch steeds verschijnselen van paralysis of ten minste van ataxia volgen'', zoo is men genoodzaakt aan te nemen, dat deze centripetale zenuwdraden bij het voortbrengen der peristaltische bewegingen des slokdarms eene even wezenlijke rol vervullen, als de beweegzenuwen zelve (''Compt. rend.''. Tom. LIV, p. 664).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Opslorping van stralende warmte door waterdamp.''' — In het April-nommer van het ''Philosophical magazine'' bespreekt {{sc|tyndall}} uitvoerig de negative uitkomsten, door prof. {{sc|magnus}} aangaande dit onderwerp verkregen en de aanmerkingen, naar aanleiding daarvan door dezen onderzoeker op zijne (T's) wijze van proefnemen gemaakt. {{sc|Magnus}} had gebruik gemaakt van eenen toestel, die kortelijk aldus kan worden beschreven: het boveneind van eene hooge glasklok is luchtdigt gesloten door eene metalen plaat, die zelve tot bodem dient van een vat, waarin door daarin geleiden stoom water aan 't koken kan worden gehouden. De thermo-elektrische bundel van het {{sc|melloni}}-apparaat is op geschikte wijze onder in deze klok geplaatst en de geleiders daarvan gaan luchtdigt door de plaat, welke haar van onderen afsluit. Door eene met eene luchtpomp verbonden kraan kan de lucht in de klok zeer verdund en door eene andere kan de klok daarna met eenig gas of damp gevuld worden. In alle gevallen kan de bundel door een scherm voor de uitstraling van de daarboven geplaatste tot op 100° verhitte oppervlakte beschut, of dit weggenomen worden. Deed men dit nu eerst als de klok met drooge en daarna als zij met vochtige lucht gevuld was, dan kon men uit het verschil der afwijkingen, in den met den bundel verbonden rheoskoop, in de beide gevallen de opslorping van de warmtestralen door den waterdamp afleiden. {{sc|Magnus}} kon daarbij geen verschil hoegenaamd waarnemen.
{{sc|Tyndall}} daarentegen bezigde den toestel, in den vorigen jaargang bl. 45 van dit bijblad beschreven, en die van de inrigting van {{sc|magnus}} vooral daarin verschilt, dat de gassen daarbij noch met den bundel noch ook met de verhitte oppervlakte in aanraking konden komen, maar steeds gebragt werden in eene van beiden afgescheidene, door platen van klipzout gesloten buis.
Nu zegt M. dat, wat T. gehouden heeft voor de opslorping door den water-<noinclude></noinclude>
pxvc7zal0l8ffp46sr8jmuv3yjef64e
219047
219046
2026-03-28T14:53:46Z
DoekeHellema
16849
219047
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|46|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>den ''laryngeus externus'' (''ramus externus nervi laryngei superioris''). — Bij de eenhoevigen ontspringen de beweegzenuwen van dit deel des slokdarms ook wel van de laatst genoemde vagustakken, maar zekere centripetale zenuwdraden komen uit den ''laryngeus recurrens''; snijdt men nu den slokdarm op het midden van den hals door, dan worden deze draden ook doorgesneden; en, daar op die doorsnijding, niettegenstaande den hoogeren oorsprong en het gespaarde centraalverband der beweegzenuwen, ''toch steeds verschijnselen van paralysis of ten minste van ataxia volgen'', zoo is men genoodzaakt aan te nemen, dat deze centripetale zenuwdraden bij het voortbrengen der peristaltische bewegingen des slokdarms eene even wezenlijke rol vervullen, als de beweegzenuwen zelve (''Compt. rend.'', Tom. LIV, p. 664).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Opslorping van stralende warmte door waterdamp.''' — In het April-nommer van het ''Philosophical magazine'' bespreekt {{sc|tyndall}} uitvoerig de negative uitkomsten, door prof. {{sc|magnus}} aangaande dit onderwerp verkregen en de aanmerkingen, naar aanleiding daarvan door dezen onderzoeker op zijne (T's) wijze van proefnemen gemaakt. {{sc|Magnus}} had gebruik gemaakt van eenen toestel, die kortelijk aldus kan worden beschreven: het boveneind van eene hooge glasklok is luchtdigt gesloten door eene metalen plaat, die zelve tot bodem dient van een vat, waarin door daarin geleiden stoom water aan 't koken kan worden gehouden. De thermo-elektrische bundel van het {{sc|melloni}}-apparaat is op geschikte wijze onder in deze klok geplaatst en de geleiders daarvan gaan luchtdigt door de plaat, welke haar van onderen afsluit. Door eene met eene luchtpomp verbonden kraan kan de lucht in de klok zeer verdund en door eene andere kan de klok daarna met eenig gas of damp gevuld worden. In alle gevallen kan de bundel door een scherm voor de uitstraling van de daarboven geplaatste tot op 100° verhitte oppervlakte beschut, of dit weggenomen worden. Deed men dit nu eerst als de klok met drooge en daarna als zij met vochtige lucht gevuld was, dan kon men uit het verschil der afwijkingen, in den met den bundel verbonden rheoskoop, in de beide gevallen de opslorping van de warmtestralen door den waterdamp afleiden. {{sc|Magnus}} kon daarbij geen verschil hoegenaamd waarnemen.
{{sc|Tyndall}} daarentegen bezigde den toestel, in den vorigen jaargang bl. 45 van dit bijblad beschreven, en die van de inrigting van {{sc|magnus}} vooral daarin verschilt, dat de gassen daarbij noch met den bundel noch ook met de verhitte oppervlakte in aanraking konden komen, maar steeds gebragt werden in eene van beiden afgescheidene, door platen van klipzout gesloten buis.
Nu zegt M. dat, wat T. gehouden heeft voor de opslorping door den water-<noinclude></noinclude>
1dtnjcptmvwrw3i5x0vj2nq574h6w0d
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/451
104
52123
219043
165970
2026-03-28T14:47:58Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219043
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|45}}</noinclude>veêren van kleur en worden ''blaauw''. Dus wordt eene roode veer bij een dooden vogel blaauw; hoe is dit te verklaren uit het oogpunt, dat de blaauwe kleur der vederen eene optische kleur is? — B. heeft het pigment van de vederen van den Touraco door uittrekking met ammoniak geisoleerd en eene goede hoeveelheid daarvan verkregen. Het is een rood poeder, doch dat in massa eene blaauwe tint bezit, of blaauw iriseert en den metaalglans der vederen heeft. Men heeft dus hier een, even als de ''zoo-melanine'', in ammoniak oplosbaar, maar ''rood'' pigment, — een pigment, dat het bewijs levert, dat de irisatie der veêren niet slechts van de gesteldheid der oppervlakte, maar ook van een iriserend pigment kan afhangen. Wat het blaauw worden betreft, zoo hangt dit naar alle aanzien dáárvan af, dat de kleurstof van de oppervlakkige lagen der vederen zich oplost en dat die lagen zelve daardoor, ten aanzien der onderliggende lagen, "troebele middenstoffen" (''trübe Medien'') worden. Lagen, die rijk aan kleurstof, en bedekt zijn door hoornplaatjes, die de eigenschappen dier ''trübe Medien'' bezitten, geven den indruk van blaauw, gelijk o.a, door {{sc|brücke}} is aangetoond. En dit is bij ''Musophaga'' des te gemakkelijker, daar het roode pigment reeds op zich zelf blaauw iriseert. (''Compt, rend''.. Tom. LIV, p. 660).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''De nervus vagus en de slokdarm.''' — {{sc|A. chauveau}} heeft den ''nervus vagus'' bestudeerd als opwekkings- en regelingszenuw van de zamentrekkingen van den slokdarm, — bepaaldelijk van het tracheaal-gedeelte, — bij den doorgang der spijzen. — De beweegzenuwen van den slokdarm komen allen van de eigene wortelvezelen van den ''vagus'' en hebben dus geenszins aan de anastomosen van die zenuw met andere zenuwen haar bestaan te danken; indien men bij een pas gedood dier de wortelen van den ''n. accessorius'', van den ''n. hypoglossus'', van den ''n. glosso-pharyngeus'' en van den ''n. facialis'', alsmede de wortels der verschillende sympathische zenuwdraden, die met den ''vagus'' gemeenschap hebben, plaatselijk prikkelt, dan volgen er geene bewegingen, noch van de maag, noch van den slokdarm, terwijl daarentegen, wanneer men de eigene wortels van den ''vagus'' irriteert, er in de beide genoemde organen krachtige zamentrekkingen ontstaan. — Bij het konijn wordt, na doorsnijding der ''vagi'' midden aan den hals, het tracheaal-gedeelte van den slokdarm volkomen geparalyseerd, omdat de slokdarm dan verstoken is van den invloed zijner centrifugale en centripetale zenuwen, die allen ontspringen uit den ''n. laryngeus recurrens''. — Bij den hond behoudt, na dezelfde operatie, het tracheaal-gedeelte des slokdarms zijne zamentrekkingen en de regelmaat daarvan, omdat het hier den invloed blijft behouden van zijne centripetale en centrifugale zenuwen, die bij den hond allen afgegeven worden door den ''n. pharyngeus'' en<noinclude></noinclude>
aqefk6746knjdeume0j3mgh80kkbs2c
219044
219043
2026-03-28T14:49:54Z
DoekeHellema
16849
219044
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|45}}</noinclude>veêren van kleur en worden ''blaauw''. Dus wordt eene roode veer bij een dooden vogel blaauw; hoe is dit te verklaren uit het oogpunt, dat de blaauwe kleur der vederen eene optische kleur is? — B. heeft het pigment van de vederen van den Touraco door uittrekking met ammoniak geisoleerd en eene goede hoeveelheid daarvan verkregen. Het is een rood poeder, doch dat in massa eene blaauwe tint bezit, of blaauw iriseert en den metaalglans der vederen heeft. Men heeft dus hier een, even als de ''zoo-melanine'', in ammoniak oplosbaar, maar ''rood'' pigment, — een pigment, dat het bewijs levert, dat de irisatie der veêren niet slechts van de gesteldheid der oppervlakte, maar ook van een iriserend pigment kan afhangen. Wat het blaauw worden betreft, zoo hangt dit naar alle aanzien dáárvan af, dat de kleurstof van de oppervlakkige lagen der vederen zich oplost en dat die lagen zelve daardoor, ten aanzien der onderliggende lagen, "troebele middenstoffen" (''trübe Medien'') worden. Lagen, die rijk aan kleurstof, en bedekt zijn door hoornplaatjes, die de eigenschappen dier ''trübe Medien'' bezitten, geven den indruk van blaauw, gelijk o.a, door {{sc|brücke}} is aangetoond. En dit is bij ''Musophaga'' des te gemakkelijker, daar het roode pigment reeds op zich zelf blaauw iriseert. (''Compt, rend.', Tom. LIV, p. 660).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''De nervus vagus en de slokdarm.''' — {{sc|A. chauveau}} heeft den ''nervus vagus'' bestudeerd als opwekkings- en regelingszenuw van de zamentrekkingen van den slokdarm, — bepaaldelijk van het tracheaal-gedeelte, — bij den doorgang der spijzen. — De beweegzenuwen van den slokdarm komen allen van de eigene wortelvezelen van den ''vagus'' en hebben dus geenszins aan de anastomosen van die zenuw met andere zenuwen haar bestaan te danken; indien men bij een pas gedood dier de wortelen van den ''n. accessorius'', van den ''n. hypoglossus'', van den ''n. glosso-pharyngeus'' en van den ''n. facialis'', alsmede de wortels der verschillende sympathische zenuwdraden, die met den ''vagus'' gemeenschap hebben, plaatselijk prikkelt, dan volgen er geene bewegingen, noch van de maag, noch van den slokdarm, terwijl daarentegen, wanneer men de eigene wortels van den ''vagus'' irriteert, er in de beide genoemde organen krachtige zamentrekkingen ontstaan. — Bij het konijn wordt, na doorsnijding der ''vagi'' midden aan den hals, het tracheaal-gedeelte van den slokdarm volkomen geparalyseerd, omdat de slokdarm dan verstoken is van den invloed zijner centrifugale en centripetale zenuwen, die allen ontspringen uit den ''n. laryngeus recurrens''. — Bij den hond behoudt, na dezelfde operatie, het tracheaal-gedeelte des slokdarms zijne zamentrekkingen en de regelmaat daarvan, omdat het hier den invloed blijft behouden van zijne centripetale en centrifugale zenuwen, die bij den hond allen afgegeven worden door den ''n. pharyngeus'' en<noinclude></noinclude>
nqi3br041dh8q9gw0rdpz5zdnlfaiv1
219045
219044
2026-03-28T14:50:42Z
DoekeHellema
16849
219045
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|45}}</noinclude>veêren van kleur en worden ''blaauw''. Dus wordt eene roode veer bij een dooden vogel blaauw; hoe is dit te verklaren uit het oogpunt, dat de blaauwe kleur der vederen eene optische kleur is? — B. heeft het pigment van de vederen van den Touraco door uittrekking met ammoniak geisoleerd en eene goede hoeveelheid daarvan verkregen. Het is een rood poeder, doch dat in massa eene blaauwe tint bezit, of blaauw iriseert en den metaalglans der vederen heeft. Men heeft dus hier een, even als de ''zoo-melanine'', in ammoniak oplosbaar, maar ''rood'' pigment, — een pigment, dat het bewijs levert, dat de irisatie der veêren niet slechts van de gesteldheid der oppervlakte, maar ook van een iriserend pigment kan afhangen. Wat het blaauw worden betreft, zoo hangt dit naar alle aanzien dáárvan af, dat de kleurstof van de oppervlakkige lagen der vederen zich oplost en dat die lagen zelve daardoor, ten aanzien der onderliggende lagen, "troebele middenstoffen" (''trübe Medien'') worden. Lagen, die rijk aan kleurstof, en bedekt zijn door hoornplaatjes, die de eigenschappen dier ''trübe Medien'' bezitten, geven den indruk van blaauw, gelijk o.a, door {{sc|brücke}} is aangetoond. En dit is bij ''Musophaga'' des te gemakkelijker, daar het roode pigment reeds op zich zelf blaauw iriseert. (''Compt. rend.'', Tom. LIV, p. 660).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''De nervus vagus en de slokdarm.''' — {{sc|A. chauveau}} heeft den ''nervus vagus'' bestudeerd als opwekkings- en regelingszenuw van de zamentrekkingen van den slokdarm, — bepaaldelijk van het tracheaal-gedeelte, — bij den doorgang der spijzen. — De beweegzenuwen van den slokdarm komen allen van de eigene wortelvezelen van den ''vagus'' en hebben dus geenszins aan de anastomosen van die zenuw met andere zenuwen haar bestaan te danken; indien men bij een pas gedood dier de wortelen van den ''n. accessorius'', van den ''n. hypoglossus'', van den ''n. glosso-pharyngeus'' en van den ''n. facialis'', alsmede de wortels der verschillende sympathische zenuwdraden, die met den ''vagus'' gemeenschap hebben, plaatselijk prikkelt, dan volgen er geene bewegingen, noch van de maag, noch van den slokdarm, terwijl daarentegen, wanneer men de eigene wortels van den ''vagus'' irriteert, er in de beide genoemde organen krachtige zamentrekkingen ontstaan. — Bij het konijn wordt, na doorsnijding der ''vagi'' midden aan den hals, het tracheaal-gedeelte van den slokdarm volkomen geparalyseerd, omdat de slokdarm dan verstoken is van den invloed zijner centrifugale en centripetale zenuwen, die allen ontspringen uit den ''n. laryngeus recurrens''. — Bij den hond behoudt, na dezelfde operatie, het tracheaal-gedeelte des slokdarms zijne zamentrekkingen en de regelmaat daarvan, omdat het hier den invloed blijft behouden van zijne centripetale en centrifugale zenuwen, die bij den hond allen afgegeven worden door den ''n. pharyngeus'' en<noinclude></noinclude>
9yfdbfbwip7zdoxgbcftyd7jizuovfx
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/201
104
56758
219029
209891
2026-03-28T14:07:44Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219029
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||VICTORIA REGIA.|181}}</noinclude>De bladstelen, waarop de kolossale bladschijven rusten, zijn fraai purperrood en ook al met ontelbare fijne stekels bezet. Op eene dwarse doorsnede ontdekt men daarin vele luchtkanalen, die wel is waar in uitgebreidheid verschillen, maar toch altijd regelmatig gegroepeerd zijn. De lengte dier bladstelen hangt voor een groot deel af van de hoogte des waterspiegels en kan 15 à 16 voet bereiken; hunne dikte wisselt af tusschen ¾ en 1½ Par. duim. Zij zijn niet in 't midden, maar aan de eene zijde iets meer naar den omtrek der bladschijf ingeplant.
Wij hebben tot hiertoe nog slechts kennis gemaakt met den wortel, den stam en de bladen der Koninklijke Waterlelie, het wordt dus tijd, dat wij ook hare bloem aan een ietwat naauwkeuriger onderzoek onderwerpen.
De bloemknoppen der Victoria ontstaan, evenals die van alle andere Waterleliën, en in tegenoverstelling van hetgeen men bij de meeste andere planten gebeuren ziet, niet ''in'', maar naast de oksels der bladen, en zijn dus geplaatst in eene spiraal, evenwijdig aan die der bladen zelve. Men ontwaart hen, door het water heen, gewoonlijk niet vóór zij de grootte van een klein hoenderei bereikt hebben, en ziet hen in dezelfde mate zwellen als zij de oppervlakte des waters meer nabij komen. Gewoonlijk is die oppervlakte 8 — 14 dagen nadat men den knop het eerst bespeurde, bereikt of zelfs overschreden, en hiermede dan tevens aangekondigd, dat de ontluiking op den derden dag na dit tijdstip zal plaats hebben, altijd in de vooronderstelling, dat licht en warmte hun invloed krachtig doen gelden. Op den dag, waarop de bloemknop den waterspiegel het eerst overschrijdt, verheft hij zich daarboven niet hooger dan {{smaller|{{frac|1|3}}}} zijner lengte; eerst den volgenden dag wordt hij geheel zigtbaar, nogthans slechts voor den tijd van eenige weinige uren, vallende in den voormiddag (meest tusschen 7 en 9 ure), waarna hij weer halverlengte onderduikt. Gedurende dien geheelen tweeden dag is de knop onrustig en beweegt hij zich heen en weêr in een halven cirkel. Tegen de avondschemering houdt alle beweging op; doch op den derden dag, gedurende welken de knop tot aan den eijerstok boven het water uitsteekt, begint zij op nieuw en wel tot bijna op het oogenblik dat de ontplooijing der kelkbladen een aanvang neemt.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
lxpbgmmrtelmmwqb9eptb55i1d6mod7
219030
219029
2026-03-28T14:07:59Z
DoekeHellema
16849
219030
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||VICTORIA REGIA.|181}}</noinclude>De bladstelen, waarop de kolossale bladschijven rusten, zijn fraai purperrood en ook al met ontelbare fijne stekels bezet. Op eene dwarse doorsnede ontdekt men daarin vele luchtkanalen, die wel is waar in uitgebreidheid verschillen, maar toch altijd regelmatig gegroepeerd zijn. De lengte dier bladstelen hangt voor een groot deel af van de hoogte des waterspiegels en kan 15 à 16 voet bereiken; hunne dikte wisselt af tusschen ¾ en 1½ Par. duim. Zij zijn niet in 't midden, maar aan de eene zijde iets meer naar den omtrek der bladschijf ingeplant.
Wij hebben tot hiertoe nog slechts kennis gemaakt met den wortel, den stam en de bladen der Koninklijke Waterlelie, het wordt dus tijd, dat wij ook hare bloem aan een ietwat naauwkeuriger onderzoek onderwerpen.
De bloemknoppen der Victoria ontstaan, evenals die van alle andere Waterleliën, en in tegenoverstelling van hetgeen men bij de meeste andere planten gebeuren ziet, niet ''in'', maar ''naast'' de oksels der bladen, en zijn dus geplaatst in eene spiraal, evenwijdig aan die der bladen zelve. Men ontwaart hen, door het water heen, gewoonlijk niet vóór zij de grootte van een klein hoenderei bereikt hebben, en ziet hen in dezelfde mate zwellen als zij de oppervlakte des waters meer nabij komen. Gewoonlijk is die oppervlakte 8 — 14 dagen nadat men den knop het eerst bespeurde, bereikt of zelfs overschreden, en hiermede dan tevens aangekondigd, dat de ontluiking op den derden dag na dit tijdstip zal plaats hebben, altijd in de vooronderstelling, dat licht en warmte hun invloed krachtig doen gelden. Op den dag, waarop de bloemknop den waterspiegel het eerst overschrijdt, verheft hij zich daarboven niet hooger dan {{smaller|{{frac|1|3}}}} zijner lengte; eerst den volgenden dag wordt hij geheel zigtbaar, nogthans slechts voor den tijd van eenige weinige uren, vallende in den voormiddag (meest tusschen 7 en 9 ure), waarna hij weer halverlengte onderduikt. Gedurende dien geheelen tweeden dag is de knop onrustig en beweegt hij zich heen en weêr in een halven cirkel. Tegen de avondschemering houdt alle beweging op; doch op den derden dag, gedurende welken de knop tot aan den eijerstok boven het water uitsteekt, begint zij op nieuw en wel tot bijna op het oogenblik dat de ontplooijing der kelkbladen een aanvang neemt.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
kbdjhj8kqy7a20b3xc055bb3626w7a7
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/202
104
56759
219031
209892
2026-03-28T14:10:58Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219031
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|182|VICTORIA REGIA.|}}</noinclude>Deze ontplooijing heeft tot hiertoe in de meeste tuinen, en zoo ook in den Amsterdamschen, plaats gehad tusschen 4 en 5 ure 's namiddags. Tegen dien tijd ziet men den knop eerst sterk zwellen en de 4 kelkslippen, welke aan den van binnen komenden aandrang niet langer weêrstand kunnen bieden, op haar midden zijdelings uit elkander wijken, terwijl hare toppen nog gedurende eenigen tijd blijven vereenigd. Vier groene of roodgroene, met stekels bezette, schilden wisselen thans met vier leliewitte strepen — de eerste aanduiding der nog bijna geheel weggedokene bloemkroon — af. Weldra echter laten de toppen der kelkslippen, wier spanning haar maximum bereikte, elkander met een krachtigen ruk een voor een los, en buigen die slippen zich zoo ver naar achter, dat de bloemkroon zich vrijelijk ontplooijen kan. Enkele oogenblikken zijn thans voldoende om den witten zaamgepakten kogel, waarvan men zoo even niet meer dan de eerste sporen ontdekte, herschapen te zien in eene reusachtige witte roos, maar eene roos, waarvan men niet weet wat meer te bewonderen, de kolossale afmetingen, de onvergelijkelijk reine kleur, over tallooze blaadjes uitgespreid, of den heerlijken geur, met geen anderen te vergelijken. Trillend en schokkend weken die blaadjes uiteen, maar nu ze eenmaal hunne plaats hebben ingenomen, is alles weder onbewegelijk. Te vergeefs ziet men naar eene verdere verandering uit. De bloem heeft het eerste tijdperk van haar glans bereikt en zal den eersten nacht in haar leliewit hulsel vertoeven.
Gedurende den voormiddag des tweeden dags is de bloem minder fraai dan den avond te voren, een verschijnsel, daaraan toe te schrijven, dat alle blaadjes in meerdere of mindere mate tot hun vroegeren stand terugkeerden, en het geheel dus eene teruggaande gedaanteverwisseling ondervond. Naauwelijks echter is de middag voorbij en neigt de zon ten ondergang, of het oog wordt geboeid door een even verrassend als verrukkelijk schouwspel. Het witte kleed wordt met een rooden gloed overtogen; een gloed, eerst zacht en twijfelachtig, doch weldra vurig en doordringend. Op nieuw wijken de bloembladen uiteen, en waar de blikken den vorigen avond op eene witte roos rusteden, ontmoeten zij thans eene roode ster, wier buitenste slippen door den waterspiegel als gedragen worden. Het midden der<noinclude></noinclude>
jmk37ad44bhpk3ocozk708ktdzw34ai
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/203
104
56760
219032
209901
2026-03-28T14:13:02Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219032
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||VICTORIA REGIA.|183}}</noinclude>bloem opent zich eindelijk ook, en in een oogwenk heeft het geheel het toppunt van luister bereikt. Een bal van vuurroode franje zien wij thans omgord door een krans van evenzoo gekleurde tongen (de meeldraden); deze weder omgeven door een cirkel van smalle slippen, te zamen tot een sierlijken beker vereenigd, en deze laatste eindelijk naar buiten afgesloten door ontelbare rozeroode blaadjes, die naar den omtrek hoe langer hoe breeder worden en zich met eene sierlijke bogt eerst naar beneden en daarna weder naar boven krommen.
Nog vóór de avond gedaald is, heeft de bloem hare volle ontplooijing bereikt. De tongen rondom den centralen kogel storten nu onder een zigtbaar gewemel haar stuifmeel uit. Hierop keert alles weder tot rust. Maar tegen middernacht sluiten zich de roode slippen, die de meeldraden bekervormig omgaven, en pas is de nacht verstreken, of de bloem vertoont zich weder als knop. Alles heeft nu een verflenst voorkomen. Maar nu ook begint de bloem zich aan het oog te onttrekken; langzaam duikt zij onder, om, voor onze blikken verborgen, hare vrucht tot rijpheid te brengen.
Zoo ziet men de ééne bloem vóór en de andere na dezelfde gedaante verwisseling doorloopen. Twee bloemen worden nimmer te gelijker tijd aan dezelfde plant aangetroffen.
Hoezeer wij ons best gedaan hebben om den lezer eene juiste voorstelling te geven van de veranderingen, welke de bloem der Victoria, met tusschenpoozen van eenige uren, in twee achtereenvolgende dagen doorloopt, en niet mogen verzwijgen, dat de sierlijke beschrijving van {{sc|planchon}} ons daarbij voor den geest zweefde, zoo kunnen wij ons toch niet onthouden, enkele zinsneden uit die beschrijving hier in het oorspronkelijke over te nemen, al ware het alleen om daarmeê hulde te brengen aan den wakkeren waarnemer, die, meer nog dan {{sc|hooker}} en {{sc|lindley}}, het leven der Amerikaansche Waterlelie bestudeerde en daarover eene belangrijke verhandeling ten beste gaf. Zie hier dus hoe {{sc|planchon}}, in sierlijke bewoordingen, de bedoelde gedaanteverwisseling beschrijft:
"Un calice commence à poindre hors de l'onde: bientôt il surgit en entier, flottant dans lattitude réclinée que lui fait prendre son propre poids: au troisième jour, même position; mais déjà les bords de ses quatre valves se détachent en bandelettes blanches sur la teinte<noinclude></noinclude>
eb8r6l54f60di6crn4fpfk2zrmgnc9o
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/204
104
56763
219033
209902
2026-03-28T14:16:31Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219033
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|184|VICTORIA REGIA.|}}</noinclude>pourprée du bouton: tout cela n'est que le prélude des nôces, dont le crépuscule vient éclairer les premières scènes.
En un clin d'oeil, le bouton, jusqu' alors inerte, semble s'animer. Une de ses valves s'ouvre avec force, comme par soubresauts successifs, puis une seconde, puis un pétale, puis la troisième, puis d'autres pétales; puis, une sorte de frémissement général agite les pointes de ces blanches languettes serrées en globe; la masse entière se gonfle, les pièces déjà détachées s'étalent en rose, d'autres, plus internes, les suivent, un parfum délicieux s'exhale: mais tout à coup le mouvement cesse, et la fleur, dans sa parure virginale, tient ses pétales intérieurs fermés sur son sein, comme pour en voiler les charmes pudiques.
Ainsi s'écoule la première nuit: dès le matin, les pétales, rideaux discrets, se referment; ils s'abritent même sous les valves coriaces du calice, comme si les feux du jour devaient ternir leur pure blancheur. Alors tout rentre dans le repos: avant le retour du crépuscule, la vierge se réveille, non plus en fiancée de marbre, mais avec les roses de la pudeur prête à se rendre. La corolle s'étale en coupe, puis en large cloche évasée dont les bords reposent sur l'onde; sa rougeur augmente lorsque s'épanouit le cercle interne des pétales, encadrant le globe rose, qui ferme encore son sein; mais à son tour cette dernière barrière s'entr'ouvre: ses arceaux se dressent en dentelures de couronne, ou comme ces langues de feu que la peinture héraldique donne aux coeurs flambants.
Tous ces mouvements se succèdent en moins de deux heures, après quoi, repos complet hors du cercle des languettes roses, agitation en dedans, fourmillement confus des étamines, qui se dressent, se pressent et s'entrecroisent, répandant leur fertile poussière. Puis encore, partout repos. Vers minuit les rayons de la couronne convergent en globe: ainsi font au matin les pétales, et la fleur se plonge sous l'onde, pour y cacher le fruit de ses mystérieuses amours."
Ofschoon de beschrijving van het ontluiken der Victoriabloem zou kunnen strekken om ons een oppervlakkig denkbeeld te geven van haar bouw, zoo meenen wij toch het hierbij niet te mogen laten, integendeel, komt het ons noodzakelijk voor, daaromtrent nog eenige nadere bijzonderheden in het licht te stellen. Deden wij zulks niet,<noinclude></noinclude>
4347udap92kjql7tv9bwwyjrl2sr8yl
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/205
104
56765
219034
210655
2026-03-28T14:21:55Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219034
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||VICTORIA REGIA.|185}}</noinclude>dan zou het onzen lezers moeijelijk vallen ons te volgen bij de beschrijving van de kunstmatige bevruchting der Victoriabloem, zoo noodzakelijk, waar wij rijpe zaden wenschen te winnen en ons van het voortdurend bezit der prachtige Waterlelie wenschen te verzekeren, en derhalve eene te belangrijke handeling, dan dat wij haar met stilzwijgen zouden mogen voorbijgaan.
Naar buiten wordt de Victoriabloem afgesloten door vier kelkbladen, die aan de buitenzijde donkergroen of met een rooden gloed overtogen en met fijne naalden gewapend, aan de binnenzijde wit of vleeschkleurig zijn. Hierop volgen de van buiten naar binnen langzaam in grootte afnemende bloembladen, gewoonlijk 44 in getal en in zes kransen gerangschikt, en dat wel zoodanig, dat de buitenste krans 4, alle overige daarentegen 8 bloembladen bevatten. Binnen deze bloembladen vindt men de zoogenaamde valsche meeldraden, aldus geheeten, omdat zij op meeldraden gelijken, maar geen stuifmeel voortbrengen. Zij zijn 32 in getal, in twee cirkels geschaard, en grenzen naar binnen aan 96 ware meeldraden, die in 6 kransen, ieder van 16 stuks, het centrale gedeelte der bloem omgeven. Dit laatste, uit twee kransen zaamgesteld, wordt gevormd door 32 haakvormige werktuigen, in voorkomen afwijkend van al wat tot hiertoe door ons werd beschreven, en verder door 16 valsche meeldraden, aan den omtrek dier werktuigen gelegen en daarmede stevig verbonden.
Deze 224 stukken — die wij als in cirkels geplaatst beschreven hebben, doch die eigenlijk te zamen eene onafgebrokene, sterk ineengedrongene spiraal vormen — zijn ingeplant op een vleezigen ring en omgeven eene komvormige diepte, die zich als de holle bovenvlakte des eijerstoks kennen doet. In het midden dier diepte ontdekt men eene vleezige, peervormige, met de punt naar boven gekeerde spil, waarvan de beteekenis nog niet regt duidelijk is, terwijl al verder van den voet dier spil 32 met kleine tepeltjes overdekte vleezige strepen — de zoogenaamde stempels — naar boven loopen, om te eindigen in de haakvormige werktuigen, die, eveneens 32 in getal, de komvormige diepte het naast omgeven.
De groene stekelige bal, die om zoo te zeggen de Victoriabloem torscht, is mede een harer belangrijkste organen, en draagt den naam<noinclude></noinclude>
131sm0rptk2at0oyiawnv09ftjhdx10
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/206
104
56766
219035
210656
2026-03-28T14:22:18Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219035
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|186|VICTORIA REGIA.|}}</noinclude>van eijerstok, omdat hij de eitjes omsloten houdt. Op eene dwarse doorsnede telt men daarin 32 hokjes, ieder met 14 — 28 eitjes, en te zamen om eene vleezige spil gezeten, die als de voet van het peervormige uitsteeksel beschouwd kan worden, 't welk wij in 't midden der komvormige diepte aantroffen.
Hiermede is de struktuur der Victoriabloem genoegzaam toegelicht om eene verklaring te geven van het vreemde verschijnsel, dat zij in onze kassen nimmer rijpe vruchten en zaden voortbrengt, zoo de kunst haar niet te hulp komt, terwijl toch het omgekeerde in den natuurstaat wordt waargenomen.
Wij doen namelijk opmerken, dat, bij de ontluiking der Victoriabloem in onze kassen, de talrijke blaadjes, die eenmaal een digten kogel vormden, wel is waar uit elkander wijken en zich naar buiten uitspreiden, maar dat dan toch de twee binnenste kransen, die de komvormige holte, waarin de stempels gelegen zijn, het naast omgeven, en waarvan de eene uit 32 haakvormige slippen, de andere uit 16 valsche meeldraden bestaat, aan die uitspreiding geen deel nemen, en, op het allernaauwst aan elkander gesloten, eene kegelvormige verhevenheid vormen, waardoor de zoo even genoemde holte of diepte volkomen afgesloten en zelfs voor het indringen van de fijnste stofdeeltjes wordt beveiligd. Dat het onder deze omstandigheden niet mogelijk is voor het stuifmeel, in hoe groote hoeveelheid ook uitgestort, om de stempels te bereiken, behoeft naauwelijks vermelding; maar het kan dan ook, met het oog op de door talrijke onderzoekingen gestaafde daadzaak, dat eene neerdaling van dat fijne poeder op de stempels noodzakelijk is om het in de eitjes van elke plant sluimerende leven op te wekken en hen voor verdere ontwikkeling vatbaar te maken, geene verwondering baren, dat de Victoriabloem, zoo als wij haar kennen, uit zich zelve onmogelijk rijpe vruchten vormen en kiembaar zaad voortbrengen kan. — De kunst moet haar dus te hulp komen; en de wijze, waarop zij dit doet, bestaat hierin, dat men, als de bloeitijd over is, m.a.w. als aan het einde van den tweeden avond de bloembladen zich weêr beginnen te sluiten en een verflenst voorkomen krijgen, met een scherp mesje den vleezigen kegel, als een koepeldak boven de stempelkom uitgespreid, in de<noinclude></noinclude>
1si7jl1bw3znern263ucbpruwce6gna
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/207
104
56769
219036
216489
2026-03-28T14:25:02Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219036
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||VICTORIA REGIA.|187}}</noinclude>rondte wegsnijdt, en dan het door de vruchtbare meeldraden in groote hoeveelheid uitgestorte en als een kleverig poeder zich voordoende stuifmeel met een penseel verzamele en daarmede de stempelkom voorzigtig in alle rigtingen bestrijke. — Van de 7 bloemen, welke de Victoria regia in den Amsterdamschen kruidtuin tusschen 23 Julij en 23 Augustus (1861), en dus met tusschenpoozen van p.m. 4 dagen voortbragt, werden de eerste twee niet bevrucht, en was dan ook, kort na den bloeitijd, de eijerstok reeds in ontbinding overgegaan; de overige vijf echter, op welke de hier boven beschrevene kunstgreep werd toegepast, leverden alle rijpe vruchten en eene aanzienlijke hoeveelheid zaad, hetwelk in alle opzigten goed gevormd mogt heeten.
De vraag, waaraan het toe te schrijven is, dat de Victoriabloem in haar vaderland, zonder menschelijke hulp, vruchten en zaadkorrels voortbrengt, is, meenen wij, nog niet voldoende opgelost. {{sc|Schomburgk}} deelt mede, dat de vleezige slippen, welke de stempelkom ontoegankelijk maken voor het stuifmeel, aldaar standvastig door insekten verwoest worden, maar geeft geene verklaring van dit feit. — Wij voor ons hechten min of meer aan het denkbeeld, dat die slippen, onder den invloed van de verzengende hitte en het verblindende licht, waardoor de Victoriabloemen onder de keerkringen getroffen worden, niet, zoo als bij ons, gesloten blijven, maar, zij het ook weinig, naar buiten worden gekromd, en zoo doende eene opene ruimte doen ontstaan, groot genoeg om het stuifmeel den toegang tot de stempelkom te verzekeren. — Dat ook insekten bij de bestuiving der Victoria eene zekere rol spelen, willen wij niet ontkennen, maar naauwkeuriger waarnemingen dan die van {{sc|schomburgk}} zijn, onzes inziens, noodig om ons als zeker te doen aannemen, dat van hunne medewerking in dit opzigt alles afhangt.
De tijd, benoodigd om eene rijpe Victoriavrucht voort te brengen, kan op 4 à 6 weken worden geschat. Kort na het verflensen der bloembladen en het weder terugkeeren tot den gesloten toestand van de geheele bloem, ziet men den groenen bal, die het zamenstel van prachtig gekleurde blaadjes torschte (den eijerstok), onderduiken en weldra onzigtbaar worden. Door water omgeven, neemt hij nu langzaam in omvang toe en wordt hij zachter van<noinclude></noinclude>
fzj6at7urb1j0itb8hirjj0617r6s2v
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/208
104
56770
219037
216490
2026-03-28T14:30:33Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219037
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|188|VICTORIA REGIA.|}}</noinclude>weefsel; en zijn eindelijk de weken, tot het rijpen benoodigd, verstreken, dan vindt men in zijne plaats eene stekelige bes van de grootte eens kleinen appels, die den vruchtsteel zeer gemakkelijk loslaat en bijna geheel bestaat uit eene brij, waarin de 200 à 300 rijpe zaadkorrels genesteld zijn. Wil men deze laatsten oogsten, dan is het noodig, den eijerstok, na de bevruchting, met een stevig stukje lijnwaad, dat om den vruchtsteel bevestigd wordt, te omgeven; want, is de rijpe bes eenmaal afgevallen, dan is er aan het inzamelen der zaadkorrels in waarheid niet meer te denken.
Wij hebben nog niet gewaagd van de grootte, die de bloemen der Victoria bereiken, en mogen dit punt toch niet met stilzwijgen voorbijgaan. In den Amsterdamschen kruidtuin bedroeg de middellijn der grootste bloemen iets meer dan 3 Ned. palm; elders werden bloemen van 15 à 16 Par. duim (= 0.405 en 0.432 Ned. el) middellijn waargenomen, en in Philadelphia zouden er zelfs van 17 Par. dm. gezien zijn. — In allen gevalle mag het niet worden over het hoofd gezien, dat de voorwaarden en invloeden, waaronder de plant leeft of waaraan zij is blootgesteld, zich krachtig bij de bloemvorming doen gelden, zoodat het b.v. niets zeldzaams is, dat eerst een of twee kleinere, daarna verscheidene grootere, en eindelijk weder een paar kleinere bloemen voor den dag komen. Zonder twijfel speelt het licht bij dit alles eene zeer voorname rol.
Dat de Victoriabloem, ten tijde dat het stuifmeel uitgestrooid wordt, de temperatuur der lucht in de nabijheid der meeldraden eene rijzing doet ondergaan, is zeker een opmerkelijk verschijnsel, maar toch in zoo verre minder bijzonder, als hetzelfde ook bij vele andere planten wordt waargenomen. — Zonder in eene nadere verklaring te treden van de oorzaken, waardoor zulk eene verhooging van temperatuur wordt voortgebragt, vermelden wij dus alleen, dat men den thermometer bij eene temperatuur van de omgevende lucht en van het water van 70° F, binnen 10 minuten in de nabijheid der stuivende meeldraden 12½° heeft zien stijgen en dus eene hoogte van 82½° F, heeft zien bereiken.
Het aantal bloemen, door eene Victoriaplant voort te brengen, hangt van verschillende omstandigheden, en wel in de eerste plaats van het weder af. Een warme en heldere zomer zal in dit opzigt wonderen<noinclude></noinclude>
micv1q0ncmges4svuejan2241ihbq3r
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/209
104
56771
219038
216491
2026-03-28T14:41:15Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219038
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||VICTORIA REGIA.|189}}</noinclude>kunnen verrigten, terwijl een dikwerf bewolkte hemel de meest gegronde verwachtingen den bodem inslaat. Ook de tijd van uitzaaijing kan op de productie van bloemen van invloed zijn. Hoe vroeger men zaait, hoe vroeger men ook in 't bezit van bloeibare planten zal wezen, en hoe meer kans men dus ook hebben zal om, bij een gunstigen zomer, tal van bloemen te zien ontluiken. Dat het vruchtzetten nadeelig op het voortbrengen van nieuwe bloemen werkt, is door meer dan een kweeker, en ook door ons zelven opgemerkt, en dit kan dus ter waarschuwing strekken om der plant geen te zwaren last op te leggen, indien men althans lang genot van hare bloemen hebben wil.
Hier boven deelden wij reeds mede, dat de Victoriaplant, die hier ter stede bloeide, van 23 Julij tot 23 Augustus, met tusschenpoozen van p.m. 4 dagen, 7 bloemen voortbragt; en zoo deelt {{sc|van houtte}}
te Gend ons mede, dat hij van 5 September tot 6 October 10 bloemen ontluiken zag. Houdt het bloeijen op, dan zijn er gewoonlijk nog wel knoppen in de oksels van eenige onder water gedokene schubben voorhanden, maar deze blijven dan stationair en gaan eindelijk in ontbinding over.
De bladen, die omstreeks dat tijdstip voor den dag komen, worden langzamerhand kleiner en kleiner, en volgen elkander ook veel minder spoedig dan vroeger op. Eindelijk blijven ook zij, om zoo te zeggen, in den knop steken, en is dit het geval, dan duurt het niet lang meer, of de geheele plant heeft opgehouden te leven.
De voornaamste oorzaak, die aan den groei der Victoria in onze kassen paal en perk stelt, is gebrek aan licht; en dit is zoo waar, dat, als men hare zaden te vroeg, b.v. in de maand October of November, aan den schoot der aarde toevertrouwt, deze wel opkomen, doch de daaruit voortgesprotene jonge planten, hoe welig ook in den beginne, doorgaans in December of Januarij reeds beginnen ziek te worden en sterven. Algemeen wordt dan ook aangeraden, het te kiemen leggen van Victoriazaden (althans voor midden-Europa) uit te stellen tot het laatst van December of het begin van Januarij, omdat de jonge plantjes, die, zoo als men weet, 4—8 weken noodig hebben om zich te vertoonen, blijkens de ondervinding, eerst omstreeks het midden van Februarij of in 't begin van Maart de voorwaarden vinden, voor haar gedijen noodzakelijk.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
ezwpgh80ytr08w0akazilm7il3dmpac
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/210
104
56792
219039
216492
2026-03-28T14:43:14Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219039
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|190|VICTORIA REGIA.|}}</noinclude>Het kan niet in ons plan liggen om te dezer plaatse over de kultuur der Victoria uit te weiden. Hij, die daarover iets naders wenscht te weten, doet het best, deze of gene in 't bijzonder aan dit onderwerp gewijde handleiding na te slaan, omdat er te veel kleinigheden zijn, waarop bij die kultuur gelet moet worden, dan dat wij daarbij in dit Album, zonder te uitvoerig te worden, zouden kunnen stilstaan.
Wij eindigen dus deze onze mededeeling met de vermelding, dat de Victoria, na op den 8 November 1849 hare eerste bloemen in den tuin van Chatsworth te hebben ontplooid, in 1850 bloeijend gezien werd te Kew, en dat van dien tijd af eerst in Engeland, doch weldra ook daarbuiten afzonderlijke gebouwen voor de ontvangst der in alle opzigten reusachtige Waterlelie werden in gereedheid gebragt. De eerste, die, buiten Engeland, eene Victoriakas deed bouwen, was de met roem bekende Gendsche tuinbouwer {{sc|louis van houtte}}, bij wien dan ook, evenals te Kew, de eerste bloemen dier plant in het laatst van 1850 zich vertoonden. In 1851 werden dusdanige gebouwen te Hernnhausen in Hannover, in den botanischen tuin te Hamburg, en in den tuin van den heer {{sc|borsig}} te Berlijn opgerigt; en van dien tijd af nam hun aantal voortdurend en in alle staten toe. In Nederland bloeide de Victoria het eerst in den kruidtuin te Amsterdam en dat wel in 1859. Aldaar echter is geene afzonderlijke kas aan de kultuur dier waterplant gewijd, maar tiert zij in een der andere gebouwen in een voor dat doel afgeschoten en op zeer eenvoudige wijze ingerigten waterbak.
Onder alle Victoriakassen is er geen op zoo ruime schaal ingerigt als die van den Koninklijken tuin te Kew. Dit gebouw is 45 Eng. voet diep en bevat een ronden waterbak van 34 v. in middellijn. Het Parlement stond in der tijd eene som van 3500 p. st. toe om deze inrigting tot stand te brengen.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr|2}}<noinclude></noinclude>
04xhfzksfov0pkmgvco2c649vi3t8hs
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/267
104
85318
219014
2026-03-28T13:18:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219014
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|249}}</noinclude>Gewoonlijk is het hoofdbestanddeel van zulke produkten koolzure kalk. Water toch, dat veel koolzuurgas bevat, kan van dat zout, door eene scheikundige verbinding, veel meer opgelost houden, dan wanneer het dat koolzuur heeft verloren. Vaak gebeurt dit laatste dadelijk als het water aan de lucht komt, daar het dan onder mindere drukking geraakt dan waaraan het op zijnen onderaardschen weg was onderworpen, en het gas dus ontsnappen kan; alsdan valt de koolzure kalk als een wit poeder op den bodem, en de grond, waarover zulk eene bron nu verloopt, wordt weldra met eene kalklaag bedekt. Op deze wijze is b.v. uit de bron van St. Allyre in den loop der tijden door de nedergeplofte kalk een ontzaggelijke muur van 78 ellen lengte en 6 tot 6½ el hoogte gevormd, benevens eene niet minder grootsche, natuurlijke brug<ref> {{sc|Dr. f.w.c. KRECKE}}, ''loco cit''.</ref>. Er is echter een andere vorm, waaronder dit verschijnsel meer algemeen voorkomt. In alle beschrijvingen van grotten of bergholen, door reizigers bezocht, vinden wij met verheffing gesproken van de schitterende, phantastische tooneelen, hun in de reusachtige gewelven aangeboden door de zoogenaamde druipsteenen d aar lezen wij van een orgel met kolossale beelden en ornamenten versierd; elders van draperien in stoute plooijen als een marmeren gordijn opgehangen; dan weer van guirlanden, van fonteinen, van groepen, van zetels, kortom van alle mogelijke vormen, zeker dikwijls slechts door eene overspannen verbeelding er aan geschonken, als het tooverachtig licht der flambouwen er op scheen en duizendvoudig er door weêrkaatst, gebroken en weer teruggekaatst werd; — maar allen komen toch daarin overeen, dat ze aan die onderaardsche zalen en gangen eene onuitsprekelijke schoonheid bijzetten, dat ze vaak in haren bouw, in hare constructie, in hare massa iets onbeschrijfelijk grootsch, reusachtigs bezitten, waar geen werk van menschenhanden mede is te vergelijken. En toch zijn al die druipsteen-vormingen slechts door droppelen waters gewrocht!
Door spleten van het gewelf dringende, komt het over-koolstofzuren kalk bevattende water aan de lucht en verliest dan, op de zoo even gemelde wijze, zijn overvloedig koolzuur; dan, terwijl het water nu gedeeltelijk ook verdampt, laat het een zeer klein deeltje enkel-kool-<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
a4o0xdm0l2pkzv5kj2dmt4kvyeywi7d
219015
219014
2026-03-28T13:19:32Z
WeeJeeVee
2844
einde
219015
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|249}}</noinclude>Gewoonlijk is het hoofdbestanddeel van zulke produkten koolzure kalk. Water toch, dat veel koolzuurgas bevat, kan van dat zout, door eene scheikundige verbinding, veel meer opgelost houden, dan wanneer het dat koolzuur heeft verloren. Vaak gebeurt dit laatste dadelijk als het water aan de lucht komt, daar het dan onder mindere drukking geraakt dan waaraan het op zijnen onderaardschen weg was onderworpen, en het gas dus ontsnappen kan; alsdan valt de koolzure kalk als een wit poeder op den bodem, en de grond, waarover zulk eene bron nu verloopt, wordt weldra met eene kalklaag bedekt. Op deze wijze is b.v. uit de bron van St. Allyre in den loop der tijden door de nedergeplofte kalk een ontzaggelijke muur van 78 ellen lengte en 6 tot 6½ el hoogte gevormd, benevens eene niet minder grootsche, natuurlijke brug<ref> {{sc|Dr. f.w.c. KRECKE}}, ''loco cit''.</ref>. Er is echter een andere vorm, waaronder dit verschijnsel meer algemeen voorkomt. In alle beschrijvingen van grotten of bergholen, door reizigers bezocht, vinden wij met verheffing gesproken van de schitterende, phantastische tooneelen, hun in de reusachtige gewelven aangeboden door de zoogenaamde druipsteenen d aar lezen wij van een orgel met kolossale beelden en ornamenten versierd; elders van draperien in stoute plooijen als een marmeren gordijn opgehangen; dan weer van guirlanden, van fonteinen, van groepen, van zetels, kortom van alle mogelijke vormen, zeker dikwijls slechts door eene overspannen verbeelding er aan geschonken, als het tooverachtig licht der flambouwen er op scheen en duizendvoudig er door weêrkaatst, gebroken en weer teruggekaatst werd; — maar allen komen toch daarin overeen, dat ze aan die onderaardsche zalen en gangen eene onuitsprekelijke schoonheid bijzetten, dat ze vaak in haren bouw, in hare constructie, in hare massa iets onbeschrijfelijk grootsch, reusachtigs bezitten, waar geen werk van menschenhanden mede is te vergelijken. En toch zijn al die druipsteen-vormingen slechts door droppelen waters gewrocht!
Door spleten van het gewelf dringende, komt het over-koolstofzuren kalk bevattende water aan de lucht en verliest dan, op de zoo even gemelde wijze, zijn overvloedig koolzuur; dan, terwijl het water nu gedeeltelijk ook verdampt, laat het een zeer klein deeltje enkel-koolstofzuren<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
a9g97icign7zm6cmtwawvob6wwq2vjz
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/266
104
85319
219016
2026-03-28T13:22:59Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219016
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|248|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>blijven als doel eener genotvolle reis, als uitspanning; — hoevelen gaan er heen, gezond naar ligchaam en geest, om er diep rampzalig van terug te keeren! — Badplaatsen! zoo lang de speeltafel naast de bron staat, zoo lang de roulette met of zonder zero en refait eene eerste plaats in de advertentiën der eigenaars bekleedt; — zoo lang zullen zij altijd het schoone doelwit missen, waartoe zij kunnen leiden; — zoo lang zullen zij oneindig meer tot verderf dan tot genezing strekken; — zoo lang zullen zij slechts bepaald voor één persoon heilzaam zijn: voor den pachter der speelbank, wien de bronnen jaarlijks zijne slagtoffers toevoeren.
Iets anders is het met de zeebaden in ons land; — niet zoo helsch in hare verleidingen als de beruchte Duitsche badplaatsen, zoo als Homburg, Baden enz., bieden zij over het algemeen, en vele zelfs in zeer geringe mate, slechts die uitspanningen aan, welke als het ware noodzakelijk zijn voor vele der hooge gasten, die ze bezoeken. Wel wordt voor velen ook het verblijf in die oorden meer eene modezaak dan een offer aan de geschokte gezondheid, maar, al moge nu ook voor de wezenlijke kranken die drukte, dat gewoel minder gewenscht zijn, — welnu, dan bestaan er vooreerst badplaatsen, waar dezelfde uitwerking met minder opofferingen is te verkrijgen, en ten andere is het zeestrand ruim genoeg om zelfs in het druk bezochte, bijna vorstelijke Scheveningen, een elk te vergunnen geheel naar eigen welgevallen te leven, zonder door de mede-badgasten gestoord of zelfs opgemerkt te worden. Voor ons persoonlijk gevoelen echter zouden wij in verreweg het meerendeel der gevallen, waar de zeebaden kunnen aangewezen zijn, bij overigens gelijke omstandigheden, de geschiktheid eener badplaats in omgekeerde reden stellen tot hare beroemdheid, met andere woorden: wij zouden onze patienten altijd weinig bezochte, stille zeeplaatsen bij voorkeur aanraden.
Aan de behandeling der uitwerkselen van het bronwater sluit zich van zelf de beschouwing dier voortbrengselen, die door de natuur uit bronwater worden gevormd. Wij bedoelen hier niet de zoogenaamde versteeningen, dat zijn omkorstingen van houten, ijzeren of andere voorwerpen met kristallen van het een of ander zout, dat, in het water der bron opgelost, zich om die vaste ligchamen afzet, maar de van zelf ontstaande vormingen door nederzetting van vaste stof uit water daargesteld.<noinclude></noinclude>
4fepdyhececojwhsg0g5znld2lquzb2
219017
219016
2026-03-28T13:26:36Z
WeeJeeVee
2844
begin
219017
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|248|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>verblijven als doel eener genotvolle reis, als uitspanning; — hoevelen gaan er heen, gezond naar ligchaam en geest, om er diep rampzalig van terug te keeren! — Badplaatsen! zoo lang de speeltafel naast de bron staat, zoo lang de roulette met of zonder zero en refait eene eerste plaats in de advertentiën der eigenaars bekleedt; — zoo lang zullen zij altijd het schoone doelwit missen, waartoe zij kunnen leiden; — zoo lang zullen zij oneindig meer tot verderf dan tot genezing strekken; — zoo lang zullen zij slechts bepaald voor één persoon heilzaam zijn: voor den pachter der speelbank, wien de bronnen jaarlijks zijne slagtoffers toevoeren.
Iets anders is het met de zeebaden in ons land; — niet zoo helsch in hare verleidingen als de beruchte Duitsche badplaatsen, zoo als Homburg, Baden enz., bieden zij over het algemeen, en vele zelfs in zeer geringe mate, slechts die uitspanningen aan, welke als het ware noodzakelijk zijn voor vele der hooge gasten, die ze bezoeken. Wel wordt voor velen ook het verblijf in die oorden meer eene modezaak dan een offer aan de geschokte gezondheid, maar, al moge nu ook voor de wezenlijke kranken die drukte, dat gewoel minder gewenscht zijn, — welnu, dan bestaan er vooreerst badplaatsen, waar dezelfde uitwerking met minder opofferingen is te verkrijgen, en ten andere is het zeestrand ruim genoeg om zelfs in het druk bezochte, bijna vorstelijke Scheveningen, een elk te vergunnen geheel naar eigen welgevallen te leven, zonder door de mede-badgasten gestoord of zelfs opgemerkt te worden. Voor ons persoonlijk gevoelen echter zouden wij in verreweg het meerendeel der gevallen, waar de zeebaden kunnen aangewezen zijn, bij overigens gelijke omstandigheden, de geschiktheid eener badplaats in omgekeerde reden stellen tot hare beroemdheid, met andere woorden: wij zouden onze patienten altijd weinig bezochte, stille zeeplaatsen bij voorkeur aanraden.
Aan de behandeling der uitwerkselen van het bronwater sluit zich van zelf de beschouwing dier voortbrengselen, die door de natuur uit bronwater worden gevormd. Wij bedoelen hier niet de zoogenaamde versteeningen, dat zijn omkorstingen van houten, ijzeren of andere voorwerpen met kristallen van het een of ander zout, dat, in het water der bron opgelost, zich om die vaste ligchamen afzet, maar de van zelf ontstaande vormingen door nederzetting van vaste stof uit water daargesteld.<noinclude></noinclude>
8woen3grbixz7vbacoal8ylu81qx0tz
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/265
104
85320
219018
2026-03-28T13:30:15Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219018
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|247}}</noinclude>is een eerste vereischte om gezond te kunnen blijven; — goed, ruim drinkwater is eene weldaad voor eene stad; — eene weldaad, die niet genoeg op prijs kan gesteld worden. Nooit kan er genoeg lof worden toegezwaaid aan die mannen, die Neerlands hoofdstad eindelijk verlosten van het ellendige Vechtwater om haar het zuivere, gezonde duinwater te schenken. Zien wij dan ook de gedenkstukken der Romeinsche bouwkunst, dan behooren tot de meest trotsche scheppingen daarvan waterleidingen, bestemd om aan misdeelde steden soms mijlen ver het onontbeerlijke drinkwater toe te voeren.
Nog verder ging {{sc|priesnitz}}; niet genoeg dat hij het water als het noodigste levensmiddel beschouwde, zag hij er ook het middel in om de kwalen en ziekten te herstellen, die onze ligchamen maar al te vaak teisteren, en de water-geneeskunst (d.i. de geneesmethode met uitsluitend gebruik van koud water) onder zijne handen gevormd en door dikwijls bekwame adepten verder ontwikkeld en uitgewerkt, nam weldra eene hoofdplaats in onder de verschillende wijzen, waarop de geneeskunde het menschdom tracht te helpen!<ref>Dat de koudwater-geneeskunst niet zoo geheel van nieuwe dagteekening is, maar vroeger ook al aan het koude water heilzame, genezende kracht werd toegekend, blijkt onder anderen uit eene plaats bij {{sc|haller}}: et aquae frigidae usu nupero febrium malignarum vehementiam remisisse, testimonia exstant'' (ook bestaan er bewijzen, dat soms door het gebruik van koud water de hevigheid van kwaadaardige koortsen is verminderd). (''Elementa Physiologiae'', tom. VI, pag. 240].</ref>. Uitgebreider nog is het medicinaal gebruik van het water, onder den vorm van de zoogenaamde minerale wateren en minerale bronnen (zie hierover, bladz. 233). Verre van ons het nut te betwisten, dat minerale baden, dat het gebruik van staal- of zwavelwateren b.v. kan hebben bij sommige ziekten, — verre van ons ook, hier eene lans te willen breken ten voor- of ten nadeele der veel meer bestreden water-geneeskunst; wij eerbiedigen elks opinie ten deze en herinneren slechts de oude spreuk: ''variis modis bene fit'', dat wij vrij vertalen zouden: langs verschillende wegen kan men zijn doel bereiken; — maar toch willen wij een enkel woord zeggen tegen den tegenwoordig algemeenen vorm, waaronder die baden gebruikt worden.—Badplaatsen! wie kent de beteekenis van dat woord niet? Hoe weinigen zien er over het algemeen eene plaats in om hunne gezondheid te herkrijgen, hoeveel meer azen op de aankondigingen dier<noinclude></noinclude>
2xgckisx9xr9vitlrrpq11sin1c0hob
219019
219018
2026-03-28T13:30:53Z
WeeJeeVee
2844
typo
219019
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|247}}</noinclude>is een eerste vereischte om gezond te kunnen blijven; — goed, ruim drinkwater is eene weldaad voor eene stad; — eene weldaad, die niet genoeg op prijs kan gesteld worden. Nooit kan er genoeg lof worden toegezwaaid aan die mannen, die Neerlands hoofdstad eindelijk verlosten van het ellendige Vechtwater om haar het zuivere, gezonde duinwater te schenken. Zien wij dan ook de gedenkstukken der Romeinsche bouwkunst, dan behooren tot de meest trotsche scheppingen daarvan waterleidingen, bestemd om aan misdeelde steden soms mijlen ver het onontbeerlijke drinkwater toe te voeren.
Nog verder ging {{sc|priesnitz}}; niet genoeg dat hij het water als het noodigste levensmiddel beschouwde, zag hij er ook het middel in om de kwalen en ziekten te herstellen, die onze ligchamen maar al te vaak teisteren, en de water-geneeskunst (d.i. de geneesmethode met uitsluitend gebruik van koud water) onder zijne handen gevormd en door dikwijls bekwame adepten verder ontwikkeld en uitgewerkt, nam weldra eene hoofdplaats in onder de verschillende wijzen, waarop de geneeskunde het menschdom tracht te helpen!<ref>Dat de koudwater-geneeskunst niet zoo geheel van nieuwe dagteekening is, maar vroeger ook al aan het koude water heilzame, genezende kracht werd toegekend, blijkt onder anderen uit eene plaats bij {{sc|haller}}: et aquae frigidae usu nupero febrium malignarum vehementiam remisisse, testimonia exstant'' (ook bestaan er bewijzen, dat soms door het gebruik van koud water de hevigheid van kwaadaardige koortsen is verminderd). (''Elementa Physiologiae'', tom. VI, pag. 240].</ref>. Uitgebreider nog is het medicinaal gebruik van het water, onder den vorm van de zoogenaamde minerale wateren en minerale bronnen (zie hierover, bladz. 233). Verre van ons het nut te betwisten, dat minerale baden, dat het gebruik van staal- of zwavelwateren b.v. kan hebben bij sommige ziekten, — verre van ons ook, hier eene lans te willen breken ten voor- of ten nadeele der veel meer bestreden water-geneeskunst; wij eerbiedigen elks opinie ten deze en herinneren slechts de oude spreuk: ''variis modis bene fit'', dat wij vrij vertalen zouden: langs verschillende wegen kan men zijn doel bereiken; — maar toch willen wij een enkel woord zeggen tegen den tegenwoordig algemeenen vorm, waaronder die baden gebruikt worden. — Badplaatsen! wie kent de beteekenis van dat woord niet? Hoe weinigen zien er over het algemeen eene plaats in om hunne gezondheid te herkrijgen, hoeveel meer azen op de aankondigingen dier<noinclude></noinclude>
1nxtqdt4fbc1e22tyrprzhqtwganeda
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/264
104
85321
219020
2026-03-28T13:34:54Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219020
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|246|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>water sluiten, na ten slotte nog herinnerd te hebben, dat het door den mensch in de ruwe middeleeuwen zelfs als pijnigings-middel is aangewend, terwijl ook bij de ordaliën of Godsoordeelen het water als proefmiddel gebruikt werd.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Allereerst moeten wij dan nu het water beschouwen als de meest algemeene, de natuurlijkste drank voor mensch en dier; ja, zoo als wij reeds zagen, er is geen drank zonder water; want alle vruchtensappen, alle kunstmatige dranken, door beschaving, weelde of behoefte uitgedacht, bestaan voor het grooter deel er uit of worden er mede zamengesteld.,
Hoe goed water moet zijn, wij vermeldden het bereids (bladz. 238): hoe het gewoonlijk is of hoe het voorkomt, wij zagen het op verschillende plaatsen, waar wij over de verschillende watersoorten handelden; — dat het onze ligchaamsdeelen haren vorm geeft, dat het een hoofdvoedsel is zelfs voor de beenderen, wij hebben het eveneens besproken; — maar wij spraken nog niet meer bepaald van het water als drank beschouwd. En zouden wij die groote, die eerste weldaad in het water ons geschonken onopgemerkt mogen laten? Wie uwer, mijne lezers! heeft niet met wellust, met eene onbeschrijfelijke weelde de koele teug waters genoten, als de koorts het ligchaam verteerde, het bloed kloppend door de vaten joeg, de drooge tong aan het brandend verhemelte deed kleven? — Welke drank is met een frisch, helder glas water gelijk te stellen, als wij vermoeid van eenen langen moeijelijken weg, bezweet, met stof bedekt, van dorst versmachtend, eindelijk de plaats der ruste hebben bereikt? Een genot, dat echter vaak al te duur gekocht is, als de voorzigtigheid werd vergeten, en in plaats van de koele frische dronk, ijskoud water genuttigd: — getuigen de historische verhalen van {{sc|alexander de groote}} aan de rivier Oxus, — van den Dauphin van Frankrijk, zoon van {{sc|frans}} I, — getuigen het de noodlottige gevolgen van het gebruik van ijs en ijskoud water tijdens de cholera-epidemie te Parijs in 1825, toen daardoor zelfs vermoeden bij het volk ontstond, dat de fonteinen vergiftigd zouden zijn.
Water is de natuurlijkste, de beste drank op elken leeftijd, voor elk gestel, in elk klimaat, onder alle omstandigheden; — goed water<noinclude></noinclude>
3188gg0a22ogxwahemu6cfrsldh2phq
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/263
104
85322
219021
2026-03-28T13:40:31Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219021
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|245}}</noinclude>In 1809 zijn van de troepen derzelfde natie op Walcheren 4 aan koorts overleden. In 1669—1670 heerschte te Leiden eene epidemie van koortsen, door professor {{sc|sylvius}} beschreven, die eveneens ruim
{{smaller|{{frac|2|3}}}} van de bevolking wegsleepte. In 1762 stierven in Bengalen 30,000 negers en 800 Europeanen aan de verderfelijke moeraskoortsen ({{sc|lind}}). Toen in 1805 de moerassen om Bordeaux werden droog gemaakt, telde men in die stad in vijf maanden tijds 15,000 koortslijders, waarvan 3000 er het leven bij inschoten. En nog in den jongsten tijd (1837) hadden de Fransche troepen in Algerië zoo veel van de moeraskoorts te lijden, dat van eene geheele kompagnie, 182 man sterk, slechts 1 onder-officier aan de besmetting ontsnapte!<ref>Wij waren zelve in de gelegenheid een paar jaren eene koorts-epidemie naauwkeurig gade te slaan, tijdens wij met de militaire geneeskundige dienst te Breskens waren belast. Van de twee kompagniën infanterie, die de bezetting uitmaakten, hadden wij somwijlen tot ruim 90 zieken in de zieken-inrigting, zoodat dan ook in 2 maanden tijds (Augustus en September 1859) driemalen versterking van het garnizoen moest worden gevraagd, daar de noodzakelijkste wachtposten niet meer konden bezet worden. Van een detachement artillerie, 17 man sterk, waren er eens 12 te gelijk in de infirmerie. — Wij mogen hierbij herinneren, dat wij toen, even als in 1858 (toen het niet veel beter was), eenen zeer droogen, heeten zomer hadden, en verkeerden dus eenigzins onder dezelfde omstandigheden als die gewesten, waar de miasmatische ziekten het hevigste zijn. — Doodelijke gevallen zijn ons toen echter slechts 2 voorgekomen.</ref>, terwijl in de Pontijnsche moerassen en de Toscaansche maremmien jaarlijks gemiddeld 60,000 slagtoffers door het moerasgif worden weggesleept.
Maar ook de uitmondingen der groote rivieren geven ligt aanleiding tot zulke miasmatische uitwasemingen, en hier vooral door de neerzettingen van vergane planten en slib, op haren ganschen loop medegevoerd, en die bij den verminderden snellen afvloed op den bodem zakken en daar aanleiding geven tot het ontstaan van banken en platen, waarop dan weder duizende en duizende insekten en infusorien hun graf vinden. Wij wijzen ten voorbeeld op de cholera, dat product der uitwasemingen aan de monden van den Ganges; op den slechten gezondheidstoestand der geheele Italiaansche kust van Napels tot Genua; op de typhus-epidemien, die in de laatste jaren het dorp Katwijk teisterden enz.
Wij kunnen hiermede de lijst der made werkingen van het<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
pbnxx512j4gq5hv82ts3qeaaz7i9p9f
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/262
104
85323
219022
2026-03-28T13:50:12Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219022
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|244|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>{{c|<poem>
Alleen een zware klomp, die op de scherven kruit,
Geeft in dit zwijgend graf een donderdof geluid; —
Verschriklijk dreunt die toon het siddrend volk in de ooren:
't Gevreesd gevaarte naakt, dat ze in de verte hooren;
Het naakt; — verdelgend en verbreedend giert het aan
En spat de brokken weg, die 't in zijn loop weêrstaan.
Ontzettend is zijn kracht', zijn razen en zijn rollen;
't Sleept schuim en golven mee, die om zijn korsten stollen;
Het stuift den rukwind voort, die 't najaagt wat hij kan,
En alles bonst en dreunt en klotst en scheurt er van.
Het naakt; — en ieder knielt en stort zijn jongste bede... </poem>}}
Voorwaar wel eene levendige beschrijving, die ons dit grootsche
natuurgewrocht in al zijne verschrikkelijkheid voor oogen stelt!
Wij zouden hiermede genoeg gezegd hebben van de schadende kracht
van het water, ware het niet, dat wij nog moesten stilstaan bij eenige
andere niet minder noodlottige uitwerkselen, althans middellijk door
het water te weeg gebragt. Terwijl wij toch ons voorstellen later
nog terug te komen op het water in verband beschouwd met de gezondheid en den leefregel, meenen wij thans reeds een woord te moeten wijden aan de rampen door de uitwasemingen van moerassen', door het zoogenaamde moerasgif veroorzaakt. Ieder kent die bij name, — ieder kent, velen vreezen de Zeeuwsche koortsen, de eenvoudigste, de onschuldigste vorm dier vergiftiging, die ontstaat daar, waar moerassen en stilstaande wateren voortdurend nadeelige dampen aan de lucht afstaan en zelfs daar, waar het zeestrand, met de eb ledig loopende, aanleiding geeft tot de periodiek terugkomende ontwikkeling van zulke hoogst schadelijke inmengselen der lucht; — maar niet ieder kent de uitwerkselen dier doodende poelen in hunnen geheelen omvang. Wij zullen eenige voorbeelden er van aanvoeren. De Engelsche troepen, in 1747 in Zeeland gestationneerd, hadden zooveel van de koortsen te lijden, dat bij een korps, the Royal Infantry, slechts 4 gezonden overig waren!<ref>Dat de zeelucht zelve niet ongezond is, bleek het best daaruit, dat terzelfder tijd het geheele eskader van den admiraal {{sc|mitchel}}, dat kort van den wal af lag, zeer gezond bleef; — eveneens waren in 1809 de Engelsche schepen, die slechts 600 voet van den wal verwijderd bleven, geheel vrij van koorts. Dat dan ook de zeelucht in
het algemeen gezond is te achten, is eene van ouds bekende zaak, en reeds voor honderd jaren schreef een Vaderlansch geleerde: dat de ondervinding leert, dat zeelieden op zee veel gezonder zijn dan op het land. ''Docet experientia nautas melius se habere in navi quam in terra''. [{{sc|Rouppe}}‚ ''de morbis navigantium'', Leiden, 1764].</ref>.<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
ekcm8w2b1cl8kjueov5zsvv9iyv8sca
Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Also den 17 February 1741 een vreemde Joodin vermoord gevonden is
0
85324
219023
2026-03-28T13:52:14Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
219023
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Also den 17 February 1741, in de Graefl. Bentingse Heerschap Varel, een vreemde Joodin […] vermoord gevonden is […] [advertentie]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', 18 maart 1741, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Amsterdamsche Courant 1741 no 033.pdf" from=1 to=1 fromsection=s16 tosection=s16/>
[[Categorie:Amsterdamsche Courant, 1741, Nummer 033]]
rfzpinbpaqhsfmpsyp9jcz5cn9ym631
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/261
104
85325
219025
2026-03-28T13:55:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219025
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|245}}</noinclude>Maar zelfs daar, waar het water door den killen adem der bergen of in het gebied van den wintervorst (de poolstreken) tot ijs is gestold, zelfs daar treedt maar al te vaak zijne vernielende kracht te voorschijn. Op de bergtoppen zich onophoudelijk ophoopende en door eigen gewigt zamenpakkende en vaster wordende, ontstaan uit de aanvankelijk losse sneeuw en de ligte ijskorst aanzienlijke massa's, die zich langzamerhand op de hellingen verzamelen en daar de zoogenaamde gletschers vormen: ijsvelden, die zich verscheidene uren gaans in lengte en breedte kunnen uitstrekken en wier dikte soms tot honderde voeten bedraagt, terwijl zij in zulk een aantal voorkomen, dat men op de Zwitsersche Alpen van den Mont-Blanc tot de grenzen van Tyrol 400 gletschers vindt, welker gezamenlijke oppervlakte op 90 vierkante geographische mijlen geschat wordt<ref>{{sc|Dr. f.w.c. KRECKE}}, ''loco cit''.</ref>. Het bovenste gedeelte van zulk een gletscher bestaat dan ook meestal nog uit losse sneeuw, die trouwens altijd in vrij groote hoeveelheid op de toppen der bergen voorkomt; geraakt nu door de eene of andere oorzaak een gedeelte dezer sneeuw in beweging, dan rolt dit naar beneden en vormt het begin van een sneeuwval of lawine. Op zich zelve onschuldig, neemt deze sneeuw, al naar beneden rollende, door aanhechting meer en meer toe en verkrijgt te gelijkertijd eene steeds klimmende snelheid, totdat zij eindelijk aangroeit tot eene reuzenmassa, in hare vreeselijke kracht door niets te stuiten en boomen, huizen, ja geheele dorpen met zich medevoerende of op het einde van haren loop begravende.
Een andere vorm, waaronder de ijsmassa's gevreesd zijn, is als drijf- of poolijs: bergen van ijs, uit torenhoog op elkander gestapelde schollen zamengesteld, in die opeenstapeling vaak de grilligste figuren vormende en in de verte huizen, kerken, torens, wallen, steden van eene schitterende witheid den reiziger voor oogen tooverende; — daarbij aaneen gevroren tot een klomp zoo vast en hard, dat de breektuigen er weldra bot op worden en dat slechts het buskruid met zijn alvernielend vermogen ons helpen kan om ze, door er mijnen in te graven, uit een te doen spatten. Onze {{sc|tollens}} schetst ons zulk een schrikgevaarte, als hij in zijn dichterlijk tafereel: ''de Overwintering der Hollanders op Nova-Zembla'', er van zingt:<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
kbz7bzxlx8mrt641bun0nwx0mo6tf8h
Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Alle de geene die iets te pretendeeren mogte hebben aen Hilbrand Backer
0
85326
219026
2026-03-28T13:58:44Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
219026
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Alle de geene die iets te pretendeeren mogte hebben, of ook iets schuldig zyn aen Hilbrand Backer, […] [advertentie]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', 18 maart 1741, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Amsterdamsche Courant 1741 no 033.pdf" from=1 to=1 fromsection=s17 tosection=s17/>
[[Categorie:Amsterdamsche Courant, 1741, Nummer 033]]
so37xhks57fppkh2b82jztfvzqa2lbr
Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Andries van Aelst, Jan Crommenie, en Anth. Ch. Muller
0
85327
219027
2026-03-28T14:00:27Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
219027
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Andries van Aelst, Jan Crommenie, en Anth. Ch. Muller, Makelaers, zullen op Woensdag den 22 Maert, t’Amst. […] verkopen, […] [advertentie]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', 18 maart 1741, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Amsterdamsche Courant 1741 no 033.pdf" from=1 to=1 fromsection=s18 tosection=s18/>
[[Categorie:Amsterdamsche Courant, 1741, Nummer 033]]
q0hnqfeb4b7hw7qxxzjj1hwfgwax8nt
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/260
104
85328
219028
2026-03-28T14:04:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219028
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|242|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>aanval van dien verschrikkelijken vijand zien vernietigd! — Wij stonden niet lang geleden aan Walcheren's zeestrand; — kort te voren hadden wij den West-Kappelschen dijk bewonderd, zoo als hij daar fier de schuimende golven op zijne breede borst opving om ze grommend en brommend naar zee terug te kaatsen: — wij, nietige schepselen, hadden ons verhoovaardigd op ons werk, en wij zeiden: ziet, dat kan de mensch! dat kunnen wij Nederlanders! Zoo breidelen. wij de zee en stellen wij paal en perk aan hare invallen! — en nu...... Waar was nu onze zelfvoldoening? Waar was onze glorie? — één uur, — één slag en maar al te goed had de vijand zijne overmagt getoond! Als dunne twijgen waren de zware balken door midden gebroken, — als spinrag de ijzeren bouten verscheurd; — als ligte schelpen steenen verre weggeworpen, voor wier vervoer menschenkrachten te kort hadden geschoten!
{{block centre|Hoffnunglos</br>
Weicht der Mensch der Götterstärke,</br>
Mussig sieht er seine Werke</br>
Und bewundrend untergehen.}}
Dat deed de zee!
En de rivieren? wanneer wij niet in ons Vaderland, helaas, de treurige waarheid kenden uit de maar al te vaak herhaalde doorbraken, wie zou gelooven, dat die liefelijk daarheen kabbelende stroomen, zoo regelmatig tusschen dijken besloten, in vernielend vermogen niet bij de groote watermassa behoeven achter te staan? dat ook de rivieren woest geweld en reuzenkrachten bezitten? — Die het geluk had een der groote watervallen van nabij te beschouwen, — die den Staubbach in stoute pracht van 800 ellen hoogte naar beneden zag storten, — of die het goddelijk schouwspel mogt zien van den Niagara, als hij een watergordijn van meer dan 1200 ellen breedte en 50 ellen hoogte vormt en tuimelend en woelend en schuimend van de rotsen neêrdalende, den omtrek doet daveren door zijn geweld; — hij, die in de tropische gewesten de beken zag, die, door den regen gezwollen, van bijna uitgedroogde, naauw opgemerkte vlieten tot woeste bergstroomen zijn aangewassen, in hare dolle vaart alles medesleurende wat zich op haren weg voordoet, — hij kent de kracht, die ook rivieren en beken in verschrikkelijke vijanden kan veranderen.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
ml6oeu30hv6lh0uzc2chys3kdcefe20
219048
219028
2026-03-28T16:03:59Z
WeeJeeVee
2844
fine block
219048
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|242|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>aanval van dien verschrikkelijken vijand zien vernietigd! — Wij stonden niet lang geleden aan Walcheren's zeestrand; — kort te voren hadden wij den West-Kappelschen dijk bewonderd, zoo als hij daar fier de schuimende golven op zijne breede borst opving om ze grommend en brommend naar zee terug te kaatsen: — wij, nietige schepselen, hadden ons verhoovaardigd op ons werk, en wij zeiden: ziet, dat kan de mensch! dat kunnen wij Nederlanders! Zoo breidelen. wij de zee en stellen wij paal en perk aan hare invallen! — en nu...... Waar was nu onze zelfvoldoening? Waar was onze glorie? — één uur, — één slag en maar al te goed had de vijand zijne overmagt getoond! Als dunne twijgen waren de zware balken door midden gebroken, — als spinrag de ijzeren bouten verscheurd; — als ligte schelpen steenen verre weggeworpen, voor wier vervoer menschenkrachten te kort hadden geschoten!
{{c|{{fine block|
Hoffnunglos</br>
Weicht der Mensch der Götterstärke,</br>
Mussig sieht er seine Werke</br>
Und bewundrend untergehen.}}}}
Dat deed de zee!
En de rivieren? wanneer wij niet in ons Vaderland, helaas, de treurige waarheid kenden uit de maar al te vaak herhaalde doorbraken, wie zou gelooven, dat die liefelijk daarheen kabbelende stroomen, zoo regelmatig tusschen dijken besloten, in vernielend vermogen niet bij de groote watermassa behoeven achter te staan? dat ook de rivieren woest geweld en reuzenkrachten bezitten? — Die het geluk had een der groote watervallen van nabij te beschouwen, — die den Staubbach in stoute pracht van 800 ellen hoogte naar beneden zag storten, — of die het goddelijk schouwspel mogt zien van den Niagara, als hij een watergordijn van meer dan 1200 ellen breedte en 50 ellen hoogte vormt en tuimelend en woelend en schuimend van de rotsen neêrdalende, den omtrek doet daveren door zijn geweld; — hij, die in de tropische gewesten de beken zag, die, door den regen gezwollen, van bijna uitgedroogde, naauw opgemerkte vlieten tot woeste bergstroomen zijn aangewassen, in hare dolle vaart alles medesleurende wat zich op haren weg voordoet, — hij kent de kracht, die ook rivieren en beken in verschrikkelijke vijanden kan veranderen.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
cbt3z9nxkmqqbx3ph5r9kbdrwwfstjk
219049
219048
2026-03-28T16:04:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219049
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|242|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>aanval van dien verschrikkelijken vijand zien vernietigd! — Wij stonden niet lang geleden aan Walcheren's zeestrand; — kort te voren hadden wij den West-Kappelschen dijk bewonderd, zoo als hij daar fier de schuimende golven op zijne breede borst opving om ze grommend en brommend naar zee terug te kaatsen: — wij, nietige schepselen, hadden ons verhoovaardigd op ons werk, en wij zeiden: ziet, dat kan de mensch! dat kunnen wij Nederlanders! Zoo breidelen. wij de zee en stellen wij paal en perk aan hare invallen! — en nu...... Waar was nu onze zelfvoldoening? Waar was onze glorie? — één uur, — één slag en maar al te goed had de vijand zijne overmagt getoond! Als dunne twijgen waren de zware balken door midden gebroken, — als spinrag de ijzeren bouten verscheurd; — als ligte schelpen steenen verre weggeworpen, voor wier vervoer menschenkrachten te kort hadden geschoten!
{{c|{{fine block|
Hoffnunglos</br>
Weicht der Mensch der Götterstärke,</br>
Mussig sieht er seine Werke</br>
Und bewundrend untergehen.}}}}
Dat deed de zee!
En de rivieren? wanneer wij niet in ons Vaderland, helaas, de treurige waarheid kenden uit de maar al te vaak herhaalde doorbraken, wie zou gelooven, dat die liefelijk daarheen kabbelende stroomen, zoo regelmatig tusschen dijken besloten, in vernielend vermogen niet bij de groote watermassa behoeven achter te staan? dat ook de rivieren woest geweld en reuzenkrachten bezitten? — Die het geluk had een der groote watervallen van nabij te beschouwen, — die den Staubbach in stoute pracht van 800 ellen hoogte naar beneden zag storten, — of die het goddelijk schouwspel mogt zien van den Niagara, als hij een watergordijn van meer dan 1200 ellen breedte en 50 ellen hoogte vormt en tuimelend en woelend en schuimend van de rotsen neêrdalende, den omtrek doet daveren door zijn geweld; — hij, die in de tropische gewesten de beken zag, die, door den regen gezwollen, van bijna uitgedroogde, naauw opgemerkte vlieten tot woeste bergstroomen zijn aangewassen, in hare dolle vaart alles medesleurende wat zich op haren weg voordoet, — hij kent de kracht, die ook rivieren en beken in verschrikkelijke vijanden kan veranderen.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
mmxk63xzzq8yr9ttmp54fbkqr9jlflq
219050
219049
2026-03-28T16:08:21Z
WeeJeeVee
2844
poem
219050
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|242|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>aanval van dien verschrikkelijken vijand zien vernietigd! — Wij stonden niet lang geleden aan Walcheren's zeestrand; — kort te voren hadden wij den West-Kappelschen dijk bewonderd, zoo als hij daar fier de schuimende golven op zijne breede borst opving om ze grommend en brommend naar zee terug te kaatsen: — wij, nietige schepselen, hadden ons verhoovaardigd op ons werk, en wij zeiden: ziet, dat kan de mensch! dat kunnen wij Nederlanders! Zoo breidelen. wij de zee en stellen wij paal en perk aan hare invallen! — en nu...... Waar was nu onze zelfvoldoening? Waar was onze glorie? — één uur, — één slag en maar al te goed had de vijand zijne overmagt getoond! Als dunne twijgen waren de zware balken door midden gebroken, — als spinrag de ijzeren bouten verscheurd; — als ligte schelpen steenen verre weggeworpen, voor wier vervoer menschenkrachten te kort hadden geschoten!
<poem>
:::Hoffnunglos
:::Weicht der Mensch der Götterstärke,
:::Mussig sieht er seine Werke
:::Und bewundrend untergehen.</poem>
Dat deed de zee!
En de rivieren? wanneer wij niet in ons Vaderland, helaas, de treurige waarheid kenden uit de maar al te vaak herhaalde doorbraken, wie zou gelooven, dat die liefelijk daarheen kabbelende stroomen, zoo regelmatig tusschen dijken besloten, in vernielend vermogen niet bij de groote watermassa behoeven achter te staan? dat ook de rivieren woest geweld en reuzenkrachten bezitten? — Die het geluk had een der groote watervallen van nabij te beschouwen, — die den Staubbach in stoute pracht van 800 ellen hoogte naar beneden zag storten, — of die het goddelijk schouwspel mogt zien van den Niagara, als hij een watergordijn van meer dan 1200 ellen breedte en 50 ellen hoogte vormt en tuimelend en woelend en schuimend van de rotsen neêrdalende, den omtrek doet daveren door zijn geweld; — hij, die in de tropische gewesten de beken zag, die, door den regen gezwollen, van bijna uitgedroogde, naauw opgemerkte vlieten tot woeste bergstroomen zijn aangewassen, in hare dolle vaart alles medesleurende wat zich op haren weg voordoet, — hij kent de kracht, die ook rivieren en beken in verschrikkelijke vijanden kan veranderen.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
2zkgyacovrea5od18qrhrld5ixfn99p
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/259
104
85329
219051
2026-03-28T16:20:29Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219051
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|241}}</noinclude>murmelende beekjes, elders als trotsche rivieren, nog verder als bruischende stroomen haar net om den wereldkloot slingeren; die, — zoo als de dichter zegt, — de wereld in koningrijken splitsen en het vorstelijk regtsgebied bepalen, maar ook de eerste geleiders van den handel, de drijfveren der industrie, de natuurlijke slagaderen der beschaving mogen genoemd worden.
Wat het water doet? vraagt het die duizende en duizende reizigers, die er onophoudelijk hunnen weg langs afleggen; — wat het doet? vraagt het den koopman, wiens kielen rijk bevracht de terugreis van Indie hebben aanvaard; — wat het doet? vraagt het den fabrikant, wien het geklepper van zijn waterrad als de welluidendste muzijk in de ooren klinkt; — wat het doet? vraagt het den werkman, die met {{sc|bramar}}'s uitvinding alléén het werk van tien- en tientallen verrigt; — wat het doet? vraagt het den Alpen-bewoner, die slechts met levensgevaar aan de lawine is ontsnapt; vraagt het den nijveren landman van den Bommelerwaard, wien have en goed, ligt meer dan dat, door het vernielend element is ontnomen; want gerustelijk kunnen wij op het water {{sc|schiller's}} keurige regelen overbrengen, waar hij van het zuster-element zingt:
<poem>
:::Wohlthätig ist des Feuers Macht,
:::Wenn sie der Mensch bezähmt, bewacht ,
:::Und was er bildet, was er schafft ,
:::Das dankt er dieser Himmelskraft;
:::Doch furchtbar wird die Himmelskraft,
:::Wenn sie der Fessel sich entrafft,
:::Einhertritt auf der eignen Spur
:::Die freie Tochter der Natur.
:::. . . . . . . . . .
:::Denn die Elemente hassen
:::Das Gebild der Menschenhand. </poem>
Waarom zouden wij niet eerst dit treurige gedeelte onzer taak afdoen en het water in zijne verwoestende kracht beschouwen? Nog klinkt ons de treurmare in de ooren — die noodkreet, die het ons kil om het hart deed worden: — Maas en Waal is doorgebroken!
Waartoe echter de herinnering aan die jammeren verlevendigd! — Wat zijn wij met onze krachten tegen die reuzenkracht? Hoe nietig is ons werk, als wij den arbeid van jaren en jaren, met opoffering van tonnen schats bijeengebragt, in een' enkelen dag, door een' enkelen<noinclude>{{rh|{{gap|2em}}1863.||16{{gap|2em}}}}</noinclude>
dhvx49q90es6px9eyisk2gr7qv8dpbi
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/258
104
85330
219052
2026-03-28T16:22:53Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219052
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|240|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>in de lucht, die wij inademen; — in de spijs, die wij nuttigen; — in de teug die onzen dorst lescht, overal is water.
Wij gelooven dus ook het tweede deel van ons opstel voldoende te hebben behandeld; immers kon het, zoo als wij reeds zeiden, onze bedoeling niet zijn, bij het stellen dier vraag de geographie van het water op het oog te hebben; wij hebben die enkel aangeroerd voor zoo veel noodig was tot de verklaring van het ontstaan der verschillende watersoorten, en daarom ook moesten deze beide vragen: wat het water is en waar het is, noodzakelijk in en met elkander hare beantwoording vinden.
Gaan wij thans over tot de uitwerking van het derde gedeelte van ons opstel: wat het water doet.
Wat het water doet? — Wij zagen het voor een gedeelte reeds in de voorafgaande bladzijden: in de natuur is alles zoo één geheel, is alles zoo in elkander gestrengeld, zijn de overgangen zoo bijna onmerkbaar, dat wij in een geschrift, dat over de natuur handelt, nagenoeg nimmer eene streng gescheidene verdeeling in hoofdstukken kunnen volhouden; het doel en het middel en de weg smelten zoo harmonisch te zamen, dat wij niet van de stof, het water, en van den weg, dien het aflegt, of de plaats, die het inneemt, konden spreken, zonder onwillekeurig de uitwerkselen voor ons te zien.
Immers wij zeiden, dat dieren en planten allen een overgroot gedeelte water bevatten, en waartoe nu kan dat water dienen, anders dan om den vorm, den omvang aan die organismen te geven? Om de zamenstellende deelen dier ligchamen, waarin het bevat is, te doen zijn wat zij zijn; om den stengel tot stengel, de plant tot plant; om de spier tot spier, het dier tot dier te vormen? Wij spraken van rivieren en meren en bronnen, van regen en van sneeuw, en van zelf gedachten wij toen den zegen brengenden regen, die onze akkers drenkt, en wij erkenden het water als de magtige hulp des landmans. Wij loofden, zonder woorden, in het eenvoudige water den bode des Heeren, die de pogingen des zaaijers moet ondersteunen en doen gedijen, opdat hij te zijner tijd kunne maaiijjen; en wij gedachten ook die zilveren aderen, die nu eens als zacht vlietende,<noinclude></noinclude>
5qbqjxc688m24qwltbltfiq0a0d2q8x
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/257
104
85331
219053
2026-03-28T16:26:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219053
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />
{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|239}}</noinclude>dat als zoodanig vrij in de bewerktuigde weefsels aanwezig is, is niet het eenige, dat er in voorkomt; bij bijna allen treedt in de zamenstelling der vaste deelen nog eene aanzienlijke hoeveelheid waterstof en zuurstof, en in velen in die verhouding, dat zij te zamen juist water vormen kunnen: — zoo b.v. in de zoogenaamde koolstof-hydraten (waartoe onder anderen de cellenstof en het zetmeel behooren), welke alle bestaan uit waterstof en zuurstof in de gemelde verhouding met eenige aequivalenten koolstof verbonden, en die veelal slechts om de bestanddeelen van één aequivalent water van elkander verschillen. Reeds valt ons dit groote watergehalte van zelf in het oog, als wij b.v. onze groenten in verschen of gedroogden toestand met elkander vergelijken of de planten beschouwen, als zij op stam bloeijen en als zij daarna in een herbarium aan ons worden voorgelegd.
Maar ook in het onbewerktuigde rijk is nog eene aanzienlijke hoeveelheid water verscholen, die zich niet zoo dadelijk aan ons doet zien. Vele kristallen bezitten een groot water-gehalte: zien wij b.v. een kristal van gewonen aluin, dan biedt ons dit een zeer kenmerkenden kristalvorm aan, namelijk dien van een octaëder met afgestompte kanten en hoeken:—wordt nu zulk een kristal op een porceleinen schoteltje of op een platina-blikje gegloeid, dan zien wij het zooveel water ontwikkelen, dat het daarin smelt, terwijl het na verdamping van dit water als een wit poeder achterblijft; dit water bedraagt niet minder dan vierentwintig deelen. Ook het zwavelzuur koper-oxyde (de algemeen bekende koper-vitriool), een fraai blaauw kristal van den dubbel-scheeven zuilvorm, heeft, om als kristal te bestaan, 5 deelen water noodig en gaat bij gloeijing, door verlies van dit water, in een zwart poeder over; — hetzelfde is bij vele andere zouten het geval.
Als wij nu eindelijk nog herinnerd hebben, dat ook de lucht zelve met waterdamp, d.i. water in zeer fijn verdeelden toestand, bezwangerd is, dan geloof ik, dat wij wel niet te stout spreken, als wij op de vraag: waar het water is? tot antwoord geven: overal! — Op, in en onder de aarde! — op de toppen der bergen, duizende voeten boven hare oppervlakte, en in bronnen, wier diepte eveneens duizende voeten moet bedragen; — in dieren, in planten en in gesteenten; —<noinclude></noinclude>
jbi8o4ywhfaiusgmvrrx8bg4bdmkvas
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/256
104
85332
219054
2026-03-28T16:52:22Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219054
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|238|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>dat dit alles verre is van eenvoudig water te zijn, gelijk wij dat hebben gevormd door de vereeniging van zuurstof en waterstof, maar over het algemeen een mengsel van water, met talrijke vreemde bijmengselen, laten wij hier nog de beschrijving volgen, hoe goed drinkwater behoort te zijn, of: ''wat goed drinkwater is''.
Drinkwater moet zijn: helder, kleurloos, goed met lucht bedeeld, zoet, koud in den zomer, warm in den winter, reukeloos, van eenen frisschen, eigenaardigen, aangenamen smaak; — niet laf, niet scherp, niet ziltig, niet brak, niet bijtend, niet zwavelig; — het moet bij het koken niet troebel worden <ref>Het troebel worden bij het koken maakt het water niet altijd minder goed; dat toch komt voor, wanneer water door ingemengd koolzuur meer koolzure kalk opgelost houdt, dan het geval zijn kon, als het door koken dat koolzuur verloren heeft. Koolzure kalk nu mag tot 0,001 gerustelijk in drinkwater voorkomen en, verre van schadelijk te zijn, is het van zulk belang voor het dierlijk organisme, dat, zoo als {{sc|boussingault}} heeft aangetoond, de jonge dieren het grooter deel van den koolzuren kalk, dien zij voor hun skelet behoeven, uit het water putten.</ref> en geen bezinksel laten vallen; — zeep oplossen zonder vlokken te vormen en bij het koken de peulgroenten niet hard maken ({{sc|Michel lévy}}, ''loco cit''., tom. 2, pag. 11).
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Toen wij van den regen spraken, vonden wij, dat slechts een gedeelte van dat water den door ons beschreven loop volgt; een ander deel, zeiden wij, dat den grond indringt en onmiddellijk door de plantenwereld opgenomen wordt; dit water nu is geheel aan onze verdere onmiddellijke waarneming onttrokken, en oppervlakkig bespeuren wij daarvan niets. Toch is de hoeveelheid waters, die in de drie rijken der natuur gebonden of verborgen bestaat, zeer aanmerkelijk: — planten en dieren bestaan voor het grooter deel van hun gewigt uit water, en wel in die mate, dat b.v. het gemiddelde gewigt van een mensch op 64 kilo's stellende, daarvan ongeveer 42 á 43 kilo's of ongeveer 66 % water is ({{sc|burdach}}), en in de planten is deze verhouding nog sterker; daar toch komen soorten voor, waarbij 90 % der geheele massa uit water bestaat <ref> B.v. ''Ceratophyllum demersum'', eene in water levende plant ({{sc|van rijn van alkemade}}, ''Plantenkunde'', 1852).</ref>, terwijl zelfs de zwaardere houtsoorten, zoo als b.v. eikenhout 20 — 30, de ligtere, b.v. populier- en wilgenhout, 40 — 50 % water bevatten. Maar bovendien, dit water,<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
jbe28bz79p0c7vgky13i6atlv6d1s1z
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/255
104
85333
219055
2026-03-28T16:55:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219055
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|237}}</noinclude>ligtelijk kolijk, terwijl in het algemeen water met lucht moet bedeeld zijn om drinkbaar te wezen; — wij zagen reeds, dat regenwater 0,04 van zijn volume aan lucht bevat; — rivierwater bevat daarvan gemiddeld 0,0287; — ook zeewater bevat noodzakelijk lucht, daar anders geene visschen er in zouden kunnen leven <ref>De hoeveelheid lucht, die het water bevat, vermindert met de hoogte boven de oppervlakte der zee. Zoo kunnen in de meren, op de toppen der Cordilleras, die 3600 ellen hoog zijn, geene visschen meer leven, omdat het water te weinig lucht bevat.</ref>, en die lucht wordt door het destilleren er mede uit verdreven. De verschillende wijzen, waarop dit kan geschieden, behooren alweder niet tot ons onderwerp. Evenmin kunnen wij in nadere beschouwingen treden over de technische aanwending van zeewater tot het winnen van keukenzout daaruit, — alle zaken, die, ieder op zich zelve, ruime stof tot uitgebreide, afzonderlijke verhandelingen zouden opleveren, en welke wij hier dus slechts ter loops vermelden kunnen.
Wij hebben dan nu den water-cyclus, door ons bij den aanvang onzer schets op den voorgrond gesteld, afgehandeld. Uit de zee hebben wij de waterdampen zien opstijgen en ze als wolken zich zien verzamelen; wij zagen die wolken zich in regen ontlasten; dien regen op en in de aarde voor een groot gedeelte verzameld worden, en wij hebben dat water op zijnen loop gevolgd, tot wij het weder aan zijnen oorsprong, de zee, hebben wedergegeven. Zoo wij daarbij eenige punten schijnbaar hebben verzuimd; zoo wij b.v. geen bijzonder gewag hebben gemaakt van het sneeuwwater, dan bestaat dat verzuim toch eigenlijk niet; de sneeuwvorming toch is een kristallisatie-proces; bij kristallisatie worden alle ongelijksoortige bestanddeelen of bijmengselen buiten gesloten; sneeuw is dus van zelve een hoogst zuiver water, dat met gedestilleerd water is gelijk te stellen; dat dan ook, om goed drinkbaar te zijn, eveneens eerst met lucht en zouten moet bedeeld worden, terwijl het bespreken van sneeuw en ijs als massa niet hier, maar eerst later in deze schets zijne plaats behoort te vinden.
Na dan nu al het water beschouwd te hebben, dat als zoodanig voor ieder herkenbaar op de aarde voorkomt; na gezien te hebben,<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
4vyfoliryyjv28av9fm8z4y3yntpudj
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/253
104
85334
219056
2026-03-28T17:07:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219056
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|235}}</noinclude>die stilstaande plassen moeten een water bevatten, dat in de hoogste mate verontreinigd is, en de beteekenis, in onze taal aan het woord ''poel'' toegekend, doet genoegzaam het volksoordeel daarover kennen. — Wat dat water is, met andere woorden, wat het bevat, kan voor ons van betrekkelijk minder belang geacht worden; bruikbaar is het in geen geval, en het is meer uitsluitend in zijnen nadeeligen invloed, in zijne miasmatische besmettelijkheid, dat wij het moeten nagaan; en dan is de zamenstelling van weinig of geen belang, want nog is het der wetenschap niet gelukt het schrikbeeld miasme feitelijk daar te stellen, en meestal is het onmogelijk, in bepaald bedorven en sterk verontreinigd water een bestanddeel aan te wijzen, dat als het eigenlijk schadelijke beginsel moet worden beschouwd.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Wanneer wij een oogenblik ons herinneren, wat in de voorgaande bladzijden over de verschillende watersoorten is gezegd; hoevele oorzaken van verontreiniging wij hebben leeren kennen, van dat het water als regen uit de wolken nederstroomt, totdat het langs kortere of langere wegen, met weinige of talrijke stations, als ik die vergelijking hier bezigen mag, de groote rivieren heeft bereikt; hoe wij gezien hebben, dat die rivieren op haren loop nog steeds nieuwe bijmengsels opnemen, — als wij ons herinneren de opgave van de bestanddeelen, die in ééne rivier (de Rijn) voorkomen, — en wij nemen dan in aanmerking, dat de zee de groote vergaarbak is van ''alle'' rivieren, dan kunnen wij ligtelik ons voorstellen, dat het zeewater al zeer onzuiver moet zijn, zelfs zoo het al niet, onafhankelijk van dien toevoer, nog eigenaardige bijmengsels uit zich zelf bezat. Gewis is die toevoer van betrekkelijk geringen invloed te achten bij de enorme watermassa, die de zee daarstelt, en ware dit zoo niet, wij zouden nog geheel andere analysen van zeewater vinden, dan wij nu bezitten<ref>.Dat de watermassa uit de rivieren toch ook nog vrij aanzienlijk is, moge bljken uit de berekening, dat het water uit de stroomen, die Frankrijk bezit, voldoende zou zijn om dat geheele land met eene waterlaag van 20 Ned. duimen dikte te bedekken.</ref>. Wij laten hier en paar daarvan volgen:<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
9tai2cedl55lnqgj2cdg9t6cfu4f0ny
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/251
104
85335
219057
2026-03-28T17:14:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219057
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|233}}</noinclude>geschonken vocht aanvankelijk in zich opneemt en bewaart, doch ledig begint te loopen, zoodra dat vocht eene zekere hoogte heeft bereikt.
Fig. 5.{{image missing}}Schematische voorstelling eener tusschenpoozende bron.
De nevensstaande figuur moge zulks ophelderen. Zij A eene verzameling van water, door het kanaal B gevoed, dan zal de hevel C D E, waardoor A met de buitenlucht in gemeenschap staat, niet gaan loopen, zoolang, het water beneden het niveau F biijft, gelijkstaande met den top van den hevel; doch heeft het eenmaal die hoogte bereikt, dan zal, volgens de bekende wetten, de hevel blijven loopen, totdat de waterspiegel in A zoo ver is gedaald, dat de opening B vrij komt, om dan op nieuw te beginnen te vloeijen, zoodra door nieuwen toevoer het niveau F weder is bereikt of overschreden.
Wij mogen het wel- en bronwater niet verlaten, zonder met een enkel woord melding te maken van de zoogenaamde minerale bronnen, die, wat de theorie van haar ontstaan betreft, geheel en al met de evengenoemde overeenkomen, doch daarvan verschillen door sommige zelfstandigheden, die 2ij op haren loop hebben opgenomen, Het behoort niet tot dezen arbeid in wijdloopige beschouwingen over minerale bronnen te treden; wij willen er slechts op wijzen, dat sommige wel onuitputtelijk mogen genoemd worden, daar zij jaarlijks duizende en duizende kannen waters opleveren; dat sommige de vreemdste bestanddeelen bevatten en daardoor met vrucht tot technisch of medisch gebruik worden aangewend; en dat vele eenen betrekkelijk hoogen warmtegraad bezitten, die niet altijd juist van vulkanischen oorsprong behoeft te zijn, maar veeleer cen bewijs is voor den diepen oorsprong der bron: immers neemt de warmte der aardkorst, bij het naar beneden gaan, aanzienlijk toe, en zou water, dat op 3000 ellen beneden de oppervlakte zijn reservoir had, dáár het kookpunt bereikt hebben. Voor het overige komen wij ook op deze bronnen in het verdere gedeelte dezer schets terug.{{nop}}<noinclude></noinclude>
b16njlst4bn8jvulq3rmbhmo743bln9
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/249
104
85336
219058
2026-03-28T17:19:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219058
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|231}}</noinclude>nu het verzamelde water verder en verder, totdat het ergens eene opwaarts gaande ader ontmoet, waardoor het, onder den invloed zijner eigen drukking, opstijgt, om dan in het rotsachtig terrein eene min of meer komvormige uitholing te vinden en daarin zijnen loop te besluiten
Nemen wij daarentegen aan, dat de plaats waar het water den grond indringt, aanmerkelijk hoger ligt dan die waar het water te voorschijn komt, dan zal het niet eenvoudig als eene stilstaande bron zich verzamelen, maar, volgens de bekende hydrostatische wet, dat water in vaten, die gemeenschap met elkander hebben, zich tot hetzelfde peil tracht te verheffen, onder de drukking der hoogere kolom met kracht te voorschijn springen; eene kracht, die meer of minder groot zal zijn, naarmate van het verschil in hoogte der beide kolommen, in verband met de verschillende tegenstanden, die de vochtzuil op haren weg had te over winnen.
{{image missing}} Fig. 3.
Graphisch kunnen wij ons de zaak eenvoudig voorstellen, als wij de buis A B C D als den weg der watermassa beschouwen. Vele fonteinen in tuinen of buitenplaatsen of op kleinere schaal in aquaria en bloemenmanden worden op die wijze kunstmatig daargesteld. In het groot zien wij deze eigenschap toegepast bij het boren der zoogenaamde Artesische bronnen, waarbij men eigenlijk niets anders doet, dan dat men, door eene loodregte pijp in den grond te maken, tracht eene uitlozings-opening op zulk een onderaardsch water-kanaal aan te brengen, ter plaatse waar men dit water wenscht te gebruiken. Dat men hierbij niet op losse gronden te werk gaat, maar de hulp der geologie inroept om althans bij benadering te kunnen berekenen, of men al dan niet kans heeft op eene gegevene plaats en op bereikbare diepte zulk eene waterader te vinden, spreekt wel van zelf. Hoe rijk overigens de aardkorst met zulke aderen is doorsneden, kan blijken uit de omstandigheid, dat bij het boren eener Artesische put te Dieppe<noinclude></noinclude>
juod03tjcc0un18vodgtq0lv58o7hb8
Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Brussel den 16 Maert
0
85337
219059
2026-03-29T08:44:39Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
219059
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Brussel den 16 Maert’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', 18 maart 1741, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Amsterdamsche Courant 1741 no 033.pdf" from=2 to=2 fromsection=s1 tosection=s1/>
[[Categorie:Amsterdamsche Courant, 1741, Nummer 033]]
dl44x8nnuhzo2srgfnibpesgq8cc0wq
Amsterdamsche Courant/1741/Nummer 33/Parys den 13 Maert
0
85338
219060
2026-03-29T08:51:38Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
219060
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Parys den 13 Maert’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', 18 maart 1741, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Amsterdamsche Courant 1741 no 033.pdf" from=2 to=2 fromsection=s2 tosection=s2/>
[[Categorie:Amsterdamsche Courant, 1741, Nummer 033]]
9a8m6flpw3j3k2o2awvdkvn7k1fhi2b
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/252
104
85339
219061
2026-03-29T09:54:31Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219061
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|23|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>Het rivierwater komt, zoo als trouwens was te voorzien, vrij wel in bestanddeelen met het welwater overeen. Rivieren toch ontstaan òf op de bergen uit de sneenw- en ijsmassa's, die zich daar bevinden (zoo als b.v. de Rijn grootendeels zijn water krijgt uit den Rheinwald-Gletscher, aan den voet van den Muschelhorn) en dan zullen zij, op haren loop, alligt dezelfde zouten en verontreinigingen ontmoeten als het welwater in zijnen onderaardschen loop — òf wel zij ontstaan al dadelijk uit bronnen, die door zulken onderaardschen toevoer worden gevoed, zoo als b.v. de Donau. Dat dan ook dit rivierwater nog al tamelijk onzuiver kan zijn, zien wij dadelijk, als wij het in een glas beschouwen, aan de vuile kleur, dikwijls minder aangenamen smaak en reuk, en het spoedig vallen van een sterk bezinksel. De volgende opgave eener analyse wan water uit den Rijn, op ongeveer de helft van zijnen loop geschept, zal dit bevestigen. Op 100 Ned, kannen water vond {{sc|deville}}:
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|Silicium||4,889
|-
|Aluminium|0,25
|-
|IJzer-oxide||0,58
|-
|Koolzure kalk|| 13,66
|-
|Koolzure magnesia||0,5
|-
|Zwavelzure kalk||1,47
|-
|Zwavelzure soda||1,35
|-
|Chloor-sodium (keukenzout)||0,2
|-
|Salpeteraure potasch (salpeter)||0,38
|-
|{{gap|5em}}Totaal||23,17 wigtjes
|-
|}
Wij kunnen ons, voor ons doel, tot dit weinige over het rivierwater bepalen, Doch, alvorens nu over te gaan tot de beschouwing van het zeewater, moeten wij nog met een enkel woord melding maken van de zoogenaamde stilstaande wateren, poelen, slooten en moerassen, die toch ook voor een aanzienlijk gedeelte tot de rivieren terug komen om daarmede naar hunne algemeene verzamelplaats te worden gevoerd.
Op plantaardigen bodem stilstaande, rustende op eene grondlaag, van rottende, aardachtige stoffen, vaak de brandpunten der besproeijings-kanalen en door deze met een aanmerkelijk gehalte van organische stoffen belast, zonder geregelde uitloozing, het graf van myriaden infusorien, insekten en grootere dieren, die daarin het tjdstip hunner geheele ontbinding tijdelijk afwachten, kan het wel niet anders, of<noinclude></noinclude>
svpyg6zlgao73d24rik28o7cblv3ntu
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/254
104
85340
219062
2026-03-29T10:04:18Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219062
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|238|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>{{image missing}}
<ref>{{sc|G.j. mulder}}, ''Verhandeling over de wateren en de lucht der stad Amsterdam en der aangrenzende deelen van ons Vaderland'', 1827.</ref>
<ref>{{sc|michel lévy}}, ''Traité de hygiène publique et privée'', 1857.</ref>
Wanneer wij na deze opgaven vergelijken met die van het Rijnwater, dan valt het ons al dadelijk op, dat wij nagenoeg dezelfde bestanddeelen er in aantreffen, doch in verschillende hoeveelheid; het meest in het oog loopend verschil is gelegen in het keukenzout, dat bij het zeewater bovenaan staat, en alleen ongeveer {{smaller|{{frac|2|3}}}} der vaste bestanddeelen oplevert, terwijl het in het rivierwater geheel onder aan de reeks staat en slechts voor {{smaller|{{frac|1|115}}}} in de verhouding komt. Uit die omstandigheid zien wij dan ook al dadelijk den naam van ''zout water'', aan zeewater algemeen gegeven, gebillijkt; hoewel, strikt genomen, keukenzout in bijna alle waters voorkomt, trouwens veeltijds slechts tot één millioenste gedeelte,
Dat groote zoutgehalte maakt dan ook het zeewater ten eenen male ongeschikt voor drank of voor huishoudelijk gebruik, en slechts in den laatsten tijd is men er toe gekomen om, ten behoeve der schepelingen, het zeewater door destillatie tot drinken geschikt te maken; dat overgehaalde water moet dan echter nog, alvorens te kunnen worden gebruikt, met lucht en zouten worden voorzien; — gedestilleerd water toch is zwaar en moeijelijk te verteren en veroorzaakt<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
c6hgbzs016qtbwbaosifhvpvwt5qx2b
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/250
104
85341
219063
2026-03-29T10:12:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219063
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|232|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>zeven verschillende waterleidingen op verschillende hoogten werden
{{image missing}}
Fig. 4.
Schematische voorstelling van de theorie der Artesische bronnen. AA. Waterader. BB. Geboorde pijp.
ontmoet, totdat men eindelijk, op ongeveer 1000 voeten diepte, eene aantrof, die onder genoegzame drukking stond om het water tot boven den grond op te spuiten. En hoe geheel onafhankelijk van elkander deze onderaardsche waterleidingen verloopen, kan daaruit worden opgemaakt, dat in de stad Paderborn op korten afstand bij elkander 130 bronnen voorkomen, welker water in temperatuur niet onaanzienlijk onderling verschilt, dus van verschillende diepten moet afkomen<ref>Dr. {{sc|f.c. krecke}},Beginselen der Alg. Natuurk, Aardrijkskunde.'' 1845.</ref>.
De tusschenpoozende, intermitterende of periodieke bronnen vinden hare verklaring alweder geheel in de natuurkunde. Vooreerst zijn er, wier waterstand eenvoudig afhankelijk is van den stand der zee. Voor~ beelden daarvan vindt men te Brest, te Cadix en onder anderen in ons, land te Breskens, waar het zoogenaamde Spanjaards-putje (eene gemetselde welput achter de duinen) regelmatig met vloed en eb op. en nedergaat. Andere beantwoorden duidelijk aan de hoeveelheid regen, die op zekere op eenigen afstand gelegene plaatsen valt. Nog andere staan in verband met vulkanen, zo als de Gejiser op IJsland, Eindelijk kunnen sommige tusschenpoozende bronnen hare verklaring. vinden in de theorie van den Tantalus-beker, een werktuig uit de physique amusante genoegzaam bekend als een glas, dat het daarin<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
4kfhqturxkbvfwm2b6elzcencouqbxv
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/248
104
85342
219064
2026-03-29T10:17:04Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219064
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|230|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>der aarde ontstaan, en daar als eenvoudige of als intermitterende bronnen of als fonteinen voorkomen.
Het regenwater, dat de aardkorst heeft doorzijpeld, vindt namelijk in de diepere lagen dier korst kanalen of gangen, waardoor het zich vrij beweegt, totdat het zich op de eene of andere plaats, op mindere of meerdere diepte, tot eene groote massa verzamelt; volgens de wetten der waterweegkunde (hydrostatica) zullen die massa's nu, of dadelijk aan de oppervlakte te voorschijn treden, daar dan eene eenvoudige bron daarstellende, of zij vormen door de hoogere drukking, waaronder zij bij haar verschijnen aan de aardoppervlakte staan, springende bronnen of fonteinen, —òf wel zij geven ons, altijd onder den invloed derzelfde wetten, de vreemde verschijnselen der tusschenpoozende bronnen. Het zij ons vergund eenige oogenblikken bij de behandeling dier verschillende vormen stil te staan en hunne wijze van ontstaan nader aan te toonen.
Verbeelden wij ons eene doorsnede der aardkorst voor ons te hebben
{{image missing}}Fig. 2
Schematische voorstelling eener doorsnede van de aardkorst. A. Bouwbare aarde. B. Rotsachtig terrein. C. Onderaardsch waterkanaal. D. Bron.
welker bovenste laag gedeeltelijk uit bouwbare aarde, gedeeltelijk uit rotsen is zamengesteld; de regen, op die bouwaarde nedervallende, wordt gedeeltelijk daarin teruggehouden en verbruikt, maar voor een niet onaanzienlijk gedeelte doordringt hij die om in de kanalen, vaak door de verschillende lagen, welke die korst daarstellen, gevormd, zich tot eene grootere massa te verzamelen. Door die kanalen vloeit<noinclude></noinclude>
oell67chazi3hpyc2wl790g9n61yj5o
Index:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf
106
85343
219065
2026-03-29T10:24:25Z
Havang(nl)
4330
Nieuwe pagina aangemaakt met ''
219065
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=De Middelnederlandsche dramatische poëzie
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=Henri Ernst Moltzer
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1875
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=X
|Delen=
|Pagina's=<pagelist />
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
2n7jjd6kfu872k03ahr8buw5f50x45x
219068
219065
2026-03-29T10:34:46Z
Havang(nl)
4330
219068
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=De Middelnederlandsche dramatische poëzie
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=[[Auteur:Henri Ernest Moltzer|H. E. Moltzer]]
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1875
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1=Titel 2=- 3=fr.t 4=- 5to6=Inh 7to8=- 9to70=roman 9=1 71=1 682=-/>
|Opmerkingen={{Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/5}}
{{Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/6}}
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
fsg7jm86y61sdhwdcq4yjpcdcxgifj3
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/268
104
85344
219066
2026-03-29T10:32:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219066
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|250|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>stofzuren kalk aan het gewelf zitten; toch is dat deeltje groot genoeg om tot kern te strekken voor andere deeltjes, en zoo geschiedt het, dat door het onophoudelijk filtreren van water door die spleet, zich ook onophoudelijk meer deeltjes afzetten, die primitief eenen hangenden kegel vormen (evenals een ijskegel, welke vorm ook veel voorkomt), doet door voortdurende aanvoeging eindelijk de meest verschillende figuren aannemen; dit zijn dan de zoogenaamde stalactieten. Doch dit is niet alles: de waterdroppel, die, na haar gedeelte kalk te hebben achtergelaten, naar beneden valt, bevat nog altijd kalk, die nu bij de verdere verdamping van het water op den bodem achterblijft, daar dan tegenover of beter gezegd onder den stalactiet een dusgenaamde stalagmiet vormende; deze, zoo als te begrijpen is, minder verscheiden in vorm dan de eerste, doch over het algemeen over grootere oppervlakte uitgebreid. Als merkwaardige grotten in dit opzigt zijn bekend de Bauman's-grot en Bielsgrot bij Rubeland in het Hartzgebergte.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Na dan zoo de natuurlijke, als ik het zoo noemen mag, vrijwillige uitwerkselen van het water te hebben nagegaan, zijn wij nu genaderd tot eene andere reeks van werkingen, namelijk die, waar de mensch het water als beweegkracht aanwendt.
Even krachtig als het in de natuur zijn kan, even vermogend is het ook hier, waar bovendien door doelmatige werktuigen en inrigtingen, soms met geringe massa aanzienlijke magtsontwikkeling wordt verkregen. Als de eenvoudigste vorm van water-beweegkracht zien wij de waterraderen optreden. Het oorspronkelijke beginsel is dit: in den loop eener rivier of elders, waar een verval van water is, wordt boven den waterspiegel een rad geplaatst, welks rand met breede uitsteeksels is voorzien en wel zoodanig, dat het water deze uitsteekbladen over het grooter deel hunner oppervlakte aanraakt. Het water nu in zijn val tegen een zoodanig blad komende, drijft het bewegelijk om zijne as opgehangen rad een eind voort; op het oogenblik, of liever vóór dat het uitwerksel van dien eersten stoot is uitgeput, herhaalt zich dezelfde werking tegen een tweede blad en zoo vervolgens, waardoor dan het rad eene gestadige, rondgaande beweging verkrijgt en behoudt.
Vele zijn de wijzigingen en verbeteringen aan deze oorspronkelijke<noinclude></noinclude>
17rr78xtinimkgt9n81ud5aoxg6kfuh
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/269
104
85345
219067
2026-03-29T10:34:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219067
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|251}}</noinclude>
{{image missing}}
Fig. 6. Waterrad in zijn eenvoudigsten vorm.
waterraderen, die ook in hunnen eenvoudigsten vorm nog veel in gebruik zijn, aangebragt; wijzigingen, die meestal ten doel hebben zich naar de plaatselijke omstandigheden te schikken, zooveel mogelijk partij te trekken van eene kleine massa of een gering verval van water, en om te gelijk nadeelige wrijving, voor zooveel dit kan, te vermijden en dus de grootst mogelijke hoeveelheid productieve kracht te erlangen. Zoo zijn er raderen waar het water van boven op stroomt, andere, die den schok tegen de onderste helft van hunnen omtrek ontvangen; — de meeste staan vertikaal op de oppervlakte van den stroom, andere echter hebben eene horizontale rigting; — deze hebben vlakke, gene hoekige, andere gebogen schepbladen; — de eene soort is als het ware in eene kast of gleuf besloten, bij eene andere beweegt het rad zich vrij in de watermassa; — eindelijk zijn er in den laatsten tijd eene soort van waterraderen in toepassing gebragt, die op een geheel ander beginsel steunen, namelijk op den rugwaartschen stoot, dien eene uit een vat uitstroomende vochtmassa geeft. Op dit beginsel berusten de zoogenaamde turbines, die onder anderen bij de groote industriële etablissementen te Mühlhausen in gebruik zijn. — Het is<noinclude></noinclude>
mpiwi17r0u9cvmabm5h40geeif9fmfu
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/270
104
85346
219069
2026-03-29T10:39:35Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219069
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|252|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>hier natuurlijk de plaats niet om wijdloopig over al deze werktuigen te spreken, ook niet om de voordeelen op te sommen, die de eene boven de andere hebben kan. Voor ons doel is het genoeg, dat wij ze vermeld hebben, als mede de grootste krachtsuitingen gevende, door het water voorgebragt, daar b.v. in het Schwartzwald eene turbine bestaat, de turbine Fourneyron, die met een verval water van 108 ellen, doch met een stroom van slechts 0,55 ellen omvang, 40 paardenkrachten geeft<ref> Men berekent, dat, wanneer de Seine even boven den Pont-Neuf werd opgestopt, men beneden die brug een verval zou krijgen ter grootte van 2000 paardenkrachten, bij laag water zelfs. {{sc|Ch. de launay}}, ''Cours element de Mécanique'', 1851.</ref> .
In de water-perspompen zien wij eene andere toepassing der hydrostatica op de industrie. De hydraulische pers, die wij als type daarvan boven reeds gedachten (naar haren uitvinder gewoonlijk Bramah-pers genoemd), berust op de eenvoudige wet, dat de drukking, door eene vochtmassa uitgeoefend, eigenlijk volstrekt niet afhankelijk is van hare massa, maar het product is van twee factoren, namelijk de uitgebreidheid van hare grondvlakte, vermenigvuldigd met de hoogte der vochtkolom, onverschillig welke de vorm van het vat zij, waarin het vocht bevat is, — dat zij dus dezelfde blijft op het vlak A, onverschillig
{{image missing}}Fig. 10,
welke der bovenstaande vormen het vat hebbe. De kracht der pers zal dus geheel afhangen van de verhouding tusschen den doormeter van den zuiger-cylinder A en de middellijn van den cylinder B, die het water in de aanvoerbuis ''c'' perst, en tevens van de lengte van den hefboom D, als bijkomende kracht-vermeerderende omstandigheid.
Onbegrijpelijk zijn de krachtsontwikkelingen, die met die waterpersen kunnen plaats hebben, en veelvuldig is het gebruik, dat tegenwoordig in<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
pl02xxpbowj9g034vqbo94rkv07owo8
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/271
104
85347
219070
2026-03-29T10:42:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
219070
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|253}}</noinclude>{{image missing}}
Fig.11.
Hydraulische of Bramah-pers.
de techniek er van wordt gemaakt: zoo b.v. zijn de reusachtige kokers der ijzeren spoorweg-brug tusschen het graafschap Carnarvon en het eiland Anglesey met behulp van zulke persen geplaatst! Op de spoorlijnen begint men er gebruik van te maken, door bijzondere, vrij zamengestelde inrigtingen om geladen wagens gemakkelijk op te heffen; — maar bovendien vindt men ze in bijna elk groot magazijn, waar goederen ter verzending zaamgeperst kunnen worden — in elk industrieel etablissement, waar eenige aanzienlijke drukking moet worden uitgeoefend, — bij het Fransche en andere legers tot het ineen persen van het hooi voor de fourage, en ook in ons land, onder anderen te Kuilenburg in de fabrijk van gedroogde en zaamgeperste groenten aldaar aanwezig. Kortom, nagenoeg overal waar de stoomkracht op de industrie is toegepast, zal men onder de werktuigen een of meer hydraulische persen aantreffen, nog ongerekend die, welke door één man in beweging worden gezet om in pakhuizen en bergplaatsen hare vermogende hulp te leenen.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
cw6flcee0bw89f0wfsgnjz5x1t879d1
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/272
104
85348
219071
2026-03-29T10:46:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219071
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|254|IETS OVER HET WATER.|}}</noinclude>Wij noemden zoo even een woord, door ons met voordacht tot nog toe niet gebezigd; wij spraken van de stoomkracht! — Welk een oneindig veld breidt zich eensklaps door dat tooverwoord voor onze oogen uit! — Stoom, het magtwoord onzer dagen! — Stoom, de groote drijfveer van alles wat thans op den naam van machine aanspraak maakt!
Gewis niemand zal het wraken, als wij dat gedeelte van ons onderwerp (want stoom toch is water — wat stoom dus doet, doet water) geheel ter zijde laten en ons bij deze enkele vermelding bepalen; het is zoo algemeen bekend, het is zoo uitgebreid, het is zoo gewigtig, dat eene schets in algemeene trekken tot niets zoude leiden; en dat van den anderen kant eene eenigzins uitvoerige bewerking niet slechts de grenzen van dezen arbeid, maar al ligt die van eenen jaargang van dit Album zoude overschrijden. Genoeg dat wij hebben herinnerd, dat stoom eigenlijk slechts een andere vorm van water is; dat dus, waar wij van stoomkracht, van stoommachines spreken, wij eigenlijk slechts de werkingen van het water op het oog hebben, en dat wij dus wel niet te veel zeiden, toen wij het water de drijfveer der industrie noemden.
{{dhr}}
Brand! brand! — akelig weerklinkt die noodkreet in het nachtelijk uur langs de straten, en brand! brand! bauwt de echo het geroep na, dat weldra door duizende keelen herhaald, de burgerij op de been heeft geroepen om met vereende krachten den gevreesden vijand het hoofd te bieden; en terwijl het klokgebrom het heinde en ver verkondigt, dat de roode lucht onheil teekent, komen de brandspuiten in ijlende vaart aangerold om uitdoovende waterstralen in den vuurgloed te werpen.
Wat ware hier ons vermogen zonder de hulp van het water! Straks zagen wij vuur en water hun geweld vereenen om onder de leidende kracht des menschen het wonder onzer eeuw, de stoomkracht te scheppen; hier zien wij door dezelfde leiding beiden elkanders geweld beteugelen. Maar alsof dit nog niet genoeg ware om des menschen beheerschende magt over de elementen te doen uitblinken, gaat hij in de stoute vlugt zijner uitvindingen nog verder en doet<noinclude></noinclude>
aei5k35vuufj8trgk3qxnxsfbv1fj2u
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/273
104
85349
219072
2026-03-29T10:48:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219072
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WAT HET IS, WAAR HET IS, EN WAT HET DOET.|255}}</noinclude>hij het water door het vuur, dat het moet blusschen, dubbel heil aanbrengend werken door de weldadige stoom-brandspuiten, die niet meer enkele waterstralen, neen, die waterstroomen in de vlammen uitbraken en wier uitblusschend vermogen onbegrijpelijk en bijna onberekenbaar is.
Dat wij niet te veel zeggen, staven wij daardoor, dat er in Engeland zulke stoomspuiten bestaan, die per minuut ongeveer 800 Ned. kannen water geven kunnen.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Nog eene andere, zij het dan ook meer beperkte aanwending van het water in de kunsten moeten wij hier vermelden, ofschoon daarbij de werking ontstaat door de zamenstellende deelen en niet door het water zelf. Wij bedoelen de zoogenaamde hijdro-oxygeenvlam en het Drummondsche kalklicht.
Wanneer toch zuurstof en waterstof, uit afzonderlijke openingen op een stuk krijt te zamen komende, daar verbranden, ontstaat er een zeer helder licht, zoo scherp, dat het bloote oog het slechts zeer korten tijd kan verdragen en dat de vlam eener kaars, voor dat licht gehouden, eene duidelijke schaduw op den wand der kamer werpt. Men heeft van dit licht partij getrokken voor vuurbakens, enkele malen ook bij het des nachts arbeiden aan groote werken, maar meer algemeen ter verlichting van mikroskopen, geheel op de beginselen der zonmikroskopen gegrond, waar dan deze lichtbron in de plaats der zon gebezigd werd. De meeste dezer toepassingen echter zijn tegenwoordig door de eenvoudigere, en vooral meer te temperen photo-elektrische verlichting vervangen geworden.
Het is ons onmogelijk het vele en velerlei gebruik, dat nog van de eigenschappen van het water in de techniek gemaakt wordt, op te sommen. Bijna geene kunst of handwerk toch, die er niet in meerdere of mindere mate nut van trekt. Zoo herinneren wij nog slechts als voorbeeld, dat de glasblazer de eigenschap van water om bij hoogere temperatuur zich tot damp uit te zetten benuttigt om op eene gemakkelijke wijze holle voeten aan glazen voorwerpen, b.v. aan wijnglazen, te maken, door namelijk eenen groenen boomtak in den gloeijenden, massieven, glazen tap te steken, waardoor eene peervormige<noinclude></noinclude>
b96b7jatspydjgvfrwb9ay386o4yenw
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/274
104
85350
219073
2026-03-29T10:51:25Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
219073
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|256|IETS OVER HET WATER.ENZ.|}}</noinclude>uitholling ontstaat. En deze voorbeelden zouden wij bijna tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen; maar wij bepalen ons tot het medegedeelde, dat dan toch de hoofdtoepassingen bevat.
Eindelijk, nog in eene andere rigting zouden wij het water kunnen beschouwen. Welke die is? Zij had wel bovenaan in onze schets mogen voorkomen. In de tegenwoordige tijdsomstandigheden, nu elke courant, elke boek- of plaatwinkel ons om strijd het woord waterweg doet lezen. De parelen van Neêrlands stedenkroon, Amsterdam en Rotterdam, achten haar bestaan afhankelijk van die waterwegen. Dat tooverwoord heeft tijden lang de gemoederen in 's lands vergaderzalen en de gemoederen van een groot deel des volks vervuld; dat woord, het prijkte in vurige letteren aan den Amstel en het IJ, toen de hoofd stad op 's Konings geboortefeest van hare dankbaarheid wilde doen blijken; dat woord, het strekke ook ten besluit aan dit laatste deel onzer schets, terwijl bet schier voldoende is het uit te spreken om er het gewigt van te doen gevoelen.
De waterwegen toch, in het algemeen door ons elders reeds de slagaderen der beschaving genoemd, zij vormen den rijkdom van Nederland; zonder water geen handel! zonder handel geen welvaart! Ontneemt ons, ontneemt het trotsche Albion zijne koopvaardij, en ontzenuwd liggen de staten ter neder. Wat maakte de kooplieden van Tyrus tot vorsten; wat verhief het trotsche Aquileja tot de koningin der steden; wat maakte de republieken van Italie, de {{sc|medicis}} tot wat zij waren; wat deed ons Neêrland groot worden?
Waardoor schonk {{sc|columbus}} ons eene nieuwe wereld; waardoor veroverden onze vaderen, in streken duizende mijlen van ons verwijderd, een koningrijk met koningrijken tot provincien? — En op al die vragen hebben wij slechts één antwoord: dat alles geschiedde met de magtige hulp der waterwegen!
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
2auqbd07kjc6lxpgwk54e0k4gq0ou4b
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/5
104
85351
219074
2026-03-29T11:06:30Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
219074
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{{c|{{larger|{{sp|INHOUD.}}}}}}
{{r|Bladz.}}
INLEIDING I.
:$ 1. KERKELIJK (GEESTELIJK) DRAMA. (MYSTERIE EN MIRAKELSPEL.) I.
:§ 2. WERELDLIJK DRAMA (ABELE SPELEN, SOTTERNIEN, CLUYTEN) XXXIV.
<br>EEN ABEL SPEL VAN ESMOREIT, SCONINCS SONE VAN CECILIEN, ENDE ENE SOTTERNIE DAER NA VOLGHENDE 1.
<br>hier beghint die sotternie (LIPPIJN) 60.
<br>EEN ABEL SPEL ENDE EEN EDEL DINC VAN DEN HERTOGHE VAN BRUYSWIJC, HOE HI WERT MINNENDE DES ROEDELIOENS DOCHTER VAN ABELANT, ENDE ENE SOTTERNIE NA VOLGHENDE 75.
<br>hier beghint die sotternie (BUSKENBLASER) 126.
<br>EEN ABEL SPEL VAN LANSELOET VAN DENEMERKEN, HOE HI WERT MINNENDE ENE JONCFROU, DI MET SYNDER MOEDER DIENDE, ENDE ENE SOTTERNIE NA VOLGHENDE 141.
<br>Hier beghint die sotternie (HEXE) 183.
<br>ENE SOTTE BOERDE ENDE ENE GOEDE SOTTERNIE (DRIE DAGHE HERE) 190.
<br>ENE SOTTE BOERDE ENDE ENE GOEDE SOTTERNIE (TRUWANTEN) 210.<noinclude></noinclude>
8upu3fny9x1m3i6uf56knan1zrt7kfu
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/6
104
85352
219075
2026-03-29T11:12:32Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
219075
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>{{r|Bladz.}}</noinclude>
EEN ABEL SPEL VANDEN WINTER ENDE VANDEN SOMER ENDE ENE SOTTERNIE NA VOLGHENDE 216.
<br>Hier beghint die sotternie (RUBBEN) 242.
<br>EEN CLUIJTE VAN PLAIJERWATER OF VAN DEN MAN DIET DWATER HAELDE 257.
<br>EEN TAFELSPEELKEN VAN TWEE PERSONAGIEN OM UP DER DRY CONINGHEN AVOND TE SPELEN 285.
<br>EENE GHENOUCHELICKE CLUTE VAN NU NOCH, VAN IV PERSONAGIEN TE WETEN, DE MAN, DE GHEBUER, DWIJF ENDE DE PAPE 291.
<br>EEN TAFELSPEELKEN VAN TWEE PERSONAGIEN, EENEN MAN ENDE EEN WIJF, GECLEET UP ZIJN BOERSCHE 312.
<br>HET MYSTERIESPEL, GENAAMD: DE EERSTE BLISCAP VAN MARIA 329.
<br>DAT ES TSPEL VAN DEN HEILIGEN SACRAMENTE VANDER NYEUWERVAERT 419.
<br>{{sp|BIJLAGE}}. — FRAGMENT VAN EEN IN NEDERRIJNSCH DIALECT GESCHREVEN PAASCHSPEL 496.
<br>WOORDENLIJST 539.
{{lijn|5em}}<noinclude></noinclude>
1joa28qu3334kh5aem8ojut75f9xstp
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/71
104
85353
219076
2026-03-29T11:35:07Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
219076
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{{c|{{larger|EEN ABEL<ref>''Abel:'' KILIAEN habilis; DE VRIES, ''Mul. Wb.'' in voce : 1{{sup|e}} geschikt; 2{{sup|e}} handig; 3{{sup|e}} schoon, hupsch, bevallig. Dus primitief abel spel hetzelfde
als ''schoon spel'', hier als aan sotternie tegengesteld beteekent het zooveel
als ''ernstig tooneelspel''.</ref> SPEL VAN ESMOREIT, SCONINCS SONE VAN CECILIEN,<br>ENDE ENE SOTTERNIE DAER NA VOLGHENDE.}}}}
<poem>
God, die vander maghet was gheboren,
Om dat hi niet en woude laten verloren<ref>''Laten verloren'' d. i. in het verderf laten.</ref>
Dat hi met sinen handen hadde ghemaect,
Soe woude hi al moeder naect<ref>''Moeder naect'': KIL. nudus prorsus, ut ex matris utero editus, ''geheel naakt''. Dit blijkt o. a. uit ''Vanden Vos Reinaerde'' (ed. {{asc|JONCKBLOET}}){{asc|VS}}. 1244 vlg.:
::::Selve die pape ne wilde niet sparen (''dralen'')
::::Quam uten bedde ''moedernaect'',
en vs. 1256 vlg.: Die pape stont ....
::::''Al naect'';
V{{asc|ONDEL}}, ''Ovid. Herschepp''. III vs. 220 :
::::Zoo moedernaeckt en bloot als zij geschapen zijn.
<br>Van gelijke beteekenis is ''moedereen en moerlyk allien'': {{asc|HOOFT}} ''Warenar'' (ed. DE VRIES) IV 3 :
::::Ick raek in huis, we waeren al ''moerlyk allien'',
::::'t Meisjen was moy, ik had 'et altyt wel mogen zien;
<br>of, zooals {{asc|BREEDEROO}} 't heeft ''Griane'' IV 4 : ''moerlijcke-liennigh'': »Ick sel segghen, dat ick dit kindt al ''moerlijcke-liennigh'' uijt de Voolwijck gehaelt
heb." Wij hebben nog ''moederziel alleen'' en ''moederzalig alleen'', zie ''Vondel'' (ed. {{asc|VAN LENNEP}}) XI bl. 383. Of ''ziel'' een spottend bijvoegsel is van lateren tijd, zooals {{asc|DE VRIES}} t. a. pl. bl. 199 opmerkt, beslis ik niet.</ref>
{{sup|5}}Die doet sterven in rechter trouwen<ref>''In rechter trouwen'' d. i. ''in waarheid''. Ook ''bi rechter trouwe(n)'' en ''en trouwen''. ''Rein''. vs. 1724:
::::::''Bin rechter trouwe(n)'',
::::Je hads vergheten, lieve neve.
<br>''Renout van Montalbaen'' (ed. {{asc|HOFFMANN V. FALLERSLEBEN}} ''Horae Belgicae''
Pars V) vs. 1371 :
::::Renout antworde saen (''spoedig daarop''):
::::»''en trouwen'', ic sal die vaert (''tocht'') bestaen (''wagen''),
::::alwaendicker bliven doot."</ref>.
Nu biddic u, heren ende vrouwen,</poem><noinclude></noinclude>
mwunt0sm1wtngqybw78wz9zb2ekwr2c
219077
219076
2026-03-29T11:37:18Z
Havang(nl)
4330
219077
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{{c|'''EEN ABEL'''<ref>''Abel:'' KILIAEN habilis; DE VRIES, ''Mul. Wb.'' in voce : 1{{sup|e}} geschikt; 2{{sup|e}} handig; 3{{sup|e}} schoon, hupsch, bevallig. Dus primitief abel spel hetzelfde als ''schoon spel'', hier als aan sotternie tegengesteld beteekent het zooveel
als ''ernstig tooneelspel''.</ref> '''SPEL VAN ESMOREIT, SCONINCS SONE VAN CECILIEN,'''<br>'''ENDE ENE SOTTERNIE DAER NA VOLGHENDE.'''}}
<poem>
God, die vander maghet was gheboren,
Om dat hi niet en woude laten verloren<ref>''Laten verloren'' d. i. in het verderf laten.</ref>
Dat hi met sinen handen hadde ghemaect,
Soe woude hi al moeder naect<ref>''Moeder naect'': KIL. nudus prorsus, ut ex matris utero editus, ''geheel naakt''. Dit blijkt o. a. uit ''Vanden Vos Reinaerde'' (ed. {{asc|JONCKBLOET}}){{asc|VS}}. 1244 vlg.:
::::Selve die pape ne wilde niet sparen (''dralen'')
::::Quam uten bedde ''moedernaect'',
en vs. 1256 vlg.: Die pape stont ....
::::''Al naect'';
V{{asc|ONDEL}}, ''Ovid. Herschepp''. III vs. 220 :
::::Zoo moedernaeckt en bloot als zij geschapen zijn.
<br>Van gelijke beteekenis is ''moedereen en moerlyk allien'': {{asc|HOOFT}} ''Warenar'' (ed. DE VRIES) IV 3 :
::::Ick raek in huis, we waeren al ''moerlyk allien'',
::::'t Meisjen was moy, ik had 'et altyt wel mogen zien;
<br>of, zooals {{asc|BREEDEROO}} 't heeft ''Griane'' IV 4 : ''moerlijcke-liennigh'': »Ick sel segghen, dat ick dit kindt al ''moerlijcke-liennigh'' uijt de Voolwijck gehaelt
heb." Wij hebben nog ''moederziel alleen'' en ''moederzalig alleen'', zie ''Vondel'' (ed. {{asc|VAN LENNEP}}) XI bl. 383. Of ''ziel'' een spottend bijvoegsel is van lateren tijd, zooals {{asc|DE VRIES}} t. a. pl. bl. 199 opmerkt, beslis ik niet.</ref>
{{sup|5}}Die doet sterven in rechter trouwen<ref>''In rechter trouwen'' d. i. ''in waarheid''. Ook ''bi rechter trouwe(n)'' en ''en trouwen''. ''Rein''. vs. 1724:
::::::''Bin rechter trouwe(n)'',
::::Je hads vergheten, lieve neve.
<br>''Renout van Montalbaen'' (ed. {{asc|HOFFMANN V. FALLERSLEBEN}} ''Horae Belgicae''
Pars V) vs. 1371 :
::::Renout antworde saen (''spoedig daarop''):
::::»''en trouwen'', ic sal die vaert (''tocht'') bestaen (''wagen''),
::::alwaendicker bliven doot."</ref>.
Nu biddic u, heren ende vrouwen,</poem><noinclude></noinclude>
8f6c940pxw7k50scecuxn58rc3p5jhu