Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.46.0-wmf.23
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/271
104
58107
219906
194263
2026-04-10T14:25:54Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219906
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|249}}</noinclude>wijze: de opening ''c'' wordt gedekt door den omgebogen rand van het bakje, terwijl het gat ''d'' onder de rondom afgesloten ruimte des baks ligt. Dit laatste kanaal ''d'' is dan ook eigenlijk niet gesloten, maar heeft, onder het bakje door, gemeenschap met de buitenlucht. Men ziet dus, dat in den aangewezen stand, op de regter of voorvlakte van den zuiger ''c'' zamengeperste lucht drukt, en op de linker of achtervlakte, aan de zijde van E, slechts gewone dampkringslucht. De zuiger beweegt zich derhalve van D naar E, de gewone lucht wordt bij ''d'' uitgedreven, maar niet al die lucht verdwijnt, want de opening ''d'' ligt niet aan het einde des cylinders, en wordt weldra door het ligchaam van den zuiger zelven gesloten, zoodat de overblijvende lucht bij E wordt zamengedrukt, en als eene veer tegen den zuiger werkt, waardoor hij niet schokkend tegen het cylinderdeksel kan stooten. Zoodra de zuiger nu aan het linker einde E is gekomen, wordt het bakje ''m'' een weinig regts geschoven, zoodat de opening ''c'' vrij wordt, en ''d'' door den rand van het bakje geheel wordt gesloten. Op dit oogenblik kan er dus zamengeperste lucht aan beide zijden van den zuiger werken, en hij zou dus stil liggen, indien door de mindere dikte van de stang E, in vergelijking van D, aan de linkerzijde van den zuiger niet een grooter deel zijner oppervlakte die drukking onderging dan aan de voor- of regter zijde. Die meerdere drukking stoot dus den zuiger van de linker naar de regterhand en dien ten gevolge den aan de stang D bevestigden beitel tegen de rotsmassa. Bij die beweging kan de zuiger weder niet tegen het deksel bij B stooten, want de zamengedrukte lucht werkt daar op nieuw als eene veer. Heeft de zuiger zijne beweging naar regts volbragt, zoo wordt de luchtschuif of het bakje ''m'' weder in den stand van de figuur gebragt; de lucht achter den zuiger ontwijkt nu weder door de opening ''m'', en de meerdere drukking aan den kant van D drijft hem op nieuw van regts naar links. Dit spel herhaalt zich nu, zooals gezegd is, 200 malen in de minuut. De luchtdrukking op de voorvlakte des zuigers bedraagt 40, die op de achter of linkervlakte 95 Ned. ponden.
De verplaatsing van het schuifje ''m'' geschiedt geregeld, op den vereischten tijd, door een afzonderlijk werktuigje, dat ook door verdigte lucht, even als eene stoommachine, werkt. De zuiger in dat<noinclude></noinclude>
7abufw2ds3u4zwekk73cm863dp66fhe
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/272
104
58108
219910
194264
2026-04-10T15:42:09Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219910
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|250|DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|}}</noinclude>werktuigje is 6 Ned. duimen in middellijn en beweegt zich door 1 palm lengte. Dit hulpwerktuigje bewerkt niet alleen het verplaatsen der meergenoemde schuif ''m'', maar is ook, door een vernuftig aangebragte verbinding van zijne zuigerstang met die van het boorwerktuig, de oorzaak, waardoor de beitel, na 16 heen en wedergangen, eenmaal ronddraait. Er is nog meer, dat gezegde kleinere cylinder tot stand brengt. De beweging van zijn zuigerstang doet ook de boorstang voorwaarts gaan, naarmate het gat, dat de beitel boort, dieper in de rots dringt. Het is niet mogelijk om zonder eene te groote uitvoerigheid de wijze te beschrijven, waarop dit plaats vindt. Ons doel is ook slechts, om in hoofdzaak den uitmuntenden boortoestel te doen kennen. Men begrijpt intusschen uit het aangegevene, dat de beweging des hoofdzuigers C niet altijd even uitgestrekt kan zijn. Zij wisselt tusschen de 16 en 20 duim af.
Naast de boormachine en de beitelstang ligt verder eene naauwe buis, die gestadig, onder eene drukking van 5 dampkringen, water in het boorgat spuit, en alzoo het voortdurend voortgebragte steengruis en stof uit het boorgat wegspoelt. Dit inspuiten van koud water en schoonhouden van het gat is van groot belang voor het sparen van de boor, die er tevens door wordt afgekoeld, en men kan dan ook tegenwoordig met eene boor twee tot drie gaten slaan, terwijl men vroeger, met de hand werkende, dikwijls drie boren voor elk gat verbruikte. De geheele boortoestel ligt verder op een zeer langwerpig ijzeren raam, van 27 palm lengte en 9 duim breedte. Het maakt als het ware met den boor- en hulpcylinder één geheel uit, want met behulp van de zijstaven des raams geschiedt de genoemde voortschuivende beweging van den boorcylinder, Het raam met hetgeen er op ligt weegt 200 Ned. pond.
De noodzakelijkheid om de boor telkens op andere plaatsen en, door de onregelmatige afbrokkeling des steens, ook telkens in andere rigtingen te kunnen doen werken, zal de lezer zeker reeds hebben ingezien. Ook dit bezwaar is bij het boren des tunnels weggenomen.
Men heeft een vierhoekigen ijzeren toestel in den tunnel gebragt, die op twee spoorstaven loopt en eigenlijk uit vier kolommen bestaat, waartusschen dwarsstaven op verschillende hoogten kunnen worden<noinclude></noinclude>
i1ashu04ipmsxpyxmzpwlit8vlb7gmr
219911
219910
2026-04-10T15:43:31Z
DoekeHellema
16849
219911
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|250|DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|}}</noinclude>werktuigje is 6 Ned. duimen in middellijn en beweegt zich door 1 palm lengte. Dit hulpwerktuigje bewerkt niet alleen het verplaatsen der meergenoemde schuif ''m'', maar is ook, door een vernuftig aangebragte verbinding van zijne zuigerstang met die van het boorwerktuig, de oorzaak, waardoor de beitel, na 16 heen en wedergangen, eenmaal ronddraait. Er is nog meer, dat gezegde kleinere cylinder tot stand brengt. De beweging van zijn zuigerstang doet ook de boorstang voorwaarts gaan, naarmate het gat, dat de beitel boort, dieper in de rots dringt. Het is niet mogelijk om zonder eene te groote uitvoerigheid de wijze te beschrijven, waarop dit plaats vindt. Ons doel is ook slechts, om in hoofdzaak den uitmuntenden boortoestel te doen kennen. Men begrijpt intusschen uit het aangegevene, dat de beweging des hoofdzuigers C niet altijd even uitgestrekt kan zijn. Zij wisselt tusschen de 16 en 20 duim af.
Naast de boormachine en de beitelstang ligt verder eene naauwe buis, die gestadig, onder eene drukking van 5 dampkringen, water in het boorgat spuit, en alzoo het voortdurend voortgebragte steengruis en stof uit het boorgat wegspoelt. Dit inspuiten van koud water en schoonhouden van het gat is van groot belang voor het sparen van de boor, die er tevens door wordt afgekoeld, en men kan dan ook tegenwoordig met eene boor twee tot drie gaten slaan, terwijl men vroeger, met de hand werkende, dikwijls drie boren voor elk gat verbruikte. De geheele boortoestel ligt verder op een zeer langwerpig ijzeren raam, van 27 palm lengte en 9 duim breedte. Het maakt als het ware met den boor- en hulpcylinder één geheel uit, want met behulp van de zijstaven des raams geschiedt de genoemde voortschuivende beweging van den boorcylinder. Het raam met hetgeen er op ligt weegt 200 Ned. pond.
De noodzakelijkheid om de boor telkens op andere plaatsen en, door de onregelmatige afbrokkeling des steens, ook telkens in andere rigtingen te kunnen doen werken, zal de lezer zeker reeds hebben ingezien. Ook dit bezwaar is bij het boren des tunnels weggenomen.
Men heeft een vierhoekigen ijzeren toestel in den tunnel gebragt, die op twee spoorstaven loopt en eigenlijk uit vier kolommen bestaat, waartusschen dwarsstaven op verschillende hoogten kunnen worden<noinclude></noinclude>
2z7orulrasfmpeifxdukld85zz5o13q
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/273
104
58109
219912
194267
2026-04-10T15:45:57Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219912
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|251}}</noinclude>bevestigd; deze toestel weegt 15 tonnen. Op de dwarsstaven nu, en ook op de armen, die aan de kolommen zijn gehecht, rusten 8 van de beschreven boortoestellen, en door verplaatsing der hen dragende staven, kan men de beitels dus in verschillende rigtingen, met betrekking tot den horizont, doen werken, zoo dat zelfs die rigtingen een' hoek van 45 graden met elkander kunnen maken.
Nog draagt dat zware ijzeren raam eenen kleinen luchtketel en tevens een' kleinen cylinder met water. Het spuitwater, waarvan boven
{{SIC|geproken|gesproken}} is, bevindt zich verder in stoomketelvormige cylinders, die op eene soort van tender rusten, welke, naar gelang van de vordering des werks, wordt vooruitgevoerd. In deze cylinders treedt lucht van 5 dampkringen drukking, en met dit vermogen wordt het water, bij opening der kraan, uit den ketel gespoten op de plaats waar men het noodig heeft. De genoemde lucht- en watervergaarbakken zijn van 6 dubbele kranen voorzien, opdat men daardoor 10 werktuigen zou kunnen voeden. Zij staan beiden natuurlijk in verband met de reeds vroeger vermelde hoofdgeleidpijpen, en wel door middel van buizen van kaoutschouk, die 5 duim wijd zijn en 3 strepen dikte hebben. De hoofdgeleiders van lucht en water hebben eene wijdte van 2 palmen, en zijn van 1 duim dik ijzer gemaakt. Bij 6 uren arbeids en 70 boorgaten gebruikt men 8 kub. ellen water.
Wat het werk aangaat, dat eene boormachine verrigt, men deelt mede, dat iedere boortoestel, in 6 uren tijds, 8 tot 11 gaten, van 4 duim wijdte en 9 palm diepte, slaan kan, waarbij men dan drie boren gebruikt van 5 tot 20 palm lengte, De luchtdrukking bedraagt in het vermelde gebouw, waarin buiten den tunnel de lucht wordt zamengeperst, 5 dampkringsdrukkingen, dat is ongeveer 5 Ned. pond op de vierkante duim; aan het einde der luchtleidingsbuis beloopt zij 4,9 dampkringsdrukking. De stof, waardoor men moet heen boren, bestaat uit regelmatig op elkander liggende lagen van zwarten kalksteen. Deze lagen liggen niet horizontaal; maar zoo als schier alle steenlagen, die de aardkorst zamenstellen, liggen zij eenigzins schuins. Hier liggen zij onder een' hoek van 15° op den horizon; het gesteente is nu eens zeer vast; uit ééne massa bestaande, dan schilferachtig, dan zuiver met eenige witte kalkaderen doorsneden, en dan van kwarts doordrongen.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
suylw00mv07uqfe3ff3dciu4bvd1ghz
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/274
104
58110
219914
194269
2026-04-10T18:01:46Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219914
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|252|DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|}}</noinclude>Vóór het gebruik der machine was men aan den kant van Bardonnèche, op de gewone wijze, door middel van het met de hand uithakken, reeds 700 el vooruitgedrongen, en vorderde daarbij dagelijks 9 palm. Na de toepassing der beschrevene werktuigen gaat men ongeveer tweemaal zoover vooruit. Dat echter bij deze laatste wijze van werken vele hinderpalen en herstellingen noodzakelijk zijn, is natuurlijk. Men heeft bij voorbeeld wel altijd 8 boorinrigtingen aan 't werk, maar er worden er steeds 60 in voorraad gehouden. Dat er gemiddeld 150 beitels daags worden vernield, is reeds gezegd. Tot het behoorlijk bedienen van de machines zijn in het geheel 8 man noodig en wel voor elk paar één man ter besturing en toezage bij haren arbeid. Twee man zijn er noodig voor het vullen der gaten met buskruid, en het doen springen daarvan; deze laatste hebben in iedere 12 uren slechts 2 uren te arbeiden. Verder gebruikt men 8 man tot het wegruimen der uitgebroken steenbrokken en 1 opzigter gedurende genoemd tijdsverloop. Een aanzienlijk personeel is er ook noodig bij den straks te vermelden luchtverdigtingstoestel als ook in de smederijen, zoodat men al spoedig tot het reeds vermelde getal van 68 arbeiders per ploeg geraakt. Keeren wij thans nog eens tot het boren der gaten terug.
De beide middelste boren slaan in het midden der weg te nemen steenmassa 12 gaten, in eene horizontale rigting naast elkander; gelijktijdig met deze, boren de 4 buitenste elk boven en onder 8 tot 9 gaten, die voor 't grootste deel in eene verticale rigting meer ter zijde liggen; eindelijk maakt de bovenste en onderste boor elk 9 gaten, evenwijdig aan die der middelste.
De alzoo verkregen 65 tot 70 openingen, van 3 tot 9 duim wijd en 9 palm diep, op de vermelde wijze over de weg te nemen steenmassa verdeeld, behoorlijk door het spuitwater uitgewasschen, worden nu door eenen stroom lucht drooggeblazen, die onder eene drukking van bijna 5 atmospheren uit genoemden luchtvergaarbak stroomt door eene pijp gelijkvormig aan de spuitpijp; nog wischt men ze verder met de hand uit en vult ze met patronen van ongeveer 3 palm lengte. De toestel, welke de machines draagt, wordt nu achteruit getrokken, eene sterke houten deur vooruitgeschoven om de arbeiders tegen de<noinclude></noinclude>
fvydrpi72vuxkzyglonvkgff07arpea
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/275
104
58111
219915
194272
2026-04-11T07:41:01Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219915
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|253}}</noinclude>springende steenen te beschermen, en eindelijk het buskruid ontstoken. Men laat niet alle gaten in eens springen; gewoonlijk ruimt men de middelste het eerst weg, dan de zijdelings geplaatste, en de onderste het laatste. De steenmassa springt daarbij gewoonlijk in stukken van 8 tot 4 kubieke palmen inhoud, zoodat zij gemakkelijk op de wagens kunnen worden geladen. De ontploffingen zijn niet zeer hevig, maar toch is de luchtschudding zoo sterk, dat men er schier door wordt omvergeworpen. De kruiddamp, die de arbeiders zou moeten doen stikken, zoo hij bleef hangen, wordt nu door den krachtigen luchtstroom, waarover men elk oogenblik kan beschikken, en die met eene snelheid van 250 el in de seconde den luchtvergaarbak bij het openen der kraan verlaat, oogenblikkelijk weggeblazen. De mijnen springen tweemaal in de 24 uren, en men vordert hierdoor in dien tijd 15 tot 18 palmen, hangende dit natuurlijk van den aard der gesteenten af. Men hoopt het intusschen door vermindering van de doorsnede des tunnels, versterking der werktuigen en verbeteringen van anderen aard zoover te brengen, dat men tot 25 palm vooruitgaat.
Er blijft ons thans nog over om het meest gewigtige deel van de stoute onderneming te doen kennen, de ziel van het geheele werk, de bron der krachtsontwikkeling, den toestel, waarin de lucht wordt zamengeperst. Zeker werd nergens grootscher en overtuigender dan door dit geheele werk de waarheid gepredikt, dat er in de aantrekking der aarde voor den mensch een magazijn van kracht is weggelegd, waarvan hij de waarde niet kan peilen. Wij zien het hier vooral bevestigd, dat in elke stroomende rivier, ja in elke vlietende beek een voorraad arbeid verscholen ligt, die op de eene of andere wijze door den mensch ten zijnen nutte kan worden aangewend.
Trouwens waterraderen, turbines enz. bewijzen ons, dat die opmerking zeker niet het eerst hier ter plaatse is gemaakt. De mensch moest er immers steeds op uit zijn om de natuurlijke beweging der stof, zooals luchtbeweging of wind, stroomend water, vallende ligchamen ter voortbrenging van welke bewegingen hij geen' penning behoefde op te offeren, zoo hij de noodige werktuigen maar nederstelde, voor zich, ten zijnen gerieve te doen arbeiden. Ook hier, bij het graven van den tunnel, is men daarop bedacht geweest, en wij<noinclude></noinclude>
4kqug9nwma8qn3x94wd2quu4nj4ywff
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/276
104
58112
219916
216607
2026-04-11T07:41:58Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219916
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|254|DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|}}</noinclude>zien hier, even alsof de aarde met welgevallen de doorboring van hare korst zag ondernemen, dat zij zelve den arbeid voor den mensch gaat verrigten.
Het voor de luchtverdigtingstoestellen benoodigde water verschaft de beek, die uit het dal van Bardonnèche, naar de zijde waar men arbeidt, afdaalt. Dat water wordt eerst in een bekken verzameld, dat 50 ned. ellen boven den eigenlijken luchttoestel is gelegen, en vloeit uit dat reservoir, onder de aarde door, langs eene geleidbuis naar een tweede, lager liggend bekken.
Eindelijk valt het water uit dit laatste, door 10 groote metalen kokers, die door den muur van het luchtverdigtingsgebouw dringen, daar binnen, om er nuttig te worden aangewend. Fig. 2 geeft eene schets van de geheele inrigting.
{{c|{{Img float
| style =
| above =
| file = Albumdernatuur62 282.png
| width = 400px
| align =
| alt = Fig. 2.
| cap =
| capalign = center}}}}
In deze figuur bemerken wij eene genoegzaam U-vormig gekromde buis X Y Z. X is het zoo even genoemde einde, dat door den muur des gebouws is gebragt. Bij A bevindt zich eene klep, waardoor het water, dat uit den lageren vergaarbak afvloeit, kan worden teruggehouden; dit is de inlaatklep. Bij B ligt eene tweede klep, die in eenen, op de buis A Y geplaatsten, cylindervormigen koker is besloten; deze is de uitlozingsklep, want het door de klep A toegelaten water kan men er door laten wegvloeijen, en daartoe dienen de openingen bij C; zij zijn door den zuiger gesloten bij zijnen laagsten stand, en geopend bij eenen hoogeren. Aan het einde van het regtopgaande deel Z der buis ligt bij C eene derde klep, die de gemeenschap kan<noinclude></noinclude>
guu3e1cdaihcncbypwzxco8joprfwje
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/277
104
58113
219917
194273
2026-04-11T07:43:26Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219917
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|255}}</noinclude>afsluiten van de buis Z met de buis D, welke laatste er boven aan is bevestigd en uitmondt in den luchtketel D. De genoemde klep C is gewoonlijk gesloten door de drukking van de zamengeperste lucht in den cilinder D, daar zij zich naar boven en dus naar den kant van E opent. Bij ''l'' zijn in den wand der buis E 4 kleine zuigkleppen aanwezig, die zich naar binnen in de buis openen, en waardoor dus de dampkringslucht gemakkelijk kan binnentreden.
Is nu de inlaatklep A gesloten, zoo staat natuurlijk de buis X vol, en in het gedeelte Y en onder in Z blijft het water tot op de hoogte van de afvoerklep B staan; boven het water, in Z, tot aan de klep C, ligt dampkringslucht van de gewone digtheid der buitenlucht. Opent men nu de klep A en sluit men de klep B, zoo stort het water met geweld uit het 3 el hooger gelegene tweede waterbekken langs X in de buis Y, stijgt, ten gevolge der levendige kracht, die het bezit, in de buis Z op, waarin zich eene luchtkolom van 43 palmen hoogte bevindt, en perst die lucht zoodanig zamen, dat zij de klep C opent en in het reservoir D dringt; sluit men daarop weder A en opent men B, zoo vloeit het water hierdoor weg, daalt in de buis Z tot op de vorige hoogte, nieuwe lucht dringt door de openingen ''l'' in plaats van de weggedrongene, en er is dus weder voorraad voorhanden om bij het openen van de klep A en sluiting van B, op nieuw in het luchtreservoir te worden gevoerd. Niettegenstaande, zooals wij zeiden, het tweede waterbekken slechts 45 palm hoog ligt, wordt toch de lucht door de levendige kracht van het binnenstortende water tot 5 atmospheren zamengeperst. Wij herinneren hier den lezers, dat de drukking van eene kolom water, van 10 el hoogte, gelijk staat aan de enkele drukking des dampkrings, zoodat er uit het voorgaande is af te leiden, dat de bewegende waterkolom van nog geene 4½ el hoogte, evenveel vermogen uitoefent als een rustig staande waterzuil van 50 el hoogte.
De beweging van de kleppen A en B wordt door een afzonderlijk werktuigje geregeld, dat ook al door zamengeperste lucht werkt. De windreservoirs D bestaan uit cilindervormige ketels van geslagen ijzeren platen; zij zijn 10 el lang, kunnen 17 kubieke ellen lucht bevatten, en zijn tien in aantal. Zij hebben elk, door middel eener<noinclude></noinclude>
e50l9b6el98ac0ve7yvh71uigk8cwaq
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/278
104
58114
219918
194275
2026-04-11T07:44:09Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219918
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|256|DE STOUTSTE ONDERNEMING VAN ONZEN TIJD.|}}</noinclude>buis V, gemeenschap met het hooger gelegene bovengenoemde eerste waterbekken, en daar dit 50 el hooger ligt dan de ketels, zoo blijft de naar buiten stroomende lucht steeds van 5 atmospheren drukking, daar de ontwijkende lucht gestadig door water wordt vervangen, dat de overblijvende op denzelfden graad van digtheid of persing houdt.
Eene persmachine levert bij elken inval en weder uitstrooming des waters 1,29 kubieke el zamengeperste lucht. Eene boormachine gebruikt in de 14 tot 15 uren arbeids per dag, omstreeks 156 kubieke meters wind; voeg hierbij, wat er noodig is voor de lampen, ademhaling, buskruidverbranding enz., zoo zal men zich overtuigd houden dat de zamengeperste lucht snel in den tunnel wordt verbruikt; maar in de behoefte wordt ruimschoots door de persmachines voorzien, en aldus is een onafgebroken arbeid mogelijk. Na 5 tot 6 jaren tijds hoopt men den tunnel voor eene locomotief berijdbaar te hebben gemaakt. Zoo de dagbladen waarheid hebben vermeld, dan zou men eene bespoediging van het werk kunnen tegemoet zien, daar de boren eene wijziging hadden ontvangen, waardoor in denzelfden tijd meer steen werd verbrijzeld.
{{dhr|2}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
1rlayfaak60a0prq90wr3xsltdh8cxu
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/296
104
65131
219901
207972
2026-04-10T14:18:21Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219901
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|274|STUDIËN OVER DEN OLIFANT.|}}</noinclude>dan zeer veel ouder worden!" <ref> {{sc|Cuvier}} zegt: il est probable, qu'il peut vivre, dans l'état sauvage jusqu'à près de deux siècles.</ref>. Voorzeker is onze kennis omtrent dit punt ontleend aan de waarneming van den olifant in gevangenschap, — of liever in dienstbaarheid, — onder welke het bekend is dat hij, in den eersten tijd, aan vele zware en zelfs doodelijke ziekten en gebreken onderhevig is
<ref>Van de 138 gevangen olifanten toch, waarvan op Ceylon tot 1856 aanteekening is gehouden, zijn er, in het eerste jaar dat zij dienst deden, niet minder dan 72 bezweken! ({{sc|tennent}}).</ref>. Maar blijft hij daarvan zoo geheel bevrijd in den wilden staat? En wat leert de ondervinding omtrent vele andere dieren, wier geslacht aan eene dergelijke dienstbaarheid van den mensch sedert eeuwen is onderworpen? Zouden onze huisdieren, zouden het rund en het paard in den vrijen toestand zooveel ouder kunnen worden dan in zamenleving met den mensch? De analogie pleit daarvoor geenszins, zelfs meer voor het tegendeel. Immers wat de beschaving is voor den mensch, is de domesticiteit voor het dier, en de ervaring heeft op statistieke gronden bewezen, dat de beschaving veeleer den levensduur verlengt, dan dat zij dien verkorten zou. Het komt mij uit dien hoofde niet waarschijnlijk voor, dat de wilde olifant tot een' zoo veel hoogeren ouderdom zou geraken, dan dien, welken men hem in den getemden staat, — wanneer hij daaraan eerst gewoon is geworden, — heeft zien bereiken.
Het uitwendig voorkomen van den olifant maakt geen behagelijken indruk. In het algemeen staat hij, althans bij oppervlakkige beschouwing, onder de "leelijke" dieren te boek. Zelfs hier echter geldt weder de spreuk: "dat men niet moet redetwisten over den smaak." Althans één der vurige bewonderaars van dit dier, de schilder zover, vond de twee door hem waargenomen, en in zijn pracht-plaatwerk vereeuwigde, olifanten "bepaaldelijk schoon" niet alleen, maar hij ergerde zich telkens, wanneer vele bezoekers, in zijne tegenwoordigheid, het tegendeel durfden beweren<ref>Dit herinnerde mij aan een gezegde van den heer {{sc|westerman}}, directeur van den Zoölogischen tuin te Amsterdam, bij gelegenheid dat ZEd. mij en eenige andere heeren uit Utrecht zijne pas aangekomen Hippopotami aanwees, en waarbij hij ook deze dieren, in zijn lofwaardig enthusiasme, "hoe langer zoo mooijer" noemde, hoe meer hij ze aanschouwde.</ref>. Behalve hunnen schijnbaar<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
9gqf1dz899qbwmvzr9o8xppbmjwhsde
219902
219901
2026-04-10T14:20:13Z
DoekeHellema
16849
219902
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|274|STUDIËN OVER DEN OLIFANT.|}}</noinclude>dan zeer veel ouder worden!" <ref> {{sc|Cuvier}} zegt: il est probable, qu'il peut vivre, dans l'état sauvage jusqu'à près de ''deux'' siècles.</ref>. Voorzeker is onze kennis omtrent dit punt ontleend aan de waarneming van den olifant in gevangenschap, — of liever in dienstbaarheid, — onder welke het bekend is dat hij, in den eersten tijd, aan vele zware en zelfs doodelijke ziekten en gebreken onderhevig is
<ref>Van de 138 gevangen olifanten toch, waarvan op Ceylon tot 1856 aanteekening is gehouden, zijn er, in het eerste jaar dat zij dienst deden, niet minder dan 72 bezweken! ({{sc|tennent}}).</ref>. Maar blijft hij daarvan zoo geheel bevrijd in den wilden staat? En wat leert de ondervinding omtrent vele andere dieren, wier geslacht aan eene dergelijke dienstbaarheid van den mensch sedert eeuwen is onderworpen? Zouden onze huisdieren, zouden het rund en het paard in den vrijen toestand zooveel ouder kunnen worden dan in zamenleving met den mensch? De analogie pleit daarvoor geenszins, zelfs meer voor het tegendeel. Immers wat de beschaving is voor den mensch, is de domesticiteit voor het dier, en de ervaring heeft op statistieke gronden bewezen, dat de beschaving veeleer den levensduur verlengt, dan dat zij dien verkorten zou. Het komt mij uit dien hoofde niet waarschijnlijk voor, dat de wilde olifant tot een' zoo veel hoogeren ouderdom zou geraken, dan dien, welken men hem in den getemden staat, — wanneer hij daaraan eerst gewoon is geworden, — heeft zien bereiken.
Het uitwendig voorkomen van den olifant maakt geen behagelijken indruk. In het algemeen staat hij, althans bij oppervlakkige beschouwing, onder de "leelijke" dieren te boek. Zelfs hier echter geldt weder de spreuk: "dat men niet moet redetwisten over den smaak." Althans één der vurige bewonderaars van dit dier, de schilder zover, vond de twee door hem waargenomen, en in zijn pracht-plaatwerk vereeuwigde, olifanten "bepaaldelijk schoon" niet alleen, maar hij ergerde zich telkens, wanneer vele bezoekers, in zijne tegenwoordigheid, het tegendeel durfden beweren<ref>Dit herinnerde mij aan een gezegde van den heer {{sc|westerman}}, directeur van den Zoölogischen tuin te Amsterdam, bij gelegenheid dat ZEd. mij en eenige andere heeren uit Utrecht zijne pas aangekomen Hippopotami aanwees, en waarbij hij ook deze dieren, in zijn lofwaardig enthusiasme, "hoe langer zoo mooijer" noemde, hoe meer hij ze aanschouwde.</ref>. Behalve hunnen schijnbaar<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
tfe17641lmlk2t6mu76bod8zbzc9rj0
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/297
104
65132
219905
207973
2026-04-10T14:23:55Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219905
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||STUDIËN OVER DEN OLIFANT.|275}}</noinclude>onevenredigen bouw, werkt intusschen ook de vale en doffe kleur van hunne huid geenszins mede om deze bewondering algemeen te maken. Insgelijks niet zijne vele, somtijds zelfs kloofvormige huidrimpels, alsmede de modder of klei, waarmede die zoo door hen zelven, als door hunne oppassers bedekt wordt. Dit maakt de grondkleur hunner huid dikwijls onduidelijk. Deze is eenigermate verschillende naar de soorten, meer grijs-bruinachtig bij de Aziatische, zwarter bij den Afrikaanschen. Daarenboven komen soms schakeringen voor in het roode of in het gele, doch deze meestal meer omschreven in vlekvorm, aan den kop en het voorstuk. Ofschoon die kleurswijzigingen tot de z.g. schoonheden van den olifant worden gerekend, zijn die dikwijls het eenvoudig gevolg van ontvellingen, door het schaven der huid, wegens een jeukend uitslag, teweeg gebragt<ref>{{sc|Tennent}} maakt de opmerking, dat de huid aan de achterpooten, ter plaatse waar die door de touwen of kettingen zijn opengeschaafd, na de genezing eene gelijksoortige kleur aanneemt.</ref>.
Als eene zeer algemeen door de Oosterlingen erkende "schoonheid" staat de witte huidkleur, — hunne geheiligde kleur, — in hoog aanzien. Men weet, dat de witte olifanten met eenen bijgeloovigen eerbied worden begroet. Maar bestaat er wel een "witte" olifant? Of kleurt men ze slechts zoo, met krijt of kalk, even als men zegt, dat ook de roode en de zwarte wel eens worden geverwd? Het is mogelijk, dat dit een en ander somtijds geschiedt, doch het is zeker, dat er ook ware witte olifanten worden gevonden. Wel is waar evenaart die kleur nimmer "de blankste sneeuw", gelijkerwijze soms dichters daarvan met overdrijving zongen, — en meestal is dit z.g. "wit" niet veel meer dan de huidkleur van den Europeaan uit onze hemelstreek, of wordt het omschreven als van een licht "rosé" of van eene zg. vleeschkleur. Maar wat is die? Is zij te vergelijken met den grijsheids-toestand, bijv. van de schimmelpaarden? Wordt zij veroorzaakt door een wit schub-uitslag, eene soort van melaatschheid alzoo? Deze en meer andere hier geopperde hypothesen zijn gewis zelden van toepassing; het vraagstuk heldert zich nog eenvoudiger op; die z.g. "verklaringen" zijn overbodig geworden. De echte witte olifant namelijk<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
q1vtefedu8mtpgz27y6m2pwfejh0puh
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/298
104
65133
219903
207974
2026-04-10T14:22:17Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219903
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|276|STUDIEN OVER DEN OLIFANT.|}}</noinclude>is eene pathologische variëteit, vallende in de algemeene kategorie van het albinisme. Hij behoort tot de "albino's", gelijkerwijze er onder andere diersoorten, en zelfs onder het menschengeslacht, mede enkelen worden gevonden. Bij die wijziging is werkelijk het huid-pigment, de kleurstof der huid, afwezig, en heeft deze, even als de staartharen, dan eene meer of minder sterk uitgedrukte grijs-witte kleur. Deze toestand kan doorgaans inzonderheid hierdoor met zekerheid worden herkend, dat de regenboog of iris (het bekende, anders bruin of blaauw gekleurde vlies, dat den zwarten oogappel omgeeft), insgelijks door het ontbreken der gewone kleurstof, eenen witachtigen of liever licht-rooden tint aanneemt. Een feit, waardoor deze verklaring wel het sterkst wordt gestaafd, is, dat juist in Siam, waar de witte olifant het meest schijnt voor te komen, het albinisme ook bij andere dieren, — buffels, herten, apen, — betrekkelijk menigvuldig wordt waargenomen. Hoe dit zij, daar te lande vooral, maar insgelijks in Ava, Pegu en aangrenzende rijken, wordt de witte olifant nog steeds (ofschoon niet zóó algemeen en niet meer zóó onvoorwaardelijk als voorheen) beschouwd als vertegenwoordiger der geesten van hunne vroegere koningen, als een attribuut der waardigheid van den vorst, als waarborg zelfs voor het bezit van zijnen troon! Hij heeft daar zelfs zijn eigen paleis, zijn' eigenen hofstoet en oppassers, tot 30 in getal, waaronder 4 gouden-waaijer- en scherm-dragers. Het inwendige van dit verblijf is met weelde ingerigt; zelfs zijn voedsel wordt hem niet dan uit gouden schotels gereikt. Die hem daar hunne opwachting willen maken, moeten hunne schoeisels afleggen. Hij is dan ook in het bezit van eigene inkomsten. De Engelsche kapitein der genie {{sc|yule}} berigt, dat, toen de koning van Ava onlangs een gedeelte daarvan tot andere doeleinden wilde gebruiken, hij vooraf zijne schriftelijke verontschuldiging deswegens aan zijnen "favoriet" deed toekomen. Hoe "koninklijk" ook genaamd, wordt hij evenwel door de vorsten, die den titel aannemen van "Heer van den witten olifant", zelden of nooit bereden. Wel maakt hij een der voornaamste vertooningen uit op feestdagen en bij alle plegtige optogten. Hij wordt dan vooral, en meer nog dan de andere "staatsie-olifanten"' (zie daarover later), prachtig<noinclude></noinclude>
8c3mvxujk5p2tqyodqemqioc85i2fjx
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/299
104
65134
219904
216611
2026-04-10T14:23:23Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219904
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||STUDIEN OVER DEN OLIFANT.|277}}</noinclude>uitgedoscht. Zijn schabrak of harnachement is van scharlakenroode
{{c|{{Img float
| style =
| above =
| file = Albumdernatuur62 305.png
| width = 400px
| align =
| alt = De staatsie-olifant
| cap = {{smaller block|De staatsie-olifant.}}
| capalign = center}}}}
zijde, en dit in velerlei figuren of karakters met gouddraad geborduurd, en met dergelijke franjes of torsades gegarneerd. Zijn geheele hoofd- en slurptooisel schittert van robijnen en diamanten. De hals wordt met gouden kettingen, het ondereinde der pooten soms met zilveren of andere belletjes omhangen, Zelfs de piek van zijnen hoofdgeleider is met parelen of edelgesteenten versierd. Uitsterven mag hij nimmer; is er op het oogenblik van zijnen dood geen bepaald witte in de koninklijke stallen aanwezig, dan wordt er een opvolger verkozen uit degenen, die het meest die kleur nabj komen, Bij zijn overlijden neemt het geheele hof, althans dat van Siam, — alwaar men ook zijne beeldtenis in 's Lands vlag voert, — den rouw aan; er worden dépéches aan bevriende staten gezonden, ridderorders van den "witten olifant" uitgereikt, of andere "gedachtenissen" aan den overledene rondgedeeld.
{{r|(''Wordt vervolgd'').{{gap|3em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr|3}}<noinclude></noinclude>
tckabhlxe1dh1dmjhnyriau9ofe9e43
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/329
104
71216
219920
209678
2026-04-11T07:47:27Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219920
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|307}}</noinclude>daarom ook reeds uitgesproken, dat het zonnelicht het produkt is van een voortdurend ''elektrisch onweder'', zonder echter nader de oorzaak van dat onweder te onderzoeken.
Het zal dus wel eene niet te gewaagde vooronderstelling zijn, als wij aannemen, dat de oorspronkelijke hitte van het zonneligchaam daarin chemische werkingen opwekt en onafgebroken onderhoudt, die even onafgebroken elektrische stroomen voortbrengen, en dat van deze laatsten eigenlijk het zonnelicht uitgaat, dat ons bestraalt. Het zonnelicht heeft dus de meeste overeenkomst met het elektrisch licht, zoowel wat zijn oorsprong als zijne intensiteit en verdere eigenschappen betreft.
Wat het nader onderzoek van den aard van het zonnelicht aangaande de natuurlijke gesteldheid van het zonneligchaam nog zal leeren, is met geene mogelijkheid vooruit te bepalen. Reeds voor langen tijd had de Engelsche natuuronderzoeker {{sc|wollaston}}, en na hem de Duitsche mechanicus {{sc|frauenhofer}} de opmerking gemaakt, dat men, als men het zonnelicht door een prisma van flintglas laat gaan, een kleurenbeeld verkrijgt, hetwelk met een groot getal donkere dwarsstrepen is doorsneden. Men deed daarbij al spoedig de ontdekking, dat die strepen verschillen naarmate van de verschillende lichtbron, waaruit het licht afkomstig is. Het lichtbeeld van Sirius geeft b.v. andere strepen dan dat der zon. Men meende daaruit met grond te kunnen opmaken, dat de gesteldheid dier strepen afhankelijk is van de stoffen, die de lichtbron vormen of door verbranding daarin zijn opgenomen. Als men b.v. eenig keukenzout in eene gasvlam brengt, ziet men onmiddellijk een goudgele streep in het kleurenbeeld te voorschijn komen. Waar deze streep zich vertoont, kan men dus te regt besluiten, dat die stof moet aanwezig zijn. {{sc|Bunsen}} en {{sc|kirchhoff}}, twee Duitsche natuuronderzoekers, hebben zich in den laatsten tijd met deze zoogenaamde spectraal-analyse bezig gehouden en allerbelangrijkste feiten aan het licht gebragt. Zij hebben door de veranderingen in het kleurenbeeld de aanwezigheid van stoffen ontdekt, die in eene ongeloofelijk kleine hoeveelheid in de lichtbronnen, die zij aanwendden, aanwezig waren.
Wij zullen het niet wagen hier reeds in een onderzoek te treden<noinclude></noinclude>
m594u9nqetohlctbx1nm9v3ztxods95
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/328
104
71260
219919
209677
2026-04-11T07:46:11Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219919
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|306|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>Als wij volgens {{sc|laplace}} aannemen, dat door langzaam voortgaande verdigting uit nevelmassa's zonnen en dat bij verdere afkoeling, zoodra zich eene vaste korst op hare oppervlakten gevormd heeft, uit zonnen planeten of donkere wereldligchamen ontstaan, dan ligt het geheel voor de hand aan te nemen, dat de zon in dien toestand van verdigting harer grondstoffen verkeert, die de vorming van eene geheel vaste korst voorafgaat, dat is, in eenen gloeijenden vloeibaren toestand. Het spreekt van zelf, dat bij een ligchaam van zulk een enormen omvang als de zon een graad van warmte moet bestaan, waarvan wij ons naauwelijks eenig denkbeeld kunnen vormen. Volgens de berekening van {{sc|althans}} zou de gemiddelde temperatuur op de oppervlakte der zon thans nog 78103° C. bedragen: eene hitte, waarvan wij ons geen begrip kunnen maken, als wij in aanmerking nemen, dat op 100° C, reeds het water kookt, op ruim 1000° C. het zilver smelt en op 1300° C. de harde graniet vloeibaar wordt.
Wij willen de juistheid van de opgave van {{sc|althans}} niet beoordeelen, maar het is wel boven allen twijfel verheven, dat op de zon een alle begrip te boven gaande graad van hitte moet heerschen. Een noodwendig gevolg daarvan moet zijn, dat in het zonneligchaam en op de oppervlakte chemische werkingen moeten plaats hebben, die alle vergelijking met hetgeen wij op onze aarde waarnemen, verre te boven gaan. Die chemische werking op zulk eene enorme schaal moet noodwendig elektrische verschijnsels van ongekende kracht ten gevolge hebben. Wij kunnen ons de gloeijende zonnemassa niet anders denken, dan omgeven van een door de hitte oneindig uitgezette, ijle en drooge atmospheer, bijna aan eene luchtledige ruimte gelijk. De elektrische stroomen, door de geweldige chemische werking in de gloeijende massa voortgebragt, moeten ook, omdat zij in de ijle ruimte geene geleiders vinden, van het eene deel der zonnemassa op het andere overgaan om het steeds verbroken evenwigt te herstellen, Deze elektrische werking heeft niet plaats zooals lichtvonken of bliksemstralen, maar als lichtstroomen, zooals wij zulks waarnemen, als wij den elektrischen stroom door het luchtledige laten gaan, Dan springt hij niet over van punt tot punt, maar verspreidt zich evenmatig als een vloed van licht door de luchtledige ruimte. {{sc|Humboldt}} heeft het<noinclude></noinclude>
isgmt0bo2firbmma31509qdule51a4s
Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/330
104
71261
219921
209679
2026-04-11T07:49:10Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
219921
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|308|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>van de uitkomsten door de spectraal-analyse verkregen, in hare toepassing op de chemische zamenstelling van den zonnedampkring, waarin het licht geboren wordt. {{sc|Auguste laugel}} geeft in de ''Revue des deux Mondes'' van Janvier 1862, bl. 402 en v., de tot hiertoe verkregen resultaten op, als hij zegt: "De zonnedampkring bevat in dampvormigen toestand een groot getal stoffen, die onze planeet zamenstellen, het ijzer, de metalen, die in onze alcalis en aardsoorten worden waargenomen, het potassium, het sodium, het strontium, het calcium, het baryum; hij bevat chromium, nikkel, koper en zink; er wordt daarentegen geen goud, noch zilver, noch kwikzilver, noch aluminium, noch tin, noch lood, noch antimonium, noch arsenicum, noch silicium, ten minste niet in merkbare hoeveelheid, gevonden. Bij de metalen, die tevens aan de aarde en zon eigen zijn, voeg ik ook nog het caesium en rubidium, metalen, die tot nu toe aan de gewone chemische analyse ontsnapt en eerst kort geleden ontdekt zijn."
Het groote resultaat van de schoone onderzoekingen van {{sc|kirchhoff}}
en {{sc|bunsen}} bestaat volgens hem daarin, dat men het thans voor eene besliste zaak kan houden, dat de stoffen, waaruit de zon en de aarde zijn zamengesteld, dezelfde zijn. De chemische eenheid van ons geheele planetenstelsel is daardoor genoegzaam bewezen. De zonnestraal onthult door hare physische eigenschappen de gesteldheid van het ligchaam, waarvan zij afstraalt <ref> Men vergelijke over dit onderwerp eene belangrijke verhandeling van den heer {{sc|w.m. logeman}}, getiteld ''Kleuren'', in het ''Album der Natuur'', 1862, bl. 1 en v.</ref>.
Verkeert het zonneligchaam nog in een gloeijenden, vloeibaren toestand, dan volgt daaruit reeds, dat die zonnemassa onmogelijk als eene stilstaande, effene en gelijkmatige vlakte gedacht kan worden. Uit den ons bekenden graad van digtheid van de zon volgt, dat wij ons de stof, waaruit zij bestaat, moeten voorstellen als in eenen niet los zamenhangenden, maar taaijen toestand verkeerende, welligt niet geheel ongelijk aan de lava onzer vulkanen. Er moet daar eene voortdurende vulkanische werking plaats hebben, een opheffen en neerzinken van gloeijende massa's in zulke kolossale vormen, dat de stoutste verbeelding zich daarvan geen denkbeeld kan vormen. De oppervlakte van die vuurzee moet in eene voortdurende vulkanische beweging<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
rp1q5rdhfhv6dtufrj14lwo4ilyrpxb
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/203
104
83178
219913
215264
2026-04-10T17:59:38Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
219913
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|174|''Schouburgh der''|}}</noinclude>u bedriegen. Onder de Schryvers is deze spreuk ook in gebruik; maar ’t zyn van de slechtste soort die zig daar bedrieglyk mee vleien. Let wat voorgemelde Dichter daar af zeit, en past het op u zelf toe; op dat het u ten spoor zy tot aanprikkeling van uwen yver, in de loopbaan der Konst.
<poem>''Maar alle Leezers, zegt ge moogelyk, zyn juist''
''Altyd geen kenners. Zal ik daarom voor de vuist''
''In ’t wild heen schryven? of van mynen leezer hoopen'',
''Dat hy licht over myn’ misslagen heen zal loopen'',
''En myne feilen, als niet hebbende om het lyf'',
''Zien door de ving’ren, wen ik maar gedichten schryf?''
''Heel fraay! Men zal my ligt van grof, en bot te dwalen''
''Vrykeuren; maar wat lof, wat eer zal ik behalen?''</poem>
{{gap}}Denk zoo, en spreek zoo tot u zelf, tot dat uw begeerte tot veel te weten allengs aangegroeit, gy den smaak daar van weg krygt, en van zelf daar naar tracht. Dit tusschen ingevloeit, heeft den draad van onze aanmerkingen omtrent de verbeelding van den Aartsvader afgebroken, dien wy dus weer aanknoopen: Als men dan Abraham (dien wy reeds achtbaar van wezen, en bekleding hebben afgeschetst) in een slechte bekleeding blootsbeens en met overendstaande hairen, als de wanhoop in d’afschetzingen der Gemoetsdriften, door C. le Brun, en achter hem een hutje van oude planken als de Dykwerkers gewoon zyn tot hun verblyf op te slaan, verbeeld ziet, moet ik besluiten dat de maker zich dat deel der Konst, ’t geen zy Persoonverbeelding noemen, niet verstaan heeft; want schoon men aan andere byvoeg-<noinclude>{{rechts|sels}}</noinclude>
o3i7yhbhr4tydqiydxqxwlrhrakwzua
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/427
104
84582
219909
217762
2026-04-10T15:21:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
219909
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|23}}</noinclude>die beantwoordt aan de daarvoor tot dusver door de wetenschap gestelde eischen, is eene hoogst moeijelijke en kostbare en daarom meestal onuitvoerbare zaak. Aan den anderen kant schijnt de ondervinding, gegrond op de leefwijze van vele in primitiven toestand verkeerende volken, aan te duiden, dat die eischen der wetenschap wel wat overdreven zijn, — daargelaten nog de door D. aangevoerde feiten. Het zou daarom, geloof ik, nog wel der moeite waard wezen, op nieuw te onderzoeken, of een slapend mensch, of zoogdier in het algemeen, werkelijk zooveel kubieke ellen lucht noodig heeft, als men doorgaans — en tot dusver om goede redenen — aanneemt, eene hoeveelheid, die, de omstandigheden in aanmerking genomen, gelijk D. naar waarleid zegt, "est loin d'étre rassurante".
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Eigenschappen, die de zwavel verkrijgt door bijvoeging van eene zeer kleine hoeveelheid iodium.''' — De heer {{sc|dietenbacher}} deelt mede, dat wanneer men bij zwavel, verhit tot omstreeks 180°, {{smaller|{{frac|1|400}}}} iodium voegt, het mengsel, op een glasplaat of porceleinen schotel uitgegoten, eene laag vormt, die gemakkelijk afgeligt kan worden en gedurende verscheiden uren en zelfs dagen eene opmerkelijke elasticiteit behoudt. Dit mengsel heeft een metaalglans en is bevonden zeer geschikt te zijn tot het maken van afdruksels, die tot de kleinste bijzonderheden weder geven. (''Compt. rend''., Tom. LV, pag. 893).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Scheiding van wol en zijde in weefsels, van elkaar en van plantenvezelen.''' —
{{sc|Payen}} heeft aan de ''Académie des Sciences'' in hare zitting van 1 December 1862, eene methode van {{sc|persoz}}, den zoon, medegedeeld, die veroorlooft de verhouding der drie genoemde stoffen in een weefsel met vrij groote naauwkeurigheid te bepalen. Chloorzink, in eene op 60° C verzadigde oplossing met zinkoxyd vermengd, lost zijde op met hetzelfde gemak, waarmede de cellulose van katoen, vlas of hennip wordt opgelost door koperoxydammoniak. Wanneer men dus een gemengd weefsel met de zooeven genoemde oplossing van chloorzink behandelt, hetgeen koud geschieden kan, maar bij verwarming zonder dat de oplossing behoeft te koken, sneller gaat, dan lost deze alle zijde op, die er in is. Als men daarna het overgeblevene, gedroogd, weegt, dan geeft het gewigtsverschil de hoeveelheid zijde aan. Bijtende potasch of soda, opgelost in water in eene verhouding van 5 tot 10 procent, lossen nu alle wol op uit dit overblijfsel. Of wat nu weder overblijft enkel plantenvezel is, kan men beproeven door het op te lossen in koperoxydammoniak.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
53yke6gvwyahc9648v3fiioh23qvnum
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/426
104
84583
219908
217763
2026-04-10T15:18:29Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
219908
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|22|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>Bij de meeste Radiolariën is een uit kiezel bestaand skelet aanwezig, van een zeer onderscheiden, soms bevalligen, soms zonderlingen vorm. Bij een deel der Radiolariën (de afdeeling der ''Ectolithia'') bevindt zich het skelet buiten de centrale kapsel, bij de overigen (de afdeeling der ''Entolithia'') daar binnen. Soms vormt dat skelet een doornenkrans om de kapsel, soms eene regelmatige ster van twintig stralen, soms eene getraliede schelp met verschillende architektonische versieringen. De typus dezer vormen is nu eens straalvormig, dan eens symmetrisch bilateraal, soms asymmetrisch.
Even als bij de Polythalamiën dienen hij de Radiolariën dezelfde organen, t.w. de zamentrekbare pseudopodiën, tot de vegetative en animale functiën. De voortplanting geschiedt deels door ontwikkeling der in de kapsel bevatte doorschijnende cellen, deels door inwendige knopvorming, deels door deeling.
De meeste Radiolariën zijn vrije zelfstandige individuën; maar er zijn ook koloniën, zamengesteld uit een aantal individuën, die door anastomosen hunner pseudopodiën met elkander zamenhangen.
De tweede afdeeling van {{sc|haeckel's}} werk is gewijd aan de beschrijving van de geslachten en soorten der Radiolariën. (''Compt. rend''., Tom. LV, pag. 909).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Over de hoeveelheid lucht, die een slapende behoeft,''' deelde de heer {{sc|j. delbruck}} aan de ''Académie des Sciences'' eene nota mede, waarin hij beweert, dat die hoeveelheid bij lange na niet zoo groot kan zijn als men doorgaans meent. Hij beroept zich daarbij op de volgende feiten: dat wilde dieren (leeuwen, tijgers, beeren) het binnenste hunner holen opzoeken om te gaan slapen; dat onze honden zich te dien einde in een hoek neêrleggen en de snuit onder de buik verbergen; dat alle vogelen, ofschoon, gelijk bij proefnemingen blijkt, zeer spoedig door asphyxie stervende bij gebrek aan lucht, toch om te slapen niet slechts beslotene hoekjes opzoeken, maar ook den kop in het dons onder de vleugels verbergen, dat de dieren, die een winterslaap houden, zich in een hol volkomen van de buitenlucht afsluiten; dat eindelijk de mensch, aan zijn instinkt overgelaten, volkomen hetzelfde doet. Men denke bij dit laatste aan de digt gesloten bedgordijnen van vroeger tijd, aan het kind, dat, goed willende slapen, het hoofd onder het dek steekt of de nachtmuts over het gelaat trekt, aan den soldaat in het veld, die nooit goed slapen kan dan met bedekt aangezigt enz. (''Compt. rend''., Tom LV, pag. 892).
Ofschoon de door D. aangevoerde feiten alles behalve beslissend zijn en niet van dien aard, dat zij mogen verleiden tot zorgeloosheid ten aanzien van eene zoo goed mogelijke ventilering der slaapvertrekken, zoo verdienen zij toch eenige opmerking. Eene ventilatie der slaapkamers in bijzondere woningen,<noinclude></noinclude>
shzo8l8qneg0a5ylw7q0b2y5lxv0u9v
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/425
104
84584
219907
217765
2026-04-10T15:14:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
219907
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|21}}</noinclude>echter wederom pooten en wel drie paren te voorschijn. Met de kaken baant zij zich nu eenen uitweg uit het haar omgevend hulsel en vertoont zich dan in allen deele als een volwassen Phoxichilidium, alleen met uitzondering van het nog ontbrekende vierde paar pooten, die zonder twijfel bij eene volgende en laatste vervelling te voorschijn komen. (''Ann. a. Magaz. of nat. Hist''., 1862, Jan., p. 33).
Deze ontwikkelingswijze is merkwaardig, eensdeels omdat zij een nieuw voorbeeld levert van tijdelijk parasitisme, anderdeels en vooral omdat de ontwikkeling, na eerst progressif geweest te zijn, regressif wordt, om later weder progressif te worden, daardoor herinnerende aan de zoo opmerkelijke ontwikkelings-geschiedenis der ''Sitaris humeralis''. {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''De Radiolariën.''' — van het fraaije werk, door {{sc|haeckel}} in het vorig jaar te Berlijn in het licht gegeven, onder den titel van ''Monographie der Radiolariën'' (1e deel, tekst en atlas van 35 platen, beiden in groot 40), las {{sc|milne edwards}}, in de zitting van den 22 Dec. 1862 der ''Académie des Sciences'', een uittreksel, dat ik hier met eenige bekorting overneem.
Het ligchaam der Radiolariën is zamengesteld uit eene (bij de andere Rhizopoden ontbrekende) centrale vliezige kapsel en daarom heen liggende sarcode. Hun vorm is bolrond of lensvormig zamengedrukt, minder vaak elliptisch; bij de familie der Cyrtiden is de beurs kegelvormig en aan het uiteinde in verscheidene kwabben verdeeld. De beurs bevat kleine, ronde, doorschijnende cellen, gedompeld in eene geleiachtige, lijmerige, op de buitenom liggende sarcode gelijkende stof, — vet in talrijke kleine korrels of in grootere ronde massas, — verschillend gekleurd pigment, — in enkele gevallen concretiën, die op amylum-korrels gelijken, — voorts kristallen, andere vreemde cellen (''des cellules singulières''), en bij zeer groote soorten eene centrale blaas.
De sarcode, die het uitwendig omhulsel dezer dieren uitmaakt, is, evenals de sarcode in het algemeen, eene homogene geleiachtige, zamentrekbare stof, zonder oogenschijnelijke organisatie, die zich uitstrekken kan in den vorm van talrijke, straalvormige, steeds veranderlijke verlengsels (pseudopodiën), welke zich weder terugtrekken, zoodat zij op nieuw met de overige sarcode ineensmelten. In de sarcode zijn bevat: vele zeer kleine, soms rood of bruin gekleurde korrels, die zich laten medevoeren door de bewegingen der veranderlijke vertakte filamenten; — bovendien (behalve bij de familie der Acanthometriden) vele groote, gele, ronde cellen, die men nooit vindt bij andere Rhizopoden, — en eindelijk bij de grootste soorten korrelig pigment en zeer groote, doorschijnende cellen.<noinclude></noinclude>
serkkug4cq7z2v09ytc3v85mk585kfv