Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.46.0-wmf.23 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/343 104 58118 219935 209800 2026-04-12T07:49:50Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 219935 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr|2}} {{c|{{xx-larger|STUDIËN OVER DEN OLIFANT;}} {{smaller|DOOR}} {{larger|[[Auteur:Alexander Willem Michiel van Hasselt|{{sc|A. W. M. van HASSELT.}}]]}} {{smaller|''(Vervolg van bladz.'' 277.)}}}} {{dhr|2}} {{rule|5em}} {{dhr}} Het is niet ten onregte, dat de olifant tot de dikhuidige dieren wordt gebragt, en ik zie geen voldoenden grond om hem, volgens enkele zoologen, in eene afzonderlijke orde te plaatsen, afgescheiden van den rhinoceros of zelfs van den hippopotamus, en alleen de laatsten, met nog enkele anderen, als eigenlijk gezegde "pachydermata" te beschouwen. Immers de huid-dikte van den olifant kan niet alleen tot twee Ned. duimen bedragen, maar vooral spreekt die door het hooge gewigt der huid in haar geheel genomen, dat tot 500 oude ponden en meer stijgen kan. De huid alleen van den grooten Indischen olifant van den zoologischen tuin te Amsterdam woog niet minder dan 1000 pond<ref>Eens voor al doe ik opmerken, dat overal waar ik mij van dezen gewigtsnaam bedien, zonder meer, steeds het oude pond, niet het nieuwe, Nederl., wordt bedoeld.</ref>! Niettegenstaande deze zware en dikke huid is de olifant veel aan uitslagen, ontvellingen en verzweringen onderhevig en is zijne huidgevoeligheid op verre na niet gering. Met een ligten druk van de punt zijner speer weet de cornac zijnen olifant te leiden en te bestraffen. Of nog eenvoudiger bereiken sommigen dit doel, door de werking van een ijzeren haakje, dat even als een huissleutel in den zak wordt gedragen. De oppasser van den Sumatraanschen olifant, in den dierentuin te Rotterdam, volgt de laatste gewoonte, en toont u aan, hoe hij in staat is, den zijnen daarmede in alle rigtingen te dwingen, vooral wanneer hij het haakje even boven of naast het oor aanzet. Ook aan de voeten zijn zij bijzonder<noinclude>{{smallrefs}} {{rh|{{gap|2em}}1862.||21{{gap|2em}}}}</noinclude> dwr9p8wz04qa9t6d3ncebey1j6vdckb Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/331 104 71217 219929 209785 2026-04-12T07:07:12Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 219929 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|309}}</noinclude>zijn, waardoor bergen van ontzaggelijke hoogte uit de diepte der gloeijende massa oprijzen om straks weder te verzinken; waardoor scheuren en kloven van wijden omvang worden opengereten om weldra weder door toestroomende gloeijende lavamassa's aangevuld te worden. Men heeft hiertegen wel ingebragt, dat het zonnelicht niet gepolariseerd is, terwijl andere ligchamen gepolariseerd licht uitstralen. Maar {{sc|kirchhoff}} heeft daartegen met regt ingebragt, dat gesmoltene ligchamen daarom gepolariseerd licht afstralen, omdat zij in een stilstaanden toestand verkeeren. Hij houdt zich overtuigd, dat het licht, wanneer het van een sterk bewogen gesmolten stof en derhalve onder verschillende hoeken afstraalde, geene polarisatie zou vertoonen, dat derhalve de zon zeer wel gesmolten zijn kan en echter niet gepolariseerd licht afgeven, omdat deze onmetelijke vuuroceaan geene oppervlakte heeft als van een spiegel, maar zonder ophouden als door een ontzaggelijken storm in eene alle voorstelling te boven gaande beweging wordt gehouden. Wij zouden dus de zon kunnen beschouwen als één grooten vulkaan, die van zijn middelpunt uit naar alle rigtingen heen gloeijende massa's omhoog werkt. Deze vulkanische werking kan echter niet als eene gelijkmatige, in elken tijd en op elke plaats gelijkelijk werkende gedacht worden. De ons bekende oppervlakte van onze eigene planeet en nog meer die der maan, doet ons zien, dat de vulkanische werkzaamheid niet regelmatig verdeeld is, maar dat zij, terwijl zij op de eene plaats buitengewoon sterk is, op eene andere of niet of in minder mate plaats heeft. Zoo kunnen wij ons ook de oppervlakte van de zon voorstellen als bezaaid met vulkaangroepen in volle werking, en tusschen deze groepen verstrooide plekken, waar de vulkanische werking althans voor een tijd lang stil staat, om welligt later weder de schouwplaats te worden van de hevigste uitbarstingen. Stellen wij ons de zaak in dezer voege voor, dan laten zich daardoor zeer wel de donkere en graauwe vlekken verklaren, die op de zonneschijf worden waargenomen. Door de afstralende warmte moet er op de oppervlakte der zon een voortdurend warmteverlies plaats hebben. Er moet zich derhalve aan den buitensten omtrek van het<noinclude></noinclude> 2nyrc4abyhcgmw22sdqvfyrse9j89qt Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/333 104 71252 219931 209787 2026-04-12T07:10:07Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 219931 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|311}}</noinclude>om de zonnevlek van lieverlede weder te doen verdwijnen door de op die plaats herstelde vulkanische werking der zon. Beschouwen wij het zonnelicht als het produkt van eene onafgebrokene vulkanische werkzaamheid, dan geven de zonnefakkels ons de plaats aan, waar die werkingen in verhoogde kracht plaats vinden, de zonnevlekken, waar zij voor een tijdlang rusten en de graauwkleurige vlekken, waar de vulkanische werkzaamheid met stilstand dier werkzaamheid in meer beperkte ruimte afwisselt. De uitstekende randen, die men bij totale verduisteringen aan den rand van de zonneschijf waarneemt, zijn zeker niet anders dan geheele groepen van vulkanische bergketens, die zich over uitgestrektheden van duizende mijlen uitbreiden. Als deze in scherp profiel aan den zonnerand worden waargenomen, vertoonen zij zich als oneffene, uitstekende en gekartelde zoomen; worden zij daarentegen op de schijf zelve waargenomen, dan vertoonen zij zich als zonnefakkelen door het sterker licht, dat er van afstraalt. Nu heeft men opgemerkt, dat deze uitstekende randen, die bij totale zonsverduistering zijn waargenomen, eene breedte hebben van l½ tot 2 minuten. Dit zoude derhalve, zoo wij ze voor zonnevulkanen houden, aan hen eene hoogte van 12000 mijlen geven. En is nu zulk eene hoogte denkbaar? De natuurkunde heeft in den laatsten tijd meer en meer doen uitkomen, dat de middelpuntschuwende of tangentiaalkracht, met welke hemelligchamen in de ruimte worden voortgedreven, niet geheel van het toeval afhangt. Hoe grooter de kracht is, met welke zij zich om hunne as bewegen, des te grooter zal ook de kracht zijn, met welke zij enkele deelen boven hunne oppervlakte omhoog werpen. Nu is het uit waarnemingen, op zonnevlekken gedaan, gebleken, dat de zon zich in nagenoeg 25½ dagen om hare as wentelt. Als wij nu den grooten omvang der zon vergelijken met dien der aarde, dan volgt daaruit eene veel grootere snelheid voor ieder punt van den zonneaequator, dan op onzen aardbol wordt waargenomen. Als de snelheid op den zonneaequator met die, welke op onze aarde aan den aequator plaats heeft, zou overeenkomen, zoude de zon 100 dagen tot eene omwenteling om hare as noodig hebben; en de aarde zoude, als zij op haren aequator dezelfde snelheid had als op<noinclude></noinclude> oerm2xroafso611p4dknuhzsxah4zys 219932 219931 2026-04-12T07:10:27Z DoekeHellema 16849 219932 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|311}}</noinclude>om de zonnevlek van lieverlede weder te doen verdwijnen door de op die plaats herstelde vulkanische werking der zon. Beschouwen wij het zonnelicht als het produkt van eene onafgebrokene vulkanische werkzaamheid, dan geven de zonnefakkels ons de plaats aan, waar die werkingen in verhoogde kracht plaats vinden, de zonnevlekken, waar zij voor een tijdlang rusten en de graauwkleurige vlekken, waar de vulkanische werkzaamheid met stilstand dier werkzaamheid in meer beperkte ruimte afwisselt. De uitstekende randen, die men bij totale verduisteringen aan den rand van de zonneschijf waarneemt, zijn zeker niet anders dan geheele groepen van vulkanische bergketens, die zich over uitgestrektheden van duizende mijlen uitbreiden. Als deze in scherp profiel aan den zonnerand worden waargenomen, vertoonen zij zich als oneffene, uitstekende en gekartelde zoomen; worden zij daarentegen op de schijf zelve waargenomen, dan vertoonen zij zich als zonnefakkelen door het sterker licht, dat er van afstraalt. Nu heeft men opgemerkt, dat deze uitstekende randen, die bij totale zonsverduistering zijn waargenomen, eene breedte hebben van 1½ tot 2 minuten. Dit zoude derhalve, zoo wij ze voor zonnevulkanen houden, aan hen eene hoogte van 12000 mijlen geven. En is nu zulk eene hoogte denkbaar? De natuurkunde heeft in den laatsten tijd meer en meer doen uitkomen, dat de middelpuntschuwende of tangentiaalkracht, met welke hemelligchamen in de ruimte worden voortgedreven, niet geheel van het toeval afhangt. Hoe grooter de kracht is, met welke zij zich om hunne as bewegen, des te grooter zal ook de kracht zijn, met welke zij enkele deelen boven hunne oppervlakte omhoog werpen. Nu is het uit waarnemingen, op zonnevlekken gedaan, gebleken, dat de zon zich in nagenoeg 25½ dagen om hare as wentelt. Als wij nu den grooten omvang der zon vergelijken met dien der aarde, dan volgt daaruit eene veel grootere snelheid voor ieder punt van den zonneaequator, dan op onzen aardbol wordt waargenomen. Als de snelheid op den zonneaequator met die, welke op onze aarde aan den aequator plaats heeft, zou overeenkomen, zoude de zon 100 dagen tot eene omwenteling om hare as noodig hebben; en de aarde zoude, als zij op haren aequator dezelfde snelheid had als op<noinclude></noinclude> mxpxoww7z69iyroou9lpwubn3xlvoj2 Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/335 104 71253 219934 209789 2026-04-12T07:46:46Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 219934 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|313}}</noinclude> echter zeer goed verklaren, als wij de ontzaggelijke massa der zon met de veel kleinere massa der planetenbollen vergelijken. Eene kleinere massa moet, gelijk van zelf spreekt, veel spoediger afkoelen, dan eene grootere. Vandaar komt het dan ook, dat de manen der planeten in eene veel grooter mate afgekoeld zijn dan de planetenbollen, waartoe zij behooren. {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} Wij hebben dan gezien, dat op het tegenwoordige standpunt der sterrekundige wetenschap in de hoofdzaak twee hypothesen betreffende de natuurlijke gesteldheid van het zonneligchaam nevens elkander bestaan. De eerste stelt ons de zon voor als een vast en donker ligchaam, boven hetwelk zich een onmetelijk wolkendak in den zonnedampkring welft, hetwelk het tegen den schadelijken invloed van de daarop rustende vuur- en lichtzee of photospheer beschut, die wederom met een tweeden zeer grooten dampkring is omgeven; de andere stelt haar voor in die periode harer ontwikkeling, waarin zij, nog niet met eene vaste, zamenhangende korst bedekt, in gloeijenden, taai vloeibaren toestand verkeert. Beide hypothesen, en wel vooral de eerste, hebben mannen van naam op het gebied der sterrekundige wetenschap tot hare ijverige verdedigers. Beide hypothesen geven eene geheel verschillende voorstelling van de natuurlijke gesteldheid van het zonneligchaam. De eerste schetst ons eenen toestand, die, hoe verre ook afwijkende van dien onzer aarde, toch zeer vele levensvoorwaarden met haar gemeen kan hebben. De andere schildert ons eene onmetelijke vuurzee van een boven alle voorstelling verheven warmtegraad, waarin door onafgebroken vulkanische werking gloeijende berggevaarten tot 10 of 12000 mijlen boven de oppervlakte verrijzen om binnen korten tijd wederom in den vuuroceaan te verzinken, terwijl elektrische stroomen van eene kracht en spanning, waarbij niets op aarde zelfs in de verte vergeleken kan worden, zich horizontaal van top tot top ontladen en zoo den geheelen bol met een elektrisch licht omgeven, dat slechts hier en daar in enkele dalvlakten wordt afgebroken, waar de vulkanische werking voor eene wijle tot rust is gekomen. {{nop}}<noinclude></noinclude> 5o1y4rkdp4zxhlzii8plctek1fwxh69 Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/332 104 71262 219930 209786 2026-04-12T07:08:20Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 219930 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|310|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>zonneligchaam eene dunne korst in gloeijenden toestand vormen, welke door de daaronder golvende vuurzee gedurig gebroken en verbrokkeld, nu eens door de vulkanische werking omhoog gestuwd wordt, dan weder in de diepte nederzinkt. Er kunnen zich zoo massa's van gestolde stoffen opeenhoopen en zamenpakken, waardoor op die plaats, althans voor een tijd, de vulkanische doorbraken en uitbarstingen verhinderd worden. Terwijl op nevensliggende plaatsen de uitbarstingen met des te grooter geweld zich vertoonen, moeten die opgehoopte stoffen, klompen, grooter dan onze grootste vaste landen, gedurig dieper zinken. Zulke massa's, hoewel in gloeijenden toestand verkeerende, zullen zich naast het zonnelicht aan ons oog als donkere vlekken moeten voordoen, gelijk wit gloeijende voorwerpen, tusschen het oog en het zonnelicht gehouden, zich als zwarte vlekken op de zonneschijf vertoonen. Waar deze massa's niet zamenhangende zijn, maar door kloven en scheuren zijn doorgebroken, waardoor de gloeijende zonnekern haar nog magtiger licht uitstraalt, daar zal de vlek die eigenaardige graauwe kleur vertoonen, die gewoonlijk als een rand de donkere zonnevlekken omgeeft. Tegenover de elektrische stroomen, welke door de lava, die uit de zonnevulkanen omhoog geslingerd wordt, worden voortgebragt, moeten die naar beneden vloeijende en stollende lavamassa's, ofschoon zij in gloeijenden toestand verkeeren, zich aan ons oog als donkere voorwerpen voordoen. Op deze wijze laat zich ook zeer gemakkelijk verklaren, waarom meestal in de nabijheid van zonnevlekken zich de met een verhoogd licht schitterende zonnefakkels vertoonen. Waar over eene zekere uitgebreidheid de vulkanische werking door de op de oppervlakte drijvende massa's verhinderd wordt, zal de vulkanische werking zich in de nabijheid met des te meer geweld een uitweg zoeken en vulkanische verschijnsels voortbrengen, die ongemeen sterke elektrische stroomen veroorzaken, waardoor het buitengewoon schitterend licht der zonnefakkels wordt voortgebragt. Maar wij zullen bovendien daardoor ons verklaard zien, hoe in de donkere zonnevlekken zich lichtpunten en lichtstrepen vertoonen. Het zijn namelijk juist die plaatsen, waar de vulkanische werking weder doorbreekt, de gestolde massa's vaneen scheurt en zoo den weg baant<noinclude></noinclude> h9ouee812tn0p32aeqtkedd9ddoxxdt Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/334 104 71263 219933 209788 2026-04-12T07:45:48Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 219933 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|312|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>de zon, in 6 uren hare omwenteling moeten volbrengen. Als men nu daar nog bij in aanmerking neemt, welk een groot verschil er bestaat tusschen de massa van de zon en die der aarde, dan kan men ligt inzien, dat er eene veel grootere kracht toe vereischt wordt om het ontzaggelijke zonneligchaam in 25½ dagen om zijne as te wentelen, dan om de betrekkelijk kleine aardmassa die beweging in 24 uren te doen verrigten. Elke beweging toch eischt eene bewegende kracht, die volgens mechanische wetten bepaald wordt, deels door de grootheid der massa, die bewogen wordt, deels door de snelheid, waarmede die beweging plaats heeft. Was de kracht, die het zonneligchaam om zijne as rondwentelt, gelijk aan die, welke onzen aardbol beweegt, dan zou de zon 360,000 dagen noodig hebben om eene rondwenteling te doen, omdat hare massa 360,000 maal grooter is dan die der aarde. Daar echter de zon in 25½ dagen om hare as wentelt, zoo wordt zij door eene kracht gedreven, die {{smaller|{{frac|360000|25,5}}}} of 14117 maal sterker is dan de beweegkracht der aarde. Maar daar nu de werpkracht, waarmede de vloeibare deelen van een hemelligchaam omhoog gedreven worden, gelijk is met de zwaaikracht of de kracht, waarmede een ligchaam om zijne as draait, zoo kan het verschil van hoogten en laagten op de zon 14117 maal aanzienlijker wezen dan op de aarde. Met andere woorden, de uitstekende punten op het zonneligchaam kunnen 14117 maal hooger zijn dan de hoogste bergen der aarde. Als wij dus aannemen, dat de uitstekende punten der zon tot 2½', dat is, tot 14 of 15000 mijlen zich boven hare oppervlakte verheffen, staat dit in volkomene evenredigheid met hetgeen wij op onze aarde aantreffen, waar de hoogste bergen zich ook tot meer dan ééne mijl boven de oppervlakte der zee verheffen. Zij staan dus in dezelfde verhouding tot de bergen der zon, als de kracht, die de aarde om hare as beweegt, tot die, welke het zonneligchaam omwentelt. Maar welligt wekt het bij dezen of genen eenige bevreemding, dat de zon, die zeker de eerstgeborene van ons planetenstelsel is, zich nog in een gloeijenden vloeibaren toestand zou bevinden, terwijl de planeten en manen, die zich om haar wentelen, reeds lang eene vaste korst van meerder of minder dikte hebben bekomen. Dit laat zich<noinclude></noinclude> s074k5xzygbn13llmsolfxpyj4faw0l Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/433 104 84576 219927 217747 2026-04-11T15:08:05Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 219927 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|29}}</noinclude>als een verdund zuur. Het is dus een alkalimetaal, dat met het caesium en rubidium naast het kalium, natrium en lithium moet plaats nemen. De aequivalent-getallen dier alkalimetalen zijn, H = 1: {| style="margin: 1em auto 1em auto;" |- |Lithium||7. |{{ts|ar}}|Rubidium||85. |- |Natrium||23. |{{ts|ar}}|Caesium||123. |- |Kalium||39. |{{ts|ar}}|Thallium||204. |- |} De specifieke warmte van het thallium is door {{sc|regnault}} bepaald op 0,03355. Om dus aan de wet van {{sc|dulong}} en {{sc|petit}} te voldoen, zal zijn aequivalentgetal, evenals dat van alle andere alkalimetalen, op de helft moeten verminderd, dus op 102 worden gebragt. Zijn atoom-volume is 8,5, zijn teeken FL. {{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} '''Malapterurus Electricus, stroomrigting bij zijne ontladingen.''' — {{sc|Dubois reymoud}} (''Monatsberichte der Akad. d. Wiss''. zu Berlin en daaruit ''Archives des Sciences Naturelles'', XV, p. 379), heeft met een dezer visschen te Berlijn eenige proefnemingen gedaan. Reeds vroeger was met behulp van den rheoskoop gevonden, dat bij zijne ontladingen in eenen geleider, die den kop met den staart verbindt, de positieve stroom van den eersten naar den laatsten is gerigt. {{sc|D.b. R}} heeft dit op nieuw onderzocht en wel met behulp van de ontleding van iodkalium. Twee geleiders, wier eene uiteinde in verbinding was, elk met een van twee platinaplaten, die de een met den kop en de andere met den staart van den visch in aanraking waren, werden met de andere uiteinden in aanraking gebragt, op eenigen afstand van elkaar, met een stuk filtreerpapier, dat met eene oplossing van iodkalium was doortrokken. De vroeger verkregen uitkomsten deden verwachten, dat nu door den elektrischen stroom van het dier, onder één dier uiteinden, en wel onder dat van den draad, die met den staart in verbinding was, eene vlek van vrij geworden iodium zou ontstaan. Maar in plaats daarvan zag {{sc|D.b. R}} steeds twee vlekken, een onder het uiteinde van elken geleider ontstaan, waarvan die, welke met het staarteinde overeenkwam, slechts iets grooter was dan de andere. Waaraan moest dit worden toegeschreven? Moest men er uit opmaken, dat de Malapterurus steeds twee ontladingen geeft, de eene wat sterker dan de andere, zoodat door dit overwigt de naald des rheoskoops toch eene afwijking in bepaalde rigting verkrijgen kan? Dit zou kunnen zijn; maar door eene reeks van proefnemingen, waarin wij hem hier niet kunnen volgen, heeft {{sc|D.b. R}} aangetoond, dat dit niet zoo is, dat de ontladingen van den visch bepaaldelijk in eene enkele rigting en wel in de boven aangegevene geschieden, en dat het ontstaan der tweede vlek aan eene secondaire oorzaak moet worden toegeschreven. Immers, hoe snel men ook de platinaplaten van den visch<noinclude></noinclude> 9meam0ymuaitt2795150ge106fhg60p Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/432 104 84577 219926 217755 2026-04-11T15:04:17Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 219926 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|28|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>'''Genealogische tarwe.''' — Op de algemeene tentoonstelling te Londen, in den loop van het vorige jaar gehouden, bevondt zich ook, onder den naam van ''Pedigree Nursery Wheat'', eene soort van tarwe door {{sc|hallett}} gekweekt, volgens hetzelfde beginsel van keuze, dat in Engeland zoo uitstekende resultaten heeft opgeleverd, ter verbetering van het vee. De oorspronkelijke varieteit was die, welke den naam van "roode Mersery-tarwe" draagt. De twee eerste aren, waarvan de korrels gezaaid werden, hadden eene lengte van 4¾ E. duim en bevatten te zamen 87 korrels. Een dezer korrels bragt in 1858 10 aren voort, waarvan de langste 6¼ duim lang was. Deze 10 aren bevatten van 55 tot 79 en te zamen 688 korrels. Een korrel van de aar met 79 korrels leverde in het volgende jaar 17 aren, waaronder er van 7{{smaller|{{frac|3|4}}}} d. lang waren, van 55 tot 91 en gezamenlijk 1190 korrels bevattende. Een korrel van de aar van 91 korrels bragt in 1860 39 aren voort met 2145 korrels, hoewel de grootste aar, ten gevolge der ongunstige weersgesteldheid, er slechts 74 telde. Een korrel dezer laatste aar leverde 52 aren, waarvan de langste in 1861 eene lengte van 8¾ duim had. Een korrel van eene het vorige jaar geteelde aar, die 123 korrels telde, en den 18 Sept. 1861 geplant werd, had in Junij 1862 80 aren voortgeplant. Eene plant daarvan was 5 voet en 8 duim hoog. (''Bonplandia 1862, p. 352). {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} '''Het Thallium.''' — In de zitting van den 15 December 1862 van de ''Académie des Sciences'' te Parijs, heeft {{sc|dumas}} aangaande dit metaal een rapport voorgelezen, waaraan wij, ter aanvulling van hetgeen wij vroeger in dit Bijblad dienaangaande hebben medegedeeld, het volgende ontleenen. De ontdekking van het thallium is vooral belangrijk door de verwonderlijke tegenstelling tusschen de chemische en physische eigenschappen van dit metaal. Men overdrijft volstrekt niet door te zeggen, dat het in de op de gewone wijze geklassificeerde rij der metalen eene vereeniging van de meest tegengestelde eigenschappen vertoont, die regt zou kunnen geven om het met den naam van paradoxaal, met dien van Ornithorynchus onder de metalen te bestempelen. Het heeft bijna dezelfde kleur, volkomen dezelfde weekheid en juist dezelfde specifieke warmte als het lood, waarop het bovendien nog gelijkt doordat het, op het papier gewreven, sporen nalaat en doordat het, evenals het lood, met iodium- en chroomverbindingen een geel en met chloorverbindingen een wit praecipitaat geeft. Maar geconcentreerd en zelfs kokend chloorwaterstofzuur lost het slechts zeer langzaam op, terwijl daarentegen zwavelzuur in dienzelfden toestand het met groote snelheid oplost; — genoegzaam verhit in zuurstof geplaatst, brandt het met aanmerkelijken glans, en kokend water werkt er op<noinclude></noinclude> 2ds5ihwmqqn27webu109tu2nocwe91a Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/431 104 84578 219925 217756 2026-04-11T14:58:29Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 219925 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|27}}</noinclude>dat in het eerste geval wel aanvankelijk Monaden en Vibrionen ontstaan, doch die gestorven zijnde weldra eene dikke laag, een ''stroma'', aan de oppervlakte van het vocht vormen, waarin nu de grootere infusorien ontstaan kunnen, terwijl daarentegen dit ''stroma'' in het tweede geval te dun blijft, dan dat daarin de vorming van grootere infusorien zoude kunnen plaats grijpen. Hij heeft deze proef nog eenigzins gewijzigd, door de infusie te gieten in een hoog glas, halverwege van een kraan voorzien, en dan, nadat het stroma met de infusorien zich gevormd had, het onderstaande vocht voorzigtig in een wijd vat af te tappen. Ook dan vormden zich in het laatste alleen Monaden en Vibrionen, in weerwil dat de lucht, waaraan de beide vaten zijn blootgesteld, in beide gevallen dezelfde was. {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} '''Oogen van Pholaden.''' — {{sc|Will}} had reeds voor vele jaren ({{sc|Frorieps's}} ''Neue Notizen'', 1844, No. 622 en 623) gezegd, dat de pigmentvlekken, welke bij de Pholaden aan het einde van de sipho voorkomen, oogen zijn. Later was echter door {{sc|deshaijes}}, op grond van genomen proeven, aan deze organen de beteekenis van gezigtszintuigen ontzegd. Hij oordeelde, dat zij alleen als tastwerktuigen konden beschouwd worden. Onlangs nu ontving de ''Société philomatique'' te Parijs eene mededeeling van den heer {{sc|l. vaillant}}, waarin deze aankondigde, dat hij zich overtuigd had, dat de Pholaden zeer gevoelig voor kunstlicht zijn. Hij ontdekte dit bij ''Pholas candida, Ph. dactylus en Ph. crispata'', inzonderheid bij de laatste. Hij nam steeds waar, dat, indien hij eerst alle licht had buiten gesloten, door over het glas, dat de dieren bevatte, een van binnen zwart gemaakt hulsel te plaatsen, zoodra dit hulsel werd weggenomen, de sipho's zich introkken en de openingen daarvan zich sloten, doch dat zij dan na eenige oogenblikken zich weder uitbreidden en openden. Zet men het licht op grooter afstand, zoodat de waarnemer nog even de dieren en hunne bewegingen zien kan, en verwijdert men nu het hulsel, dan blijven de dieren rustig, hetgeen bewijst, dat het niet de door het wegnemen van het hulsel te weeg gebragte schudding is, die de bewegingen te voorschijn roept. Dat de zitplaats der gewaarwording van het licht in de pigmentvlekken is, bewees V. door het gedeelte der sipho, waaraan deze zich bevinden, af te snijden. De sipho behoudt dan wel hare gevoeligheid, doch de toenadering van een kunstlicht brengt geene bewegingen meer voort. Een zonderling verschijnsel is het echter, dat V., evenmin als vroeger {{sc|deshaijes}}, de Pholaden gevoelig voor zonlicht heeft gevonden. Hij vermoedt echter, dat de reden daarvan hierin te zoeken is, dat het moeijelijk is de dieren gedurende den dag in het volkomen duister te brengen. Dit punt verdient derhalve nog nader onderzoek. (''l' Institut'' 1862, p. 419). {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}}<noinclude></noinclude> f9qd3qrcnug4a4rg87q1teyw2wwt7x0 Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/430 104 84579 219924 217759 2026-04-11T14:28:47Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 219924 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|26|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>''Indië'', Dl. XXII, bl. 518, komt een herigt voor van den heer {{sc|n.a.t arriëns}}, dat wel in staat is om eenig denkbeeld te geven van de geweldige hoeveelheid regen, die in sommige tijden, vooral in de maanden November tot Maart, op Java valt. Volgens waarnemingen aan den regenmeter te Pamahasan, valt bij zware regenbuijen één millimeter water in 33 tot 22 seconden, bij gewone slagregens in 20 tot 16 seconden, terwijl de hoogste waargenomen snelheid 1 millim. in 13 seconden bedroeg. Blijkens de bijgevoegde tabel over het jaar 1859 vielen toen alleen in de maand Maart 405 millimeters regen. (Wij herinneren hierbij ter vergelijking, dat de geheele hoeveelheid regen, welke gemiddeld in den loop van een jaar in Nederland valt, omstreeks 750 millim. bedraagt). De heer {{sc|arriëns}} berekent, dat, indien het gedurende zes uren hard geregend heeft, op het regen-gebied van den Serajoe (de rivier in de residentie Banjoe-Mas, welke in 1861 zulke zware overstroomingen heeft te weeg gebragt), eene oppervlakte hebbende van omstreeks 1200 vierkante palen, eene hoeveelheid van niet minder dan 1961 millioenen kubieke meters gevallen is, dat is ruim twee en een half maal zoo veel als noodig zoude zijn om de geheele Haarlemmermeer te vullen. {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} '''Generatio spontanea.''' — {{sc|Pouchet}}, de bekende verdediger der ''generatio spontanea'', welke hij heterogenesis noemt, — een naam, dien wij liever voor dien van ''autogenesis'' verwisselen, — heeft wederom in eene verhandeling, geplaatst in de ''Annales des Sciences naturelles'', 4me. Ser. Zool. XVIII, p. 277, de door {{sc|pasteur}} uit zijne onderzoekingen afgeleide resultaten uitvoerig bestreden, en, indien het hem ook al niet mogt gelukt zijn deze volkomen te weerleggen, dan heeft hij toch onzes inziens duidelijk genoeg aangetoond, dat de quaestie nog verre is van met afdoende zekerheid te zijn opgelost. Wij kunnen hem hier echter niet in zijne bewijsvoering volgen, welke zich voornamelijk steunt op de onmogelijkheid om in de lucht het bestaan van zoovele kiemen van organische wezens aan te wijzen, als de panspermisten (dit is de naam, waarmede {{sc|pouchet}} zijne tegenstanders, en in de eerste plaats {{sc|pasteur}}, betitelt) daarin veronderstellen aanwezig te zijn. Maar uit de door hem medegedeelde proeven komt ons eene der vermelding waardig voor, omdat zij in elk geval het bewijs levert, dat het ontstaan van bepaalde soorten van Infusorien afhankelijk is van schijnbaar zeer geringe nevenomstandigheden. Wanneer van eene infusie de eene helft gegoten wordt in een hoog en naauw, de andere in een wijd vat, dan onstaan in het eerste millioenen van groote, met cilien bezette infusorien (''Paramecium'' enz.), terwijl in het andere alleen Monaden en Vibrionen te voorschijn komen. {{sc|pouchet}} schrijft dit toe aan de omstandigheid,<noinclude></noinclude> 31pzgly94jcnpficowkmlp4gynuulus Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/429 104 84580 219923 217758 2026-04-11T14:24:30Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 219923 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}} {{C|{{x-larger|{{sp|WETENSCHAPPELIJK BIJBLA}}D.}}}} {{dhr}} {{lijn|5em}} {{dhr|2}} '''Ligchamen nabij de zon.''' — In de vergadering der Fransche Akademie van den 12 Januarij j.l. werd een brief voorgelezen van den heer {{sc|a. poey}}, directeur van het meteorologisch observatorium te Havana, waarin hij de aandacht vestigt op eene mededeeling van prof. {{sc|auber}}, aangaande eene waarneming door dezen aldaar gedaan, gedurende de zon-eclips van den 15 Mei 1856. A. zag namelijk, toen hij den kijker zoodanig rigtte, dat de zonneschijf door het dak van een huis overdekt werd, op korten afstand van den zonnerand een groot aantal lichtende ligchaampjes, die uit de zon schenen te komen en zich in verschillende rigtingen bewogen, somtijds elkander kruisten en dan in de ruimte verdwenen. Andere ligchaampjes, na zich tot op eenen afstand van drie of viermaal de middellijn der zon daarvan verwijderd te hebben, keerden bijna langs denzelfden weg terug, alsof zij sterk werden aangetrokken door de plaats, vanwaar zij waren uitgegaan. Andere eindelijk schenen eene elliptische baan te beschrijven, zoodat men hen gedurende hunnen loop kon volgen, dan eens tot de zon naderende, dan weder er zich van verwijderende. Hunne bewegingen waren zeer snel en geen enkel was langer dan eene halve seconde zigtbaar. Eenige dezer ligchaampjes hadden de grootte van een ster van de zevende grootte; anderen waren slechts even zigtbaar. Toen de zon weder begon zigtbaar te worden, kon men hen nog waarnemen, ofschoon met meer moeite, en toen hare schijf reeds meer dan half ontbloot was, kon een der waarnemers, die den heer A. vergezelde, nog twee zwarte ligchaampjes zien, die zeer zwak verlicht waren. Wij teekenen hier deze waarneming op, zonder er echter voor het oogenblik veel gewigt aan te hechten, daar het vreemd zoude zijn, dat bij de vele waarnemingen, die tijdens totale zon-eclipsen in den loop der laatste jaren gedaan zijn, niemand van iets dergelijks gewag heeft gemaakt. Doch de zon-eclipsen leveren nog zoo vele raadselachtige verschijnselen op, dat het geenszins onmogelijk is, dat daaronder zijn, die alleen onder begunstiging van eenen tropischen hemel kunnen worden waargenomen. {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} '''Regenhoeveelheid op Java.''' — In het ''Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch''<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1863.}}||{{smaller|4}}{{gap}}}}</noinclude> sj8hwwaao82gvh0qdqanycue48ualu2 Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/428 104 84581 219922 217761 2026-04-11T14:21:35Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 219922 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|24|ALBUM DER NATUUR. — WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|}}</noinclude>'''Schaal van bakbarometers.''' — {{sc|Glaisher}} heeft aan de ''British Association'' den barometer vertoond, die bij zijne luchtreizen had gediend. Het was een gewone bakbarometer, door {{sc|negretti}} en {{sc|zambra}} vervaardigd met eene voor de nulpuntsverandering gecorrigeerde schaal, die zoo laag ging als tot het bovengenoemde doel noodig is. Om deze correctie te verkrijgen, hadden N. en Z. aangewend, wat men een regtstreeks ijken van de buis met den bak zou kunnen noemen. Zij hadden namelijk die buis eerst dubbel zoolang genomen als dit zou noodig zijn en die aan het open einde van eene kraan voorzien. Na haar nu gevuld en uitgekookt te hebben, werd zij in den te bezigen bak op de gewone wijze in kwik geplaatst, de kraan een weinig geopend en toen weder gesloten. Nu werd de hoogte van het kwik in de buis en in den bak naauwkeurig gemeten, weder een weinig kwik uitgelaten en weder beide hoogten gemeten, enz. Uit deze gegevens liet zich de correctie gemakkelijk berekenen, die aan de schaal moest worden aangebragt, toen later de buis midden doorgesneden en het bovendeel met denzelfden bak tot een barometer was zamengevoegd. {{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} '''Afplatting van Mars.''' — Met den heliometer van het observatorium te Oxford heeft {{sc|main}} achttien reeksen van metingen gedaan van de aequatoriaal- en poolmiddellijnen dezer planeet. Hij vindt de afplatting gemiddeld gelijk aan {{smaller|{{frac|1|39}}}}. {{sc|Bessel}} meende, dat die afplatting niet bestond, {{Sc|arago}} vond haar gelijk {{smaller|{{frac|1|30}}}}., {{sc|herschell}} {{smaller|{{frac|1|16}}}}. en {{sc|schroetter}} {{smaller|{{frac|1|80}}}}. (''Cosmos'', XXII, p. 8). {{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}} {{dhr}}<noinclude></noinclude> c5i540v15kovrkjy1wcu1s0rw9nmnwf Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/316 104 85761 219928 2026-04-11T16:42:06Z Ben the Bear09 16243 /* Proefgelezen */ 219928 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Ben the Bear09" /></noinclude>werd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde. {{lijn|5em}} {{c|DE DAG VAN 'T BOSCH.}} Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan 't frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op. De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte zonder enig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide: het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den berg bedekte, was na den brand droog en losse asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde die omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was ze gauw schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid. Maar op een dag in 't begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok.<noinclude></noinclude> c2eezc5nvr3ecp51pss293aqg0gvu18 Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/114 104 85762 219936 2026-04-12T11:31:13Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 219936 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude><poem> Gheloeft, ghedanct in allen stonden: Mijn lieve kint hebbic nu vonden. Die mi nu verloesten sal, {{sup|700}} Want die vroude es sonder ghetal<ref>''Sonder ghetal'' d. i. ''in tallooze menigte'', of ook, van niet telbare zaken gesproken (als ''wijsheid, jammer, leed,'' hier ter plaatse ''vroude''), ''oneindig groot, eindeloos''.</ref>. Die nu mijn herte van binnen drijft<ref>''Drijft:'' zie op vs. 317.</ref>. {{gap|5em}}{{sp|Robbrecht}}. O wi, enen dief, die men ontlijft<ref>''Ontlijft'' van ''ontlijven'' d. i. ''ombrengen. Ontlijfd'' staat tot ''ontzield'' als ''lijf (leven)'' tot ''ziel.''</ref>, En mochte niet soe droeve ghesijn<ref>''Ghesijn'' d. i. ''zijn:'' K{{asc|IL}}, in voce.</ref> Als ic nu ben int herte mijn, {{sp|705}}Want ic duchte grote scanden<ref>''Scanden'' d. i. ''onheil. Scande'' beteekende volgens {{asc|VAN WIJN}} op ''Heelu'' vs. CCXXXII in het Mnl, zooveel als ''neêrlaag in den oorlog'', immers de schande κατ' ἐξοχὴν, en werd bij uitbreiding van''elk ander onheil'' gezegd. Vandaar ''schenden'' ook voor ''ongelukkig maken:'' zie ''Rijmb. Gloss.''</ref>. Haddickene doot met minen handen. Doen ickenne vercocht, soe waer hi doot. Ay! ic hebbe den anxt soe groet. Dat mi daer af sal comen toren, {{sup|710}} Want comet<ref>''Comet'' d. i. ''komt het''. De constructie is hier eenigszins vreemd, omdat de woorden ''dat icken'' enz., afhangende van ''comet uut'', hiervan door ''ic ben verloren'' gescheiden zijn.</ref> uut, ic ben verloren. Dat icken vercochte den Sarrasijn. {{gap|4em}}{{sp|De kerstenconinc}}. Gaet henen, Robberecht neve mijn<ref>''Neve mijn:'' zie op vs. 292.</ref>. Tot mijnder vrouwen, die coninghinnen. Die ic ewelijc met herten moet minnen {{sup|715}} Ende oec bliven onderdaen<ref>''Onderdaen'' d. i. ''onderdanig, onderworpen''.</ref>, | Want icxse ghehouden hebbe ghevaen Sonder verdiente ende buten scout: Dat rout mijnder herten menichfout. Dat ic haer hebbe gheweest<ref>''Hebbe gheweest'' evenals ''hebbe ghesijn''.</ref> soe wreet. </poem><noinclude></noinclude> ksr2hge0kr0m3mus4nsa1uvhbuyfjw5