Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.1
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Worms
100
76137
221050
220828
2026-05-10T18:32:14Z
Vincent Steenberg
280
+bron
221050
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Geschiedenis van Worms
| afbeelding = Hamman Vogelschauplan 1631.jpg
| alt = Worms in 1631
| beschrijving = Bronnen bij de geschiedenis van [[w:Worms (stad)|Worms]]
}}
== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ==
=== 17e eeuw ===
;Paltse veldtocht; leger van de Protestantse Unie bij Worms
*Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (1)#art2al10|‘VVt Ments van 10. September’, alinea 10]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 4-7.
*Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (2)#art1|‘Verhael vanden Protestanten Legher’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 3-5.
*Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/VVt VVorms, den 30 dito|‘VVt VVorms, den 30 dito. [= 30 november 1620]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 1].
*Anoniem (12 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/12 mei/VVt VVorms den 1. Mey|‘VVt VVorms den 1. Mey’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1].
;Vergadering van protestantse vorsten en enkele rijksstedem, 14 januari 1621
*Anoniem ([ca. 27] januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 14#art3|‘VVt Cruytzenach, 16. Ian. 1621’, alinea 3-4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 5-7.
*Anoniem (29 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 15#art5|‘Tijdinghe vanden Rhijnstroom van 13. Ian.’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 7-8.
;Vergadering van protestantse vorsten en enkele rijksstedem, 14 januari 1621; hekeldicht
*Anoniem (februari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 16#art1|‘T’samensprekinghe tusschen dry Princen, ghehouden tot VVorms, vanden teghenwoordighen staet des Landts’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p. 2-8.
;Benoeming van George Frederik van Baden-Durlach tot stadhouder van Worms
*Anoniem (25 januari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/25 januari/Wt den Paltz den 16. Ianuarij|‘Wt den Paltz den 16. Ianuarij’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2].
;Paltse veldtocht; het leger van Ambrogio Spinola rukt op naar Worms
*Anoniem (26 februari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 februari/VVt Francfoort den 18. dito|‘VVt Francfoort den 18. dito. [= 18 februari 1621]’, alinea 4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p. 2].
*Anoniem (1 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 maart/Wt Mentz den 18. dito|‘Wt Mentz den 18. dito. [= 18 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Paltse veldtocht; verschansingen en schipbrug
*Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Worms den 27. dito|‘Wt Worms den 27. dito. [= 27 februari 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2].
*Anoniem (27 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/27 maart/Wt Worms den 16. dito|‘Wt Worms den 16. dito. [= 16 maart 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
*Anoniem (10 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/10 april/VVt VVorms den 27. dito|‘VVt VVorms den 27. dito. [= 27 maart 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 2].
;Paltse veldtocht; de burgers van Worms eisen een schadevergoeding van de Protestantse Unie
*Anoniem (12 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/12 mei/VVt VVorms den 1. Mey|‘VVt VVorms den 1. Mey’, alinea 3]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal geschiedenis]]
fbvf6e010dqnykqaokuo6jip0jyl1vw
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/98
104
81547
221037
212779
2026-05-10T18:06:04Z
Vincent Steenberg
280
/* Gevalideerd */ afb. vervangen, opmaak
221037
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}}
[[Bestand:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2 plate C red.jpg|center|500px]]
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
4ufmma3u34vrnao7sq9i8pqr9835rx1
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/83
104
82776
221038
214717
2026-05-10T18:08:50Z
Vincent Steenberg
280
afb. vervangen
221038
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}}
[[Bestand:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2 plate p 065 red.jpg|500px|center]]
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
mcfzdklx3aczsqo5a2423zldes2jvwv
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/126
104
85100
221034
218587
2026-05-10T12:14:04Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221034
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|108| NEDERLANDSCH-FRANSCHE EXPEDITIE DOOR DE BINNENLANDEN|}}</noinclude>ook de beide volgende dagen was de rivier vol vallen en snelvlietende plaatsen, en eerst den 12den November bereikten wij het hooge tafelland, dat zich tot aan den voet van het Tumucumaque-gebergte uitstrekt. De rigting der rivier was nu het meest uit het Z. en W., terwijl zij vroeger Z. en gewoonlijk Z. en O. was; hier was de stroom weder minder, het land was voor het grootste gedeelte vlak, ja dikwijls moerassig en kleine heuvels staken golfsgewijze uit. Het water was nu veel smaller en kouder, van 16° tot 18° R., zoodat men bij het nemen van een bad huiverde. Alles kondigde ons aan, dat wij spoedig den oorsprong naderden; in de inhammen, waar weinig of geen strooming plaats vond, vonden wij Nymphaea's en het in moerassen zoo veelvuldig voorkomende ''Caladium arborescens''. Aan de rotsen zag men, dat de hoogste waterstand der rivier niet over de 7 voet van haar werkelijk niveau bedragen kon. Niettegenstaande dit alles, voeren wij nog 5 volle dagen in deze bekkens, totdat wij het dorp der Aroukoujanas-Indianen bereikten, die, zooals wij van de Bonni-negers gehoord hadden, digt bij de bronnen der Lava moesten wonen. De rivier was nu een beek geworden, die hier en daar zoo ondiep was, dat onze kleine korjalen ter naauwernood konden varen, en de breedte dikwijls niet meer dan 25 tot 30 voet bedroeg.
Ik had weinig ellendiger dorpen dan dit gezien; van de rivier af moest men ten minste 30 schreden door modder waden, voordat men het pad bereikte, dat naar het dorp voert en in den regentijd insgelijks onder water staat. Op een kleinen heuvel, tusschen omgehouwen boomen waren drie ellendige hutten, waarin omstreeks 25 personen woonden. Deze stam, die nooit met Europeanen in dadelijk verkeer stond, schijnt van de overzijde van het Tumucumaque-gebergte hierheen verhuisd te zijn om gemakkelijker in gemeenschap te kunnen treden met de Bonni-negers, die hen tegen Europesche artikelen hunne hangmatten, snoeren van zaadkorrels, enz. afkoopen. De mannen zijn hoog van gestalte; hun aangezigt gelijkt op dat der Arowakken; om hunne kuiten hebben zij banden van boomwol, waarvan franje af hangt. Om hunne lendenen dragen zij een gordel van wel 100 snoeren, vervaardigd uit de haren van den Coaïta of brulaap, waaraan hun kamis of lendendoek bevestigd is. Deze gordel is zulk eene warme dragt,<noinclude></noinclude>
jo55uwll128thgxwbaw8ojo4ot89ebx
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/128
104
85101
221036
218588
2026-05-10T12:18:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221036
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|110| NEDERLANDSCH-FRANSCHE EXPEDITIE DOOR DE BINNENLANDEN|}}</noinclude>boomwol en sieraden van vederen. In deze omstreken zijn savannen en onbegroeide gebergten, waarop zich in menigte het fraaije rotshoentje (''Rupicola'') bevindt. Deze Indianen staan insgelijks in verbinding met de Portugezen, die de oevers en zijrivieren van den Amazonen-stroom bewonen. Het dorp der Aroutouganas ligt onder 2° 18' N.Br. en bijna onder denzelfden meridiaan als de mond der Lava, zoodat de rivier bijna een halven cirkel vormt en zich ten laatste evenals de Tapanahoni geheel westwaarts wendt.
De topographen van beide commissiën overlegden nu, of wij niet het Tumucumaque-gebergte zouden beklimmen, om ten minste de geographische breedte van den top en de rigting te kunnen bepalen, maar onze weinige levensmiddelen en nog meer het naderen van den regentijd maakten de zaak bedenkelijk. Ook behoorde deze reis niet tot de taak der commissie, hoewel eene naauwkeurige bepaling van de ligging van het gebergte van gewigt zou geweest zijn. Men besloot ten slotte de Lava nog zoover op te varen, als men met de kleine korjalen kon komen, en dan de terugreis aan te nemen.
Te oordeelen naar de snelvlietende plaatsen en watervallen, die wij in de Lava waren overgegaan, ligt het dorp omstreeks 350 tot 400 voet hooger dan de mond der Lava en dus ongeveer 450 tot 500 voet boven het vlak der zee. Wij wisten nu wel, dat wij ons in de nabijheid van het gebergte bevonden, maar een gezigt daarop had men niet, alles was digt begroeid, de rivier zoo smal en hare bogten zoo kort, dat zich nergens een vergezigt aanbood.
Wij verlieten den 18den November het Indianen-dorp in de aangename verwachting, binnen eenige dagen weder terug te keeren en dan de terugreis aan te nemen.
In eene kleine boot drie maanden te zitten en door wildernissen te reizen, die geen afwisseling aanbieden, wordt op het einde wat vervelend. De Lava werd steeds ondieper, de over elkander gevallene boomen steeds menigvuldiger, want de Indiaan geeft zich geene moeite deze uit den weg te ruimen, maar vaart met zijne ligte korjalen er over heen of trekt die er over. Het was een betrokken dag, eerst des namiddags verhelderde de hemel; voor ons lag, op ongeveer anderhalf uur afstand van den oever, een hooge rotskruin, die over het woud<noinclude></noinclude>
m60m6e36m1zmzrruz53kj687bheyypz
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/130
104
85102
221052
218589
2026-05-10T19:01:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221052
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|112| NEDERLANDSCH-FRANSCHE EXPEDITIE DOOR DE BINNENLANDEN|}}</noinclude>als men in één dag kon doen en dan terug te keeren. Het hoofd der Fransche expeditie, de heer V. en ik wilden nog eenmaal naar de rots om zoo mogelijk den top te bestijgen. Daar de heer V. den afzonderlijken rotskegel niet had bestegen en de kloof daartusschen en de hoofdrots wenschte te zien, zoo kozen wij den weg, dien ik den vorigen dag begaan had. Wij hadden schoon helder weder en bestegen spoedig de rotskruin, vanwaar wij ons in de kloof begaven, wier verschillende holen wij onderzochten, doch geen spoor van een jaguarnest vonden, zoo als ik vermoed had.
Het was ten 11 uur, dus in de grootste hitte van den dag, dat wij begonnen de hoofdrots te beklimmen, waar wij tot aan onze rustplaats van den vorigen dag geene zulke groote zwarigheden ondervonden. De sporen van zoo vele menschen hadden eene soort van weg gemaakt; doch hoe hooger wij klommen, des te moeijelijker werd het. In de kloven, die het regenwater langzamerhand had gevormd, klouterden wij verscheidene 100 voet hoog, ons vasthoudende aan de bladeren der Agave, die hier weelderig groeit, of aan de lange stengels eener niet minder dikwijls voorkomende geel bloeijende Orchidee. Tegen de kruin was de helling minder steil. Op deze bevindt zich een boschje van bloeijende Heliconiën, waarin wij een weinig uitrustten en uit de bladstelen dezer planten, waarin zich het regenwater verzamelt, onzen dorst leschten. Ik was geheel en al nat van het zweeten. Wij hadden nu tot aan de kruin weder een hoogst gevaarlijken weg aan den rand van een meer dan 100 voet diepen afgrond. Op het vlakke der rots waren groote streken met eene soort van Bromelie bedekt, die volkomen geleek op de kroon eener ananas; alleen droeg zij in plaats van eene vrucht een 3 voet hoogen stengel, waaraan eenige verdroogde zaadhuisjes hingen. In eene rotsspleet boven een diepen afgrond bloeide eene prachtige Isertia en op een der kaalste plaatsen van de kruin vond ik verscheidene planten van den arrowroot (''Maranta arundinacea''), even als op eene andere plaats, waar zich eenige aarde had verzameld, eene plant der ''Jatropha Manihot''. Vermoedelijk zijn de zaden, ten minste der laatste, door den wind daar heen gevoerd.
Wij hadden nu een panorama voor ons, dat zich van het oosten<noinclude></noinclude>
d4mvyo3b9ed535x06pa4gojo2tjtmq8
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/132
104
85103
221054
218590
2026-05-10T19:05:40Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221054
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|114| NEDERLANDSCH-FRANSCHE EXPEDITIE DOOR DE BINNENLANDEN|}}</noinclude>kleinste korjaal te bevaren waren. De rigting van de hoofdkreek was doorgaans noordwest.
Wij begonnen nu den 21sten November de terugreis. Hevige regenbuijen hadden de Lava iets doen zwellen, zoodat onze reis naar beneden pijlsnel voortging en wij den 26 op Providence aankwamen. Na een oponthoud van 2 dagen om den Bonni-negers eenige rust te verschaffen, zetten wij onze reis voort en kwamen allen den 3den December welbehouden te Albina en St. Louis aan.
Zoo was de expeditie zonder eenig ongeval ten einde gebragt en het vraagstuk omtrent de grensscheiding ten voordeele van het Nederlandsche gouvernement beslist. Of dit nu daaruit eenig nut kan trekken, doet niets ter zake. De topographen hebben eene kaart der Maroni, Lava en Tapanahoni vervaardigd en de geographische ligging van sommige punten astronomisch bepaald; om echter de duizende eilanden, watervallen en snelvlietende plaatsen juist op te geven, zou men evenveel jaren als ons weken waren toegemeten, noodig gehad hebben. Voor de overige wetenschap is bijna niets verrigt; wel werden van rotsen en gerolde steenen in de rivier stukken afgeslagen en medegebragt, doch onderzoekingen in het binnenland of opdelvingen bleven achterwege, deels bij gebrek aan tijd, deels wijl niemand geologische kennis bezat. Hetzelfde geldt van de botanie; wel verzamelden de Fransche geneesheer en ik planten, die wij met veel moeite droogden, doch wij hadden geen van beiden voldoende kennis der botanie om haar wetenschappelijk te beschrijven of onderscheid te maken tusschen bekende en onbekende.
Hoe rijk nu ook aan schatten de vegetatie van het binnenland is, zoo is toch de zwarigheid om die te genaken te groot en het praktisch belang te gering om deze te beloonen.
Werden rotsen doorgehouwen en een waterweg daargesteld, dan zou in het drooge jaargetijde zeker elke gemeenschap gestremd worden, daar door een bevorderden afloop der wateren een groot deel van het hooger gelegen land, waar de rivieren zich meermalen in den vorm van een meer uitbreiden, droog wordt gelegd. Alleen de watervallen verhinderen, dat de door de natuur gevormde bekkens boven deze geheel leeg loopen. Mineralogische schatten alleen zouden aan het binnenland<noinclude></noinclude>
rg90k72mptwtm70koy2kyujfi0omvm3
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/127
104
85109
221035
218596
2026-05-10T12:16:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221035
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||VAN GUYANA IN SEPTEMBER TOT NOVEMBER 1861.|109}}</noinclude>dat hij beter geschikt zou zijn voor de Eskimo's, dan in de nabijheid van den evenaar. De vrouwen zijn klein en afzigtelijk; de uitdrukking van haar gezigt is dezelfde als bij de vrouwen der Karaiben. Haar eenig kleedingstuk is een schort van koralen, even als bij de vrouwen der Arowakken; slechts is het grooter en minder schoon geteekend, meestal bruin, blaauw en wit. De haren zijn bij mannen en vrouwen kort afgesneden, de laatste dragen om den hals verscheidene snoeren van apentanden, koralen, gekleurde boonen en zaadkorrels, welke onder den naam van Afrou en Arewepi naar de kolonie komen en door de negerinnen gretig gekocht worden, — zoodat zij bij iederen arbeid er door gehinderd worden. Beide geslachten zijn 's morgens steeds met roucou of orlean besmeerd. Zij schijnen met de westelijk wonende Indianen in geen verband te staan, want zij hebben zelfs geen cassave-stampers, die toch de Macussis aan de meeste Indianen van Guyana leveren; zij gebruiken daarvoor platte granietplaten, op wier ruwe vlakte zij de wortels wrijven. In het struikgewas van het dorp vond ik twee soorten van Solaneën, wier vruchten de Indianen raauw eten. De eerste soort is omstreeks 8 voet hoog, heeft 2 voet lange, breede, behaarde en stekelige bladeren, benevens eene groenachtige bloem, die uit den oksel der bladeren te voorschijn komt. De plant is geheel en al met haar en met stekels bedekt; rijp is de vrucht geel en ziet er uit als een kippenei. De andere soort is veel kleiner; de lengte der bladeren bedraagt tot ongeveer 6 duim; de bloesem is blaauw; de vrucht, iets grooter dan een ei, heeft 3 uitsteeksels. Van de laatste soort heb ik reeds door te zaaijen jonge planten in mijnen tuin verkregen.
Wij hoorden nu van de Bonni-negers, dat omstreeks negen uren ten oosten van dat dorp, aan de Litani-kreek, een ander Indianendorp lag, waarheen een weg leidde en waar zij menigmaal uitmuntende jagthonden van de Indianen inruilden, en dat er een andere weg was twee uren boven het dorp aan de Lava, op welken men den eersten dag den voet van het Tumucumaque-gebergte bereikte, den tweeden en derden dit overtrok om den vijfden aan den oever der Jari te komen, die zich in de Amazonen-rivier ontlast. Aan deze wonen Indianen van een anderen stam, die zeer ervaren zijn in het vervaardigen van hangmatten van<noinclude></noinclude>
kzbsi2zu3rfw3bk4j191qjco7ppjmux
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/129
104
85110
221051
218597
2026-05-10T18:58:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221051
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||VAN GUYANA IN SEPTEMBER TOT NOVEMBER 1861.|111}}</noinclude>aan den regteroever uitstak en gedeeltelijk begroeid, maar op hare steile hellingen en op den top kaal was. Aanstonds werd besloten ons leger op te slaan en den anderen dag de rots te beklimmen, die ons zonder twijfel een gezigt moest verschaffen op het gebergte. Wij gingen den volgenden morgen op weg. Vooraan liepen verscheidene Bonni-negers en mijne Indianen, de rigting was noordwest en leidde over twee heuvels, tusschen welke zich moerassen met Pinapalmen bevonden, de eerste, die wij sedert Armina zagen. Wij hadden ons in twee partijen verdeeld, van welke de Nederlandsche topograaph en ik de rots van de zuidzijde, de overige heeren echter haar van de westzijde wilden bestijgen.
Na omstreeks ¾ uur aanhoudend klimmen, bereikten wij zonder groote vermoeidheid eene rotsplaat, van welke wij het gebergte voor ons zagen liggen. Ongelukkig was de dag mistig en de verre bergen niet gemakkelijk te onderscheiden. Wij bemerkten overigens met verdriet, dat wij ons in het geheel niet op de rots, maar op een op een kegel gelijkend uitstek van deze bevonden, en hoorden ook ter zelfder tijd het roepen en schieten onzer togtgenooten, die de hoofdrots gevonden hadden en haar thans beklommen. Wij moesten nu om tot hen te komen ten minste 400 voet naar beneden klimmen om de kloof over te komen, die ons scheidde. Deze kant was bijzonder steil en groote rotsblokken, die dikwijls bij de 40 voet hoogte hadden, hingen over ons. Alles was met bamboes begroeid en de weg zoo steil, dat wij ons op den rug liggende naar beneden lieten glijden. Toen wij in de Kloof, die het meest woeste schouwspel aanbood, dat ik ooit in Guyana vond, aangekomen waren, zagen wij voor ons op een granietblok een prachtigen, ongemeen grooten jaguar, die ons bedaard aankeek en scheen in te wachten. Een Bonni-neger schoot op hem, doch zonder hem te raken, hoewel hij geen 30 passen van ons verwijderd was. Wij bestegen nu de rots, terwijl wij ons tusschen Agaven, Bromelien en andere stekelige gewassen een doortogt baanden naar het gezelschap. Het scheen niet mogelijk verder te komen, hoewel wij ter naauwernood de halve hoogte bereikt hadden; wij keerden dus naar ons leger terug.
Den 20sten November werd bepaald de Lava nog zoo ver op te varen,<noinclude></noinclude>
nrbm0r38yz4wtes3bmpsflupaqecfln
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/131
104
85111
221053
218598
2026-05-10T19:03:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221053
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||VAN GUYANA IN SEPTEMBER TOT NOVEMBER 1861.|113}}</noinclude>naar het zuidwesten uitstrekte, want het gezigt op het noorden was ons door de misschien nog 40 voet hoogere kruin, die onmogelijk te beklimmen was, benomen. Beneden ons lag een golvend land, welks verheffing ten hoogste 200 voet kon bedragen, en daardoor stroomde de Lava, van welke men alleen een kleine streep kon zien. Het Tumucumaque-gebergte, welks hoogste bergen niet over de 3000 voet hoogte hebben, liep van het N.W. naar het Z.O. en de digtstbij gelegene bergen waren van 6 tot 7 uur van ons verwijderd. Het bestaat uit kegels, koepels en in de lengte loopende ruggen en herinnerde mij levendig de Zwabische alpen, die ik juist voor een jaar bezocht had. Ik vond bergen als den Achalm, Teck en den Neuffen, maar terwijl ik den Ofen zocht, trachtten wij te vergeefs onder de breede bladeren der Agave beschutting te vinden tegen de brandende zonnestralen. In het Z.O. lagen bergen, als lichte blaauwe wolken, die ten minste 40 uur van ons verwijderd waren; het geheel was door één onmetelijk bosch bedekt, nergens zag men een spoor van menschen. Van onze begeleiders waren ons alleen een Karaiber, een Arouhoujana en de Braziliaansche Indiaan gevolgd; de anderen waren achtergebleven, en wij zijn wel de eenige menschen, die ooit den top bestegen; de hoogte bedroeg ten minste 700 voet. Zoo verscheiden ook de gedaante der bergen waren, die voor ons lagen, aan wie de verschillende tinten en schakeringen van groen tot indigo en helder blaauw eene eigene bekoorlijkheid verleenden, zoo maakte het toch een pijnlijken indruk in deze wildernis naar beneden te blikken, waarin men ter naauwernood kon bespeuren, dat zij door eenige menschen bewoond is, die nog onder elkander als wilde dieren vechten, terwijl millioenen hier in overvloed konden leven.
Nadat wij eene schets van het gebergte gemaakt hadden, namen wij den terugweg aan, waar ik in eene rotsspleet een schoone mij onbekende varen vond, met welke ik benevens eenige orchideën den Arouhoujana belastte. Na ¾ uur waren wij weder aan den voet van de rots, terwijl wij tot het opklimmen bijna 2 uur hadden noodig gehad.
Wij vonden in het leger reeds de 2 Nederlandsche topographen, die de rivier hadden opgevaren, tot daar waar zij zich in verscheiden kreeken verdeelde, die in het drooge jaargetijde zelfs niet met de<noinclude>{{rh|{{gap|2em}}1863.||8{{gap|2em}}}}</noinclude>
b63536cgtopjxbqp9zowj1qc4xg0vru
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/133
104
85112
221055
218599
2026-05-10T19:06:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221055
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||VAN GUYANA IN SEPTEMBER TOT NOVEMBER 1861.|115}}</noinclude>waarde verleenen, en om deze uit te vorschen, moesten deskundigen het land meer op hun gemak kunnen onderzoeken. Dergelijke reizen zijn niet zoo bezwaarlijk als men denkt. Een gezond ligchaam, niet verwend door de levenswijze in eene kolonie, ijver en liefde voor de natuur, vermogen zeer veel en ik betreur het van harte, dat ik niet tien jaar jonger en door betrekkingen verbonden ben, anders zou ik op eigen kosten eene tweede reis ondernemen; dan zouden noch regentijd, noch levensmiddelen mij afschrikken om het Tumucumaque-gebergte te overschrijden.
(Naar {{sc|Petermann's}} ''Geographische Mittheilungen'', 1862, No. V en VI.)
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
lggi3xnglnf873lu4hunm93lquc5q9n
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/143
104
85114
221056
218603
2026-05-10T19:12:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221056
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|TWEE SNEEUWBERGEN IN HET HART VAN AFRIKA.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Afrika blijft steeds het land, hetwelk in zijn binnenste nog altijd een ruim veld aanbiedt om belangrijke ontdekkingen aan het licht te brengen. Met hoeveel moed en volharding het in de laatste tientallen jaren ook door wetenschappelijk gevormde mannen in alle rigtingen doorkruist mag zijn, er blijven nog altijd streken van groote uitgebreidheid over, die met een digten sluijer zijn bedekt. Maar het is, alsof juist die geheimzinnigheid, waarin Afrika's binnenland gehuld ligt, voor den onderzoekenden geest een des te sterker prikkel is om vele bekwame en ondernemende mannen derwaarts te drijven. Er gaat dan ook geen jaar voorbij, waarin niet sommige tot hiertoe duistere punten uit de land- en volkenkunde van dat werelddeel in een helder licht treden.
Sedert 1848 was het ontzaggelijke berggevaarte van den Kilimandscharo bekend geworden. De Duitsche zendeling {{sc|rebmann}} ondernam in Mei van dat jaar van zijne zendingspost Rabbai Mpia bij Mombas zijne eerste reis naar Dschagga, welks bergen hij den 11 Mei bereikte. Des morgens om 10 uur trof het hem, dat de top van een dezer bergen met eene witte wolk, die een zeer eigenaardig aanzien had, bedekt was. Toen hij zijnen gids vroeg, wat dit mogt zijn, kreeg hij tot antwoord: "koude", en spoedig werd hij er van overtuigd, dat die witte wolk niets anders was dan sneeuw. Later vernam {{sc|rebmann}}, dat zijn gids, een Suaheli van de kust, die witte massa's voor zilver had gehouden. Hij was loos genoeg om van dit vooroordeel gebruik te maken, door eenige lieden uit Dschagga te huren, die den berg beklimmen en hem zooveel zilver zouden medebrengen, als zij maar konden dragen. Natuurlijk kwamen zij met geen zilver, maar met water terug. {{sc|Rebmann}} merkt op, dat hem nu al die zonderlinge verhalen van een ontoegankelijken goud- en zilverberg in het binnenland,<noinclude></noinclude>
dz45o6msay9gf0dfnc0euwi2i91klj2
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/144
104
85115
221057
218604
2026-05-11T07:49:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221057
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|126|TWEE SNEEUWBERGEN IN HET HART VAN AFRIKA.|}}</noinclude>welke bij de bewoners der kustlanden in omloop zijn, ten volle verklaard zijn geworden.
Op zijn tweeden togt in 1849 naar Dschagga kwam {{sc|rebmann}} nog nader bij den Kilimandscharo. De bergen waren toen niet, zooals op zijne eerste reis, bestendig in wolken gehuld. Daarom kon hij nu zeer duidelijk de hemelhooge toppen van het Dschagga-gebergte met hunne scherpe omtrekken onderscheiden. Op eene bergmassa van ongeveer tien uren lang en even zoo breed verheffen zich twee hoofdtoppen. Tusschen deze beiden bevindt zich een van het oosten naar het westen strekkende en drie tot vier uur lange bergkam. De oostelijke berg heeft eene spits uitloopende gedaante en is lager dan de westelijke, die een prachtigen koepel vormt en ook in het heete jaargetijde met sneeuw bedekt blijft. Deze sneeuw van den Kilimandscharo is de waterbron van meer dan 20 rivieren, die van hem afdalen. Bovendien veroorzaakt deze sneeuw, bijzonder in het heete jaargetijde, gedurig regen. De berg is gewoonlijk gedurende den nacht geheel vrij van wolken. Maar zoodra de zon begint te schijnen, ziet men een dunnen nevel omhoog stijgen, die steeds digter wordt en omstreeks den middag den sneeuwberg geheel omhult. Dan begint het te donderen en, met tusschenruimten van vier of vijf dagen, valt er regen.
De Suaheli's noemen dezen sneeuwberg {{sp|Kilimandschar}}o, berg der grootte of grootste berg; de Dschagga's {{sp|Kib}}o, hetwelk volgens de verklaring van {{sc|rebmann}} {{sp|sneeuw}} beteekent; want de Dschagga's kennen de sneeuw. Zij verhalen, dat zij in water verandert, zoodra men ze bij het vuur brengt. Ook is het bekend, dat sommigen nu en dan den berg beklommen en behouden teruggekomen zijn.
Deze verklaringen van {{sc|rebmann}} over eenen met sneeuw bedekten berg, welke in die streek geheel in de nabijheid van den aequator, bij gevolg eene hoogte van meer dan 17,000 voet hebben moet, zijn zoo bepaald, dat men waarlijk geen gezigtsbedrog kan vooronderstellen bij eenen man, die onze Europesche alpen met eigen oogen gezien heeft.
Daarbij kwam nog eene andere, niet minder gewigtige getuigenis.
{{sc|Lupwig krapf}}, een niet minder naauwgezet onderzoeker, ondernam van Mombas uit zijne eerste reis naar Ukamboni. Hij kwam door een<noinclude></noinclude>
280q36miucvq0um8bd9xy67hmu9juob
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/145
104
85116
221058
218605
2026-05-11T07:52:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221058
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TWEE SNEEUWBERGEN IN HET HART VAN AFRIKA.|127}}</noinclude>digt, bijna ondoordringbaar woud, op welks paden men zelfs geen gebruik van lastdieren kon maken, in het van zebra's en olifanten wemelend oord Mdigno en had op den 10 November 1849 een schoon uitzigt op den Kilimandscharo en Dschagga. De sneeuwberg stak zijn top ver boven den Ndara en Buro uit. Zelfs op verren afstand kon hij duidelijk waarnemen, dat de witte stof op den bergtop niets anders dan sneeuw kon zijn. Toen de hemel omstreeks tien uur bewolkt werd, verdween die witte stof achter wolken van roodachtige kleur.
"Dit is het," zegt {{sc|krapf}}, "wat ik en al mijne lieden gezien hebben, en wat ieder na mij komende reiziger zien zal, voorondersteld dat het weder helder is en de waarnemer noordelijk van den berg Maungu zijn standpunt heeft."
Op de reis naar Ukamboni ontdekte {{sc|krapf}} in December een tweeden sneeuwberg, den {{sp|Keni}}a. "Ik kon hem bij heldere lucht duidelijk zien", zegt hij. "Hij geleek op een ontzaggelijken muur, op welks top ik twee groote torens zag uitsteken; zij staan niet ver van elkander en geven aan den berg een indrukwekkend voorkomen. De Kilimandscharo heeft een op een koepel gelijkenden top; de Kenia gelijkt daarentegen meer op het dak van een huis."
Het berigt, dat er in oostelijk Afrika, onder den evenaar, twee geweldige sneeuwbergen ontdekt waren, wekte algemeene opmerkzaamheid. Maar in Engeland waren er velen, die aan deze berigten geen geloof hechtten; zij betwijfelden, dat die bergen werkelijk met sneeuw bedekt zouden zijn. {{sc|Rebmann}} en {{sc|krapf}} bleven er echter bij, en de laatste verklaarde in 1858 herhaaldelijk, dat al de theoriën, door engelsche geographen voorgesteld, voor de werkelijke aanschouwing van duidelijke feiten in het niet verdwijnen.
Men kan zeggen, dat die twijfelingen thans geheel zijn weggenomen door den laatsten reiziger in die streken, den Duitschen baron {{sc|karel von der decken}}. Oorspronkelijk had hij het plan zich in oostelijk Afrika aan {{sc|albert roscher}} aan te sluiten en met dezen de groote meren in het zuiden te onderzoeken. Toen hij in 1861 in Zanzibar aanlandde, was reeds {{sc|roscher}} door een inboorling vermoord. Ook deden zich tegen zijn oorspronkelijk plan zulke groote beletselen op, dat hij zich gedwongen zag het op te geven. Hij verbond zich nu<noinclude></noinclude>
2yf1p5qjc5u95kbxi4qziild4s16h2l
Index:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu
106
86193
221039
2026-05-10T18:21:52Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221039
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=T’samensprekinghe tvsschen dry princen, gehouden tot Worms vanden tegenvvoordigen staet des Landts
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=djvu
|Afbeelding=1
|Voortgang=V
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1=1 />
|Opmerkingen=[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 16]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
07wa2qzse0534cgml8lcc4bxg0j1syo
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/1
104
86194
221040
2026-05-10T18:22:57Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221040
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}}
{{RH|{{gap}}{{tt|Februarius 1621.}}||16.{{gap}}}}
{{lijn}}
{{c|{{xxxx-larger|{{tt|T’{{sp|SAME|0.5em}}N-}}}}}}
{{c|{{xx-larger|{{tt|{{sp|SPREKINGHE}}}}}}<br>{{x-larger|{{tt|{{sp|TVSSCHEN DRY PRINCE}}N,}}}}}}
{{c|{{xxx-larger|Gehouden tot worms.}}}}
{{c|{{xx-larger|{{tt|Vanden tegenvvoordigen staet des Landts.}}}}}}
{{c|{{tt|Ouerghesedt vvt den Latyne in onse Nederlantsche sprake.}}}}
{{c|Eerst ghedruckt in Februarius. 1621.}}
{{lijn}}
[[Bestand:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016 p 1 illustration.jpg|450px|center]]
{{lijn}}
{{c|T’Hantwerpen, By Abraham Verhoeuen, op de Lombaerde Veste, inde gulde Sonne.}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
gtgkargs9mfp7ck8dttgin932af4zvv
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/2
104
86195
221041
2026-05-10T18:24:01Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221041
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|3}}</noinclude>{{dhr}}
{{c|{{anker|art1}}{{tt|{{x-larger|T’{{sp|SAMENSPREKINGHE}}<br>{{xx-larger|Tusschen dry Princen, Ghehouden tot VVorms,}}<br>{{x-larger|Vanden teghenwoordighen staet des Landts.}}}}}}}}
{{c|1}}
{{initiaal|D}}Ry Princen can het Keyser-rijck<br>{{gap}}Die zijn by een ghecomen,<br>Binnen Worms seer blijdelijck,<br>{{gap}}Ende daer raet ghenomen:<br>Spinola wilt ons Lant en Lien,<br>{{gap}}Met waepenen bedwinghen,<br>Hoe sullen wy sonder schand ontvlien<br>{{gap}}Al dees oorlooghsche dinghen.
{{c|2}}
{{tt|Baden}}. Den eersten sprack, ghy Heeren saen,<br>{{gap}}Te recht moghen wy treuren:<br>Dat wy dien krijgh hebben bestaen,<br>{{gap}}Mochten wy wel besueren.<br>Der Paepen Rocken metter spoet<br>{{gap}}Meynden wy t’employeren,<br>Met nauwer noot ons mantels goet<br>{{gap}}Connen wy nv salveren.<noinclude>{{rechts|3. De}}</noinclude>
bs5gpk92vwdyxyy1ewe6ipx2lcuh06u
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/3
104
86196
221042
2026-05-10T18:24:34Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221042
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|3.}}</noinclude>{{c|3}}
De Paepen hebben wy begheckt<br>{{gap}}Met haere langhe rocken,<br>Als hasen met een helm bedeckt<br>{{gap}}Die ons nv oock beiocken.<br>Eylaes! wat Krijghs-lien zijn wy toch?<br>{{gap}}Wy moeten altijts loopen,<br>En onsen vyant laten noch<br>{{gap}}Ons steden schoon met hoopen.
{{c|4.}}
De vreese heeft ons hert bevaen,<br>{{gap}}’Ken weet hoe’s mach gheschieden<br>Ten zy dat dit hebben ghedaen<br>{{gap}}Die sonden van ons lieden.<br>Dus segh ick met oprechten moet,<br>{{gap}}Laet ons om vrede kermen,<br>Want wapenen noch deghens goet,<br>{{gap}}En konnen t’Landt beschermen.
{{c|5.}}
Spinola kindt van Mars vaillant,<br>{{gap}}Seer valereux in wapen,<br>Met gelt voorsien aen alle cant<br>{{gap}}Vervolght ons sonder slapen.<br>Daer teghen is ons volck seer bloot,<br>{{gap}}En hebben niet met allen,<br>In armoed en in grooten noot<br>{{gap}}Sijn zy door ons ghevallen.<noinclude></noinclude>
f5st2p0ho4p020va0t6q2bosabi5xqc
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/4
104
86197
221043
2026-05-10T18:25:12Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221043
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|4}}</noinclude>{{c|6.}}
{{tt|Wirtenbergh}}. Den tweeden seyd’, ic ken<br>{{gap}}De saeck is vol dangieren (’tis waer<br>Ick heb veel liever sonder vaer<br>{{gap}}Tornoy spel en plaisiere.<br>Ick ben dees dinghen onghewent<br>{{gap}}t’Huyswaerts sal ick gaen keeren,<br>Den Keyser zijn obedi-ent,<br>{{gap}}En my verexcuseren.
{{c|7.}}
Mijn Landt en Lien t’is wel bekent,<br>{{gap}}Die ick heb sonder faelen<br>Moet ick van Oostenrijcke jent<br>{{gap}}Te leene comen haelen.<br>My dunckt dan zijn den besten raet<br>{{gap}}De wapen te verdoemen,<br>Eer my mijn Landt gheheel vergaet,<br>{{gap}}En zy my een sot noemen.
{{c|8.}}
Ons macht en is toch niet soo groot<br>{{gap}}Om prijsen hier te haelen,<br>Van ghelde zijn wy oock in noot<br>{{gap}}Om t’Krijghs-volck te betaelen.<br>De Vivres en oock wijsen raet<br>{{gap}}Comt ons nv te ghebreken,<br>Eendrachtigheyt ons oock verlaet<br>{{gap}}Die dit soo heb’n besteken.<noinclude></noinclude>
2csq323iwoi7n8zy75f7a43unz3fvte
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/5
104
86198
221044
2026-05-10T18:25:48Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221044
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|5}}</noinclude>{{c|9.}}
Ick vrees oock seer, om dat ick weet<br>{{gap}}Hoe eertijts de Spaignaerden<br>Door’t Rijcke liepen wijt en breet,<br>{{gap}}En schrickelijck ghebaerden.<br>Oock oude lien op dit termijn<br>{{gap}}Willem het houden staene,<br>Dat meest mijn duytschen Spaignaerts<br>{{gap}}Oft wel Italiaenen.{{gap}}(zijn
{{c|10.}}
Ghy weet hoe in voorleden iaeren<br>{{gap}}Den Hertogh van het Sachsen lant,<br>En oock den Hesse sijn ghevaeren,<br>{{gap}}Die Keyser Carel doen verwant:<br>Ootmoedigh hem te voet zy vielen,<br>{{gap}}Versochten gratie voor haer lijf,<br>Spinola mocht wel oock ons sielen<br>{{gap}}Weck leyden in ghevan’knis stijf.
{{c|11.}}
Laet ons dan desen krijgh versmaen,<br>{{gap}}Waer mee wy zijn belaeden:<br>Ten quaetsten moet ’t met hen vergaen<br>{{gap}}Die ons dien heb’n gheraeden.<br>En ick sal wederom gaen t’huys<br>{{gap}}By mijne ionghe vrouwe,<br>Want zy in mijn vertreck confuys<br>Maeckten seer grooten rouwe.<noinclude></noinclude>
5wzvy1i2qaqj4mkp31kkgxnqo5qs19v
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/6
104
86199
221045
2026-05-10T18:26:53Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221045
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|6}}</noinclude>{{c|12.}}
{{tt|Anspach}}. Holla, holla, den derden riep,<br>{{gap}}Dat ick dit moet aenhooren,<br>Gaet in mijn herte al te diep,<br>{{gap}}En clinckt niet in mijn ooren.<br>My dunckt dat ghy van’t Spaensche gelt<br>{{gap}}Sijt altemalen suchtigh,<br>Oft als de hasen in het velt<br>{{gap}}Sijt gantsch gheworden vluchtigh.
{{c|13.}}
Hoe wel ick teghen mijnen danck<br>{{gap}}Mijn vreese moet belijden,<br>En daerom oock der wapen clanck<br>{{gap}}Geern setten sou ter sijden:<br>Ick heb nochtans een andern vondt<br>{{gap}}Om d’Orloogh noch te houwen,<br>Waer by bekent aen ons Verbondt,<br>{{gap}}Ten soud’ ons niet berouwen.
{{c|14.}}
Ghy siet de steden ouer al<br>{{gap}}Hoe dat zy ons sold geven,<br>Al waer ons macht noch eens soo final,<br>{{gap}}Wy souden daer op leven.<br>Het beste comt in onsen sack,<br>{{gap}}Danck hebt wy maer eens segghen,<br>In onse handen met ghemack,<br>{{gap}}Comen zy’t dan al legghen.<noinclude></noinclude>
5lfg66vccuwl482pi50df7y7hu8z4gm
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/7
104
86200
221046
2026-05-10T18:27:25Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221046
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|7}}</noinclude>{{c|15.}}
Hier mee betaelen wy de schult,<br>{{gap}}Die ons soo seer belasten<br>Tot onsen staet het oock wat vult,<br>{{gap}}Dat wy door dieft aentasten.<br>Wel-aen wel-aen ghy Heeren vroet,<br>{{gap}}Wilt dien krijgh niet laecken,<br>Die sulck profijt gheeft nietter spoet,<br>{{gap}}Daer wy al meest naer haecken.
{{c|16.}}
Laet ons de boeren roepen hier,<br>{{gap}}Hoe wel sy luttel deughen,<br>Die ons beschermen voor dangier,<br>{{gap}}Al naer haer best vermeughen.<br>Maer sou’t perijckel zijn te groot,<br>{{gap}}Laet ons wat achterdeysen,<br>En stellen voor in sulcken noot<br>{{gap}}Soldaten t’elcker reysen.
{{c|17.}}
Maer als den vyandt is te sterck,<br>{{gap}}Laet ons met hem niet strijden,<br>En als hy comt tot aen ons perck,<br>{{gap}}Ons met de vlucht bevrijden.<br>Al ist dat ons Soldaten al,<br>{{gap}}In’t velt worden verslaeghen,<br>Haer gagie van voor ons zijn sal,<br>{{gap}}t’Compt wel naer ons behaeghen.<noinclude></noinclude>
rqszw4gsbq07k6o8dgfkpcxh6ss66oa
Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu/8
104
86201
221047
2026-05-10T18:27:57Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221047
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|8}}</noinclude>{{c|18.}}
De steden zijn ghecontenteert,<br>{{gap}}En houden haer te vreden,<br>Dat sy haer gelt ons nv vereert<br>{{gap}}Noch moghen soo besteden.<br>De Pensionarissen certeyn<br>{{gap}}Met woorden ende wercken<br>Heb ick ghebrocht op desen treyn<br>{{gap}}Het volck en cant niet mercken.
{{c|19.}}
Sy zijn te bot, zy merckent niet<br>{{gap}}Haer dunckt ter goeder trouwen,<br>Dat om het Gh’loof is dit verdriet<br>{{gap}}Sy daer noch vast op bouwen.<br>Wat anders hebben wy gheraemt<br>{{gap}}Wy soecken maer de schijuen<br>En dat ons maken can befaemt<br>{{gap}}Om Heeren groot te blijuen.
{{c|20.}}
Wy moghen oock niet lijden meer<br>{{gap}}Dat den boer sonder kijuen<br>Sou voortaen wesen onsen Heer<br>{{gap}}Oft oock noch rijcker blijuen.<br>Als maer van deegh sal zijn gelicht<br>{{gap}}Haer beurs naer onsen wille,<br>Dan can den peys worden gesticht,<br>{{gap}}Van ons met reden stille.
{{c|21.}}
Een Stadt dees reden heeft ghehoort<br>{{gap}}Den mont sy open dede,<br>Ghy Heeren, sprack sy heel gestoort<br>{{gap}}Is dit ghebrocht den vrede,<br>Met onse schatten soomen siet,<br>{{gap}}Voert ghy des Oorlooghs lasten<br>Ghy gaet oock t’vrede met verdriet<br>{{gap}}Gantsch dievelijck aentasten.
{{c|22.}}
Maer dat dit al te bouen gaet<br>{{gap}}Sy lachen noch daer mede,<br>En segghen dat wy metter daet<br>{{gap}}Sijn flaven vande steden.<br>O Princen, wy menghen ons gelt<br>{{gap}}Alsoo niet meer verquisten,<br>t’Is beter dat wy’t wel ghetelt<br>{{gap}}Behouden in ons kisten.
{{c|23.}}
Wildy den Oorloogh houden staen<br>{{gap}}Doet dat met uwen gelde<br>Den Keyser moeten wy aengaen<br>{{gap}}En rusten hem te velde.<br>Bedrieghen suldy ons niet meer<br>{{gap}}Met uwe valsche treken,<br>Het is voor ons een goede leer,<br>{{gap}}Dus zijn wy af gheweken.
{{rechts|V.P.C.C.A.|4em}}
{{c|{{sp|FINI}}s.}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
fxc7zmugm0xb79zy0xmjcygx3odylab
221049
221047
2026-05-10T18:29:57Z
Vincent Steenberg
280
typo
221049
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|8}}</noinclude>{{c|18.}}
De steden zijn ghecontenteert,<br>{{gap}}En houden haer te vreden,<br>Dat sy haer gelt ons nv vereert<br>{{gap}}Noch moghen soo besteden.<br>De Pensionarissen certeyn<br>{{gap}}Met woorden ende wercken<br>Heb ick ghebrocht op desen treyn<br>{{gap}}Het volck en cant niet mercken.
{{c|19.}}
Sy zijn te bot, zy merckent niet<br>{{gap}}Haer dunckt ter goeder trouwen,<br>Dat om het Gh’loof is dit verdriet<br>{{gap}}Sy daer noch vast op bouwen.<br>Wat anders hebben wy gheraemt<br>{{gap}}Wy soecken maer de schijuen<br>En dat ons maken can befaemt<br>{{gap}}Om Heeren groot te blijuen.
{{c|20.}}
Wy moghen oock niet lijden meer<br>{{gap}}Dat den boer sonder kijuen<br>Sou voortaen wesen onsen Heer<br>{{gap}}Oft oock noch rijcker blijuen.<br>Als maer van deegh sal zijn gelicht<br>{{gap}}Haer beurs naer onsen wille,<br>Dan can den peys worden gesticht,<br>{{gap}}Van ons met reden stille.
{{c|21.}}
Een Stadt dees reden heeft ghehoort<br>{{gap}}Den mont sy open dede,<br>Ghy Heeren, sprack sy heel gestoort<br>{{gap}}Is dit ghebrocht den vrede,<br>Met onse schatten soomen siet,<br>{{gap}}Voert ghy des Oorlooghs lasten<br>Ghy gaet oock t’vrede met verdriet<br>{{gap}}Gantsch dievelijck aentasten.
{{c|22.}}
Maer dat dit al te bouen gaet<br>{{gap}}Sy lachen noch daer mede,<br>En segghen dat wy metter daet<br>{{gap}}Sijn flaven vande steden.<br>O Princen, wy menghen ons gelt<br>{{gap}}Alsoo niet meer verquisten,<br>t’Is beter dat wy’t wel ghetelt<br>{{gap}}Behouden in ons kisten.
{{c|23.}}
Wildy den Oorloogh houden staen<br>{{gap}}Doet dat met uwen gelde<br>Den Keyser moeten wy aengaen<br>{{gap}}En rusten hem te velde.<br>Bedrieghen suldy ons niet meer<br>{{gap}}Met uwe valsche treken,<br>Het is voor ons een goede leer,<br>{{gap}}Dus zijn wy af gheweken.
{{rechts|V.P.C.C.A.|4em}}
{{c|{{sp|FINI}}S.}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
4heoqhdf1tu2ek9qb23s19x6zjop881
Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 16
0
86202
221048
2026-05-10T18:29:40Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221048
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Nieuwe Tijdinghen 1621 no 016.djvu" from=1 to=8 header=1 current="[''Nieuwe Tijdinghen''], Nummer 16, februari 1621" prev="[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 15|Nummer 15]]" next="[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 17|Nummer 17]]"/>
[[Categorie:Nieuwe Tijdinghen, 1621]]
ezn71ix69rtvrhz6nf6abs0gqy7k15r