Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.2
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Hoofdportaal:Kunst/Algemeen
100
38726
221109
219372
2026-05-14T07:06:04Z
Vincent Steenberg
280
bronnen toegevoegd/verplaatst
221109
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Kunstgeschiedenis
| afbeelding = Art-portrait-collage 2.jpg
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] beschikbare bronnen over [[w:nl:Kunst|kunst]] met algemene inhoud.
| artikelwikipedia =
}}
== Encyclopedische werken enz. ==
== Tijdschriften en overige seriële publicaties - Verzamelde opstellen ==
*''Algemeene Konst- en Letterbode'' (1788-1861).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (7 juli 1828) [[Nederlandsche Staatscourant/1828/Nummer 158/Departement van Binnenlandsche Zaken|‘Departement van Binnenlandsche Zaken [advertentie]’]], ''Nederlandsche Staats-Courant'', [p. 3-4].
**Anoniem (15 september 1828) [[Nederlandsche Staatscourant/1828/Nummer 218/Departement van Binnenlandsche Zaken|‘Departement van Binnenlandsche Zaken [advertentie]’]], ''Nederlandsche Staats-Courant'', [p. 3-4].
*''Art et décoration. Revue mensuelle d’art moderne'' (1880-1938).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (3 april 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 14/Boekaankondigingen|‘Boekaankondigingen’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 14, p. 79.
**Anoniem (23 september 1927) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 100/Nummer 32532/Ochtendblad/Tijdschriften|‘Tijdschriften’]], ''Algemeen Handelsblad'', Ochtendblad, derde blad, p. 9.
*''Bulletin de la 28me Réunion de la Gilde de St. Thomas et St. Luc''.<br>Aankondigingen en recensies:
**Th. (9 januari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 2/Te Rijssel|‘Te Rijssel is bij Desdée, de Brouwer & Cie. verschenen: […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 2, p. 12.
*''The Burlington Magazine'' (1903-).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 december 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24654/Avondblad/Kunsttijdschriften|‘Kunsttijdschriften’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 11.
*''Kunstwereld''.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (23 augustus 1897) [[De Telegraaf/Jaargang 5/Nummer 1696/Avond-editie/Inhoud der Tijdschriften|‘Inhoud der Tijdschriften’]], ''De Telegraaf'', Avond-editie, [p. 6].
*''Maandblad voor beeldende kunsten'' (1924-1950).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (23 september 1927) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 100/Nummer 32532/Ochtendblad/Tijdschriften|‘Tijdschriften’]], ''Algemeen Handelsblad'', Ochtendblad, derde blad, p. 9.
*''Mededeelingen van het Nederlandsch Historisch Instutuut te Rome'' (1921-2002).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (13 oktober 1935) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 108/Nummer 35448/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Algemeen Handelsblad'', Ochtendblad, derde blad, p. 10.
*''Nederlandsch Kunstbezit''.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Het prospectus is verschenen van Nederlandsch Kunstbezit|‘Het prospectus is verschenen van Nederlandsch Kunstbezit […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 2.
*''Oude Kunst'' (1915-1931).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (8-9 juli 1916) [[De Avondpost/1916/Nummer 9560/Avond-editie/Uit de Tijdschriften|‘Uit de Tijdschriften’]], ''De Avondpost'', Avond-editie, p. C2.
*''The Studio. An Illustrated Magazine of Fine and Applied Art'' (1893-1964).<br>Aankondigingen en recensies:
**M.L. (26 juni 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 26/Composeeren naar beginselen|‘Composeeren naar beginselen’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 26, p. 121-122.
**Anoniem (10 juli 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 28/Boeken|‘Boeken’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 28, p. 132-133.
**Anoniem (24 juli 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 30/Boeken|‘Boeken’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 30, p. 141-142.
**Anoniem (28 augustus 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 35/Boeken|‘Boeken’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 35, p. 161-162.
*''Wendingen'' (1918-1933).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (juni 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 6/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 6, p. 87-93.
== Monumentenzorg; algemeen ==
*Anoniem (10 juli 1910) [[De Maasbode/Jaargang 42/Nummer 10679/Het verval van oude gebouwen|‘Het verval van oude gebouwen’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, tweede blad, [p. 1].
== Musea - Tentoonstellingen ==
=== Musea ===
*[[Hoofdportaal:Kunst/Algemeen/Musea|Musea]]
=== Tentoonstellingen ===<!-- hier alleen internationale tentoonstellingen en tentoonstellingen met meerdere disciplines over meerdere kunstperioden -->
;1938
*''Limburgsche kunsttentoonstelling 1938'', Dominicanerkerk, Maastricht, 4-18 september 1938.<br />Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (6 september 1938) [[De Tijd/Jaargang 94/Nummer 30205/Avondblad/Expositie te Maastricht|‘Expositie te Maastricht. Limburgsche kunsttentoonstelling ’]], ''De Tijd'', Avondblad, p. 3.
**Anoniem (13 september 1938) [[Het Vaderland/Jaargang 70/13 september 1938/Avondblad/Veertig jaar Limburgsche Kunst|‘Veertig jaar Limburgsche Kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;1948
*''XXIV Biennale di Venezia'', Venetië, 29 mei-30 september 1948.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (17 september 1948) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 134/Nummer 18653/Van impressionisten tot de abstracte kunst|‘Van impressionisten tot de abstracte kunst’]], ''Arnhemsche Courant'', [p. 3].
**Anoniem (25 september 1948) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 134/Nummer 18660/Een Picasso, bijna normaal, deed diplomaat blozen|‘Een Picasso, bijna normaal, deed diplomaat blozen. Meer over de expositie te Venetië’]], ''Arnhemsche Courant'', [p. 2].
== Kunstverzamelen - Kunsthandel - Kunstvervalsing ==
=== Kunstverzamelen ===
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Drucker, Jean Charles Joseph (1862-1944)
*Anoniem (27 maart 1907) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 7/Nummer 86/Ochtendblad/Men schrijft uit Londen|‘Men schrijft uit Londen aan de N. R. Ct.: […]’]], ''De Nieuwe Courant'', Ochtendblad, [p. 3].
;Hudschinsky, Oscar (1846-1931)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Huldschinsky|‘Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft […] gekocht een […] schilderij van Rafaël […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Meerten, Lambert van (1842-1904)
*Anoniem (2 april 1904) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 4/Nummer 93/Avondblad/In den afgeloopen nacht|‘In den afgeloopen nacht is te Delft overleden de heer L. A. van Meerten, […]’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p. 2].
;Verzameling E. Schulte, Düsseldorf
*Anoniem (5 mei 1856) [[Algemeen Handelsblad/Nummer 7611/Nopens de Permanente Tentoonstelling van kunstvoortbrengselen in de zalen van den Heer E. Schulte, te Dusseldorf (...) verneemt men nog het volgende|‘Nopens de Permanente Tentoonstelling van kunstvoortbrengselen in de zalen van den Heer E. Schulte, te Dusseldorf, [...], verneemt men nog het volgende: [...]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 5].
=== Kunsthandel ===
*[[Hoofdportaal:Kunst/Algemeen/Kunsthandel|Kunsthandel]]
== Filosofie, esthetiek en kritiek van de beeldende kunst ==
*W.C.B. (9 januari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 2/Eenvoud|‘Eenvoud’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 2, p. 10.
*W.C.B. (16 januari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 3/Geloof|‘Geloof’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 3, p. 13-14.
*Doesburg, Theo van (1 augustus 1913) [[De Avondpost/Nummer 8654/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [1]’]], ''De Avondpost'', p. B. 2-3.
*Doesburg, Theo van (18 september 1913) [[De Avondpost/1913/Nummer 8694/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [2]’]], ''De Avondpost'', p. C 1].
*Doesburg, Theo van (11-12 oktober 1913) [[De Avondpost/Nummer 8714/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [3]’]], ''De Avondpost'', Eerste blad, p. A. 1.
*Doesburg, Theo van (18-19 oktober 1913) [[De Avondpost/Nummer 8720/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [4]’]], ''De Avondpost'', p. B. 2.
*Doesburg, Theo van (23 oktober 1913) [[De Avondpost/Nummer 8724/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [5]’]], ''De Avondpost'', p. A 3.
*Doesburg, Theo van (8-9 november 1913) [[De Avondpost/Nummer 8738/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [6]’]], ''De Avondpost'', p. B. 1.
*Doesburg, Theo van (15-16 november 1913) [[De Avondpost/1913/Nummer 8744/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [7]’]], ''De Avondpost'', [p. C 1].
*Doesburg, Theo van (24-25 januari 1914) [[De Avondpost/Nummer 8801/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [8]’]], ''De Avondpost'', p. C 1.
*Doesburg, Theo van (7-8 februari 1914) [[De Avondpost/Nummer 8813/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [9]’]], ''De Avondpost'', p. D 2.
*Doesburg, Theo van (28 februari-1 maart 1914) [[De Avondpost/Nummer 8831/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst|‘Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [10]’]], ''De Avondpost'', p. B. 2.
*Doesburg, Theo van (1917) ''[[De nieuwe beweging in de schilderkunst]]'', Delft: J. Waltman Jr.
*Doesburg, Theo van (februari 1918) [[De Stijl/Jaargang 1/Nummer 4/Fragmenten I|‘Fragmenten. I’]], ''De Stijl'', jrg. 1, nr. 4, p. 47-48.
*Doesburg, Theo van (mei 1918) [[De Stijl/Jaargang 1/Nummer 7/Fragmenten II|‘Fragmenten II’]], ''De Stijl'', jrg. 1, nr. 7, p. 84.
*Doesburg, Theo van (december 1918) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 2/Denken - aanschouwen - beelden|‘Denken - aanschouwen - beelden’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 2, p. 23-24.
*Doesburg, Theo van (februari 1919) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 4/Fragmenten (III)|‘Fragmenten (III). Beelding van innerlijkheid en uiterlijkheid’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 4, p. 48.
*Doesburg, Theo van (1919) ''[[Drie voordrachten|Drie voordrachten over de nieuwe beeldende kunst]]'', Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur.
*Heaton, Aldam (1897) ''Beauty and Art'', London: W. Heinemann.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (24 april 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 17/Boekaankondiging|‘Boekaankondiging’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 17, p. 91.
**Anoniem (8 mei 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 19/Boekbeoordeeling|‘Boekbeoordeeling’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 19, p. 97-98.
**M.L. (19 juni 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 25/Boekbespreking|‘Boekbespreking’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 25, p. 118-119.
**Anoniem (10 juli 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 28/Beauty and Art by Aldom Heaton|‘Beauty and Art by Aldom Heaton. Versiering van het huis. (gericht tot de Liverpool Architectural Association)’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 28, [p. 131].
== Kunst en maatschappij ==
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De Cercle François Villon|‘De Cercle François Villon’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
*Anoniem (1 februari 1937) [[Het Vaderland/Jaargang 68/1 februari 1937/Avondblad/Een Thomas Mann-Fonds gesticht|‘Een Thomas Mann-Fonds gesticht. Bestemd voor ondersteuning van geëmigreerde schrijvers’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
*Morris, William (1903) ''[[Kunst en maatschappij (Morris 1903)|Kunst en maatschappij. Lezingen van William Morris]]'', Amsterdam: A.B. Soep.
*Roorda van Eysinga, Sicco Ernst Willem (11 oktober 1873) [[De Opmerker/Jaargang 8/Nummer 41/Kunst geen regeeringszaak|‘Kunst geen regeeringszaak’]], ''De Opmerker'', 8e jaargang, nummer 41, [p. 2].
;Thérèse van Duyl-Schwartze Stichting
*Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/Nagedachtenis van Therèse van Duyl-Schwartze|‘Nagedachtenis van Therèse van Duyl-Schwartze’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p. 1].
*Anoniem (23 december 1929) [[Het Vaderland/Jaargang 61/23 december 1929/Avondblad/De bijeenkomst der jury|‘De bijeenkomst der jury voor den door de Thérèse van Duyl-Schwartze Stichting uitgeschreven Portretprijs […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
== Beroep en opleiding ==
;Académie des beaux-arts, Parijs
*Anoniem (17 maart 1919) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 92/Nummer 29453/Avondblad/Naar bericht wordt in Fransche bladen|‘Naar bericht wordt in Fransche bladen […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 6.
;Akademie der Künste, Berlijn
*Anoniem (25 april 1854) [[De Tijd/1854/Nummer 2129/Rome, 13 April|‘Rome, 13 April’]], ''De Tijd'', [p. 3].
;Association littéraire et artistique internationale
*Anoniem (13 maart 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 11/Het college van Italiaansche Architecten en Ingenieurs|‘Het college van Italiaansche Architecten en Ingenieurs, […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 11, p. 66.
;Bauhaus, Weimar/Dessau
*Anoniem (mei 1919) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 7/Mededeelingen|‘Mededeelingen’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 7, p. 84.
*''Ausstellung von Arbeiten der Gesellen und Lehrlinge im Staatlichen Bauhaus'', Staatliche Bauhaus, Weimar, april-mei 1922, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (mei 1922) [[De Stijl/Jaargang 5/Nummer 5/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 5, nr. 5, p. 71-75.
*Anoniem (21 december 1968) ‘De actualiteit van het Bauhaus’, ''De Waarheid'', p. 5.
;École nationale supérieure des beaux-arts, Parijs
*Th. (13 maart 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 11/Aan de Ecole des Beaux Arts te Parijs|‘Aan de „Ecole des Beaux Arts” te Parijs heeft een prijskamp plaats gehad, […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 11, p. 66.
*Th. (8 mei 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 19/Vrouwelijke leerlingen aan de Ecole des beaux arts|‘Vrouwelijke leerlingen aan de Ecole des beaux arts’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 19, p. 98.
;Kunstnijverheidsschool Quellinus
*Anoniem (12 november 1900) [[De Morgenpost/Jaargang 8/Nummer 2449/Een plechtigheid|‘Een plechtigheid’]], ''De Morgenpost'', [p. 3].
*B. (24 juli 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 30/Jaarlijksche tentoonstelling van de Kunstnijverheids-Teekenschool Quellinus te Amsterdam|‘Jaarlijksche tentoonstelling van de Kunstnijverheids-Teekenschool Quellinus te Amsterdam’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 30, p. 139-141.
;Pulchri Studio
*Anoniem (11 december 1871) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 204/Nummer 292/H. M. de Koningin, vergezeld door den heer Motley, bragt gister avond een bezoek aan Pulchri Studio's tweede kunstbeschouwing|‘H. M. de Koningin, vergezeld door den heer Motley, bragt gister avond een bezoek aan Pulchri Studio’s tweede kunstbeschouwing, [...]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', Bijvoegsel, [p. 1].
*''Catalogus der schilderijen en aquarellen uit de nalatenschap van J. H. Weissenbruch 1824-1903'', Pulchri Studio, Den Haag, 1 maart 1904.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 maart 1904) [[Haagsche Courant/1904/Nummer 6442/Bij de veiling-Weissenbruch|‘Bij de veiling-Weissenbruch, gister in „Pulchri“ gehouden, werden o. m. de volgende hooge prijzen besteed: […]’]], ''Haagsche Courant'', Tweede blad, [p. 2].
*''Tentoonstelling van aquarellen, teekeningen, etsen, lithographiën en beeldhouwwerk door werkende leden van Pulchri Studio'', Pulchri Studio, Den Haag, 6 december 1906-1907.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (27 maart 1907) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 7/Nummer 86/Ochtendblad/Op de groepententoonstelling in Pulchri Studio|‘Op de groepententoonstelling in Pulchri Studio […]’]], ''De Nieuwe Courant'', Ochtendblad, [p. 3].
*Anoniem (15 oktober 1912) [[De Telegraaf/Jaargang 20/Nummer 7292/Avondblad/Voordrachten|‘Voordrachten’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Tweede Blad, p. 8.
*Anoniem (12 oktober 1913) [[Het Vaderland/Jaargang 45/Nummer 243/Agenda|‘Agenda’]], ''Het Vaderland'', Ochtendblad, B, [p. 2].
*''Tentoonstelling van werken van Oostenrijksche en Hongaarsche schilders en beeldhouwers'', Pulchri Studio, Den Haag, 15 december 1917-6 januari 1918.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 december 1917) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 17/Nummer 356/Ochtendblad/Agenda|‘Agenda’]], ''De Nieuwe Courant'', Ochtendblad, p. 6.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*''ESAC. Expositions sélectes d'art contemporain'', Stedelijk Museum, Amsterdam, 2 oktober-eind november 1929, Pulchri Studio, Den Haag, 10 december 1929-5 januari 1930.<br />Aankondigingen en recensies:
**Cornelis Veth (31 december 1929) ‘De nieuwste rariteiten. „Esac”, Pulchri Studio, Den Haag, ''De Telegraaf'', Ochtendblad, derde blad, p. 9.
*Anoniem (10 november 1931) [[Haagsche Courant/1931/Nummer 14955/Alice Ehlers|‘Alice Ehlers’]], ''Haagsche Courant'', vijfde blad, p. 2.
*''Crisistentoonstelling'', Pulchri Studio, Den Haag, 27 februari-31 maart 1932, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (3 maart 1932) [[De Nederlander/Jaargang 39/Nummer 11798/Hofberichten|‘Hofberichten’]], ''De Nederlander'', p. 3.
**Anoniem (7 maart 1932) [[Het Vaderland/Jaargang 63/7 maart 1932/Avondblad/Aankoopen op de Crisistentoonstelling|‘Aankoopen op de Crisistentoonstelling. Voor de verloting’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 2.
;Rijksakademie van beeldende kunsten, Amsterdam
*Anoniem (6 februari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 6/In den loop van dezen zomer|‘In den loop van dezen zomer zal aan de Rijks-Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam de gelegenheid worden opengesteld om te dingen naar den „Prix de Rome” in de Architectuur. […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 6, p. 38.
*Anoniem (10 april 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 15/De Staatscourant van 7 April|‘De Staatscourant van 7 April […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 15, p. 84.
*Anoniem (19 juni 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 25/Voor den Prix de Rome|‘Voor den Prix de Rome […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 25, p. 120.
*Cuypers, Joseph (29 mei 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 22/Wedstrijd in de bouwkunst aan de Rijks-Akademie|‘Wedstrijd in de bouwkunst aan de Rijks-Akademie’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 22, p. 105-106.
== Kunsthistorici ==
*[[Hoofdportaal:Kunst/Algemeen/Kunsthistorici|Kunsthistorici]]
[[Categorie:Hoofdportaal kunst]]
80k5sfpl5c4csflgvtu9a9afy3hlubv
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Rembrandt
100
59541
221111
214566
2026-05-14T07:14:35Z
Vincent Steenberg
280
+bron
221111
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Rembrandt
| afbeelding = Rembrandt Self-portrait (Kenwood).jpg
| alt = Zelfportret met twee cirkels, ca. 1665-1669
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder, etser en tekenaar [[w:nl:Rembrandt van Rijn|Rembrandt van Rijn]].
| artikelwikipedia =
}}
== Algemeen ==
=== Bibliografieën - Bronnenonderzoek ===
*Bredius, A. (10 juni 1910) ‘An Max Lautner’, ''Kunstchronik'', Neue Folge, jrg. 21, nr. 30, [p. 481-482].<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 juli 1910) [[De Preanger-bode/Jaargang 15/Nummer 203/Ochtend-editie/Rembrandt en Bol|‘Rembrandt en Bol’]], ''De Preanger-bode'', Ochtend-editie, [p. 2].
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Kunsthandel ====
*J.W. (12 april 1937) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 124/Nummer 15586/Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren|‘Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren. Wederom aanwinsten’]], ''Arnhemsche Courant'', tweede blad, p. 3.
==== Veilingen ====
;1758
*''Catalogue de Tableaux, de Cabinet de feu Monsieur Martin Robyns; qui se Vendront publiquement en Argent de change'', Brussel, 22 mei 1758 ''sqq''.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (4 mei 1758) [[:s:fr:Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles (…)|‘Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles […]’]], ''Amsterdamse Donderdagse Courant'', [p. 2].
;1914
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;1925
*''Ancient and Modern Pictures from the Collection of Henry Weigall'', Christie's, Londen, 6 juli 1925.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 juli 1925) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad C, p. 1.
;1927
*''Collections de Feu le Baron Léon de Pitteurs Hugaerts d'Ordange et Autres Provenances'', Galerie Fievez, Brussel, 14-17 december 1927.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 334/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;1931
*''Seltene frühe deutsche und Italienische Graphik des XV. Jahrhunderts'', C.G. Boerner, Berlijn, 27-28 april 1931.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (26 maart 1931) [[Het Vaderland/Jaargang 62/26 maart 1931/Avondblad/Op 27 en 28 April|‘Op 27 en 28 April zal Boerner te Leipzig een veiling houden van Grafiek uit de Eremitage te Leningrad. […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
*''Collections Marczell von Nemes. Catalogue des tableaux'', Mensing & Fils, Paul Cassirer en Hugo Helbing, München, 16-19 juni 1931.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (29 mei 1931) [[De Telegraaf/jaargang 39/nummer 14629/De a.s. Von Nemes-veiling|‘De a.s. Von Nemes-veiling’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Derde Blad, p. 9.
=== Musea ===
;Groninger Museum, Groningen
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Holburne Museum, Bath
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Holbbourne Art Museum|‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Mauritshuis
*Anoniem ([ca. 1900]) [[Anoniem/Mauritshuis 's-Gravenhage|''Mauritshuis The Hague Holland. Mauritshuis ’s-Gravenhage'']], ’s-Gravenhage: De Groot & Dijkhoff.
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 57-60.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 122-125.
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1890
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;1894
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;1926
*''Tentoonstelling oude kunst in particulier bezit te Haarlem'', Frans Hals Museum, Haarlem, 18 december 1926-15 januari 1927.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (20 december 1926) [[De Tijd/Jaargang 82/Nummer 24268/Oude Kunst te Haarlem|‘Oude Kunst te Haarlem’]], ''De Tijd'', p. 8.
;1927
*''Catalogue de la collection Goudstikker d'Amsterdam'', Rotterdamsche Kunstkring, Rotterdam, 11-26 juni 1927.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 juni 1927) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 100/Nummer 32427/Avondblad/Collectie Goudstikker|‘Collectie Goudstikker. Nieuwe catalogus’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 9.
;1932
*''Kaarten, profielen en panorama’s van Amsterdam'', Museum Fodor, Amsterdam, 10 september-27 november 1932.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (1 oktober 1932) [[De Locomotief/Jaargang 81/Nummer 228/Amsterdam in Vroeger Eeuwen|‘Amsterdam in Vroeger Eeuwen. Eene belangwekkende tentoonstelling’]], ''De Locomotief'', Vijfde Blad, [p. 2].
;1937
*''Catalogus van eenige schilderijen en kunstvoorwerpen uit de collectie van de Heer en Mevrouw Dr. A. F. Philips-de Jongh'', Stedelijk Van Abbemuseum, Eindhoven, 21 januari-8 februari 1937.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (12 januari 1937) [[De Tijd/Jaargang 92/Nummer 29191/Avondblad/Kunst van heden|‘Kunst van heden’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 10].
;1939
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (8 juni 1939) [[Het Vaderland/Jaargang 71/8 juni 1939/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', [Avondblad B, p. 1].
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
*''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;1940
*''Verzameling Lanz. Verkorte catalogus'', Rijksmuseum, Amsterdam, juni-augustus 1940.<br>Aankondigingen en recensies:
** M.V. (12 juni 1940) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 113/Nummer 37136/Avondblad/Tentoonstelling in het Rijksmuseum|‘Tentoonstelling in het Rijksmuseum’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Derde blad, p. 5.
== Werken ==
=== Schilderkunst ===
;Borststuk van een oude vrouw, ca. 1628 (The Leiden Collection, New York)
*Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Rembrandt’s Moeder|‘Rembrandt’s Moeder’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
;De Nachtwacht
*Anoniem (13 augustus 1898) [[De Opmerker/Jaargang 33/Nummer 33/De Nachtwacht|‘De Nachtwacht’]], ''De Opmerker'', jrg. 33, nr. 33, p. 261.
;Portret van de zus van de schilder
*Anoniem (12 april 1889) [[De Tijd/1889/Nummer 2688/Naar de N. Rott. Ct verneemt|‘Naar de N. Rott. Ct verneemt, […]’]], ''De Tijd'', [eerste blad], [p. 2].
=== Grafische kunst ===
;De predikende Christus (De Honderdguldenprent), ca. 1647-1649
*Anoniem ([augustus] 1867) [[De Katholieke Illustratie/Jaargang 1/Nummer 1/Eene kostbare kopergravuur|‘Eene kostbare kopergravuur’]], ''De Katholieke Illustratie'', jrg. 1, nr. 1, p. 8.
== Bijzondere onderwerpen ==
;Rembrandt en zijn tijd
*Loon, Hendrik Willem van (1931) ''R. v. R. Zijnde een relaas van de laatste jaren en den dood van een zekeren Rembrandt Harmenszoon van Rijn, schilder en etser van eenige bekendheid die leefde en werkte'' […] ''in de stad Amsterdam'' […] ''en stierf in algemeene vergetelheid en moeilijke omstandigheden op den vierden October van het jaar des Heeren 1669'' […] ''en die in zijn ziekte en leed werd bijgestaan door Joannis van Loon, doctor medicinae en chirurgijnsmeester'' […] ''die'' […] ''den tijd vond deze persoonlijke herinneringen aan den beroemdsten van zijn medeburgers neer te schrijven welke nu voor het eerst worden gepubliceerd '' [historische roman], Leyden: Sijthoff.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 maart 1932) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34165/Avondblad/Nieuwe Nederlandsche boeken|‘Nieuwe Nederlandsche boeken’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, bijvoegsel, p. 2.
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
n7zcx7y492v12cjyhq91k0ps2ihzink
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/15
104
81460
221101
220986
2026-05-13T17:47:48Z
Vincent Steenberg
280
afb vervangen
221101
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}}
[[Bestand:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2 plate A black and white.jpg|center|500px]]
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
jxdci837rniz1ihw25atcoyc1ars9dt
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans Hals
100
81518
221112
212737
2026-05-14T07:15:19Z
Vincent Steenberg
280
+bron
221112
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Frans Hals
| afbeelding = Hals - Self-Portrait copy.jpg
| alt = Kopie naar een zelfportret door Frans Hals
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder en tekenaar [[w:nl:Frans Hals|Frans Hals]].
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Houbraken, Arn. van (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Frans Hals|"Frans Hals"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 89-95.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Kunsthandel ===
*Anoniem (7 januari 1898) [[Het Nieuws van den Dag/1898/Nummer 8580/Een Frans Hals|‘Een Frans Hals’]], ''Het Nieuws van den Dag'', p. 9.
=== Veilingen ===
;1872
*''Veiling'', Pillet, Parijs, 6 maart 1872.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;1877
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
;1931
*''Collections Marczell von Nemes. Catalogue des tableaux'', Mensing & Fils, Paul Cassirer en Hugo Helbing, München, 16-19 juni 1931.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (29 mei 1931) [[De Telegraaf/jaargang 39/nummer 14629/De a.s. Von Nemes-veiling|‘De a.s. Von Nemes-veiling’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Derde Blad, p. 9.
=== Musea ===
;Holburne Museum, Bath
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Holbbourne Art Museum|‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Mauritshuis, Den Haag
*Anoniem ([ca. 1900]) ''[[Anoniem/Mauritshuis 's-Gravenhage|Mauritshuis The Hague Holland. Mauritshuis 's-Gravenhage]]'', 's-Gravenhage: De Groot & Dijkhoff, [p. 9, 11].
*Anoniem (24 juli 1905) [[De Tijd/1905/Nummer 17607/Diefstal Frans Hals|‘Diefstal Frans Hals’]], ''De Tijd'', [p. 2].
*Anoniem (29 juli 1905) [[De Tijd/1905/Nummer 17612/De gestolen "Frans Hals" terug|‘De gestolen „Frans Hals” terug’]], ''De Tijd'', [p. 2].
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1830) ''[[Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam (1830)|Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam]]'', [s.l.: s.n.], p. 27, cat.nr. 109.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 51-52, cat.nrs. 105-106.
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1927
*''Catalogue de la collection Goudstikker d'Amsterdam'', Rotterdamsche Kunstkring, Rotterdam, 11-26 juni 1927.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 juni 1927) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 100/Nummer 32427/Avondblad/Collectie Goudstikker|‘Collectie Goudstikker. Nieuwe catalogus’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 9.
== Werken ==
*Anoniem (9 maart 1906) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 6/Nummer 67/Avondblad/In ons Ochtendblad van Woensdag is (...) een sensatie-berichtje overgenomen betreffende een schilderij, dat een Frans Hals zou zijn|‘In ons Ochtendblad van Woensdag is […] een sensatie-berichtje overgenomen betreffende een schilderij, dat een Frans Hals zou zijn. […]’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p. 1].
;Portret van een man (Mauritshuis)
*Anoniem (24 juli 1905) [[De Tijd/1905/Nummer 17607/Diefstal Frans Hals|‘Diefstal Frans Hals’]], ''De Tijd'', [p. 2].
*Anoniem (29 juli 1905) [[De Tijd/1905/Nummer 17612/De gestolen "Frans Hals" terug|‘De gestolen „Frans Hals” terug’]], ''De Tijd'', [p. 2].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
n15gmx7662esl1dlo8pvy6jf2m756fy
Hoofdportaal:Geschiedenis/Oudheid
100
82012
221124
213532
2026-05-14T08:20:47Z
Vincent Steenberg
280
+bronnen
221124
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Oudheid
| afbeelding = Rosetta Stone - front face - corrected image.jpg
| alt = Steen van Rosetta
| beschrijving = Bronnen bij de [[w:nl:Oudheid|oudheid]]
}}
== Algemeen ==
* Herodotus (1893-1895) [[Het verslag van mijn onderzoek|''Muzen'']], Amsterdam: [s.n.].
* Holm, Adolf, W. Deecke, W. Soltau (1897) ''Kulturgeschichte des klassischen Altertums'', Leipzig: P. Friesenhahn.<br>Aankondigingen en recensies:
**B. (13 februari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 7/Kulturgeschichte des klassischen Altertums|‘Boekbesprekingen. Kulturgeschichte des klassischen Altertums. Leipzig Verlag von P. Friesenhahn’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 7, p. 43-44.
*Tiele, Cornelis Petrus (1893-1902) ''[[Geschiedenis van den godsdienst in de oudheid tot op Alexander den Groote]]'', Amsterdam: P.N. van Kampen.
== Egypte ==
=== Algemeen ===
==== Egyptologen ====
;Petrie, William Flinders (1853-1942)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
=== Proto-dynastieke periode ===
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1].
=== Vroeg-dynastieke periode ===
;Chasechemoey (''fl''. ca. 2734-2707 v. C.)
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1] (vermeld als ‘Ka-sechem’).
;Den (''fl''. ca. 2930-2910 v. C.)
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1].
;Menes (''fl''. ca. 3032-3000 v. C.)
*Anoniem (24 april 1912) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 99/Nummer 7916/Middaguitgave/Resultaat van opgravingen|‘Resultaat van opgravingen’]], ''Arnhemsche Courant'', middaguitgave, tweede blad, [p. 1-2].
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1] (vermeld als ‘Menas’).
;Narmer (''fl''. ca. 3100 v.C.)
*Anoniem (24 april 1912) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 99/Nummer 7916/Middaguitgave/Resultaat van opgravingen|‘Resultaat van opgravingen’]], ''Arnhemsche Courant'', middaguitgave, tweede blad, [p. 1-2].
*Anoniem (29 november 1917) [[Rotterdamsch Nieuwsblad/Jaargang 40/Nummer 12173/Een overwinningsbulletin uit de oudheid|‘Een overwinningsbulletin uit de oudheid’]], ''Rotterdamsch Nieuwsblad'', Letterkundig Bijvoegsel, [p. 1].
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1].
*Eckenstein, Lina (december 1905) ‘The purpose and value of Ancient Egyptian Art’, ''The Burlington Magazine'', jrg. 8, nr. 33, p. 164-172.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 december 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24654/Avondblad/Kunsttijdschriften|‘Kunsttijdschriften’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 11.
;Nimaathapi (''fl''. 28e eeuw v.C.)
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1] (vermeld als ‘Nemat-hep’).
;Semerchet (''fl''. ca. 2890-2870 v.C.)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
*Anoniem (28 maart 1918) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/De oudste tijden van Egypte|‘De oudste tijden van Egypte’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', avond-uitgave, tweede blad, [p. 1].
;Sanacht (''fl''. ca. 2740-2720 v. C.)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2] (vermeld als ‘Sa-nekhet).
=== Oude Rijk ===
;Snofroe (''fl''. ca. 2639-2604 v.C.)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2] (vermeld als ‘Sneferu’).
=== Nieuwe Rijk ===
;Hatsjepsoet (''fl''. ca. 1479-1458 v.C.)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2] (vermeld als ‘Hatshepaut’).
;Thoetmosis III (''fl''. ca. 1479-1425 v.C.)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2] (vermeld als ‘Falmtmes III’).
;Seti I (''fl''. ca. 1306-1290 v. C.)
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2] (vermeld als ‘Sety I’).
=== Ptolemaeën ===
;Cleopatra VII (69-30 v.C.)
*Anoniem (16 augustus 1656) [[Weeckelycke Courante van Europa/1656/Nummer 34/T’Amsterdam by Jacob Benjamijn|‘T’Amsterdam by Jacob Benjamijn, in de Warmoes-straet, in de Druckery, wert uytgegeven […] [advertentie]’]], ''Weeckelycke Courante van Europa'', [p. 2].
=== Bijzondere onderwerpen ===
;Mummies
*Anoniem (17 januari 1662) [[Ordinarise Middel-weeckse Courante/1662/Nummer 3/Vyt Withal, den 4 dito|‘Vyt Withal, den 4 dito. [= 4 januari 1662]’]], ''Ordinarise Middel-weeckse Courante'', [p. 1].
*Anoniem (23 juli 1748) [[Hollandsche Historische Courant/1748/Nummer 88/Edenburg den 8 Juli|‘Edenburg den 8 Juli’]], ''Hollandsche Historische Courant'', [p. 1].
=== Archeologische sites ===
;Serabit el-Khadim
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Tarchan (grafveld)
*Anoniem (24 april 1912) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 99/Nummer 7916/Middaguitgave/Resultaat van opgravingen|‘Resultaat van opgravingen’]], ''Arnhemsche Courant'', middaguitgave, tweede blad, [p. 1-2].
;Wadi Maghareh
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie|‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
== Sumerië - Babylonië - Assyrië ==
*Oppenheim, Max von (1931) ''Der Tell Halaf. Eine neue Kultur im ältesten Mesopotamien'', Leipzig: Brockhaus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 november 1931) [[De Telegraaf/Jaargang 39/Nummer 14809/Avondblad/Over boeken|‘Over boeken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, vierde blad, p. 13.
*Woolley, C. Leonard, H.Th. Obbink, H.W. Obbink (1931) ''Ur der Chaldeeën, de stad van Abraham'', Utrecht: Bijleveld.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 november 1931) [[De Telegraaf/Jaargang 39/Nummer 14809/Avondblad/Over boeken|‘Over boeken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, vierde blad, p. 13.
== Ilion (Troje) ==
;Dörpfeld, Wilhelm (1853-1940)
*Anoniem (22 december 1933) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 106/Nummer 34796/Avondblad/Wilhelm Dörpfelf|‘Wilhelm Dörpfelf. 1853 - 26 December - 1933’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
== Klassieke oudheid ==
=== De Griekse wereld ===
* Xenophon ([1893]) ''[[De tocht van de Tienduizend|Xenophon's Anabasis, of Tocht van Cyrus]]'', Amsterdam: Van Looy.
;Dörpfeld, Wilhelm (1853-1940)
*Anoniem (22 december 1933) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 106/Nummer 34796/Avondblad/Wilhelm Dörpfelf|‘Wilhelm Dörpfelf. 1853 - 26 December - 1933’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Perikles (ca. 495-429 v.Chr.)
*Assen, C.J. van (1819) ''Perikles van Athene'', 's Gravenhage: Allart.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (13 september 1819) [[Leydse Courant/1819/Nummer 110/Bij de Wed. J. Allart en Comp.|‘Bij de Wed. J. Allart en Comp., te ’s Gravenhage, is van de Pers gekomen: […] [advertentie]’]], ''Leydse Courant'', [p. 2].
=== Het Romeinse Rijk ===
* Julius Caesar ([1894]) ''[[Commentarii de bello Gallico|Gedenkschriften van den Gallischen Oorlog]]'', Amsterdam: S.L. van Looy/H. Gerlings.
* Livius, Titus (1650) ''De Romeynsche Historien ende Geschiedenissen'' […], t’Amsterdam: voor Gerrit Willemsz.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 oktober 1650) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 43/t’Amsterdam by Gerrit Willemsz.|‘t’Amsterdam by Gerrit Willemsz. Boeck-verkooper inde nieuwe Gast-huys-Moolen-steegh, in’t Groot Kantoor-boeck, wort uytgegeven: […] [advertentie]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 2].
* Lubach, D. (1854) [[Album der Natuur/1854/Planten van Pompeji, Lubach|‘De Planten van Pompeji’]], ''Album der Natuur'', jrg. 3, p. 16-21.
* Sallustius Crispus, Gaius, [[De samenzwering van Catilina]]
* Sallustius Crispus, Gaius, [[Jugurtha]]
* Stuart, M. (1794) ''[[Romeinsche Geschiedenissen]]'', te Amsterdam: by Johannes Allart.
* Tacitus, Cajus Cornelius (1645) ''Vande ghedenkwaerdige geschiedenissen der Romeinen'', t’Amsterdam: By Ioost Hartgersz.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/’t Amsterdam, by Ioost Hartgers|‘’t Amsterdam, by Ioost Hartgers, Boek-verkooper inde Gast-huyssteeg, zijn gedruckt […] [advertentie]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p. 2].
;Galerius (ca. 250-311)
*Anoniem (1867) [[De Katholieke Illustratie/Jaargang 1/Nummer 5/Het oordeel Gods over een vervolger der kerk|‘Het oordeel Gods over een vervolger der kerk’]], ''De Katholieke Illustratie'', jrg. 1, nr. 5, p. 39.
;Julius Agricola, Gnaeus (40-93 n.Chr.)
*Tacitus (1828) ''Het leven van Julius Agricola'', Dordrecht: J. de Vos en comp.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (7 juli 1828) [[Nederlandsche Staatscourant/1828/Nummer 158/Departement van Binnenlandsche Zaken|‘Departement van Binnenlandsche Zaken [advertentie]’]], ''Nederlandsche Staats-Courant'', [p. 3-4].
;Marcus Antonius (83-30 v.C.)
*Anoniem (16 augustus 1656) [[Weeckelycke Courante van Europa/1656/Nummer 34/T’Amsterdam by Jacob Benjamijn|‘T’Amsterdam by Jacob Benjamijn, in de Warmoes-straet, in de Druckery, wert uytgegeven […] [advertentie]’]], ''Weeckelycke Courante van Europa'', [p. 2].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal geschiedenis]]
f7m5mqtgvgzbx26agfzcw1z0yoy7snv
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Meindert Hobbema
100
82384
221114
214200
2026-05-14T07:16:11Z
Vincent Steenberg
280
+bron
221114
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Meindert Hobbema
| afbeelding =
| alt =
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder, tekenaar en wijnhandelaar [[w:nl:Meindert Hobbema|Meindert Hobbema]]
}}
== Algemeen ==
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Veilingen ====
;1872
*''Veiling'', Pillet, Parijs, 6 maart 1872.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
=== Musea ===
;Holburne Museum, Bath
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Holbbourne Art Museum|‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1890
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;1936
*''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
4w0sixvav3mx2y9osei08b9b2yaqvzz
Index:Album der Natuur 1863.djvu
106
84297
221097
219643
2026-05-13T15:55:14Z
WeeJeeVee
2844
lijst aangepast
221097
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=[[Album der Natuur]], [[Album der Natuur/1863|12e jaargang, 1863]] en het [[Album der Natuur/1863/Wetenschappelijk Bijblad|Wetenschappelijk Bijblad van 1863]]
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=various
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1863
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=djvu
|Afbeelding=
|Voortgang=C
|Delen=[[Index:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu|1852/3]], [[Index:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu|1854/5]], [[Index:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu|1856/7]], [[Index:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu|1858/9]], [[Index:Album der Natuur 1860.djvu|1860]], [[Index:Album der Natuur 1861.djvu|1861]], [[Index:Album der Natuur 1862.djvu|1862]], [[Index:Album der Natuur 1863.djvu|1863]],
|Pagina's=;{{x-larger|11e jaargang, 1863}}
Voorwerk 1863<br /><pagelist from=7 to=18 7="Fr.t." 8="-" 9="T1863" 10="dr." 11to18="Inh" />
Hg - Vergelijkende maatschappijkunde </br><pagelist from=19 to=39 19="1"/>
v. Hall - Zandgronden </br><pagelist from=40 to=50 40="22"/>
Bierens de Haan - Airy's lezing </br><pagelist from=51 to=71 51="33"/>
Warren de la Rue - Bijlage zonverduistering </br><pagelist from=72 to=76 72="54"/>
van der Hoeven - Euler's brieven </br><pagelist from=77 to=82 77="59"/>
Kappler - Fransche expeditie in Guyana </br><pagelist from=83 to=98 83="65"/>
R. - Burke's reis in Australie </br><pagelist from=99 to=107 99="81"/>
R. - Mieren buiten Europa </br><pagelist from=108 to=112 108="90"/>
Hg. - Voorbeeld tot navolging</br><pagelist from=113 to=113 113="95"/>
Hg. - Humboldt's lof</br><pagelist from=114 to=114 114="96"/>
Kappler - Fransche expeditie in Guyana </br><pagelist from=115 to=133 115="97"/>
L - Diepte der zee </br><pagelist from=134 to=142 134="116"/>
R - Sneeuwbergen </br><pagelist from=143 to=146 143="125"/>
v.H. - Fuchias </br><pagelist from=146 to=146 146="128"/>
Reitsma - Natuurlijke gesteldheid der ligchamen van ons zonnestelsel </br><pagelist from=147 to=171 147="129"/>
D. L. - Land van de Gorilla </br><pagelist from=172 to=173 172="154"/>
D. L. - Oorzaak overstroming der Nijl </br><pagelist from=174 to=176 174="156"/>
S.F.K. - Salomon de Caus </br><pagelist from=177 to=178 177="159"/>
Rauwenhoff - Wortels der planten </br><pagelist from=179 to=209 179="161"/>
D. L. - Alpaca's in Australië </br><pagelist from=210 to=210 210="192"/>
Rauwenhoff - Wortels der planten </br><pagelist from=211 to=226 211="193"/>
Krecke - Vuurbollen </br><pagelist from=227 to=242 227="209"/>
van Lissa - Water </br><pagelist from=243 to=274 243="225"/>
Abeleven - Plantenleven </br><pagelist from=275 to=302 275="257"/>
v. H. - Truffels </br><pagelist from=303 to=305 303="285"/>
v. H. - Meikevers</br><pagelist from=306 to=306 306="288"/>
Oudenmans - Bekerplanten </br><pagelist from=307 to=335 307="289"/>
v. H. - Betel </br><pagelist from=336 to=338 336="318"/>
Hg. - Merkwaardige bron </br><pagelist from=338 to=338 338="320"/>
Lubach. - Magie </br><pagelist from=339 to=364 339="321"/>
R. - Stormen </br><pagelist from=365 to=368 365="347"/>
Hg. - Toon-telegraaf </br><pagelist from=369 to=370 369="351"/>
Reitsma - Natuurlijke gesteldheid der ligchamen van ons zonnestelsel </br><pagelist from=371 to=392 371="353"/>
Betsij Perk - Bloemenkoningin </br><pagelist from=393 to=400 393="375"/>
Hg. - Nog iets over de vuurbol </br><pagelist from=401 to=404 401="383"/>
; {{larger|Wetenschappelijk Bijblad}}
<pagelist from=405 to=500 405="1"
/>
<pagelist from=501 to=506 501="-" 502="-" 503="-" 504="-" 505="-" 506="-"
/>
|Opmerkingen={{c|{{xxx-larger|'''[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/11|Inhoud 1863]]'''}}}}
<div style="width: 380px; height: 1500px; overflow: auto; border:thin grey solid; padding: 0px 5px 0px 10px;">
{{Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/11}}
{{Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/12}}
</div>
{{dhr|3}}
{{c|{{xx-larger|'''[[Album der Natuur/1863/Wetenschappelijk Bijblad|Wetenschappelijk bijblad 1863]]'''}}}}
<div style="width: 380px; height: 1200px; overflow: auto; border:thin grey solid; padding: 0px 5px 0px 10px;">
{{Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/15}}
{{Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/16}}
{{Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/17}}
{{Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/18}}
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
dhqp2meffvmf88czphqcqffb9j95aw3
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/11
104
84466
221096
219796
2026-05-13T15:53:05Z
WeeJeeVee
2844
aanpassing in natuurlijke gesteldheid
221096
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}}
{{c|{{larger|[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/11|INHOUD]].}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr|2}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/ Vergelijkende maatschappijkunde,|Iets over vergelijkende maatschappijkunde,]], door [[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|P. Harting.}}]]|Blz.{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/19|1]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Zandgronden|Zandgronden en zandverstuivingen in Nederland]], door [[Auteur:Herman Christiaan van Hall|{{sc|H. C. van Hall}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/40|22]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Zonsverduistering|{{sc|G. B. Airy’s}} lezing over de zonsverduistering van 18 Julij 1860,]], door [[Auteur:David Bierens de Haan|{{sc|D. Bierens de Haan}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/51|33]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Bijlage|Bijlage. {{sc|Warren de la Rue}}, over photographiën der zonsverduistering]], |,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/72|54]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/L. Euler's brieven|{{sc|L. Euler's}} brieven aan eene Duitsche prinses]], door [[Auteur:Jan van der Hoeven|{{sc|J. van der Hoeven}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/77|59]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Expeditie Guyana|Nederlandsch-Fransche expeditie door de binnenlanden van Guyana, in September tot November 1861]], door {{sc|A. Kappler}}|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/83|65]] en [[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/115|97]] }}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Burke's reis| {{sc|Burke's}} reis door het binnenland van Australië]], door [[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|R.}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/99|81]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Mieren|De mieren buiten Europa]], door [[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|R.}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/108|90]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Voorbeeld tot navolging|Een voorbeeld tot navolging]], door [[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/113|95]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Humboldt’s lof|Hoe {{sc|Humboldt}}’s lof door Brahminen wordt verkondigd]], door [[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/114|96]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Diepte der zee lof|Leven in de diepte der zee]], door [[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|L}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/134|116]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Twee sneeuwbergen|Twee sneeuwbergen in het hart van Afrika]], door [[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|R.}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/143|125]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Fuchsia|Fuchsia]], door [[Auteur:Alexander Willem Michiel van Hasselt|{{sc|v. H.}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/146|128]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Gesteldheid der ligchamen in ons zonnestelsel|Over de natuurlijke gesteldheid der ligchamen, tot ons zonnestelsel behoorende]], door [[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|A. T. Reitsma}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/147|129]] en [[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/371|353]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Land van den Gorilla|Uit het land van den Gorilla]], door [[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D. L}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/172|154]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Overstrooming des Nijls|Over de oorzaak van de jaarlijksche overstrooming des Nijls]], door [[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D. L}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/174|156]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Salomon de Caus|{{sc|Salomon de Caus}}]], door {{sc|S. F. K.}}|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/177|159]].}}
{{Dotted TOC page listing|col3-width=7em||[[Album der Natuur/1863/Wortels der planten|De wortels der planten]], door [[Auteur:Nicolaas Willem Pieter Rauwenhoff|{{sc|N.W.P. Rauwenhoff}}]]|,,{{gap|2em}}[[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/179|161]] en [[Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/211|193]].}}<noinclude></noinclude>
iu3gddhpzjynwfl0qkgnpmgj7c85b0l
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Anthony van Dyck
100
84665
221113
217879
2026-05-14T07:15:49Z
Vincent Steenberg
280
+bron
221113
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Anthony van Dyck
| afbeelding = Anthonis van Dyck Self Portrait.jpg
| alt = Zelfportret, ca. 1621
| beschrijving = Bronnen bij de Zuid-Nederlandse schilder, tekenaar, prentkunstenaar en kunstverzamelaar [[w:nl:Antoon van Dyck|Anthony van Dyck]]
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
* Vloten, J. van (1874) ''[[Nederlands schilderkunst van de 14e tot de 18e eeuw|Nederlands schilderkunst]]'', Amsterdam: P.M. van Kampen & Zn., p. 166-177.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Veilingen ====
;1758
*''Catalogue de Tableaux de Cabinet de feu ... Robyns'' ..., Brussel, 22 mei 1758 ''sqq.''<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 mei 1758) [[:s:fr:Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles (…)|‘Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles […] [advertentie]’]], ''Amsterdamse Donderdagse Courant'', [p. 2].
;1921
*''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen:
**Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;1925
*''Ancient and Modern Pictures from the Collection of Henry Weigall'', Christie's, Londen, 6 juli 1925.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 juli 1925) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad C, p. 1.
;1928
*''Collection de M. L. W. ***, catalogue de tableaux'', Galerie Fievez, Brussel, 18-19 december 1928.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (14 december 1928) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 85/Nummer 347/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
=== Musea ===
;Holburne Museum, Bath
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Holbbourne Art Museum|‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Mauritshuis, Den Haag
*Anoniem ([ca. 1900]) ''[[Mauritshuis 's-Gravenhage|Mauritshuis The Hague Holland. Mauritshuis 's-Gravenhage]]'', 's-Gravenhage: De Groot & Dijkhoff, [p. 7].
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 20-21, cat.nrs. 81-85.
*Anoniem (1830) ''[[Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam (1830)|Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam]]'', [s.l.: s.n.], p. 20-21, cat.nr. 79-84.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 35-37, cat.nrs. 77-80.
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1894
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], Tweede Blad, [p. 1-2].
;1927
* [tentoonstelling van Vlaamse en Belgische kunst], Boedapest, 12 mei 1927-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (6 mei 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 124/Avondblad/Vlaamsche en Belgische kunst te Boedapest|‘Vlaamsche en Belgische kunst te Boedapest’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, C, p. 1.
;1935
*''Tentoonstelling van kunstwerken uit Antwerpsche verzamelingen. Catalogus'', Stedelijke Feestzaal, Antwerpen, 20 april-19 mei en 10 augustus-22 september 1935.<br />Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 april 1935) [[De Tijd/Jaargang 90/Nummer 28131/Avondblad/Kunsttentoonstelling te Antwerpen|‘Kunsttentoonstelling te Antwerpen’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;1939
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;1999
*''Van Dyck 1599-1641 catalogus van de tentoonstelling'', Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen, 15 mei-15 augustus 1999, Royal Academy of Arts, Londen, 11 september-10 december 1999, {{ISBN|9789055442669}}.
== Werk ==
=== Schilderijen ===
;Portret van een man
*Anoniem (6 oktober 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 276/Avondblad/Tijdschriften|‘Tijdschriften’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad B, p. 1.
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
r91p52j90ejpkz2qdjitvo6jo1va2m0
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/134
104
85161
221132
218691
2026-05-14T08:39:30Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221132
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|LEVEN IN DE DIEPTE DER ZEE.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Elke afdeeling der wetenschap kan voorbeelden aanwijzen van ontdekkingen, waardoor zaken aan het licht zijn gekomen, van welke men vroeger niet droomde of wier bestaan zelfs geloochend werd op grond van negative bewijzen, in welke laatste men te vaak uit eene zekere traagheid berust, en waarop men dan te gereed is eene soort van wetenschappelijke orthodoxie te bouwen, — liever dan zijn oordeel op te schorten en de moeite te nemen van een nieuw onderzoek. Maar op geen veld der wetenschap hebben oude opvattingen waarschijnlijk eene meer volkomene omwenteling ondergaan, dan op dat van de zoologie der zee, voor zoo ver aangaat het leerstuk van de grootste diepte, waarop dieren in de zee kunnen leven. Men nam aan, dat het leven in de zee snel afnam naar evenredigheid van de toenemende diepte, en dat onze dieplooden zeer spoedig aankwamen in eene streek, waarin geen zonnestraal doordrong, maar waar de wereld der wateren voor eeuwen in onafgebrokene stilte en duisternis rustte. Er bestond evenwel weinig grond voor de volstrektheid, die men aan deze opinie, als aan een vaststaand dogma, toekende, want, gelijk dr. {{sc|wallich}} in zijn werk: ''The North Atlantic Sea Bed'' (''London'' 1862) herinnert, verhaalde reeds in 1819 sir {{sc|john ross}}, dat hij in de Baffinsbaai verschillende "zeewormen" en andere dieren had opgehaald uit diepten, veel grooter dan die, op welke men het er voor houdt dat alleen dierlijk leven bestaan kan; en nagenoeg dertien jaren later gaf ook sir {{sc|james ross}} berigt van levende dieren uit zeer groote diepten in de zuidpoolzeeën opgehaald. Maar deze gewigtige ontdekkingen trokken de aandacht niet tot zich. Om te doen zien, welke de redenering is van uitstekende mannen over dit onderwerp, haalt {{sc|wallich}} een geölogisch leerboek van {{sc|page}} (''Advanced Text Book of Geology'') aan, waarin wij vinden, dat "volgens proeven, water op<noinclude></noinclude>
l1qpeer3xqfe1foxzqjo082ovdz3518
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/135
104
85162
221133
218692
2026-05-14T08:42:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221133
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||LEVEN IN DE DIEPTE DER ZEE.|117}}</noinclude>eene diepte van 1000 voet, een driehonderd veertigste van zijn volume wordt zamengedrukt, en dat wij, deze zamendrukking in aanmerking nemende, weten, dat op groote diepten met geene mogelijkheid dierlijk of plantaardig leven bestaan kan." Indien hier geschreven was: wij gissen, in plaats van wij weten, dan zou dit eene meer juiste voorstelling geven van den aard eener conclusie, waartoe de natuurkenners bij onderling goedvinden gekomen zijn, zonder zich veel moeite te geven om te onderzoeken wat inderdaad waarheid is. Zoo vindt men ook elders de bewering, dat op driehonderd vademen diepte geen leven meer bestaat,—waarbij men dan de achthonderd vademen diepte, waaruit sir {{sc|john ross}} een ''Caput Medusae'' ophaalde, eenvoudig ignoreert.
In de wetenschap, even als overal, volgt vaak eene onberedeneerde ligtgeloovigheid op eene even onberedeneerde twijfelzucht. Dr. {{sc|wallich}}, ofschoon zich bemoeijende het leven in de diepe zee aan den dag te brengen, verzet zich tegen zoodanige argumenten daarvoor, die, ofschoon verleidelijk, toch niet beslissend zijn. Zoo nam {{sc|ehrenberg}} aan, dat de aanwezigheid van niet tot ontbinding overgegane geleiachtige stof (sarcode) in de schelpen van foraminiferen, welke schelpen op zeer groote diepten gevonden waren, een bewijs opleverde, dat die dieren levend geweest waren op de plaats, van waar men ze verkregen had. Dr. {{sc|wallich}} toont de bedriegelijkheid van zulk eene redenering aan, ofschoon hij verwacht, dat de conclusie er van later blijken zal juist te zijn, en dat men later exemplaren zal ontdekken, wier van het leven afhangende bewegingen de zaak buiten twijfel zullen stellen.
Voor wij de omstandigheden nagaan, onder welke bewerktuigde wezens in de diepte der zee leven, zullen wij de meest verrassende vruchten van dr. {{sc|wallichs}} onderzoek mededeelen. Hij verhaalt ons van eene peiling op 59° 27' N.B. en 26° 41' W.L., omstreeks halfweg tusschen Kaap Farewell en de noordwestkust van Ierland. De diepte was 1200 vademen, en aan de laatste vijftig vademen der lijn, die ettelijke oogenblikken op den bodem gelegen hadden, zaten dertien ''Ophiocomae'' vast, wier diameter dwars over de armen van twee tot vijf Eng. duim afwisselde. Deze dieren bewogen hunne armen op het dek van het schip. Deze aldus verkregene zeesterren<noinclude></noinclude>
66a7wk5ykqs1vb9750lbhpt4jx1ppwb
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/136
104
85163
221134
218694
2026-05-14T08:46:22Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221134
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|118|LEVEN IN DE DIEPTE DER ZEE.|}}</noinclude>schenen te leven op hare normale woonplaatsen. In hunne spijsverteringsholte vond men eene hoeveelheid ''Globigerinae'', die versch schenen te zijn. Bovendien schenen zij op die diepte nog zamen te leven met wezens van een hoogere type. Immers wij lezen verder het volgende: "Bij deze peilingen (de zoo even vermelde ingesloten), ondernomen op de volgende plaatsen en diepten, te weten:
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|59° 27' N.B., 26° 41' W.L.,||diepte 1260 vademen
|-
|58° 23'{{ditto|N.B.,}} 48° 50'{{ditto|W.L.,}}||{{ditto|diepte}}1913{{ditto|vademen}}
|-
|56° 43'{{ditto|N.B.,}} 11° 55'{{ditto|W.L.,}}||{{ditto|diepte}}1268{{ditto|vademen}}
|-
|}
kwamen verschillende cylindervormige buizen te voorschijn, die van een achtste tot een halven Eng. duim in lengte, en van een vijftigste tot een zeventigste duim in dikte afwisselden. Zij waren gevormd uit aan elkander gelijmde kleine schelpen van Globigerinen en andere kalkachtige deeltjes. Bij elke der genoemde peilingen vond ik twee of drie zulke buizen, maar ik kon de dieren niet in zulk een toestand er uit halen, dat ik ze zou kunnen hebben herkend. Echter ben ik in staat om stellig te verzekeren, dat de buizen eene soort van Ringworm bevatten,"
Op 682 vademen ontmoette {{sc|wallich}} eene ''Serpula'', en eene groep van blijkbaar levende Polyzoën, alsmede een kleine levende ''Spirorbis''. Uit eene diepte van 445 vademen vischte hij een paar levende amphipode Crustaceen op en een draadvormigen Ringworm, en wanneer wij overwegen, hoe deze dieren zich naar zoodanige lokaliteiten kunnen schikken, moeten wij in aanmerking nemen "het buitengewone feit, dat de Ophiocomae, de Serpula, de Spirorbis, van welke gesproken is, allen tot welbekende aan de kusten levende soorten behooren." Van deze feiten uitgaande, merkt {{sc|wallich}} aan: "wij worden er onwederstaanbaar toe geleid om aan te nemen, dat de acclimatisatie van deze dieren gedurende eene groote opeenvolging van geslachten gelijken tred moet hebben gehouden met de veranderingen, die dat gedeelte van den zeebodem, dat zij bewonen, ondergaan heeft, en om hieruit te besluiten, dat, onder genoegzaam gunstige omstandigheden, diersoorten zich kunnen voegen naar voorwaarden, die zoo zeer verschillen van die, onder welke zij oorsponkelijk geschapen zijn, dat zij, indien zij er aan onderworpen werden onder minder<noinclude></noinclude>
jddvy7a3rloytvjfrank0gg8rw93t39
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/137
104
85164
221135
218695
2026-05-14T08:48:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221135
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||LEVEN IN DE DIEPTE DER ZEE.|119}}</noinclude>gunstige voorwaarden, onfeilbaar vernietigd zouden zijn geworden,"
Van hetgeen bekend is geworden aangaande het leven in de diepe zee moeten wij slechts met omzigtigheid een gevolg trekken tot de nog veel diepere streken, die nog niet door waarnemingen bereikt zijn. Er kan zijn, en naar alle waarschijnlijkheid is er inderdaad eene grens voor de op elkander volgende streken, waar leven mogelijk is. Maar waar die grens ligt, schijnt meer door onderzoek dan door redenering te moeten worden uitgemaakt. Eene meer voor de hand liggende vraag is: hoe de op die groote diepte ontdekte wezens in het leven blijven onder omstandigheden, die zoo zeer verschillen van die, onder welke wij gewoon zijn de wederkeerige betrekking en afhankelijkheid van dierlijke en plantaardige wezens waar te nemen. Plantaardige organismen zijn, levend, op geen grooter diepte dan van 2400 voet gevonden, terwijl men nu weet, dat er dieren leven op 15,000 voet beneden de oppervlakte der zee. Zoo eenige soort van plant veel beneden de genoemde diepte leeft, dan moet zij hare verrigtingen uitoefenen zonder den prikkel van het licht. En zoo er dieren bestaan ver beneden de grenzen van het plantaardige leven, dan moeten die dieren vrij zijn van die afhankelijkheid van het plantenleven, die wij gewoon zijn te beschouwen als eene algemeen geldende wet. Deze zijn de belangwekkende vraagstukken, die de zooloog heeft op te lossen.
De drukking van groote diepten verzet zich tegen het leven alleen onder zekere bepaalde vormen. Op eene diepte van eene E. mijl klimt zij tot 2640 ponden op elken vierkanten duim of honderd en zestig maal zoo veel als wij op de oppervlakte van den aardbol te dragen hebben. Een gesloten vat zou eene verbazende sterkte moeten bezitten om zoo iets te verdragen; doch indien de drukking van binnen naar buiten die van buiten naar binnen kan evenaren, dan zal die drukking niet noodzakelijk het organisme, dat aan haar onderworpen is, vernietigen. {{sc|Wallich}} toont het verschil aan tusschen zekere welbekende proefnemingen en de voorwaarden, waaronder bewerktuigde wezens in de diepte der zee leven. "In de gevallen van stukken hout of vleesch en toegekurkte met lucht gevulde kruiken, die men tot op groote diepten heeft doen zinken, ten einde de uitwerkingen der drukking aan<noinclude></noinclude>
6u6kzzi8syd0lwlujc2mra23hf262v7
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/138
104
85165
221136
218696
2026-05-14T08:50:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221136
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|120|LEVEN IN DE DIEPTE DER ZEE.|}}</noinclude>te toonen, zijn ten duidelijkste juist die voorwaarden aanwezig, welke men nooit vindt bij die wezens, die onder zoodanige drukking moeten leven. Zij bewijzen te veel, — want zij bewijzen, dat, niettegenstaande alle beletselen, tusschen het uitwendige en inwendige van het hout, het vleesch en de kruiken zeer spoedig een toestand van evenwigt ontstaat, en dat, wanneer deze heeft plaats gegrepen, geene verdere verandering waargenomen wordt. Wanneer zij snel ondergedompeld worden, dat is te zeggen, voor dat de drukking den tijd heeft gehad om den tegenstand van het celachtig en vezelig weefsel van het hout en vleesch en van de gebakken leem der kruiken te overwinnen, dan moet vermindering van omvang en zamendrukking van het voorwerp het onvermijdelijke gevolg zijn. Maar aan den anderen kant, zoo de onderdompeling trapsgewijs voortgaat, is vermindering van omvang, zamendrukking, daarvan in geenen deele een noodwendig gevolg, en de te weeg gebragte verandering is enkel de verplaatsing van eene ligtere middenstof door eene zwaardere, overeenkomstig eene welbekende wet der vloeistoffen." Dit is in beginsel waar, doch niet juist in bijzondere gevallen, daar het zijn kan, dat niet alle deelen van een organisme zoo doordringbaar behoeven te zijn, — en diegene, welke de zwaardere vloeistof niet kan doordringen, zullen zeker blootgesteld zijn aan de zamendrukking van alle zijden. Echter kan men aannemen, dat zeedieren als de zeesterren en ringwormen van {{sc|wallich}}, indien zij trapsgewijs ondergedompeld wierden, niet door de zwaarte des waters zouden worden zamengedrukt. En nadat aldus een bezwaar tegen het leven in de diepte der zee opgelost is, zullen wij ons wenden tot een ander, dat betrekking heeft tot de ademhaling.
Eenige belangrijke proefnemingen, gedaan aan boord van het Fransche schip ''la Bonite'', geven ons een inzigt in de hoeveelheid luchtvormige vloeistoffen, die in het water op verschillende diepten aanwezig is, — eene hoeveelheid, die, binnen de onderzochte grenzen, schijnt toe te nemen naarmate men dieper komt. Uit deze proefnemingen en op andere gronden besluit {{sc|wallich}}, dat, daar de neiging van dropvormige vloeistoffen om luchtvormige op te slorpen onder alle omstandigheden standvastig blijft, ofschoon, gelijk aangemerkt is, de hoeveelheid, die zij kunnen opnemen, toeneemt met de drukking, zoo<noinclude></noinclude>
b9mq66peoons46zj2yj702fvf6y3w2r
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/139
104
85166
221137
218697
2026-05-14T08:52:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221137
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||LEVEN IN DE DIEPTE DER ZEE.|121}}</noinclude>volgt, dat hoe dieper de waterlaag, des te grooter de hoeveelheid lucht moet zijn, die er in bevat is." Maar de oceaan is niet een gesloten vat, waarin het water en de lucht zamengedrongen zijn zonder te kunnen ontsnappen, en, zoo het water op de diepte van eene mijl meer lucht bevat dan de boven liggende lagen, moet dit worden te weeg gebragt door de werking van eene krachtige aantrekking, die toeneemt met de zamendrukking, zoodat elke waterlaag de lucht van de boven haar gelegene laag aantrekt, en op hare beurt door de onder haar liggende laag daarvan beroofd wordt. — Dit mag zoo zijn; doch wij houden het voor niet bewezen, dat dit het geval is in eene toenemende evenredigheid op alle diepten. De proefnemingen van de ''Bonite'' zijn niet op zeer groote diepte genomen; de grootste was slechts van 2243 Parijsche voeten. Zij schijnen echter aan te toonen, dat, terwijl de hoeveelheid stikstof afneemt, naarmate de drukking grooter wordt, die van het koolzuur en de zuurstof aanmerkelijk toeneemt, en zich zoo sterk zou kunnen ophoopen, dat zij hoogst schadelijk zou worden, indien dit niet belet werd door de gedurige vorming van koolzuren kalk.
Wij mogen uit het voorgaande besluiten, dat wezens uit de diepe zee aldaar kunnen ademhalen, op dezelfde wijze als de op gelijke wijze bewerktuigde bewoners van de digter bij de oppervlakte gelegene streken. Maar hoe voeden zij zich? De zeester kan het diertje verslinden, dat in de foraminiferen-schelp woont; maar wat moet dit laatste doen, wanneer de behoefte aan voedsel zich gevoelen doet? Dr. {{sc|wallich}} stemt de moeijelijkheid toe, om hierop een antwoord te geven zonder de toevlugt te nemen tot eene wijze van voeding, waarvoor, zooals hij zegt, geen erkend feit als bewijs kan worden aangevoerd. De natuurkenners zijn gewoon op onvoldoende zekerheidsgronden, maar met het oog op wel bekende feiten, aan te nemen, dat geen dier niet-organische stof kan assimileren, die niet vooraf door planten in den kreits van het leven gebragt is. Dr. {{sc|wallich}} veronderstelt, dat, indien de protozoën, de infusorien, den koolzuren kalk, die hunne schelpjes vormen moet, uit het water kunnen afscheiden, zij ook in staat zijn om een dergelijk regtstreeksch gebruik te maken van andere niet-organische stoffen, ten einde hun tot voedsel te dienen.<noinclude></noinclude>
94uvmz0cq2ccnyrhmkc7m5zkx5qo459
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/365
104
85717
221127
219735
2026-05-14T08:23:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221127
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|DE STORMEN OP DEN NOORD-ATLANTISCHEN OCEAAN.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Het jaar 1861 staat in de jaarboeken der zeevaart wegens de talrijke schipbreuken als een ongeluksjaar aangeteekend. Meer dan 2000 schepen werden eene prooi der golven. Ook de eerste maanden van het jaar 1862 waren weinig minder rampspoedig; vooral waren de laatste dagen van Februarij en de eerste van Maart zeer rijk in zeestormen en zeerampen.
Eene zoo snelle opeenvolging van averijen en schipbreuken doet eene zamenwerking van oorzaken vermoeden, welke het niet onbelangrijk geacht kan worden nader te onderzoeken.
Een aanzienlijk gedeelte van de Noord-Europesche handelsvloot houdt zich gedurende den zomer bezig met de Oostzee-vaart en het transport van steenkool, ijzer en hout van de kusten van Groot-Britannië en Skandinavië naar de handelshavens van de Noord- en Oostzee. Wordt die vaart door het ijs gestremd, dan begeven zij zich, zoo ze niet opleggen, veelal op de vaart naar de Middellandsche zee, West-Indië, Amerika enz. Al deze schepen doorkruisen den Atlantischen oceaan in eene streek, die in dat jaargetijde tot de gevaarlijkste wateren behoort. Het is algemeen bekend, dat van de Amerikaansche kust zich een geweldige stroom, de zoogenoemde golfstroom, naar de noordwestkust van Europa wendt. Het aanzienlijk verschil van temperatuur tusschen dezen ontzagchelijken stroom en den kouden poolstroom, die hem aan zijnen noordrand raakt, en dat tusschen de 20 en 30 graden bedraagt, is de groote oorzaak van de veelvuldige en vreeselijke stormen in deze streek. Het is deze golfstroom, die op den Noord-Atlantischen oceaan die woedende stormen verwekt en de digte nevels over New-Foundland uitbreidt, welke de scheepvaart in den winter daar zoo gevaarlijk maken. De verbazende hoeveelheid warm<noinclude></noinclude>
6w6qhg58timotc47hy436wrcbpzvdq5
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/366
104
85718
221128
219736
2026-05-14T08:25:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221128
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|348|DE STORMEN OP DEN NOORD-ATLANTISCHEN OCEAAN|}}</noinclude>water, dat de stroom in deze koude zee uitstort, veroorzaakt een verschil van temperatuur, dat door hevige stormen weder vereffend wordt. Sir {{sc|philipp brooke}} nam aan beide zijden des strooms eene luchtwarmte waar van 0°, terwijl het stroomwater 80° (Fahr.) aanwees. De zware, vochtig warme lucht boven den stroom bragt groote storingen in den gang zijner chronometers te weeg. De zeelieden vreezen dan ook de stormen op den golfstroom meer, dan op eenig ander gedeelte des oceaans. Niet de woede des storms alleen, maar nog meer de golfslag, welken deze stormen veroorzaken, inzonderheid wanneer wind en stroom tegen elkander inloopen, maakt de vaart hoogst gevaarlijk.
Deze noodlottige zeestreek is om deze reden dan ook sedert jaren het voorwerp van de zorgvuldigste waarnemingen geweest. Naar de dagboeken van een groot aantal schepen zijn kaarten vervaardigd, die het getal stormen, maand voor maand, aanwijzen. Uit deze allerbelangrijkste kaarten zien wij, dat in de wintermaanden op de geheele uitgebreidheid van New-York tot Londen, van de Azorische eilanden tot op de hoogte van de Schotsche eilanden, derhalve over eene vlakte van meer dan 100 mijlen lang en 300 mijlen breed, elke bijzondere plek iederen zesden dag een storm aanwijst. En juist binnen deze aangegeven grenzen liggen de groote, veel bevarene, waterwegen, die de gewigtigste landen van de twee halfronden met elkander verbinden.
De drie eerste maanden van het jaar 1862 hebben maar al te zeer de in die kaarten uitgedrukte ervaringen bevestigd. Wij vinden bijna geen schip, 't welk in dien tijd dezen onheilspellenden gordel doorkruist, en 't welk in zijn journaal geen harden storm heeft opgeteekend. En hoe menig vaartuig keerde niet weder om van zijne ervaringen getuigenis af te leggen. Uit de naauwkeurige vergelijking der ingekomen zeeberigten blijkt, dat deze stormen deels van sporadischen aard waren, deels over eene ontzagchelijke uitgestrektheid heerschten.
Tot deze laatste soort behoorde de hevige storm, die tusschen den 24sten en 27sten Januarij gelijktijdig op verschillende hoogten is waargenomen. Op een en denzelfden dag, ja bijna op hetzelfde uur verheft zich een vreeselijke storm aan de kusten van Amerika en Europa en verandert den oceaan in een razenden demon, die alles,<noinclude></noinclude>
terfgzlenlpt0u2lji5z5fx8opx4avs
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/367
104
85719
221129
219737
2026-05-14T08:27:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221129
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE STORMEN OP DEN NOORD=ATLANTISCHEN OCEAAN.|549}}</noinclude>wat in zijn bereik komt, dreigt te vernietigen. In den nacht voor den 24sten verhief zich te New-York een allerhevigste storm uit het N.O. De meeste der in de noord-rivier voor anker liggende schepen geraakten aan het drijven en stootten tegen elkander. In de Chesa-peake-baai was de storm zeer hevig en strekte zich ver langs de zuid kust uit. In Boston woedde de storm den 25 Januarij in volle kracht. De schepen, die kort daarop in New-York binnenliepen, klaagden eenstemmig over zware westelijke en noordwestelijke stormen, die soms de hevigheid van ware orkanen bereikten.
In dien zelfden tijd, in den nacht van den 23sten op den 24sten Januarij, woedde aan de kusten van Engeland te Portsmouth, Falmouth, Bristol, Holyhead, enz. een sterke storm uit het Z.Z.O. tot W.Z.W., die langen tijd aanhield. Talrijke zeerampen waren de gevolgen daarvan langs de Engelsche en Iersche kusten. En niet alleen daar en aan de kusten van Amerika woedde dit vreeselijk onweer, maar het gansche gebied van den golfstroom was in vol oproer, een wilde schuimende chaos.
Een tweede storm van nagenoeg dezelfde uitgebreidheid en op hetzelfde gebied had ongeveer een maand later, in de laatste week van Februarij plaats. Deze storm heeft in het bijzonder een wetenschappelijk belang, in zooverre hij eene klare bevestiging is van de door beroemde meteorologen geopperde stelling: "de winden waaijen naar den golfstroom toe." Deze stelling laat zich ook uit den aard der zaak gemakkelijk verklaren. Omdat de warme lucht wegens haar geringer gewigt in de hoogte stijgt, streeft de koude, zwaardere lucht van elke zijde de openingen aan te vullen en het evenwigt te herstellen. De wind moet derhalve, als hij niet door bijzondere plaatselijke omstandigheden verhinderd wordt, aan de Noord-Amerikaansche kust van Straat Davis tot aan New-York eene noordwestelijke, van Groenland en IJsland eene noordelijke, van Engeland eene oostelijke en van de Azorische eilanden eene zuidelijke rigting hebben. In het bijzonder moet dit het geval zijn in onze wintermaanden. Nu leeren ons de ingekomene berigten, dat dit ook werkelijk het geval is geweest. Terwijl den 21sten Februarij te Halifax een zware sneeuwstorm uit het N.W. woedt, wordt te Falmouth een hevige storm uit het Z.Z.O.<noinclude></noinclude>
27kjvgguhvbk7uc0sftztftcokz05z0
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/368
104
85720
221131
219738
2026-05-14T08:29:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221131
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|350|DE STORMEN OP DEN NOORD-ATLANTISCHEN OCEAAN|}}</noinclude>waargenomen. De Bremer poststoomboot ''Hansa'', die den 16den Februarij New-York verliet, had gedurende de geheele reis ruw en veranderlijk weder. Op den 25sten, toen zij zich reeds op Europeesch gebied bevond, brak een hevige storm uit het O. over haar los. De Oldenburger schoenerbrik ''Minna'', die den 19den Januarij Porto Plata verliet om naar het kanaal te zeilen, werd, na reeds lange aanhoudende stormen te hebben doorgestaan, den 18den Februarij door een hevigen orkaan uit het Z.W, en W.Z.W., die later tot in het N.W. oversprong, overvallen, terwijl zij zich aan de zuidzijde van den golfstroom bevond.
Door schifting en zamenstelling der verschillende berigten is het mogelijk een duidelijk en klaar overzigt te krijgen over de geduchte waterbeweging, die op dien tijd een groot gedeelte van den Atlantischen oceaan beroerde. Het is niet onbelangrijk op te merken, dat omstreeks dienzelfden tijd groote ijsmassas zijn waargenomen aan den rand der New-Foundlandsche banken en in het zuidelijk gedeelte van Straat Davis.
Uit de ingekomen berigten kan men nu reeds opmaken, dat in de eerste maanden van het jaar 1862 in het geheel 136 groote schepen verongelukt zijn, waarbij 400 menschen het leven hebben verloren. Wanneer wij nu hierbij in aanmerking nemen, dat van een groot aantal schepen volstrekt geen berigten zijn ingekomen, dan mag men veilig veronderstellen, dat het werkelijk verlies van schepen tweemaal zoo groot is geweest, als tot hiertoe is bekend geworden.
Als men de gevaren in acht neemt, waaraan zeelieden, vooral op den Atlantischen oceaan, zijn blootgesteld, dan mogen reeders en kooplieden zich wel doordringen met de overtuiging, dat het den door hen aangestelde scheepskapiteins niet te wijten is, als zij, bukkende voor de geweldige natuurkrachten, door geleden averij hunne speculatiën soms te leur stellen, of zelfs naakt en slechts met verlies van schip en lading huiswaarts keeren.
(Uit {{sc|petermann}}'s ''Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie'', 1862, VI, bl. 229.)
{{r|[[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|R.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
nttu18feq3iykzkk18cdwwzmnrbh9b2
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/369
104
85721
221094
219740
2026-05-13T15:47:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221094
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>
{{dhr}}{{c|{{larger|EEN TOON-TELEGRAAF.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
De telegrafie door zigtbare teekens heeft in den loop van weinige jaren eene volkomenheid bereikt, die men vroeger ter naauwernood voor mogelijk zoude hebben gehouden. Thans is de eerste schrede op den weg gezet om zelfs toonen, welligt eenmaal de werkelijke spraak, over groote afstanden voort te leiden met behulp der elektriciteit. De heer {{sc|ph. reis}}, onderwijzer in de natuurkundige wetenschappen te Friedrichsdorf, nabij Frankfort a. M., is het, die daarop het uitzigt heeft geopend. Reeds den 26sten October 1861 stelde hij de leden van het natuurkundig genootschap aldaar in staat, in de gehoorzaal de toonen te hooren, die in een 300 voet van daar verwijderd gebouw werden voortgebragt. De wijze, hoe zulks toen geschieddde, is nu beschreven in {{sc|böttger}}'s ''Polyt. Notizblatt'', 1863, no. 6. In de hoofdzaak bestond de toestel uit de volgende deelen. Een klein vierkant kastje heeft twee openingen, de eene, grootere, is bestemd om er de toonen in te zingen; de andere, kleinere, aan de eerste tegenovergesteld, is bekleed met een zeer dun, strak gespannen vlies (een varkensdarm). Een vederend platina-strookje, ter zijde op het hout bevestigd, raakt in het midden dit vlies aan. Een tweede platinastrookje, mede aan het hout bevestigd, is aan zijn ander uiteinde voorzien van een stiftje, dat het eerste platina-strookje, daar waar het tegen het vlies aanligt, aanraakt. Beide deze platina-strookjes vormen nu de polen eener elektrische batterij, daaraan verbonden door lange draden. Een daarvan is spiraalsgewijs gewonden ter plaatse waar de toon moet worden overgebragt en in deze draadspiraal bevindt zich een dun ijzerdraad, dat met zijne beide, daarbuiten uitstekende uiteinden op twee steunsels op een zangbodem rust. Wordt nu een toon gezongen in de voorste opening van het kastje, dan geraakt het vlies daartegenover in trilling; deze trilling deelt zich mede aan het daarmede in aanraking zijnde platinastrookje. Daardoor ontstaan<noinclude></noinclude>
ni6skcc0efjmtni7hdvnmhwf9fsqquv
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/370
104
85722
221095
219741
2026-05-13T15:49:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221095
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|352|EEN TOON-TELEGRAAF.|}}</noinclude>echter tijdelijke afbrekingen van den stroom, en deze hebben op hare beurt het gevolg, dat de ijzerdraad, die in de draadspiraal bevat is, in trilling geraakt, welke zich mededeelt aan den zangbodem, zoodat de toon waarneembaar wordt. De op die wijze voortgebragte toonen waren wel is waar iets zwakker dan de oorspronkelijke, maar het getal der trillingen en gevolgelijk de toonhoogte dezelfde.
Sedert dien tijd is de inrigting nog verbeterd. In {{sc|dingler}}'s ''Polyt. Journal'', Bd. CLIX, p. 23, vindt men de beschrijving en af beelding van eenen dergelijken, doch eenigzins gewijzigden toestel door {{sc|v. legat}}, inspecteur der telegrafen in Kassel. Hij getuigt, dat daarmede niet alleen melodiën, maar ook accoorden en zelfs duidelijk de vragende, uitroepende, verwonderende en oproepende toon worden overgebragt.
De uitvinder zelf heeft ook verbeteringen aangebragt, gelijk blijkt uit een berigt in {{sc|bött}}. ''Polyt. Notizbl''., no. 15, overgenomen in {{sc|dingl}}. ''Journal'', CLIX, p. 399. Hij zegt, dat met zijnen verbeterden toestel woorden, mits de toon der stem bekend zij, verstaanbaar overgebragt werden. Ziedaar dus een kind, dat op weg is een reus te worden. De uitvinder heeft het dan ook reeds gedoopt met den passenden naam van ''Telephon''.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
flbgyrw095f3b6r96nebpxlygfnda5d
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/371
104
85723
221098
219742
2026-05-13T15:57:07Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221098
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>
{{dhr}}
{{c|{{larger|'''OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN, TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE;'''}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|A. T. REITSMA.]]}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
{{c|{{larger|DE MAAN.}}}}
{{dhr}}
Van alle hemelligchamen is er zeker geen, hetwelk ons zulk eene goede gelegenheid aanbiedt om met zijne natuurlijke gesteldheid bekend te worden, als de maan, de trouwe satelliet, die onze aarde op hare baan rondom de zon vergezelt. Men mag het er met regt voor houden, dat zij in onze onmiddellijke nabijheid is geplaatst. Op haren versten afstand toch is zij slechts 55,000 mijlen van onze aarde verwijderd, terwijl zij in haren naasten stand haar zelfs tot op 48,000 mijlen nadert. Haar gemiddelde afstand bedraagt 51,800 mijlen, ongeveer 30 malen de middellijn onzer aarde. En wat is een afstand van 50,000 mijlen bij de ontzaggelijke afstanden, die de sterrekunde ons doet kennen? Bovendien vertoont zij zich aan den hemel als een vrij groote schijf met eene middellijn van 32 minuten. Reeds met het bloote oog kunnen wij haar gelaat naauwkeuriger opnemen, dan bij andere planeten met de sterkste kijkers kan geschieden. Wij hebben dus het regt te verwachten, dat wij van haar een vollediger kennis kunnen verkrijgen, dan van eenig ander ligchaam aan den hemel.
De afstand, waarop zij van de aarde is verwijderd, verdwijnt bijna, als wij dien vergelijken met den afstand der zon, die 400 malen verder van ons staat. Wij mogen derhalve onze maan met opzigt tot het licht en de warmte, die zij van de zon ontvangt, in gelijken toestand geplaatst achten, als onze aarde. Dat zij nu eens 50,000 mijlen nader<noinclude>{{rh|{{gap|2em}}1863.||25{{gap|2em}}}}</noinclude>
7re3yluw46eo46r0qebvxyfp2sil69i
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/372
104
85724
221099
219743
2026-05-13T16:00:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221099
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|354|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>aan de zon, dan weder 50,000 mijlen verder van haar af staat, dan onze planeet, kan in den licht- en warmtetoestand op haar, vergeleken met dien op onze aarde, geen aanmerkelijk verschil maken.
Maar in de wijze, waarop het licht en de warmte der zon door haar worden opgevangen, heeft daarentegen een in het oog loopend verschil plaats. De maan toch keert aan de aarde altijd dezelfde zijde toe; zij schijnt dus met opzigt tot onze aarde zich niet om hare as te wentelen, — en toch doet zij dit. In denzelfden tijd, waarin zij haren weg rondom de aarde aflegt, heeft ook haar ligchaam eene omwenteling rondom haar eigen as volbragt. Zij gaat bestendig aan den geheelen hemel rond en na 29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 2,9 sekonden is zij weder in denzelfden stand tot de zon gekomen, waarop zij bij den aanvang van die periode stond.
In 29 dagen en bijna 13 uren volbrengt zij dus haren loop rondom de aarde en tevens ééne rondwenteling om hare as. Hieruit vloeit eene geheel andere tijdsverdeeling voort, dan bij ons plaats heeft. De aarde wentelt in 24 uren om hare as en keert in dien tijd alle punten van haren aequator achtereenvolgend aan de zon toe. Wij noemen dat tijdsverloop éénen dag. Maar op de maan zal het ruim 29½ dagen duren, eer elk gedeelte van haren aequator aan de zon zal zijn toegekeerd. Een maan-dag zal derhalve 29½ van onze aarde-dagen duren. Als voor eene plaats op de maan de zon boven den horizon opgaat, zal zij ruim 7 dagen aan den hemel rijzen, voor zij hare middaghoogte bereikt, en dan weder ruim 7 dagen dalen, eer zij ondergaat. Een nacht van nagenoeg 14{{smaller|{{frac|3|4}}}} van onze dagen zal dan moeten verloopen, eer de zon weder boven den horizon komt.
Daar zij met de aarde en als aan haar gebonden haren jaarlijkschen omloop rondom de zon volbrengt, heeft het jaar voor haar dezelfde lengte als voor onze aarde. Maar terwijl de aarde gedurende dien omloop bijna 365¼ malen om hare as wentelt, volbrengt de maan slechts ruim 12{{smaller|{{frac|1|3}}}} omwentelingen. Het aarde-jaar bestaat dus uit 365¼ aarde-dagen van 24 uren; het maan-jaar uit 12{{smaller|{{frac|1|3}}}} maan-dagen, elk van 29½ aarde-dagen. Dat derhalve de tijdmeting en tijdsverdeeling op de maan eene geheel andere moet zijn dan op de aarde, vloeit daaruit van zelf voort.{{nop}}<noinclude></noinclude>
ok5ufxwape817ineeh4x2aza4apm8eb
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/373
104
85725
221100
219744
2026-05-13T16:58:11Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221100
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|355}}</noinclude>Ook nog in een ander opzigt bestaat er een aanmerkelijk verschil tusschen de aarde en hare maan. Hare omwentelings-as staat bijna loodregt op de loopbaan, die zij elk jaar met de aarde rondom de zon aflegt. Hen gevolg hiervan is, dat er op de maan geene merkbare afwisseling van jaargetijden plaats heeft. Hare dagen en nachten zijn overal en altijd nagenoeg even lang. Aan de polen loopt de zon geregeld aan den horizon langs. In de streken, onder haren aequator gelegen, loopt de zon het geheele jaar door altijd door het toppunt des hemels. Merkbare verlenging en verkorting der dagen wordt op geene plaats van de maan waargenomen.
Daar de maan in volume nagenoeg 49 malen kleiner dan de aarde is en hare massa slechts het 88<sup>ste</sup> deel van de massa der aarde bedraagt, zoo volgt daaruit, dat de stof, waaruit zij bestaat, iets meer dan de helft van de digtheid bezit onzer aarde, of naauwkeuriger uitgedrukt, zoo wij de digtheid der aarde = 1 stellen, dan is die der maan = 0.619. De kracht, waarmede een ligchaam naar haar middenpunt getrokken wordt, met andere woorden de zwaarte, waarmede een ligchaam op hare oppervlakte drukt, bedraagt slechts 0.16 van die op onze aarde. De kracht, die men op aarde noodig zoude hebben om een gewigt van 16 ponden van den grond op te ligten, zou dus op de maan toereikende zijn om een gewigt van 100 ponden op te heffen.
Uit dit alles valt gemakkelijk het gevolg af te leiden, dat de natuurlijke gesteldheid der maan zeer veel verschillen moet van die, welke wij op onze aarde waarnemen.
Er is onder de sterrekundigen veel getwist, of de maan al of niet van een dampkring omringd is. Bij de volkomene optische hulpmiddelen, die den astronoom thans te dienste staan, lijdt het geen twijfel, dat, zoo er een dampkring rondom de maan bestond, hij moest waargenomen worden, al ware hij ook duizendmaal ijler dan die, welke onze aarde omgeeft. Om dit duidelijk te maken weten wij niets beter, dan de woorden van onzen beroemden Leidschen astronoom {{sc|kaiser}} over te nemen<ref>{{sc|Kaiser}}, ''de Sterrenhemel'', 1e dl, bl. 160.</ref> . "In hare beweging aan den hemel, zal de maan nu en dan eene ster bedekken. Men kent de beweging der maan aan<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
2emw5crgey367v1o7drhfoz8bi6k52u
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/374
104
85726
221102
219745
2026-05-13T18:54:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221102
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|356|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>den hemel en ook hare schijnbare grootte, zoodat men zeer naauwkeurig berekenen kan, gedurende hoeveel tijds de ster achter de schijf der maan verborgen zal blijven. Bezit de maan eenen dampkring, hoezeer wij dien met onze kijkers niet bemerken, zoo moet hij aan dat tijdsverloop eene zekere wijziging toebrengen, want het licht der ster, langs den rand der maan strijkende, zoude eene buiging in haren dampkring moeten ondergaan, waardoor de ster ons nog eenigen tijd zigtbaar zoude blijven, nadat zij zich reeds werkelijk achter de maan bevindt, en waardoor zij, voor ons oog, weder te voorschijn zoude treden, voordat de maan haar werkelijk verlaten heeft. De ster zoude dan minder tijd gebruiken om achter de maan te verwijlen, dan dien zij daartoe, naar de grootte en de beweging van dat ligchaam, gebruiken moest. Het verschil tusschen waarneming en berekening kan dus het al of niet bestaan van eenen dampkring om de maan beslissen; maar dat verschil is onmerkbaar, en het zoude zelfs dan reeds merkbaar zijn, indien de maan eenen dampkring bezat, wiens digtheid door die van onzen dampkring duizend malen overtroffen werd. Zoo dus de maan eenen dampkring heeft, zoude die uit eene luchtsoort moeten bestaan van grootere dunheid of ligtheid, dan die, waartoe wij de lucht van onzen dampkring door de volkomenste luchtpompen kunnen brengen. Zoodanig een dampkring zoude in alle opzigten onmerkbaar wezen en het is zeker, dat de maan althans geenen digteren bezit."
De sterrekundige {{sc|schröter}} meende echter de flaauwe sporen van eene zeer zwakke schemering, voornamelijk omstreeks den tijd der nieuwe maan, aan de bovenpunten van dat ligchaam bespeurd te hebben. Hieruit maakte hij op, dat de maan met een dampkring omgeven moet zijn, die zich tot eene hoogte van 452 Ned. ellen boven de oppervlakte van de maan zou verheffen. Doch latere waarnemingen hebben deze opmerking niet bevestigd, zoodat men het wel als uitgemaakt zeker mag beschouwen, dat de maan òf in het geheel geen dampkring bezit, òf dat, zoo zij er een heeft, deze zoo uiterst gering moet zijn, dat hij aan de naauwkeurigste waarneming ontsnapt. De beroemde sterrekundige {{sc|le verrier}} heeft dan ook bij de zoneklips van 18 Julij 1860, die hij in Spanje heeft waargenomen, geen spoor van refractie der<noinclude></noinclude>
bj0s9qu54i814sy5our5zam8w9xdgy2
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/375
104
85727
221103
219746
2026-05-13T18:57:09Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221103
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|357}}</noinclude>zonnestralen, welke digt langs de maanschijf heengingen, opgemerkt.
Maar heeft de maan geen dampkring, dan kan er ook geen water bestaan: want zoo het bestond, zoude het terstond in het luchtledige verdampen en de maan met eene damplaag omgeven. Maar zelfs met de volkomenste kijkers heeft men geen spoor van wolken op het ligchaam der maan kunnen ontdekken. Er bestaat dus ook geen water in dampvormigen toestand.
Als men de maan met het bloote oog beschouwt, dan reeds bemerkt men, dat het zonnelicht door haar niet evenredig wordt teruggekaatst. Men bemerkt op het gelaat, dat zij ons toekeert, lichte en donkere vlekken. Beschouwt men haar door een goeden kijker, dan toont zij ons eene oppervlakte, die veel gelijkheid heeft met een kwalijk geslaagd gipsafgietsel, met eene menigte uitstekende bobbels, rimpels en gaatjes bezet. Men kan daaruit reeds op het eerste gezigt het gevolg afleiden, dat de oppervlakte van het maanligchaam zeer oneffen moet zijn.
{{sc|Galilei}} was de eerste, die in het begin der 17{{smaller|<sup>de</sup>}} eeuw tot het besluit kwam, dat de maan met bergen en dalen moet zijn bedekt. Volgens hem zouden de hoogste toppen der gebergten zich tot 8800 Ned. ellen boven de vlakte verheffen, omdat hij sommige punten verlicht zag, die nog een twintigste gedeelte van de middellijn der maan verwijderd waren van de lijn, die de dag- en nachtzijde scheidt. Andere sterrekundigen, zoo als {{sc|hevelius}} en {{sc|herschel}}, hebben deze hoogten eenigzins anders aangegeven. Wij volgen de opgaven, die {{sc|beer}} en {{sc|maedler}} na langdurige studie op het maanligchaam ons gegeven hebben. Volgens deze sterrekundigen zijn er zes bergtoppen, die hooger zijn dan 5800 Ned. ellen, en tweeëntwintig, die eene meerdere hoogte dan 4800 ellen hebben. Vergelijken wij deze hoogten met die van de hoogste bergtoppen op onze aarde, dan zien wij, dat er zich op onze planeet hoogere bergen bevinden dan op de maan. De hoogste bergtop, die {{sc|beer}} en {{sc|maedler}} ons doen kennen, is de Doerfel, die aan de zuidpool van de maan zich tot 7603 Ned. ellen boven de vlakte verheft, terwijl de Kintschindjinga in het Himalaya gebergte, meer bekend onder den naam van Mount Everest, eene hoogte van 8592 Ned. ellen bezit. De 22 bergen, die eene meerdere<noinclude></noinclude>
l7iw347abp7nnzeb0mto8qkyjajc9zn
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/379
104
85731
221118
219750
2026-05-14T07:28:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221118
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />
{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|361}}</noinclude>in menigte van groote ringgebergten uitstralen. Het zijn noch hoogten, noch diepten, zoo als de groeven, die de maanoppervlakte doorsnijden. Van daar dat vele sterrekundigen van oordeel zijn, dat de grond op die plaatsen door vroegere vulkanische werkingen, door verglazing of verkalking, de eigenschap heeft gekregen om meer licht dan op andere plaatsen der maan terug te kaatsen.
Wij kunnen ons hier onmogelijk inlaten met eene meer uitvoerige beschrijving van de verschillende walvlakten, ringgebergten, kraters, diepten, bergaderen, landruggen, groeven en lichtstrepen, die op de maan gevonden worden. De totaal-indruk, dien het aanschouwen en bestuderen van de naauwkeurige maankaart van {{sc|beer}} en {{sc|maedler}} op ons maakt, leidt ons tot de overtuiging, dat de maan eenmaal het tooneel geweest moet zijn van ontzaggelijke vulkanische werkingen. {{sc|schröter}} heeft uit den omvang der kraters en der wallen, waarmede zij omringd zijn, het gevolg afgeleid, dat de kraters zich gevormd hebben, door bij eene enkele uitbarsting hun stof uit te werpen, die den omringenden wal gevormd heeft. Maar wat moet men denken van eene vulkanische werking, waarbij een ringgebergte wordt opgeworpen, hetwelk, zoo als bij het gebergte Copernicus, een krater omsluit, die meer dan 7 mijlen doorsnede heeft bij eene diepte van 18000 voeten?
Als men echter in aanmerking neemt, dat de zwaarte op de oppervlakte der maan 6¼ maal minder is dan op onze aarde, dan zal men zich daardoor beter de mogelijkheid kunnen denken van vulkanische werkingen, die alles, wat wij op aarde zien, verre overtreffen. Want dezelfde kracht, die hier een ligchaam tot op een zekeren afstand werpt, zou ze op de maan 6¼ maal verder dragen.
Maar al neemt men aan, dat de oppervlakte der maan door vulkanische werking is gevormd, dan volgt daaruit nog niet, dat deze werking door vuur is voortgebragt. Op de maan toch ontbreken de omstandigheden, die bij elke verbranding noodzakelijk zijn. {{sc|Maedler}} houdt het daarom voor meer waarschijnlijk, dat er gas-ontploffingen zonder vuur hebben plaats gehad. Toen de oppervlakte der maan reeds door afkoeling vast was geworden, werden de ingewanden van de maan, die nog sterk verhit waren, zoo geweldig zamengeperst,<noinclude></noinclude>
9m3k5gjd03dy0jkh806gzm8i35heux1
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/380
104
85732
221121
219752
2026-05-14T07:55:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221121
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|362|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCGHAMEN, |}}</noinclude>dat de inwendig ontstaande gassen zich een uitweg moesten banen door de maanschors heen. In den aanvang hadden deze uitbarstingen plaats op groote schaal over de geheele oppervlakte der maan. Later, toen de verstijving der maanschors verder gevorderd was, vertoonden zij zich alleen op enkele plaatsen, waar de maanschors minder tegenstand bood. In een nog later tijdvak hadden er geene eigenlijke uitbarstingen meer plaats, maar werd de weerstandbiedende maanschors opgestuwd en opgeheven. In den tegenwoordigen tijd schijnt deze vulkanische werking geheel opgehouden en de vorming van de oppervlakte van het maanligchaam voleindigd te zijn. — Op deze wijze meent {{sc|maedler}} zich het best het ontstaan van de verschillende vormingen op de oppervlakte van dit hemelligchaam te kunnen verklaren.
Maar is de geschiedenis van onze maan reeds afgeloopen? Ondergaat zij nog veranderingen, of is zij eene geheel afgewerkte en voltooide wereld, het eindprodukt van vroegere natuurwerkingen, die van nu af in haren tegenwoordigen toestand onveranderd blijft volharden?
Het heeft niet ontbroken aan sterrekundigen, die gemeend hebben veranderingen op de oppervlakte der maan te bespeuren. {{sc|Herschel}} verhaalt, dat hij den 19 April 1787 op de donkere zijde der maan deze vulkanen in volle werking gezien heeft. De werkelijke middellijn van het vulkanisch licht werd door hem geschat op 5000 Ned. ellen. {{sc|Hevelius}} geloofde, dat de vlek Aristarchus een nog brandende vulkaan was, om de meerdere lichtsterkte, die van dat punt afstraalt. {{sc|Schröter}} vond in 1788 een krater bij de vlek Hevelius, die volgens zijne overtuiging slechts sedert korten tijd op die plaats ontstaan: was. Op eene andere plaats meende hij een bergtop opgemerkt te hebben, die gedurende zijne waarnemingen kennelijk van gedaante veranderde.
Maar daartegenover staat, dat {{sc|beer}} en {{sc|maedler}}, die acht jaren lang de oppervlakte der maan met de meeste volharding en naauwkeurigheid en, met de beste kijkers voorzien, onderzocht hebben, verklaren, dat zij nooit eenig spoor van verandering op de oppervlakte der maan ontdekt en ook niets gezien hebben, wat aan nog in werking zijnde vulkanen, aan bliksemstralen, noorderlicht of schemering kan doen denken. {{nop}}<noinclude></noinclude>
ouof23r444z870mbider1a0bsz5ai5o
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/381
104
85733
221122
219753
2026-05-14T08:16:22Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221122
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|365}}</noinclude>Men wordt dan wel gedwongen om de weinige en zeldzame waarnemingen van veranderingen op het maanligchaam, door sommige sterrekundigen ons medegedeeld, aan eene gezigtsdwaling of eenige andere oorzaak toe te schrijven. De maan biedt ons het schouwspel aan van een uitgebreid veld, dat zich onder hevige vulkanische werking heeft gevormd, hetwelk in alle rigtingen nog bezaaid is met uitgebrande en uitgedoofde vulkanen. Die hoogten en laagten, de kloven en spleten, de steile spitsen en diepe afgronden, die wij op de maan opmerken, leggen nog de getuigenis af van de vreeselijke stuiptrekkingen, waaraan eens onze satelliet ten prooi is geweest.
Maar alle leven, alle eigene beweging is sedert lang op de maan opgehouden. Stellen wij ons voor, dat in het maanligchaam alle reactie van binnen uit tegen zijne oppervlakte ophield, totdat het eindelijk volkomen afgekoeld en verstijfd was, dan moest daarvan ook het natuurlijk gevolg zijn, dat de zelfstandige omwenteling om hare eigen as van lieverlede verminderde en ten laatste in eene schommeling overging, waarvan wij nog de flaauwe sporen waarnemen. Zij moest dan de aarde altijd dezelfde zijde toekeeren.
De van ons afgekeerde zijde der maan ligt voor altijd buiten het bereik onzer waarnemingen. Wat wij van de Jupiter-manen weten, die in dezelfde verhouding tot hare hoofdplaneet geplaatst zijn, doet ons denken, dat ook het voor ons onbekende gedeelte van den maanbol over 't algemeen in dezelfde natuurlijke gesteldheid zal verkeeren als het aan ons toegekeerde deel.
Met grond kan men echter aannemen, dat de ons toegekeerde zijde der maan minder digt, losser en met meer holligheden en spleten doorkliefd is, dan de van ons afgekeerde zijde. Want in den tijd toen de eigene aswenteling der maan ophield, moest de gloeijende kern, die nog in haar was overgebleven, de aan onze aarde toegekeerde zijde opheffen, uitzetten en hier en daar doorbreken. Terwijl de ons toegekeerde zijde verbazende hoogten en diepten vertoont, zal waarschijnlijk het van ons afgekeerde halfrond meer het aanzien hebben van eene met zacht hellende hoogten en laagten golvende vlakte.
Zoo wij ons met onze optische instrumenten op de planeet Venus konden verplaatsen, zouden wij in staat zijn het maanligchaam van<noinclude></noinclude>
a2fmuq5ezskw4y5x9whvx779j0fqif5
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/382
104
85734
221123
219754
2026-05-14T08:18:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221123
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|364|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>alle zijden waar te nemen en dus aan onze maankaart eene volledigheid te geven, die zij nu voor de aardbewoners nimmer bereiken kan.
De vraag naar de bewoonbaarheid van het maanligchaam achten wij niet noodig na het aangevoerde nog opzettelijk te behandelen. Deze vraag ligt eigenlijk geheel buiten het gebied der sterrekundige wetenschap. Maar voor iederen aandachtigen lezer zal het gemakkelijk vallen uit hetgeen wij betreffende de natuurlijke gesteldheid van dit en van andere hemelligchamen gezegd hebben op te maken, dat de maan althans niet bewoonbaar kan zijn voor wezens zoo georganiseerd als de levende schepselen op onze aarde. Het leven, zoo als wij het op onze planeet opmerken, kan nergens dan daar alleen bestaan. Wel heeft de sterrekundige {{sc|gruithuisen}} te Munchen in 1821 in eene streek midden op de maan eene reeks van wel aangelegde vesting werken meenen te zien, en daaruit het gevolg afgeleid, dat zij door gelijksoortige wezens als onze aarde bewoond was, maar wat hij zag, is gebleken niets anders te zijn dan die eigenaardige formatiën, die men overal op de maan aantreft.
Maar zullen dan van al die hemelligchamen, die met ons tot het zonnestelsel behooren, alleen onze aarde bewoond en bevolkt en alle anderen ledige, van alle leven verstokene werelden zijn? De sterrekunde beantwoordt wel die vraag niet, maar als wij aannemen, dat er ook andere levensvormen denkbaar zijn, dan die wij op onze aarde waarnemen, dan blijft althans de mogelijkheid bestaan, dat ook op andere hemelbollen in andere levensvormen de heerlijkheid en magt des Scheppers geopenbaard en ook tevens erkend en bewonderd wordt.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
{{c|{{larger|MARS.}}}}
{{dhr}}
Wij gaan nu over tot die planeten, wier loopbanen niet binnen de loopbaan der aarde, maar daar buiten gelegen zijn en die daarom buitenplaneten genoemd worden. De eerste, die wij in deze rigting ontmoeten, is de planeet Mars.
De gemiddelde afstand, waarop deze planeet van de zon verwijderd is, bedraagt ruim 31½ millioen mijlen. Maar daar hare loopbaan eenen<noinclude></noinclude>
0rhrlr3zt8w0l965l7qulawho4maas2
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/385
104
86006
221125
220614
2026-05-14T08:21:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
221125
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|367}}</noinclude>later de teleskopen van tijd tot tijd volmaakter werden, heeft men deze vlekken meer naauwkeurig kunnen waarnemen. Sommige sterrekundigen, zooals {{sc|schröter}} en {{sc|harding}}, hebben wel gemeend in die vlekken groote veranderingen waar te nemen en die toe te moeten schrijven aan wolken, die in den dampkring van Mars rond drijven. Maar de veranderlijke vorm dier vlekken is door latere sterrekundigen, zelfs door {{sc|beer}} en {{sc|maedler}}, die Mars met den grootsten ijver bestudeerd hebben, niet waargenomen.
Het is wel aan geen twijfel meer onderhevig, dat deze vlekken aan het ligchaam der planeet zelve eigen zijn. Door hunne verplaatsing op de schijf van Mars, een natuurlijk gevolg van de aswenteling dezer planeet, ondergaan zij voor het oog van den waarnemer eene zekere verandering. Zij vertoonen zich dan alleen in hunne ware gedaante, als zij zich in het midden van de schijf der planeet bevinden. Naderen zij tot den rand, dan vertoonen zij zich, even als de zonnevlekken, verkort en misvormd. Van daar komt het, dat het uitwendige gelaat der planeet voor ons oog gestadig verandert. Maar als men dezen veranderlijken stand der planeet met betrekking tot ons oog in rekening brengt, dan kan men aannemen, dat de vlekken, die door ons op Mars worden waargenomen, bestendig hunne gedaante en ligging behouden en dus tot het ligchaam der planeet zelve behooren. Maar wat nu die vlekken zijn, of zij zeeén en vaste landen, diepten of hoogvlakten voorstellen, dat is eene vraag, waarop de sterrekunde tot hiertoe geen bepaald antwoord kan geven.
Wij hebben hier eene kaart van de planeet Mars ingevoegd, naar de waarnemingen, die {{sc|beer}} en {{sc|maedler}} van 1830 tot 1839 hebben gedaan.
Het zal terstond ieders aandacht trekken, dat ook op Mars, even als op onze aarde, het noordelijk halfrond met veel grooter vaste landen is voorzien dan het zuidelijke. Over 't algemeen merkt men in de verdeeling der landen eene onmiskenbare overeenkomst op tusschen Mars en onze aarde.
Een opmerkelijk verschijnsel verdient hier onze bijzondere aandacht. Het zijn twee scherp begrensde helder witte cirkelvormige vlekken rondom de beide polen der planeet, welke door hunnen helderen witten glans eer sterk bij het overige ligchaam der planeet afsteken.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
lrg3i7bpjf3muo0jb011it19doyh9ke
Index:De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf
106
86225
221104
2026-05-14T06:42:41Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221104
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=tijdschrift
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=De Preanger-bode
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1907
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist
1="eerste blad, 1"
2="eerste blad, 2"
3="eerste blad, 3"
4="eerste blad, 4"
5="tweede blad, 1"
6="tweede blad, 2"
7="tweede blad, 3"
8="tweede blad, 4"
/>
|Opmerkingen=Zie [[:Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
2kdjm58icoym8qkzxq5q29o6bz0kxqp
Pagina:De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf/6
104
86226
221105
2026-05-14T06:45:06Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221105
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="s1"/>een bosch-idylle. Jaques zat aan bet klavier, speelde langzaam de klare tonen, die in fijn-melodieuze schakeeringen het woudleven schilderden. Het kind ging met voorzichtig beweeg der voetjes door de pracht der woudkleuren, plukte hier en daar van de blanke anemonen, de gele primula’s, de purperen viooltjes; snoof de balsemende geuren of stak zich de jonge lente-bloemen in het blonde haar. Dan opeens hoorde zij het gezang van den vogel, verscholen in het groene loover, volgde den lieven zanger, die wij van tak op tak zagen wippen, en die zij zoo graag grijpen wou, drukken aan haar blij-kloppend hartje. Potseling vloog de vogel weg, liet het kind in smartelijke droefheid alleen.
<br>{{gap}}Dat leek op Duncan-kunst. En de menschen in de zaal hadden het lieve kind wel willen omhelzen. Het succes steeg tot het toppunt, toen oudere leerlingen van zestien, zeventien jaren den treurmarsch van Chopin »dansten”.
<br>{{gap}}Ziedaar in korte trekken de z. g. rhythmische methode van Jaques Dalcroze, zijn oeuvre. In Zwitserland waardeert men zijn werk naar verdienste en wordt zijn methode op nagenoeg alle muziekscholen gevolgd. In Bazel bijv. zijn de solfège-klassen aan de muziekschool, na een openbare voordracht door Jaques in de Rijnstad gehouden, tot zeven klassen uitgebreid — zoo groot was het aantal inschrijvingen.
{{lijn|5em}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft voor vier honderd vijf en twintig duizend (425.000) mark van den kunsthandelaar Sedelmayer te Parijs gekocht een goed geconserveerde schilderij van {{sp|Rafaël}} uit het jaar 1514, den broeder van paus Leo X voorstellend. Daarmede heeft de kooper alle van amerikaansche zijde geboden prijzen overtroefd.
{{lijn|5em}}
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{gap}}Tot voor kort was het {{sp|Holbbourne Art Museum}} te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. Twaalf jaar lang {{SIC|had heeft}} deze stad zich verheugd in ’t bezit van een verzameling van 250 schildergen, waaronder Rafaël Rembrandt, Frans Hals, van Dijck en Hobbema, haar vermaakt door Sir William Holbourne. Wel is waar hadden spotters dit museum al den naam van de schoonste verzameling van schilderijlijsten gegeven, maar toch werden de schatten met zorg bewaard; tot kort geleden een nieuwe curator optrad, die ze eens aan een duchtig onderzoek onderwierp. En meer dan 150 schilderijen vonden nu hun weg naar den kelder, de andere ontvingen de hun toekomende bescheiden namen.
<br>{{gap}}Het zou echter ondenkbaar zijn, dat er onder zoo’n groot aantal niet een paar goede stukken verdwaald zouden zijn en zoo blijven er dan ook drie stukken van werkelijke waarde over, één van Hoppner, dat een van de beste voorbeelden van diens kunst is en twee mooie Gainsborough’s, waarvan een het portret van den dichter Richardsen.
{{lijn|5em}}
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{gap}}Te Rome is van een fontein een der prachtige schildpadden gestolen, die ter versiering dienden. Het is een werk uit de zestiende eeuw en bezit groote kunstwaarde. De schildpad, driemaal levensgroot, is het werk van dan florentijnschen beeldbouwer Landini.
{{lijn|5em}}
<section end="s4"/>
<section begin="s5"/>{{gap}}Een {{sp|opgravings expeditie}} onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, waar het eerst de oude turkoois-mijnen van Mugharet aan de beurt kwamen. Zij bleken reeds van de vroegste tijden af met koperen beitels en gereedschappen bewerkt te zijn.
<br>{{gap}}Van de twee à driehonderd rots-opschriften die men achtereenvolgens naschreef of fotografeerde, werden hier de eerste gevonden. Het oudste was van Semerkhet, den zevenden koning der eerste dynastie, en stond geschreven op een rotswand van zandsteen, niet minder dan 394 voet boven den beganen grond. Het had achter geen betrekking op den mijn-arbeid. Gegevens hierover werden gevonden in een opschrift uit een tijdperk, dat slechts weinig jonger is, dat van de derde dynastie, een beeltenis van koning Sa-nekhet stond gehouwen boven een der oude mjjnen.
<br>{{gap}}Ongelukkig was de wand bij lateren mijnarbeid beschadigd, doch dit portret van Sanekeht is uitstekend bewaard gebleven. Deze vorst had hetzelfde sterk uitkomende ethiopische type als het portret van Shabaka der vijf-en-twintigste ethiopische dynastie — een typr, dat men nog dikwijls aantreft onder Soedaneezen, die in het egyptische leger of bij de politie dienen.
<br>{{gap}}Het voornaamste en meest belangwekkende deel der expeditie gold de onderzoekingen van de omgeving der mijnen van Serabit, waarvan tot nu toe veel minder bekend was dan van die te Magharet. Van bizonder belang is daar de tempel van Hat-hor, de godin van het turkoois. Deze tempel werd begonnen onder Sneferu, den laatsten koning der derde dynastie en de bizondere godsvrucht van dezen vorst betreffende de turkooizen-godin stond wellicht in verband met het financieel succes van Z. M. met de mijnontginnig daar ter {{SIC|platse|plaatse}}. Dit succes moet zoo reusachtig zijn geweest, dat het als een sprookje gedurende de volgende eeuwen voortleefde. Een ambtenaar onder de twaalfde dynastie laat zelfs op een door hem opgerichte »stele” griffen »dat hij meer turkooizen heeft verkregen dan iemand sedert de dagen van Sneferu”.
<br>{{gap}}Sneferu zelf werd in de volgende eeuwen een voorwerp van godsdienstige vereering bij de mijnwerkers en met den door hem gestichten tempel te Hat-hor was dit natuurljjk in nog sterker mate het geval.
<br>{{gap}}Onder de achttiende dynastie, meer in het bizonder onder de regeering van koningin Hatshepaut en van haar neef Falmtmes III, begon men den tempel te vergrooten, waardoor een zeer merkwaardige bijeenvoeging van egyptische en vreemde lijnen en vormen ontstond. Er werd een nieuwe toegangsweg aangelegd, waaraan achtereenvolgende heerschers tot en met Sety I een reeks hoven, vertrekken en hooge torenachtige gebouwen toevoegden. Zoo was de bezoeker van het heiligdom ten slotte {{SIC|veerplicht|verplicht}} een veertiental vertrekken van allerlei vorm en grootte door te gaan eer hij het eigenlijke groote open voorhof van den tempel had bereikt, en daar al deze vertrekken overwulfd waren, had die toegangsweg veel van een tunnel. Als de bezoeker eenmaal het voorhof bereikt had, scheidden hem nog twee portieken en een kleinere voorhof van het eigenlijke heiligdom: een gewijde kelder, eigenlijk een in rots uitgehouwen hol.
<br>{{gap}}Hoewel het egyptisch karakter in het bouwwerk overwegend is, heeft professor Petrie toch ontdekt, dat het eigenlijke heiligdom en de eeredienst daarin niet egyptisch waren. Nu concludeert hij dat de dienst daarin oud-semietisch was en daarvoor meent hij bewijzen te kunnen aanvoeren. In de eerste plaats dat dit land, ten minste in het historische tijdperk, door Semieten bewoond werd, verder op grond van de reusachtige hoeveelheid asch, die overal in den omtrek van den rotstempel verspreid ligt. Dit duidt volgens den onderzoekings-reiziger op het brengen van offeranden, volgens het semitisch ritueel. Voorts vond hij in den rotstempel kleine reuk-altaren. De Egyptenaren toch brandden hun wierook niet op reukaltaren maar op schalen. Ten slotte de inrichtingen tot het verrichten van wasschingen, die werden aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van den gewijden kelder. De professor vergelijkt deze met inrichtingen voor dat doel in Mohamedaansche moskeeën, die dan hanafiyeh heeten.
<section end="s5"/>
<section begin="s6"/>{{lijn|height=4px}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|VENDUTIEN.}}}}
{{lijn}}
{{c|AANGESLAGEN VENDUTIËN.}}
{{alinea|2em|-2em|Maandag 14 Januari. Vendutie ten huize van den heer E. PESCH, Pasir Kaliki, Bandoeng, van meubilair, enz., door BRUINING & Co.}}
{{alinea|2em|-2em|Woensdag 16 Januari. Vendutie ten sterfhuize van den heer VELDERS, residentieweg, van meubilair, enz., door BRUINING & Co.}}
{{alinea|2em|-2em|Zaterdag 19 Januari. Vendutie ''a''. ten vendulokale van J. W. WIJS & Co., van paarden, wagens, meubilair en allerlei koopmanschappen.<br>''b''. te Tjimahi, ten huize van den heer H. N. VAN AMSTEL, bibitplanter, aan den grooten postweg, van meubilair, enz., door BRUINING & Co.}}
{{lijn|5em}}
{{c|VERVALDAGEN IN JANUARI 1907.
{|
| style="width:50%;vertical-align:top;" | 16. J. Klerk.<br>17. W. Jans.<br>17. Pandhuis, Tjimahi.<br>17. Gouden kris.<br>18. N. D. J. Veldhuijzen, Tjimahi.<br>19. J. H. van Hemert.<br>20. S. Soeterik.<br>20. Oliefabriek „de Arend”.
| style="width:50%;vertical-align:top;" | 20. Rijstpellerij Palasari.<br>24. Bruining & Co.<br>26. J. F Stalder.<br>27. T. H V. Rhemrev.<br>31. Mevr. Meijll.<br>31. Afgekeurde gereedschappen.<br>31. Afgekeurde muildieren.
|}
{{lijn|5em}}
<section end="s6"/>
<section begin="s7"/>{{c|{{x-larger|Shanghai Feestmaal}}}}
{{c|''door brand gestoord''.}}
{{c|De schok blijkt voor een damesgast te hevig te zijn.}}
{{lijn|5em}}
{{gap}}Een vroolijk gezelschap aan diner bij een welbekend inwoner van Shanghai schrok hevig, toen er te midden van het feest bericht kwam, dat de woning van een van de gasten in brand stond. »De tijding, dat mijn huis een prooi der vlammen was, schokte mij zoodanig, dat ik voor een oogenblik sprakeloos was”, zeide Mevr. A. Brunner, de bedoelde dame. »Mijn hart leek wel stil te staan. Onmiddelijk ging ik kijken of er nog iets gered kon worden. Schilderijen, kuriositeiten en vele dingen van waarde en belang, waaraan ik zeer gehecht was en over welker verzameling ik vele jaren besteed had, verkeerde in gevaar. Nooit zal ik dien akeligen nacht vergeten. De schrik maakte mij ziek. Ik kreeg last van sprue, volgens beweren der doctoren, en slechts toen Dr. Williams’ pinkpillen voor bleeke menschen mijne zenuwen versterkten en mijn uitgeput lichaam frissche kracht gaven, herstelde ik”. »De verschijnselen waren de volgende: acute indigestie; mijn tong, mond en keel werden zoo gevoelig, dat het eten mij uiterst pijnlijk werd; ik had geen eetlust; het weinige, dat ik gebruikte, kwam weer terug. Ik leed aan zware hoofdpijnen en werd zoo mager als een geraamte. Tusschen mijn schouderbladen had ik ook last van pijnen. Het grootste deel van den tijd bracht ik liggende door, aangezien ik geen kracht meer scheen te hebben overgehouden. Op het laatst stuurde de doctoren mij naar Engeland terug. Toen ik afreisde, gevoelde ik mij zoo ziek en hulpeloos, dat ik er zeker van was onderweg te zullen sterven. Ik maakte daarom mijn testament”.
<br>{{gap}}In Engeland bracht ik negen maanden door, doch werd er niet beter op en keerde daarom weer naar China terug. Mijn vrierden in Shanghai schrokken van mijn ongezond uiterlijk. Dit was in 1903.
<br>{{gap}}Toen werd mijn aandacht gevestigd op Dr. Williams’ pinkpillen door artikelen in de kranten, de door hen gewrochte genezingen beschrijvende. Ik besloot deze pillen te probeeren. De eerste twee flacons deden mg reeds veel goed. Mijn spijsvertering verbeterde, ik werd opgeruimder en zoodoende aangemoedigd met het innemen voort te gaan. Ik deed dit en volgde de gebruiksaanwijzingen steeds precies op. Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug, mijn eetlust nam toe, ik werd dikker, begon gezond te slapen (tot nog toe had ik veel aan slapeloosheid geleden) en op het laatst was ik volkomen genezen. Het dient nog vermeld te worden, dat het prikkelend, zwaarmoedig en nerveus gevoel, waarvan ik eertijds last had, geheel verdween en ik thans kalm en gelukkig ben”.
<br>{{gap}}»Sedert mijne genezing ben ik zeer enthouisiastisch over Dr. Williams’ pinkpillen”, zeide Mevr. Brunner ten slotte. »Voortdurend raad ik ze anderen aan. Een mijner kennissen, die met spit te bed lag, neemt de pillen thans op mijn aanraden in en heeft er reeds veel baat bij gevonden. Met genoegen geef ik U toestemming mijn getuigenis te gebruiken. Ik wensch zeer het bericht van mijne genezing aan andere lijders mede te deelen, opdat die ook heil bij deze pillen zullen vinden”.
<br>{{gap}}Hoe wonderbaarlijk de genezing van Mevr. Brunner moge lijken, is zij geheel niet buitengewoon, waar zij betrekking heeft op Dr. Williams’ pinkpillen. Deze pillen genezen n.l. dagelijks gevallen gelijk aan het hare, over de geheele wereld. Omdat zij door middel van het bloed op het geheele lichaam versterkend werken, genezen zij. Zij zijn het bewezen middel voor indigestie, leverkwalen, rheumatiek, spit, heupjicht, hoofdpijnen, zenuwzwakte, zenuwpijn, bloedarmoede (zwak, waterig bloed), verlamming, beri-beri en de naweeën van koorts, dysentery en koude. Tusschen jeugd en middelbaren leeftijd, hebben zij in het bijzonder veel waarde voor dames; mannen, door overwerken of om andere reden, uitgeput worden door het gebruik van deze pillen spoedig hersteld. Zij zijn verkrijgbaar onder het wettig gedeponeerd handelsmerk »Pilules Pink Pour Personnes Pâles du Dr. Williams” in de meeste toko’s waar medicijnen verkocht worden en bij de Dr. Williams’ Medicine Coy., Singapore, die na overmaking van twee gulden, één flacon, en van elf gulden, zes flacons franco toezendt.
<br>{{gap}}Mevr. A. Brunner woont op no. 3 Haskell road, Shanghai, en is een zeer gerespecteerd persoon in de Europeesche kolonie aldaar. De laatste vijf en dertig jaar heeft zij in die stad en in andere deelen van Noord China doorgebracht.
{{rechts|111|2em}}
<section end="s7"/>
<section begin="s8"/>{{lijn|height=4px}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|''Advertentiën.''}}}}
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Tirion.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Sinaasappelstroop.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Toko Batavia.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad meubel magazijn.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad hotel Zoete inval.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Djattiebalken.jpg|500px|center]]
<section end="s8"/>
<section begin="s9"/>en toen zij daarmee bijna gereed was, werd er op de deur geklopt. Een vrouw, die bij haar was, ging naar de deur, maar zag niemand buiten staan; het was niet licht meer, maar toch nog niet donker. De maan scheen, maar verdween soms even achter de wolken. Toen de vrouw terugkwam en zei, dat ze niets gezien had, zei Gudrun: »Het is plagerij en voor mij bestemd. Ik zal zèlf eens gaan kjjken!” Zij was geheel aangekleed, maar moest haar mantel nog aantrekken. Zij stak haar arm in één mouw, en sloeg de andere over haar schouder. Toen zij buiten kwam, zag zij Faxa staan, en een man er bij, en zij dacht, dat het de koster was. Men weet niet, of zij daar samen gesproken hebben, maar hij zette Gudrun op het paar en ging zelf vóór haar zitten. Zwijgend reden zij een eind voort. Toen zij aan de Hörgrivier kwamen, lagen daar dikke stukken ijs op den kant, en toen Faxa {{SIC|van een van een}} deze afsprong, wipte des kosters hoed van achter op en Gudrun zag een naakten schedel. Op dat oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn en de koster zei:
{{block center|»De maan glijdt,<br>De dood rijdt.<br>Ziet ge de witte plek<br>In mijn nek,<br>Garun, Garun?”}}
{{gap}}Hij zei dáárom geen „Gudrun”, omdat spoken Gods naam (IJslandsch »Gud”) niet mogen uitspreken, óók niet als deze deel uitmaakt van een naam......
<br>{{gap}}Zij was hevig ontsteld en zweeg. Maar er zijn menschen, die vertellen, dat zij zelf den hoed opgelicht heeft en zoo den naakten schedel zag. Zij moet toen gezegd hebben: »Nu zie ik hoe het is.” Maar méér vertelt men niet van hun gesprek, en ook niet van hun tocht, vóórdat zij op Myrká aankwamen; daar stegen zij af voor de kerkhofspoort; hij zei toen tot Gudrun:
{{block center|»Wacht hier, Garun, Garun,<br>Ik verzorg Faxa, Faxa,<br>In den hof.”}}
{{gap}}Hij ging weg met het paard en zij keek op ’t kerkhof. Zij zag daar een open graf en werd zeer bang; maar zij bedacht als uitweg om aan het klokketouw te trekken. Op dat oogenblik werd zij van achteren aan gegrepen en nu werd dat haar geluk, dat zij geen tijd had gehad haar armen in beide mantelmouwen te steken, want zóó hevig was de ruk, dat de mantel seheurde op den naad van de mouw, die zij aanhad, en het laatste wat zij zag van den koster, was, dat hij met het stuk mantel in het open graf sprong. Toen viel de aarde van beide kanten vanzelf op hem neer.
<br>{{gap}}Gudrun bleef luiden tot de menschen op Myrkà naar buiten kwamen en haar haalden; want zij was zoo bang, dat zij zelf niet durfde gaan, noch ophouden met luiden. Zij begreep, dat zij te doen had gehad met het spook van den koster, vóórdat zij nog iets wist van zijn dood; en dit werd zekerheid, toen zij hoorde hoe hij gestorven was en zij van haar wedervaren vertelde.
<br>{{gap}}Dienzelfden nacht, toen men het licht uitgedaan had en in bed was, kwam de koster terug, en wéér maakte hij het Gudrun lastig; het werd zóó erg, dat allen moesten opstaan en niemand dien nacht een oog dicht deed. Twee weken lang kon zij geen oogenblik alleen blijven, en ’s nachts moest men bij haar waken. Men vertelt, dat de geestelijke gedwongen was op den rand van haar bed te zitten, en dan voor te lezen uit de Psalmen. Ten slotte haalde men een heksenmeester uit Skagafjord. Toen hij kwam, liet hij een grooten steen opgraven en naar de hoeve brengen. ’s Avonds, toen het donker werd, kwam de koster en wilde de woning binnendringen, maar de heksenmeester drong hem naar den steen; door ban-formulieren bracht hij hem er toe daar te gaan liggen. Vervolgens werd de steen op hem gewenteld, en daar rust nu de koster nog heden ten dage. Alle spokerij hield nu op op Myrká, en Gudrun werd beter. Kort daarop ging zij naar Baegisá terug, maar men zegt, dat zij toch nooit meer de oude werd......
{{gap}}Ziedaar een verhaal, gesproten uit het brein van een dier oude Germanen, die men ons thans voorhoudt als toonbeelden van gezonde kracht.
{{lijn|5em}}<section end="s9"/><noinclude></noinclude>
m47fo1ezypneynmx751rmy5t5hupdgv
221130
221105
2026-05-14T08:27:59Z
Vincent Steenberg
280
typo
221130
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="s1"/>een bosch-idylle. Jaques zat aan bet klavier, speelde langzaam de klare tonen, die in fijn-melodieuze schakeeringen het woudleven schilderden. Het kind ging met voorzichtig beweeg der voetjes door de pracht der woudkleuren, plukte hier en daar van de blanke anemonen, de gele primula’s, de purperen viooltjes; snoof de balsemende geuren of stak zich de jonge lente-bloemen in het blonde haar. Dan opeens hoorde zij het gezang van den vogel, verscholen in het groene loover, volgde den lieven zanger, die wij van tak op tak zagen wippen, en die zij zoo graag grijpen wou, drukken aan haar blij-kloppend hartje. Potseling vloog de vogel weg, liet het kind in smartelijke droefheid alleen.
<br>{{gap}}Dat leek op Duncan-kunst. En de menschen in de zaal hadden het lieve kind wel willen omhelzen. Het succes steeg tot het toppunt, toen oudere leerlingen van zestien, zeventien jaren den treurmarsch van Chopin »dansten”.
<br>{{gap}}Ziedaar in korte trekken de z. g. rhythmische methode van Jaques Dalcroze, zijn oeuvre. In Zwitserland waardeert men zijn werk naar verdienste en wordt zijn methode op nagenoeg alle muziekscholen gevolgd. In Bazel bijv. zijn de solfège-klassen aan de muziekschool, na een openbare voordracht door Jaques in de Rijnstad gehouden, tot zeven klassen uitgebreid — zoo groot was het aantal inschrijvingen.
{{lijn|5em}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft voor vier honderd vijf en twintig duizend (425.000) mark van den kunsthandelaar Sedelmayer te Parijs gekocht een goed geconserveerde schilderij van {{sp|Rafaël}} uit het jaar 1514, den broeder van paus Leo X voorstellend. Daarmede heeft de kooper alle van amerikaansche zijde geboden prijzen overtroefd.
{{lijn|5em}}
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{gap}}Tot voor kort was het {{sp|Holbbourne Art Museum}} te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. Twaalf jaar lang {{SIC|had heeft}} deze stad zich verheugd in ’t bezit van een verzameling van 250 schildergen, waaronder Rafaël Rembrandt, Frans Hals, van Dijck en Hobbema, haar vermaakt door Sir William Holbourne. Wel is waar hadden spotters dit museum al den naam van de schoonste verzameling van schilderijlijsten gegeven, maar toch werden de schatten met zorg bewaard; tot kort geleden een nieuwe curator optrad, die ze eens aan een duchtig onderzoek onderwierp. En meer dan 150 schilderijen vonden nu hun weg naar den kelder, de andere ontvingen de hun toekomende bescheiden namen.
<br>{{gap}}Het zou echter ondenkbaar zijn, dat er onder zoo’n groot aantal niet een paar goede stukken verdwaald zouden zijn en zoo blijven er dan ook drie stukken van werkelijke waarde over, één van Hoppner, dat een van de beste voorbeelden van diens kunst is en twee mooie Gainsborough’s, waarvan een het portret van den dichter Richardsen.
{{lijn|5em}}
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{gap}}Te Rome is van een fontein een der prachtige schildpadden gestolen, die ter versiering dienden. Het is een werk uit de zestiende eeuw en bezit groote kunstwaarde. De schildpad, driemaal levensgroot, is het werk van dan florentijnschen beeldbouwer Landini.
{{lijn|5em}}
<section end="s4"/>
<section begin="s5"/>{{gap}}Een {{sp|opgravings expeditie}} onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, waar het eerst de oude turkoois-mijnen van Mugharet aan de beurt kwamen. Zij bleken reeds van de vroegste tijden af met koperen beitels en gereedschappen bewerkt te zijn.
<br>{{gap}}Van de twee à driehonderd rots-opschriften die men achtereenvolgens naschreef of fotografeerde, werden hier de eerste gevonden. Het oudste was van Semerkhet, den zevenden koning der eerste dynastie, en stond geschreven op een rotswand van zandsteen, niet minder dan 394 voet boven den beganen grond. Het had achter geen betrekking op den mijn-arbeid. Gegevens hierover werden gevonden in een opschrift uit een tijdperk, dat slechts weinig jonger is, dat van de derde dynastie, een beeltenis van koning Sa-nekhet stond gehouwen boven een der oude mjjnen.
<br>{{gap}}Ongelukkig was de wand bij lateren mijnarbeid beschadigd, doch dit portret van Sanekeht is uitstekend bewaard gebleven. Deze vorst had hetzelfde sterk uitkomende ethiopische type als het portret van Shabaka der vijf-en-twintigste ethiopische dynastie — een typr, dat men nog dikwijls aantreft onder Soedaneezen, die in het egyptische leger of bij de politie dienen.
<br>{{gap}}Het voornaamste en meest belangwekkende deel der expeditie gold de onderzoekingen van de omgeving der mijnen van Serabit, waarvan tot nu toe veel minder bekend was dan van die te Magharet. Van bizonder belang is daar de tempel van Hat-hor, de godin van het turkoois. Deze tempel werd begonnen onder Sneferu, den laatsten koning der derde dynastie en de bizondere godsvrucht van dezen vorst betreffende de turkooizen-godin stond wellicht in verband met het financieel succes van Z. M. met de mijnontginnig daar ter {{SIC|platse|plaatse}}. Dit succes moet zoo reusachtig zijn geweest, dat het als een sprookje gedurende de volgende eeuwen voortleefde. Een ambtenaar onder de twaalfde dynastie laat zelfs op een door hem opgerichte »stele” griffen »dat hij meer turkooizen heeft verkregen dan iemand sedert de dagen van Sneferu”.
<br>{{gap}}Sneferu zelf werd in de volgende eeuwen een voorwerp van godsdienstige vereering bij de mijnwerkers en met den door hem gestichten tempel te Hat-hor was dit natuurljjk in nog sterker mate het geval.
<br>{{gap}}Onder de achttiende dynastie, meer in het bizonder onder de regeering van koningin Hatshepaut en van haar neef Falmtmes III, begon men den tempel te vergrooten, waardoor een zeer merkwaardige bijeenvoeging van egyptische en vreemde lijnen en vormen ontstond. Er werd een nieuwe toegangsweg aangelegd, waaraan achtereenvolgende heerschers tot en met Sety I een reeks hoven, vertrekken en hooge torenachtige gebouwen toevoegden. Zoo was de bezoeker van het heiligdom ten slotte {{SIC|veerplicht|verplicht}} een veertiental vertrekken van allerlei vorm en grootte door te gaan eer hij het eigenlijke groote open voorhof van den tempel had bereikt, en daar al deze vertrekken overwulfd waren, had die toegangsweg veel van een tunnel. Als de bezoeker eenmaal het voorhof bereikt had, scheidden hem nog twee portieken en een kleinere voorhof van het eigenlijke heiligdom: een gewijde kelder, eigenlijk een in rots uitgehouwen hol.
<br>{{gap}}Hoewel het egyptisch karakter in het bouwwerk overwegend is, heeft professor Petrie toch ontdekt, dat het eigenlijke heiligdom en de eeredienst daarin niet egyptisch waren. Nu concludeert hij dat de dienst daarin oud-semietisch was en daarvoor meent hij bewijzen te kunnen aanvoeren. In de eerste plaats dat dit land, ten minste in het historische tijdperk, door Semieten bewoond werd, verder op grond van de reusachtige hoeveelheid asch, die overal in den omtrek van den rotstempel verspreid ligt. Dit duidt volgens den onderzoekings-reiziger op het brengen van offeranden, volgens het semitisch ritueel. Voorts vond hij in den rotstempel kleine reuk-altaren. De Egyptenaren toch brandden hun wierook niet op reukaltaren maar op schalen. Ten slotte de inrichtingen tot het verrichten van wasschingen, die werden aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van den gewijden kelder. De professor vergelijkt deze met inrichtingen voor dat doel in Mohamedaansche moskeeën, die dan hanafiyeh heeten.
<section end="s5"/>
<section begin="s6"/>{{lijn|height=4px}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|VENDUTIEN.}}}}
{{lijn}}
{{c|AANGESLAGEN VENDUTIËN.}}
{{alinea|2em|-2em|Maandag 14 Januari. Vendutie ten huize van den heer E. PESCH, Pasir Kaliki, Bandoeng, van meubilair, enz., door BRUINING & Co.}}
{{alinea|2em|-2em|Woensdag 16 Januari. Vendutie ten sterfhuize van den heer VELDERS, residentieweg, van meubilair, enz., door BRUINING & Co.}}
{{alinea|2em|-2em|Zaterdag 19 Januari. Vendutie ''a''. ten vendulokale van J. W. WIJS & Co., van paarden, wagens, meubilair en allerlei koopmanschappen.<br>''b''. te Tjimahi, ten huize van den heer H. N. VAN AMSTEL, bibitplanter, aan den grooten postweg, van meubilair, enz., door BRUINING & Co.}}
{{lijn|5em}}
{{c|VERVALDAGEN IN JANUARI 1907.}}
{|
| style="width:50%;vertical-align:top;" | 16. J. Klerk.<br>17. W. Jans.<br>17. Pandhuis, Tjimahi.<br>17. Gouden kris.<br>18. N. D. J. Veldhuijzen, Tjimahi.<br>19. J. H. van Hemert.<br>20. S. Soeterik.<br>20. Oliefabriek „de Arend”.
| style="width:50%;vertical-align:top;" | 20. Rijstpellerij Palasari.<br>24. Bruining & Co.<br>26. J. F Stalder.<br>27. T. H V. Rhemrev.<br>31. Mevr. Meijll.<br>31. Afgekeurde gereedschappen.<br>31. Afgekeurde muildieren.
|}
{{lijn|5em}}
<section end="s6"/>
<section begin="s7"/>{{c|{{x-larger|Shanghai Feestmaal}}}}
{{c|''door brand gestoord''.}}
{{c|De schok blijkt voor een damesgast te hevig te zijn.}}
{{lijn|5em}}
{{gap}}Een vroolijk gezelschap aan diner bij een welbekend inwoner van Shanghai schrok hevig, toen er te midden van het feest bericht kwam, dat de woning van een van de gasten in brand stond. »De tijding, dat mijn huis een prooi der vlammen was, schokte mij zoodanig, dat ik voor een oogenblik sprakeloos was”, zeide Mevr. A. Brunner, de bedoelde dame. »Mijn hart leek wel stil te staan. Onmiddelijk ging ik kijken of er nog iets gered kon worden. Schilderijen, kuriositeiten en vele dingen van waarde en belang, waaraan ik zeer gehecht was en over welker verzameling ik vele jaren besteed had, verkeerde in gevaar. Nooit zal ik dien akeligen nacht vergeten. De schrik maakte mij ziek. Ik kreeg last van sprue, volgens beweren der doctoren, en slechts toen Dr. Williams’ pinkpillen voor bleeke menschen mijne zenuwen versterkten en mijn uitgeput lichaam frissche kracht gaven, herstelde ik”. »De verschijnselen waren de volgende: acute indigestie; mijn tong, mond en keel werden zoo gevoelig, dat het eten mij uiterst pijnlijk werd; ik had geen eetlust; het weinige, dat ik gebruikte, kwam weer terug. Ik leed aan zware hoofdpijnen en werd zoo mager als een geraamte. Tusschen mijn schouderbladen had ik ook last van pijnen. Het grootste deel van den tijd bracht ik liggende door, aangezien ik geen kracht meer scheen te hebben overgehouden. Op het laatst stuurde de doctoren mij naar Engeland terug. Toen ik afreisde, gevoelde ik mij zoo ziek en hulpeloos, dat ik er zeker van was onderweg te zullen sterven. Ik maakte daarom mijn testament”.
<br>{{gap}}In Engeland bracht ik negen maanden door, doch werd er niet beter op en keerde daarom weer naar China terug. Mijn vrierden in Shanghai schrokken van mijn ongezond uiterlijk. Dit was in 1903.
<br>{{gap}}Toen werd mijn aandacht gevestigd op Dr. Williams’ pinkpillen door artikelen in de kranten, de door hen gewrochte genezingen beschrijvende. Ik besloot deze pillen te probeeren. De eerste twee flacons deden mg reeds veel goed. Mijn spijsvertering verbeterde, ik werd opgeruimder en zoodoende aangemoedigd met het innemen voort te gaan. Ik deed dit en volgde de gebruiksaanwijzingen steeds precies op. Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug, mijn eetlust nam toe, ik werd dikker, begon gezond te slapen (tot nog toe had ik veel aan slapeloosheid geleden) en op het laatst was ik volkomen genezen. Het dient nog vermeld te worden, dat het prikkelend, zwaarmoedig en nerveus gevoel, waarvan ik eertijds last had, geheel verdween en ik thans kalm en gelukkig ben”.
<br>{{gap}}»Sedert mijne genezing ben ik zeer enthouisiastisch over Dr. Williams’ pinkpillen”, zeide Mevr. Brunner ten slotte. »Voortdurend raad ik ze anderen aan. Een mijner kennissen, die met spit te bed lag, neemt de pillen thans op mijn aanraden in en heeft er reeds veel baat bij gevonden. Met genoegen geef ik U toestemming mijn getuigenis te gebruiken. Ik wensch zeer het bericht van mijne genezing aan andere lijders mede te deelen, opdat die ook heil bij deze pillen zullen vinden”.
<br>{{gap}}Hoe wonderbaarlijk de genezing van Mevr. Brunner moge lijken, is zij geheel niet buitengewoon, waar zij betrekking heeft op Dr. Williams’ pinkpillen. Deze pillen genezen n.l. dagelijks gevallen gelijk aan het hare, over de geheele wereld. Omdat zij door middel van het bloed op het geheele lichaam versterkend werken, genezen zij. Zij zijn het bewezen middel voor indigestie, leverkwalen, rheumatiek, spit, heupjicht, hoofdpijnen, zenuwzwakte, zenuwpijn, bloedarmoede (zwak, waterig bloed), verlamming, beri-beri en de naweeën van koorts, dysentery en koude. Tusschen jeugd en middelbaren leeftijd, hebben zij in het bijzonder veel waarde voor dames; mannen, door overwerken of om andere reden, uitgeput worden door het gebruik van deze pillen spoedig hersteld. Zij zijn verkrijgbaar onder het wettig gedeponeerd handelsmerk »Pilules Pink Pour Personnes Pâles du Dr. Williams” in de meeste toko’s waar medicijnen verkocht worden en bij de Dr. Williams’ Medicine Coy., Singapore, die na overmaking van twee gulden, één flacon, en van elf gulden, zes flacons franco toezendt.
<br>{{gap}}Mevr. A. Brunner woont op no. 3 Haskell road, Shanghai, en is een zeer gerespecteerd persoon in de Europeesche kolonie aldaar. De laatste vijf en dertig jaar heeft zij in die stad en in andere deelen van Noord China doorgebracht.
{{rechts|111|2em}}
<section end="s7"/>
<section begin="s8"/>{{lijn|height=4px}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|''Advertentiën.''}}}}
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Tirion.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Sinaasappelstroop.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Toko Batavia.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad meubel magazijn.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad hotel Zoete inval.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:De Preanger-bode vol 012 no 010 ad Djattiebalken.jpg|500px|center]]
<section end="s8"/>
<section begin="s9"/>en toen zij daarmee bijna gereed was, werd er op de deur geklopt. Een vrouw, die bij haar was, ging naar de deur, maar zag niemand buiten staan; het was niet licht meer, maar toch nog niet donker. De maan scheen, maar verdween soms even achter de wolken. Toen de vrouw terugkwam en zei, dat ze niets gezien had, zei Gudrun: »Het is plagerij en voor mij bestemd. Ik zal zèlf eens gaan kjjken!” Zij was geheel aangekleed, maar moest haar mantel nog aantrekken. Zij stak haar arm in één mouw, en sloeg de andere over haar schouder. Toen zij buiten kwam, zag zij Faxa staan, en een man er bij, en zij dacht, dat het de koster was. Men weet niet, of zij daar samen gesproken hebben, maar hij zette Gudrun op het paar en ging zelf vóór haar zitten. Zwijgend reden zij een eind voort. Toen zij aan de Hörgrivier kwamen, lagen daar dikke stukken ijs op den kant, en toen Faxa {{SIC|van een van een}} deze afsprong, wipte des kosters hoed van achter op en Gudrun zag een naakten schedel. Op dat oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn en de koster zei:
{{block center|»De maan glijdt,<br>De dood rijdt.<br>Ziet ge de witte plek<br>In mijn nek,<br>Garun, Garun?”}}
{{gap}}Hij zei dáárom geen „Gudrun”, omdat spoken Gods naam (IJslandsch »Gud”) niet mogen uitspreken, óók niet als deze deel uitmaakt van een naam......
<br>{{gap}}Zij was hevig ontsteld en zweeg. Maar er zijn menschen, die vertellen, dat zij zelf den hoed opgelicht heeft en zoo den naakten schedel zag. Zij moet toen gezegd hebben: »Nu zie ik hoe het is.” Maar méér vertelt men niet van hun gesprek, en ook niet van hun tocht, vóórdat zij op Myrká aankwamen; daar stegen zij af voor de kerkhofspoort; hij zei toen tot Gudrun:
{{block center|»Wacht hier, Garun, Garun,<br>Ik verzorg Faxa, Faxa,<br>In den hof.”}}
{{gap}}Hij ging weg met het paard en zij keek op ’t kerkhof. Zij zag daar een open graf en werd zeer bang; maar zij bedacht als uitweg om aan het klokketouw te trekken. Op dat oogenblik werd zij van achteren aan gegrepen en nu werd dat haar geluk, dat zij geen tijd had gehad haar armen in beide mantelmouwen te steken, want zóó hevig was de ruk, dat de mantel seheurde op den naad van de mouw, die zij aanhad, en het laatste wat zij zag van den koster, was, dat hij met het stuk mantel in het open graf sprong. Toen viel de aarde van beide kanten vanzelf op hem neer.
<br>{{gap}}Gudrun bleef luiden tot de menschen op Myrkà naar buiten kwamen en haar haalden; want zij was zoo bang, dat zij zelf niet durfde gaan, noch ophouden met luiden. Zij begreep, dat zij te doen had gehad met het spook van den koster, vóórdat zij nog iets wist van zijn dood; en dit werd zekerheid, toen zij hoorde hoe hij gestorven was en zij van haar wedervaren vertelde.
<br>{{gap}}Dienzelfden nacht, toen men het licht uitgedaan had en in bed was, kwam de koster terug, en wéér maakte hij het Gudrun lastig; het werd zóó erg, dat allen moesten opstaan en niemand dien nacht een oog dicht deed. Twee weken lang kon zij geen oogenblik alleen blijven, en ’s nachts moest men bij haar waken. Men vertelt, dat de geestelijke gedwongen was op den rand van haar bed te zitten, en dan voor te lezen uit de Psalmen. Ten slotte haalde men een heksenmeester uit Skagafjord. Toen hij kwam, liet hij een grooten steen opgraven en naar de hoeve brengen. ’s Avonds, toen het donker werd, kwam de koster en wilde de woning binnendringen, maar de heksenmeester drong hem naar den steen; door ban-formulieren bracht hij hem er toe daar te gaan liggen. Vervolgens werd de steen op hem gewenteld, en daar rust nu de koster nog heden ten dage. Alle spokerij hield nu op op Myrká, en Gudrun werd beter. Kort daarop ging zij naar Baegisá terug, maar men zegt, dat zij toch nooit meer de oude werd......
{{gap}}Ziedaar een verhaal, gesproten uit het brein van een dier oude Germanen, die men ons thans voorhoudt als toonbeelden van gezonde kracht.
{{lijn|5em}}<section end="s9"/><noinclude></noinclude>
g84zs8wkmyli88fndf6h5blbnx62b4u
De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Huldschinsky
0
86227
221106
2026-05-14T06:48:21Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221106
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft […] gekocht een […] schilderij van Rafaël […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', dinsdag 26 juli 1910, Ochtend-editie, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s2" tosection="s2"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
boqsmbze2l20wn7oscbarqpksqg1xoq
221116
221106
2026-05-14T07:18:20Z
Vincent Steenberg
280
221116
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft […] gekocht een […] schilderij van Rafaël […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', zaterdag 12 januari 1907, tweede blad, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s2" tosection="s2"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
c6h9dfprzxlpnq206v7vfn80iwhhdqv
Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012
14
86228
221107
2026-05-14T06:48:37Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221107
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:De Preanger-bode]]
792n6fqjn7ooe0yfe2hs8v88gugnpj5
Hoofdportaal:Kunst/Algemeen/Kunsthandel
100
86229
221108
2026-05-14T07:05:42Z
Vincent Steenberg
280
begin
221108
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Kunsthandel
| afbeelding = Microcosm of London Plate 006 - Auction Room, Christie's (edited).jpg
| alt = veiling bij Christie in Londen, 1808
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] aanwezige bronnen over de kunsthandel.
}}
*Anoniem (15 september 1828) [[Rotterdamsche Courant/1828/Nummer 82/Men is van meening te doen veilen en verkoopen|‘Men is van meening […] te doen veilen en verkoopen, op Maandag den 14 Julij 1828 en volgende dagen, […] ten Sterfhuize van wijlen den Wel Ed. Geboren Heer Johannes Verkolje […] te Rijnzaterwoude, […] Een deftige en zindelijke inboedel, […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 3].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*Anoniem (21 oktober 1903) [[De Telegraaf/Jaargang 11/Nummer 4036/Avondblad/Veiling te Den Haag|‘Veiling te Den Haag’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, [p. 1].
*''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen:
**Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden [...]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
*Anoniem (10 juni 1927) [[Anoniem/Collectie Goudstikker|‘Collectie Goudstikker’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 9.
;Kunsthandel P. de Boer
*Gruyter, Jos. de (27 juni 1939) ‘Oude schilderijen uit de collectie P. de Boer’, ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Cassirer, Berlijn
*Anoniem (1 oktober 1930) [[Nieuwe Tilburgsche Courant/Jaargang 52/Nummer 10885/Op de veiling van de verzameling Figdor|‘Op de veiling van de verzameling Figdor te Berlijn [...]’]], ''Nieuwe Tilburgsche Courant'', Derde blad, [p. 4].
;Christie's
*''Ancient and Modern Pictures from the Collection of Henry Weigall'', Christie's, Londen, 6 juli 1925.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 juli 1925) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad C, p. 1.
*Anoniem (4 juni 1930) [[De Telegraaf/Jaargang 38/Nummer 14271/Avondblad/Hooge prijzen bij Christie|‘Hooge prijzen bij Christie’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Galérie Charpentier, Parijs
*''Catalogue des tableaux anciens. Œuvres des écoles primitives et de la Renaissance par Bartolomeo Veneto, Corneille de Lyon, Lucas Cranach, Adriaen Isenbrant'' […] ''Objets d’art et de haute curiosité des époques gothique et Renaissance, faiences italiennes, haut-relief en terre'' […] ''composant la collection de Mrs. E. Bayer, Comtesse Sala'', Galérie Charpentier, Parijs, 19 mei 1933.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De zestig nummers|‘De zestig nummers van de verzameling van mevrouw Bayer gravin Sala, in de Galerie Jean Charpentier te Parijs geveild, […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
*''Salon des Réalistes Nouvelles, Renaissance plastique. 1re exposition (2me série). Oeuvres des artistes étrangers'', Galerie Charpentier, Parijs, 30 juni-15 juli 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (19 juni 1939) [[Het Vaderland/Jaargang 71/19 juni 1939/Avondblad/Abstracte schilders te Parijs|‘Abstracte schilders te Parijs’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Galerie Fischer Auktionen AG, Luzern
*''Gemälde und Plastiken moderner Meister aus deutschen Museen. Braque, Chagall, Derain, Ensor, Gauguin, van Gogh, Laurencin, Modigliani, Matisse, Pacin, Picasso, Vlaminck, Marc, Nolde, Klee, Hofer, Rohlfs, Dix, Kokoscka, Beckmann, Pechstein, Kirchner, Heckel, Grosz, Schmidt-Rottluff, Müller, Modersohn, Macke, Corinth, Liebermann, Amiet, Baraud, Feiniger, Levy, Legmbruck, Mataré, Marcks, Archipenko, Barlach'', Galerie Fischer, Luzern, 30 juni 1939.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (14 juni 1939) [[Haagsche Courant/1939/Nummer 17286/Duitschland exporteert ontaarde kunst|‘Duitschland exporteert ontaarde kunst. Ook Vincent van Gogh uit de gratie’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Galerie J & A Leroy Frères, Brussel
*''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
;Kunsthandel Frans Buffa & Zonen, Amsterdam
*Anoniem (26 maart 1931) [[Het Vaderland/Jaargang 62/26 maart 1931/Avondblad/Van 28 Maart tot 15 April|‘Van 28 Maart tot 15 April […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
;Cassirer, Paul (1871-1926)
*Bois, J.H. de (13 januari 1926) [[De Avondpost/Jaargang 41/Nummer 12967/Avondeditie/Kunstkroniek|‘Kunstkroniek’]], ''De Avondpost'', Avondeditie, Tweede blad, p. 1.
;Frederik Muller & Co. - Mensing & Zoon
*''Eenige nagelaten schilderstukken en teekeningen van Wally Moes'', Frederik Muller & Co., Amsterdam, 20 mei 1919.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (18 mei 1919) [[De Telegraaf/Jaargang 27/Nummer 10477/Veiling Frederik Muller|‘Veiling Frederik Muller’]], ''De Telegraaf'', eerste blad, p. 3.
*Anoniem (25 mei 1921) [[De Maasbode/Jaargang 53/Nummer 17538/Avondblad/Veiling Frederik Muller & Co.|‘Veiling Frederik Muller & Co.’]], ''De Maasbode'', Avondblad, derde blad, p. 2.
*''Tableaux anciens, antiquités, gravures, dessins, aquarelles, meubles, tapisseries, étoffes, tapis persans, émaux de Limoges, ivoires, argenterie, miniatures, objets de vitrine, cuir ciselé, sculptures, porcelaines de la Chine et du Japon, faïence de Delft, verrerie, faïences persanes, etc.'', Mensing & Zoon, Amsterdam, 17-19 november 1936.<br>Aankondiging en opbrengst:
**Anoniem (7 november 1936) [[De Telegraaf/Jaargang 44/Nummer 16601/Avondblad/Veilingen te Amsterdam|‘Veilingen te Amsterdam’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Vijfde Blad, p. 9.
*Hs. R. (1 december 1953) ‘Omvangrijke veiling bij Frederik Muller’, ''Algemeen Handelsblad'', p. 5.
;Kunsthandel M.J. Citroen, Amsterdam
*Anoniem (28 mei 1922) [[De Telegraaf/Jaargang 30/Nummer 11570/Memorandum|‘Memorandum’]], ''De Telegraaf'', p. 9.
;Kunsthandel Everts, Rotterdam
*''Het oude boek'', Kunsthandel Everts, Rotterdam, 18 oktober-7 november 1924, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Everts|‘Kunsthandel Everts’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/In den kunsthandel Everts|‘In den kunsthandel Everts […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Kunsthandel Fetter, Amsterdam
*''Jan Poortenaar'', Kunsthandel Fetter, Amsterdam, oktober 1924, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Kunsthandel Fetter|‘Kunsthandel Fetter’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Kunsthandel Gebr. Douwes, Amsterdam
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Kunsthandel D. Katz, Dieren
*J.W. (12 april 1937) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 124/Nummer 15586/Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren|‘Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren. Wederom aanwinsten’]], ''Arnhemsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Kunsthandel J.H. de Bois, Haarlem
*Anoniem (30 september 1916) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 41/Nummer 9151/Over moderne schilderkunst|‘Over moderne schilderkunst’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', Tweede Blad, [p. 2].
*Anoniem (3 oktober 1916) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 41/Nummer 9153/Kunst|‘Kunst. Moderne schilderkunst’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', eerste blad, [p. 2].
*Anoniem (17 november 1916) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 322/Avondblad/In den Kunsthandel J.H. de Bois te Haarlem (...)|‘In den Kunsthandel J.H. de Bois te Haarlem […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, A, p. 1.
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/In J. H. de Bois' Kunsthandel|‘In J. H. de Bois’ Kunsthandel te Haarlem […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Kunsthandel Santee Landweer, Amsterdam
*Anoniem (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Verluchte manuscripten|‘Verluchte manuscripten’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Kunstzaal Manteau, Brussel
*Anoniem (1 februari 1937) [[Het Vaderland/Jaargang 68/1 februari 1937/Avondblad/Tytgat en Portugal|‘Tytgat en Portugal. De schilder keert onveranderd van zijn reis terug’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Kunstzalen d'Audretsch, Den Haag
*[De Anderen]. ''Catalogus der eerste tentoonstelling van kunstwerken der leden in de kunstzalen d'Audretsch'', Den Haag, 7 mei-7 juni 1916 (verlengd tot tweede helft juni).<br />Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 mei 1916) [[Leidsch Dagblad/Nummer 17235/"De Anderen"|‘„De Anderen”’]], ''Leidsch Dagblad'', Eerste Blad, [p. 1].
**Anoniem (5 mei 1916) [[Nieuwe Apeldoornsche Courant/Jaargang 13/Nummer 4216/Moderne Kunst|‘Moderne Kunst’]], ''Nieuwe Apeldoornsche Courant'', tweede blad, [p. 1].
**B. (11 mei 1916) [[De Avondpost/1916/Nummer 9512/Avond-editie/Kunstzaal d’Audretsch|‘Kunstzaal d’Audretsch. „De Anderen”’]], ''De Avondpost'', Avond-editie, p. A 2.
**Ω (12 mei 1916) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 89/Nummer 28423/Avondblad/Kunst in Den Haag|‘Kunst in Den Haag’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, [p. 6].
**Anoniem en Theo van Doesburg (13 mei 1916) [[De Kunst/Jaargang 8/Nummer 433/Grappenmakers|‘Grappenmakers’]], ''De Kunst'', jrg. 8, nr. 433, [p. 369].
**Henri Borel (19 mei 1916) [[De Telegraaf/Jaargang 24/Nummer 9392/Avondblad/"De Anderen"|‘„De Anderen”’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, p. 9.
**B. van Hasselt (20 mei 1916) [[Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant/Jaargang 1916/Nummer 118/Kunst in de Hofstad|‘Kunst in de Hofstad’]], ''Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant'', Derde Blad, [p. 2].
**U. (25 mei 1916) [[Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage/Jaargang 245/Nummer 123/De Anderen|‘De Anderen’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage'', eerste blad, [p. 1].
*Havelaar, Just (23 december 1929) [[Het Vaderland/Jaargang 61/23 december 1929/Avondblad/Maurice Sijs|‘Maurice Sijs bij d’Audretsch’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
;D. Sala & Zonen, Leiden/Den Haag
*Anoniem (23 december 1929) [[Het Vaderland/Jaargang 61/23 december 1929/Avondblad/In den kunsthandel D. Sala & Zn.|‘In den kunsthandel D. Sala & Zn. te Leiden […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
*[''werken van George Hendrik Breitner''], D. Sala & Zonen, Den Haag, juni-15 juli 1939, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 juni 1939) [[Haagsche Courant/1939/Nummer 17286/Kunsthandel Sala en Zonen|‘Kunsthandel Sala en Zonen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Galerie Sedelmeyer, Parijs
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Huldschinsky|‘Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft […] gekocht een […] schilderij van Rafaël […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Veilinghuis A. Mak B.V.
*''Antiquiteiten'', A. Mak, Dordrecht, 24-26 oktober 1916.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (26 oktober 1916) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 300/Avondblad/Op de gisteren voortgezette veiling|‘Op de gisteren voortgezette veiling van antiquiteiten enz., door de fa. A. Mak te Dordrecht, zijn nog de volgende prijzen besteed: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, A, p. 1.
;Vries, R.W.P. de
*Anoniem (2 augustus 1930) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 103/Nummer 33567/Avondblad/Een oude Bosschenaar in de hoofdstad|‘Een oude Bosschenaar in de hoofdstad’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 4.
*A. Stheeman ([september] 1930) [[Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift/Jaargang 40/Deel 80/Een Jheronymus Bosch bij R. W. P. de Vries|‘Een Jheronymus Bosch bij R.W.P. de Vries’]], ''Elsevier's geïllustreerd maandschrift'', jrg. 40, deel 80, p. 284-286.
;E.J. van Wisselingh & Co.
*''Catalogus der tentoonstelling van schilderijen enz.'', E.J. van Wisselingh, Panorama Mesdag, Den Haag, oktober-november 1916.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 oktober 1916) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 300/Avondblad/E. J. v. Wisselingh|‘E. J. v. Wisselingh. (Slot.) Gebouw Panorama Mesdag’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, A, p. 1.
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal kunst]]
l01f98o3yarg6di3gma3fe8qwwykapm
De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Holbbourne Art Museum
0
86230
221110
2026-05-14T07:08:22Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221110
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', dinsdag 26 juli 1910, Ochtend-editie, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s3" tosection="s3"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
l7f6lmkyh288unfzaqu1os9vr9eg9dt
221115
221110
2026-05-14T07:18:04Z
Vincent Steenberg
280
221115
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', zaterdag 12 januari 1907, tweede blad, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s3" tosection="s3"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
akd155bh2w6ckkz5el8xc2x56h1i32w
De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Te Rome
0
86231
221117
2026-05-14T07:25:35Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221117
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Te Rome is van een fontein een der prachtige schildpadden gestolen, […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', zaterdag 12 januari 1907, tweede blad, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s4" tosection="s4"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
gfd1iv9jznoxpdycc1zqbu4lftzgwmg
De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Opgravingsexpeditie
0
86232
221119
2026-05-14T07:31:18Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221119
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', zaterdag 12 januari 1907, tweede blad, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s5" tosection="s5"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
dl786cbyzmv7k7vikylpfexm4eotpzr
221120
221119
2026-05-14T07:33:04Z
Vincent Steenberg
280
+overige vindplaats
221120
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Een opgravingsexpeditie onder leiding van professor Petrie is onlangs naar den Sinaï vertrokken, […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', zaterdag 12 januari 1907, tweede blad, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s5" tosection="s5"/>
== Overige vindplaatsen ==
*Anoniem (25 januari 1907) ‘Antiquiteiten’, ''Deli-Courant'', derde blad, [p. 1].
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
nb7uaqltjwt3dw87f62h71x2eoazkx9
De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Shanghai Feestmaal
0
86233
221126
2026-05-14T08:23:04Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221126
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Shanghai Feestmaal door brand gestoord. De schok blijkt voor een damesgast te hevig te zijn [advertentie]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Preanger-bode'', zaterdag 12 januari 1907, tweede blad, [p. 2]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Preanger-bode vol 012 no 010.pdf" from="6" to="6" fromsection="s7" tosection="s7"/>
[[Categorie:De Preanger-bode, Jaargang 012]]
bzt8xuf4cyjm2z7nik9jr4fg24a5xpo
Index:De Curaçaosche Courant vol 047 no 031.pdf
106
86234
221138
2026-05-14T10:22:25Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221138
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=tijdschrift
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=De Curaçaosche Courant
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1859
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1=1 />
|Opmerkingen=Zie [[:Categorie:De Curaçaosche Courant]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
pv3gro7gb3hbrk00wkyzrzcgj09r33f
Pagina:De Curaçaosche Courant vol 047 no 031.pdf/1
104
86235
221139
2026-05-14T10:23:09Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
221139
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="kop"/>[[Bestand:De Curaçaosche Courant vol 047 no 031 coat of arms.jpg|200px|center]]
{{c|{{xxxx-larger|'''DE CURAÇAOSCHE COURANT.}}}}
{{lijn|height=5px}}{{lijn}}
{{RH|Deel XLVII.|{{sp|ZARURDAG}} den 6den {{sp|AUGUSTUS}} 1859.|No. 31.}}
{{lijn}}{{lijn|height=5px}}
<section end="kop"/>
<section begin="s1"/>{{c|''GEMENGDE BERIGTEN''.}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}{{sc|De Stoom}}. In het jaar 1630, dus ruim twee eeuwen geleden, stond de ingenieur de Caus op zekeren dag in het kabinet van den kardinaal de Richelieu, den magtigen minister van Lodewyk XIII van Frankryk. De Caus sprak op smeekenden toon en met gevouwene handen: “Om Gods wil en ter verheerlyking van Zynen naam bid ik Uwe Eminentie myne machine door kundige mannen te laten onderzoeken, opdat myn vaderland niet van de vruchten eener uitvinding beroofd worde, waarvan de gevolgen onberekenbaar zyn. Myne machina dryft door stoomkracht schepen en wagens met ontzettende lasten beladen voort en brengt een’ afstand van mylen op minuten terug. Heb ik u misleid, geef dan myn hoofd aan het zwaard van den beul over.!”
<br>{{gap}}De kardinaal wisselde een’ blik met zyn geheimschryver, pater Joseph, en antwoordde koel:
<br>{{gap}}“Gy zyt ziek naar ligchaam en geest, Salomon de Caus; al was uwe uitvinding goed, dan nog is de tyd niet daar om landen en volken mei tooverkracht aan elkander te binden; eerst moet de ontwikkeling onder de natiën hooger vlugt hebben genomen vóórdat zulk eene uitvinding zegen kan aanbrengen. Ga, gy zyt ziek!”
<br>{{gap}}“Neen, ik ben gezond, maar ik zal het verstand verliezen, als men voortgaat overal myne uitvinding te bespotten en uit te kryten! Eminentie, in naam van het Fransche volk, ''eisch'' ik van u, dat gy de stoommachine laat beproeven!”
<br>{{gap}}Een vreeselyke blik schoot uit het oog van den kardinaal op den ongelukkige. Salomo de Caus werd gevat en naar het Chatelais gevoerd. Hier werd hy krankzinnig. — Maar nog tien jaren lang schreeuwde hy door het traliewerk van zynen kerker:
<br>{{gap}}“Zy dryft wagens en schepen voort en verandert een’ afstand van mylen in minuten!”
<br>{{gap}}En de voorbygangers lachten om den armen dwaas.
{{lijn|2em}}
{{gap}}In het jaar 1807 verleende keizer Napoleon I eene audientie aan den Amerikaanschen werktuigkundige Fulton, die hem eene uitvinding van het grootste gewigt voor Frankryk’s marine wilde aanbieden. De Amerikaan stelde den keizer voor schepen te bouwen, die door stoomkracht bewogen zouden worden en van wind en weêr onafhankelyk zouden zyn.
<br>{{gap}}“Gy zult met deze schepen Engeland kunnen vernietigen, Sire!” sprak Fulton ten slotte.
<br>{{gap}}De keizer wendde zich van den man, die voor hem stond, en riep met minachting uit:
<br>{{gap}}“Al weder eene van die nieuwe uitvindingen, de eene nog onzinner dan de andere, die men my dagelyks aanbiedt. Gisteren nog werd my door een ander verstandig man het voorstel gedaan Engeland te gaan veroveren, nadat ik een genoegzaam aantal dolfynen had laten temmen, waarop ik myn leger zou kunnen overvoeren. Ga mynheer, gy zyt een dwaas!”
<br>{{gap}}De Amerikaan met den grooten man met een trotschen blik, boog zich koel en verliet de Tuileriën zonder een woord te spreken.
<br>{{gap}}Het kanongebulder van Waterloo had de keizerskroon van Napoleon’s hoofd doen vallen. De ''Bellerophon'' gleed langzaam met gereefde zeilen naar het eiland St. Helena. — De gevangene keizer wandelde met zyn gevolg op het dek rond, toen men aan den horizont eene donkere wolk bespeurde. Die wolk kwam nader en man ontdekte eindelyk de donkere massa van een magtig stoomschip, dat windsnel en luchtig door de bewogen zee stoomde, den langzaam tegen den stroom kampenden ''Bellerophon'' voorbygleed en in het verschiet verdween, ondanks wind en weder, ondanks tyd en stroom. Het was het Amerikaansche stoomschip ''Fulton'', het eerste dat den Oceaan doorkliefde.
<br>{{gap}}Napoleon staarde het schip na en ging toen stil en ernstig naar zyne kajuit. Toen zyn getrouwe Bertrand hem later naderde, zat de keizer nadenkend met het hoofd in de hand en zyne eerste woorden, die hy met eene diep ontroerde stem uitsprak, waren:
<br>{{gap}}“Toen ik Fulton uit de Tuileriën joeg, verspeelde ik myne keizerlyke kroon!”
{{lijn|2em}}
{{gap}}Naauwelyks stoomden gedurende tien jaren schepen over de golven, toen men ook aan spoorwegen begon te denken, waarop de wagens door stoomkracht konden worden voortgedreven. De eerste spoorweg werd tusschen Stockton en Darlington gelegd, die in 1825 voltooid was en die kort daarop gevolgd werd door de baan van Liverpool naar Manchester, door die van St. Etienne naar Andriezieux in Frankryk, door die tusschen de Moldau en den Donau in Oostenryk en door die van Boston naar Quincy in Noord Amerika. Met geestdrift legden de werktuigkundigen zich op de ontzagwekkende uitvinding toe; de eene verbetering volgde op de andere en het denkbeeld, dat Salomon de Caus in het krankzinnigenhuis deed sterven, is thans verwezentlykt. Wel waren er in den beginne, die kortzigtig of boosaardig genoeg waren om op de vorderingen van den menschelyken geest te smalen en de vreeselykste gevolgon te voorspellen, maar hunne pogingen waren vruchteloos; zy zien zich genoodzaakt thans zelve gebruik te maken van de belasterde middelen van communicatie en om hunne kostbare personen aan de vuurspuwende draken toe te vertrouwen.
<br>{{gap}}De eerste spoorweg in Duitschland werd in het jaar 1835 tusschen Neurenburg en Fürth gelegd. Deze linie was echter zoo kort, dat eene oude dame, die te Neurenburg in een’ waggon steeg en een weinig draalde om te gaan zitten, de deur voor zich geopend zag en het berigt ontving dat zy te Fürth was aangekomen, vóór dat zy eigenlyk goed op hare plaats zat. Over deze gewaande scherts twistte zy lang met den beambte, tot dat men haar bewoog zich door opneming van den omtrek te overtuigen, dat zy aangekomen was.
<br>{{gap}}In 1839 werd de linie van Leipzig naar Dresden voltooid. Binnen weinige jaren werd nu met verbazende snelheid een spoorwegnet over Europa gelegd, dat zich thans dagelyks uitbreidt; het Oosten wordt met het Westen, het Zuiden met het Noorden verbonden! langs de rails worden de producten van materielen en intellectuelen aard vervoerd en grenzen worden omvergeworpen, die eeuwen lang bestaan bleven.
<br>{{gap}}Door het leggen der spoorwegen heeft ook de bouwkunde gelegenheid gevonden om door het verhevene en groote harer werken de verbazing van den denkenden mensch op te wekken en om te toonen dat men ook in onze eeuw slechts geld en menschenhanden noodig heeft om datgene te verrigten, waardoor de Romeinsche en Grieksche bouwmeesters de onsterfelykheid verwierven. — Een der eerste prachtwerken van Duitsche spoorwegbouwkunde was de viaduct, door dan Saksischen ingenieur-majoor, thans financieraad, Wilke, over het Gölzschdal gelegd; met verbazing ziet men de boven elkander staande reyen gangen en zuilen, waarover de zware spoortrein stoomde.
<br>{{gap}}Onder de grootste werken van den nieuwen tyd telt men ongetwyfeld den spoorweg tusschen Triest en Laibach, midden door de llirische Alpen. Door de lange en ontzettend hooge rotsmuren heeft men door kruid en staal eene vlakte weten te maken voor del rails, en wyde bogen leggen over afgronden, waarvoor men duizelend terug treedt. De baan is ook ryk aan heerlyke viaducten, waaronder die van Burcole en Nabresina, maar vooral die by Franzensdorf, genoemd moeten worden. In wyde bogen strekt de heerlyke arcade van het laatstgenoemde bouwwerk zich boven het lage dal uit en over een bergtop heen, waar van het gesteente door menschenarbeid gelyk gemaakt moest worden. Deze linie, de Semmering-baan genoemd, omdat zy over het gebergte van dien naam loopt, werd in Mei 1852 voltooid en in October 1853 voor het verkeer opengesteld. By eene lengte van 5½ myl stygt zy niet minder dan 770 voeten hoog.
<br>{{gap}}Europa werd op het einde van het jaar 1856 door 5003 Duitsche mylen rails doorsneden. Daarvan had Groot-Brittannie 1800, Duitschland 1582, Frankryk 878, België 231, Rusland 132, Sardinie 96, Spanje 78, Nederland 45, Denemarken 25, Zweden 21, Portugal 17, Sicilie 11, Noorwegen 9 en de Kerkelyke Staten 3 Duitsche mylen. Er was concessie verleend of in aanleg voor eene uitgestrektheid van 4010 mylen.
<br>{{gap}}Amerika bezat toen 5,849 mylen spoorlinien, als 5,322 in de Vereenigde Staten, 369 in Btitsch-Amerika, 100 op Cuba, 18 in Chili, 15 in West-Indie, 11 in Nieuw-Grenada, 9 in Peru en 5 in Brazilie.
<br>{{gap}}Afrika had toen 53 mylen spoorwegen in Egypte en 9 aan de Kaap de Goede Hoop; Azië 60 mylen in Oost-India en Australië 30, zoodat de lengte der spoorweglinien gezamenlyk 11,004 mylen bedroeg.
<br>{{gap}}Arme Salomon de Caus! De volkeren waren in uwe dagen nog niet ryp voor de uitvinding, die eene omwenteling in de wereld moest te weeg brengen; daarom verbande men u naar eene cel in een krankzinnigengesticht en hulde uwen onderzoekenden geest in het duister van den waanzin! Uwe uitvinding is eene der grootste, die het menschenvernuft heeft gevonden en toch kent niemand de plek, waar uwe asch rust.
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{gap}}De ''yseren kroon'' is in den nacht van 22 op 23 April jl., van Monza naar de vesting Mantua overgebragt. Het is niet onbelangryk, aan de geschiedenis dier kroon te herinneren. Op de plaats, waar eenmaal Theodorich de groote een paleis had, thans Monza, liet de gemalin van den koning der Lombarden, Agilufs, eene prachtige kerk bouwen, waaraan zy de yzeren kroon ten geschenke gaf, die zy voor haren gemaal had doen vervaardigen. Die kroon is eigenlyk van goud, maar heeft inwendig een yzeren ring. Karel de Groote werd met die kroon gekroond en na hem alle Duitsche keizers, die Lombardische koningen waren. Den 26sten Mei 1805 kroonde Napoleon I zich daarmede zelf en zeide, toen hy dien op het hoofd zette: — “God heeft my haar geschonken, wee hem die er durft aan te raken.” Deze bedreiging bleef de spreuk van de ridderorde der yzeren kroon, die door Napoleon I in 1805 ingesteld en later in 1816 door Frans I van Oostenryk bevestigd is.
{{lijn|2em}}
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{gap}}Te Caïro (Egypte) houdt men zich zeer bezig met eene ontdekking van den heer Mariette. Deze oudheidkundige heeft te Thebe het graf van dan Pharao Amosis gevonden. Het lyk lag in eene kist, die geheel bedekt was met goud. Een dertigtal edelgesteenten van groote waarde lagen naast het lyk, en een byl van goud trekt vooral aller bewondering. Eenige jaren geleden vond de heer Mariette in het graf van Apis de edelgesteenten, die thans in het Louvre voorhanden zyn. Men zegt dat dezelfde oudheidkundige vele kolossale standbeelden heeft gevonden, welke van de eerste dynastien van Egypte dagteekenen.<section end="s4"/><noinclude></noinclude>
ps9zhz8oze6zwl4ko05fcmxaxv0uvda
221141
221139
2026-05-14T10:29:49Z
Vincent Steenberg
280
typo
221141
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="kop"/>[[Bestand:De Curaçaosche Courant vol 047 no 031 coat of arms.jpg|200px|center]]
{{c|{{xxxx-larger|'''DE CURAÇAOSCHE COURANT.}}}}
{{lijn|height=5px}}{{lijn}}
{{RH|Deel XLVII.|{{sp|ZARURDAG}} den 6den {{sp|AUGUSTUS}} 1859.|No. 31.}}
{{lijn}}{{lijn|height=5px}}
<section end="kop"/>
<section begin="s1"/>{{c|''GEMENGDE BERIGTEN''.}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}{{sc|De Stoom}}. In het jaar 1630, dus ruim twee eeuwen geleden, stond de ingenieur de Caus op zekeren dag in het kabinet van den kardinaal de Richelieu, den magtigen minister van Lodewyk XIII van Frankryk. De Caus sprak op smeekenden toon en met gevouwene handen: “Om Gods wil en ter verheerlyking van Zynen naam bid ik Uwe Eminentie myne machine door kundige mannen te laten onderzoeken, opdat myn vaderland niet van de vruchten eener uitvinding beroofd worde, waarvan de gevolgen onberekenbaar zyn. Myne machina dryft door stoomkracht schepen en wagens met ontzettende lasten beladen voort en brengt een’ afstand van mylen op minuten terug. Heb ik u misleid, geef dan myn hoofd aan het zwaard van den beul over.!”
<br>{{gap}}De kardinaal wisselde een’ blik met zyn geheimschryver, pater Joseph, en antwoordde koel:
<br>{{gap}}“Gy zyt ziek naar ligchaam en geest, Salomon de Caus; al was uwe uitvinding goed, dan nog is de tyd niet daar om landen en volken mei tooverkracht aan elkander te binden; eerst moet de ontwikkeling onder de natiën hooger vlugt hebben genomen vóórdat zulk eene uitvinding zegen kan aanbrengen. Ga, gy zyt ziek!”
<br>{{gap}}“Neen, ik ben gezond, maar ik zal het verstand verliezen, als men voortgaat overal myne uitvinding te bespotten en uit te kryten! Eminentie, in naam van het Fransche volk, ''eisch'' ik van u, dat gy de stoommachine laat beproeven!”
<br>{{gap}}Een vreeselyke blik schoot uit het oog van den kardinaal op den ongelukkige. Salomo de Caus werd gevat en naar het Chatelais gevoerd. Hier werd hy krankzinnig. — Maar nog tien jaren lang schreeuwde hy door het traliewerk van zynen kerker:
<br>{{gap}}“Zy dryft wagens en schepen voort en verandert een’ afstand van mylen in minuten!”
<br>{{gap}}En de voorbygangers lachten om den armen dwaas.
{{lijn|2em}}
{{gap}}In het jaar 1807 verleende keizer Napoleon I eene audientie aan den Amerikaanschen werktuigkundige Fulton, die hem eene uitvinding van het grootste gewigt voor Frankryk’s marine wilde aanbieden. De Amerikaan stelde den keizer voor schepen te bouwen, die door stoomkracht bewogen zouden worden en van wind en weêr onafhankelyk zouden zyn.
<br>{{gap}}“Gy zult met deze schepen Engeland kunnen vernietigen, Sire!” sprak Fulton ten slotte.
<br>{{gap}}De keizer wendde zich van den man, die voor hem stond, en riep met minachting uit:
<br>{{gap}}“Al weder eene van die nieuwe uitvindingen, de eene nog onzinner dan de andere, die men my dagelyks aanbiedt. Gisteren nog werd my door een ander verstandig man het voorstel gedaan Engeland te gaan veroveren, nadat ik een genoegzaam aantal dolfynen had laten temmen, waarop ik myn leger zou kunnen overvoeren. Ga mynheer, gy zyt een dwaas!”
<br>{{gap}}De Amerikaan met den grooten man met een trotschen blik, boog zich koel en verliet de Tuileriën zonder een woord te spreken.
<br>{{gap}}Het kanongebulder van Waterloo had de keizerskroon van Napoleon’s hoofd doen vallen. De ''Bellerophon'' gleed langzaam met gereefde zeilen naar het eiland St. Helena. — De gevangene keizer wandelde met zyn gevolg op het dek rond, toen men aan den horizont eene donkere wolk bespeurde. Die wolk kwam nader en man ontdekte eindelyk de donkere massa van een magtig stoomschip, dat windsnel en luchtig door de bewogen zee stoomde, den langzaam tegen den stroom kampenden ''Bellerophon'' voorbygleed en in het verschiet verdween, ondanks wind en weder, ondanks tyd en stroom. Het was het Amerikaansche stoomschip ''Fulton'', het eerste dat den Oceaan doorkliefde.
<br>{{gap}}Napoleon staarde het schip na en ging toen stil en ernstig naar zyne kajuit. Toen zyn getrouwe Bertrand hem later naderde, zat de keizer nadenkend met het hoofd in de hand en zyne eerste woorden, die hy met eene diep ontroerde stem uitsprak, waren:
<br>{{gap}}“Toen ik Fulton uit de Tuileriën joeg, verspeelde ik myne keizerlyke kroon!”
{{lijn|2em}}
{{gap}}Naauwelyks stoomden gedurende tien jaren schepen over de golven, toen men ook aan spoorwegen begon te denken, waarop de wagens door stoomkracht konden worden voortgedreven. De eerste spoorweg werd tusschen Stockton en Darlington gelegd, die in 1825 voltooid was en die kort daarop gevolgd werd door de baan van Liverpool naar Manchester, door die van St. Etienne naar Andriezieux in Frankryk, door die tusschen de Moldau en den Donau in Oostenryk en door die van Boston naar Quincy in Noord Amerika. Met geestdrift legden de werktuigkundigen zich op de ontzagwekkende uitvinding toe; de eene verbetering volgde op de andere en het denkbeeld, dat Salomon de Caus in het krankzinnigenhuis deed sterven, is thans verwezentlykt. Wel waren er in den beginne, die kortzigtig of boosaardig genoeg waren om op de vorderingen van den menschelyken geest te smalen en de vreeselykste gevolgon te voorspellen, maar hunne pogingen waren vruchteloos; zy zien zich genoodzaakt thans zelve gebruik te maken van de belasterde middelen van communicatie en om hunne kostbare personen aan de vuurspuwende draken toe te vertrouwen.
<br>{{gap}}De eerste spoorweg in Duitschland werd in het jaar 1835 tusschen Neurenburg en Fürth gelegd. Deze linie was echter zoo kort, dat eene oude dame, die te Neurenburg in een’ waggon steeg en een weinig draalde om te gaan zitten, de deur voor zich geopend zag en het berigt ontving dat zy te Fürth was aangekomen, vóór dat zy eigenlyk goed op hare plaats zat. Over deze gewaande scherts twistte zy lang met den beambte, tot dat men haar bewoog zich door opneming van den omtrek te overtuigen, dat zy aangekomen was.
<br>{{gap}}In 1839 werd de linie van Leipzig naar Dresden voltooid. Binnen weinige jaren werd nu met verbazende snelheid een spoorwegnet over Europa gelegd, dat zich thans dagelyks uitbreidt; het Oosten wordt met het Westen, het Zuiden met het Noorden verbonden! langs de rails worden de producten van materielen en intellectuelen aard vervoerd en grenzen worden omvergeworpen, die eeuwen lang bestaan bleven.
<br>{{gap}}Door het leggen der spoorwegen heeft ook de bouwkunde gelegenheid gevonden om door het verhevene en groote harer werken de verbazing van den denkenden mensch op te wekken en om te toonen dat men ook in onze eeuw slechts geld en menschenhanden noodig heeft om datgene te verrigten, waardoor de Romeinsche en Grieksche bouwmeesters de onsterfelykheid verwierven. — Een der eerste prachtwerken van Duitsche spoorwegbouwkunde was de viaduct, door dan Saksischen ingenieur-majoor, thans financieraad, Wilke, over het Gölzschdal gelegd; met verbazing ziet men de boven elkander staande reyen gangen en zuilen, waarover de zware spoortrein stoomde.
<br>{{gap}}Onder de grootste werken van den nieuwen tyd telt men ongetwyfeld den spoorweg tusschen Triest en Laibach, midden door de llirische Alpen. Door de lange en ontzettend hooge rotsmuren heeft men door kruid en staal eene vlakte weten te maken voor del rails, en wyde bogen leggen over afgronden, waarvoor men duizelend terug treedt. De baan is ook ryk aan heerlyke viaducten, waaronder die van Burcole en Nabresina, maar vooral die by Franzensdorf, genoemd moeten worden. In wyde bogen strekt de heerlyke arcade van het laatstgenoemde bouwwerk zich boven het lage dal uit en over een bergtop heen, waar van het gesteente door menschenarbeid gelyk gemaakt moest worden. Deze linie, de Semmering-baan genoemd, omdat zy over het gebergte van dien naam loopt, werd in Mei 1852 voltooid en in October 1853 voor het verkeer opengesteld. By eene lengte van 5½ myl stygt zy niet minder dan 770 voeten hoog.
<br>{{gap}}Europa werd op het einde van het jaar 1856 door 5003 Duitsche mylen rails doorsneden. Daarvan had Groot-Brittannie 1800, Duitschland 1582, Frankryk 878, België 231, Rusland 132, Sardinie 96, Spanje 78, Nederland 45, Denemarken 25, Zweden 21, Portugal 17, Sicilie 11, Noorwegen 9 en de Kerkelyke Staten 3 Duitsche mylen. Er was concessie verleend of in aanleg voor eene uitgestrektheid van 4010 mylen.
<br>{{gap}}Amerika bezat toen 5,849 mylen spoorlinien, als 5,322 in de Vereenigde Staten, 369 in Btitsch-Amerika, 100 op Cuba, 18 in Chili, 15 in West-Indie, 11 in Nieuw-Grenada, 9 in Peru en 5 in Brazilie.
<br>{{gap}}Afrika had toen 53 mylen spoorwegen in Egypte en 9 aan de Kaap de Goede Hoop; Azië 60 mylen in Oost-India en Australië 30, zoodat de lengte der spoorweglinien gezamenlyk 11,004 mylen bedroeg.
<br>{{gap}}Arme Salomon de Caus! De volkeren waren in uwe dagen nog niet ryp voor de uitvinding, die eene omwenteling in de wereld moest te weeg brengen; daarom verbande men u naar eene cel in een krankzinnigengesticht en hulde uwen onderzoekenden geest in het duister van den waanzin! Uwe uitvinding is eene der grootste, die het menschenvernuft heeft gevonden en toch kent niemand de plek, waar uwe asch rust.
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{gap}}De ''yzeren kroon'' is in den nacht van 22 op 23 April jl., van Monza naar de vesting Mantua overgebragt. Het is niet onbelangryk, aan de geschiedenis dier kroon te herinneren. Op de plaats, waar eenmaal Theodorich de groote een paleis had, thans Monza, liet de gemalin van den koning der Lombarden, Agilufs, eene prachtige kerk bouwen, waaraan zy de yzeren kroon ten geschenke gaf, die zy voor haren gemaal had doen vervaardigen. Die kroon is eigenlyk van goud, maar heeft inwendig een yzeren ring. Karel de Groote werd met die kroon gekroond en na hem alle Duitsche keizers, die Lombardische koningen waren. Den 26sten Mei 1805 kroonde Napoleon I zich daarmede zelf en zeide, toen hy dien op het hoofd zette: — “God heeft my haar geschonken, wee hem die er durft aan te raken.” Deze bedreiging bleef de spreuk van de ridderorde der yzeren kroon, die door Napoleon I in 1805 ingesteld en later in 1816 door Frans I van Oostenryk bevestigd is.
{{lijn|2em}}
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{gap}}Te Caïro (Egypte) houdt men zich zeer bezig met eene ontdekking van den heer Mariette. Deze oudheidkundige heeft te Thebe het graf van dan Pharao Amosis gevonden. Het lyk lag in eene kist, die geheel bedekt was met goud. Een dertigtal edelgesteenten van groote waarde lagen naast het lyk, en een byl van goud trekt vooral aller bewondering. Eenige jaren geleden vond de heer Mariette in het graf van Apis de edelgesteenten, die thans in het Louvre voorhanden zyn. Men zegt dat dezelfde oudheidkundige vele kolossale standbeelden heeft gevonden, welke van de eerste dynastien van Egypte dagteekenen.<section end="s4"/><noinclude></noinclude>
32fpq7h8ku0rqlbza4hnlputvs4zonk
De Curaçaosche Courant/Deel 47/Nummer 31/De Stoom
0
86236
221140
2026-05-14T10:25:56Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221140
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘De Stoom’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Curaçaosche Courant'', zaterdag 6 augustus 1859, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Curaçaosche Courant vol 047 no 031.pdf" from="1" to="1" fromsection="s2" tosection="s2"/>
[[Categorie:De Curaçaosche Courant]]
hyi0rvjl5jv6fuc1vt8p3p6ud5oicrz
De Curaçaosche Courant/Deel 47/Nummer 31/De yzeren kroon
0
86237
221142
2026-05-14T10:30:46Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221142
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘De yzeren kroon is in den nacht van 22 op 23 April jl., van Monza naar de vesting Mantua overgebragt. […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Curaçaosche Courant'', zaterdag 6 augustus 1859, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Curaçaosche Courant vol 047 no 031.pdf" from="1" to="1" fromsection="s3" tosection="s3"/>
[[Categorie:De Curaçaosche Courant]]
j519wznc1jbzbbfjgu4tgwcxll76e51
Categorie:De Curaçaosche Courant
14
86238
221143
2026-05-14T10:31:06Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221143
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Krant|Curacaosche Courant]]
ogv2ybqui9vuvn61h2buow8kul671vh
De Curaçaosche Courant/Deel 47/Nummer 31/Te Caïro
0
86239
221144
2026-05-14T10:33:35Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
221144
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Te Caïro (Egypte) houdt men zich zeer bezig met eene ontdekking van den heer Mariette. […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''De Curaçaosche Courant'', zaterdag 6 augustus 1859, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="De Curaçaosche Courant vol 047 no 031.pdf" from="1" to="1" fromsection="s4" tosection="s4"/>
[[Categorie:De Curaçaosche Courant]]
9kh6gv1kaeszv92vxpob62kr24y9iu0