Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.7
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/43
104
41869
223378
131030
2026-06-17T09:03:58Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223378
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|21}}</noinclude>Bovenaan staat de zegen, dien de palmen door hun gemakkelijk te verkrijgen meel verspreiden. Niet alleen, zooals bij ''Borassus'', leveren wortels en de jonge spruiten broodmeel (''Fidogma''), maar ook het geheele merg van den stam van ''Copernicia, Mauritia, Arenga, Oreodoxa, Corypha, Caryota'' en ''Metroxylon'' bevat meel en sago, en vooral is het het laatstgenoemde geslacht, dat de beste, zoogenaamde parelsago levert, evenals ook eindelijk de vrucht van ''Guilielma''.
Zonder moeitevollen arbeid, zonder akkerbouw is alzoo rijkelijk voor brood gezorgd. Maar bij brood behoort groente, en ook deze leveren de palmen voortreffelijk en in soorten. Men gebruikt daarvoor de jonge bladeren van ''Euterpe, Maximiliana, Cucusperma, Oreocloxa, Cocos oleracea, Lodoicea, Arenga'' (die den zoogenaamden palmkool levert), ''Areca'' en de jonge spruiten van ''Borassus''. Bij het gereed maken der groente behoeft de zwarte of bruine huisvrouw niet in verlegenheid te zijn, want de vrucht van ''Oenocarpus'' levert eene uitmuntende eetbare olie, evenals die van ''Leopoldiana'', terwijl de verbrande bladeren van ''Nipa'' het zout daarbij geven. Ook moet bij den maaltijd de soep niet ontbreken, die uit ''Elais'' gewonnen wordt en zeer goed zijn moet. Het zou mij voorwaar niet verwonderen, wanneer ik eens las van een nieuw ontdekten palmboom, aan welken een goed gebraad groeide; maar daar wij dezen heerlijken boom nog niet kennen, vergenoegen wij ons voor gebraad met de ''putao'', een geregt uit spruiten van ''Borassus'', met forellen of andere visschen gekookt. Bij dit alles behoort nu nog een goed dessert,—en hier zou men bijna in een ''embarras de richesse'' geraken, want over een dessert, waartoe de palmen de stof leveren moeten, zou men een geheel keukenboek kunnen schrijven. Als ''entremets'' dienen de gebraden noten van ''Borasrus'' en ''Guilielma'' of het inwendige vruchtweefsel van ''Nipa'' en ''Lodoicea'', het ''coco tendre'', misschien ook eene soort van ''blanc manger'' uit het gestooten eiwit van cocos, en het ''Yu kussee'' uit de vruchten van ''Oenocarpus'' en ''Euterpe''. Ook fijn ingemaakte vruchten van ''Jubaea, Lodoicea, Arenga'' en vele anderen mogen niet ontbreken. Nu komen de ontelbare nog te eten vruchten, van welke bij ons de dadel (van ''Phoenix dactylifera'') en de kokosnoot de eenige bekende zijn. Hem, die van koek houdt, geve men een stukje bast van ''Hyphaena'', dat, zegt men, den besten peperkoek in smaak niets toegeeft. {{nop}}<noinclude></noinclude>
6vsv7kkjydkhzl1bhuqbgwrckle2ohu
223379
223378
2026-06-17T09:04:56Z
DoekeHellema
16849
223379
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|21}}</noinclude>Bovenaan staat de zegen, dien de palmen door hun gemakkelijk te verkrijgen meel verspreiden. Niet alleen, zooals bij ''Borassus'', leveren wortels en de jonge spruiten broodmeel (''Fidogma''), maar ook het geheele merg van den stam van ''Copernicia, Mauritia, Arenga, Oreodoxa, Corypha, Caryota'' en ''Metroxylon'' bevat meel en sago, en vooral is het het laatstgenoemde geslacht, dat de beste, zoogenaamde parelsago levert, evenals ook eindelijk de vrucht van ''Guilielma''.
Zonder moeitevollen arbeid, zonder akkerbouw is alzoo rijkelijk voor brood gezorgd. Maar bij brood behoort groente, en ook deze leveren de palmen voortreffelijk en in soorten. Men gebruikt daarvoor de jonge bladeren van ''Euterpe, Maximiliana, Cucusperma, Oreodoxa, Cocos oleracea, Lodoicea, Arenga'' (die den zoogenaamden palmkool levert), ''Areca'' en de jonge spruiten van ''Borassus''. Bij het gereed maken der groente behoeft de zwarte of bruine huisvrouw niet in verlegenheid te zijn, want de vrucht van ''Oenocarpus'' levert eene uitmuntende eetbare olie, evenals die van ''Leopoldiana'', terwijl de verbrande bladeren van ''Nipa'' het zout daarbij geven. Ook moet bij den maaltijd de soep niet ontbreken, die uit ''Elais'' gewonnen wordt en zeer goed zijn moet. Het zou mij voorwaar niet verwonderen, wanneer ik eens las van een nieuw ontdekten palmboom, aan welken een goed gebraad groeide; maar daar wij dezen heerlijken boom nog niet kennen, vergenoegen wij ons voor gebraad met de ''putao'', een geregt uit spruiten van ''Borassus'', met forellen of andere visschen gekookt. Bij dit alles behoort nu nog een goed dessert,—en hier zou men bijna in een ''embarras de richesse'' geraken, want over een dessert, waartoe de palmen de stof leveren moeten, zou men een geheel keukenboek kunnen schrijven. Als ''entremets'' dienen de gebraden noten van ''Borasrus'' en ''Guilielma'' of het inwendige vruchtweefsel van ''Nipa'' en ''Lodoicea'', het ''coco tendre'', misschien ook eene soort van ''blanc manger'' uit het gestooten eiwit van cocos, en het ''Yu kussee'' uit de vruchten van ''Oenocarpus'' en ''Euterpe''. Ook fijn ingemaakte vruchten van ''Jubaea, Lodoicea, Arenga'' en vele anderen mogen niet ontbreken. Nu komen de ontelbare nog te eten vruchten, van welke bij ons de dadel (van ''Phoenix dactylifera'') en de kokosnoot de eenige bekende zijn. Hem, die van koek houdt, geve men een stukje bast van ''Hyphaena'', dat, zegt men, den besten peperkoek in smaak niets toegeeft. {{nop}}<noinclude></noinclude>
d2b1gfisvyyvn08wru4if645jz2pm5l
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/44
104
41870
223380
131031
2026-06-17T09:08:33Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223380
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|22|HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|}}</noinclude>Maar, zal misschien een ongeduldige lezer vragen, ontvangen wij ook niet iets te drinken? Vóór de soep geef ik eenige Ceylonsche arak, uit de kokosnoot bereid, vervolgens wijnen van ''Arenga, Attalea, Bactris, Cocos, Mauritia'', als ook »toddy", almede een geestrijke drank, van ''Borassus, Caryotis, Cocos, Nipa'' en ''Phoenix'', deels gewonnen uit de vruchten, deels uit het sap van den stam. Om een mogelijken roes te voorkomen, zal het goed zijn wat verkoelende »ahsai-i", eene blaauwe melk, geperst uit de vruchten van ''Euterpe'', na te drinken. Maar nu zeg ik ook: wel bekome u de maaltijd!
Om al deze geregten te kunnen koken, leveren de palmen niet alleen het brandhout, maar ook de middelen om vuur te maken er bij. De harde en zachte houtsoorten worden door wrijving van opzettelijk daartoe gesneden stukjes in brand gestoken en de vezelen van de bladeren van ''Arenga'' dienen daarbij als tonder. Deze en de met salpeter toebereide bast van ''Chamaerops Ritch''., zijn bij de Chinezen de gewone stoffen om vuur aan te steken.
Voor de keuken moet ik nog opmerken, dat ''Nipa'' en ''Cocos'' azijn, ''Phoenix'' en ''Jubaea'' stroop (bij ''Jubaea'' uit den stam zweetende), ''Arenga, Borassus, Caryotis'' en anderen zeer bruikbare suiker (de Japparine) leveren.
Wij zullen de geneesmiddelen, die de familie der palmen welligt oplevert, maar waarvan in onze apotheken alleen het zoogenaamde «drakenbloed" (van ''Calamus draco'') bekend is, daarlaten en overgaan tot de bouwstof voor woningen, die de palmen schenken. In dit opzigt zijn de palmen almede hoogst gewigtig, altijd in de vooronderstelling, dat men zijne wenschen inrigt naar de behoeften van een tropisch gewest en zijne verwachtingen niet al te hoog spant. Bijna alle geslachten geven in hunne bladeren het voortreffelijkste materiaal tot het dekken van daken, ofschoon de bladeren van ''Manicaria'' daartoe wel de gezochtste zijn. Van ''Licuala'' bouwt men geheele hutten, daar men de bladeren tot dak, de bladribben tot matten en tot gordijnachtige tusschen wanden, de stammen tot het bouwen der hut zelve bezigt. Het hout der meeste palmen is tot bouwhout zeer bruikbaar en gedeeltelijk, zooals dat van ''Guilielma'', zoo hard, dat de bijlen er tegen stuk springen. Ter omtuining van veeperken worden gewoonlijk<noinclude></noinclude>
sorueef2kdf6cl5j2kai0y6ej63och0
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/45
104
41871
223381
131032
2026-06-17T09:14:04Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223381
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|23}}</noinclude>de gespletene stammen van ''Borassus'' of ''Leopoldiana'' gebruikt, tot troggen en pijpen neemt men ''Arenga'' of ''Borassus. Sabal'' geeft hout voor het bouwen van schepen, ''Ixiartea'' blaasinstrumenten. Men ziet, dat hier voor alles gezorgd is.
Het minst kan ik uit de familie der palmen kleedingstoffen aan de hand doen, want behalve eene soort van hemden uit de bladeren van ''Caryotis'', de ''So-e''-kleeden der Chinezen van ''Chamaerops excelsa'' en de regenmantels van de gespleten bladstelen van ''Cocos'' weet ik dienaangaande niets, tenzij men de hoeden hier toe rekenen wilde, van welke er verscheidene soorten onder de meest verschillende benamingen bestaan, zooals Chatta's, Iha-pe's (van ''Licuala'' en ''Livingtonia''), Sombrero's en de thans zoo beroemde Panama-hoeden van ''Sabal'', enz., enz. Tot crinolines werden de palmen (''Galamus draco'') het eerst in Europa misbruikt.
Des te menigvuldiger is daarentegen het gebruik, dat men van de palmen tot vervaardiging van huisraad maakt. Tot knoopen en vlechten dienen de bij de meeste soorten aan de basis der bladeren groeijende vezelen, de bladeren zelve of ook slechts de huid der jonge bladeren (vooral van ''Mauritia'' tot hangmatten), de bladstelen, de bast van den stam van ''Chamaerops humilis'' en van de kokosnoot. Tot het vlechten van matten en gordijnen dienen de bladen van ''Sabal, Cocos, Borassus'' enz., de bladvezels van ''Arenga'' (het zoogenoemde plantaardige paardehaar) van ''Chamaerops humilis'' tot zakken, van ''Astrocaryum'' tot vischnetten, manden enz. Het zou vervelen, indien ik over het nut van elke palmsoort in dit opzigt wilde uitweiden. Zelfs voor de politie groeijen «lasso's", om voortvlugtigen te vangen, op de boomen, namelijk de lange riemvormige verlengsels aan de toppen der bladen van ''Pletocomia''.
Bij het groot aantal zaken, die tot huisraad aan de palmen ontleend worden, is eene volledige opgave onmogelijk. Ik bepaal mij dus tot eenige weinige.
Tot borstels en bezems dient vooral de Piassola of het plantaardige vischbeen uit de bladvezels van ''Attalea'', maar bovendien ook nog bladen en bladribben van verscheidene andere palmen.
Tot gordijnen, matrassen en tapijten worden het meest de bladen<noinclude></noinclude>
b0yu1z24748r2d9w97azquq28osqttp
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/46
104
41872
223382
131033
2026-06-17T09:17:10Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223382
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|24|HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|}}</noinclude>van ''Cocos'', maar ook van nog zeer vele andere palmen met meerdere of mindere kunstvaardigheid verwerkt. Reeds ten gebruike gereede zeven worden geleverd door het netwerk aan de stelen van kokosbladeren, pakzadels zonder naad en kussen door de bladeren van ''Copernicia'', wiegen en mutsen door de bloemscheden van ''Jubaea, Oreodoxa, Manicaria''. De laatste worden ook tot kookgereedschap en ketels gebruikt. Hoe gemakkelijk zou het voor onze militairen zijn, wanneer zij mutsen en kookgereedschap in één stuk vereenigd konden hebben!
De harde schalen van ''Cocos'' en ''Lodoicea'' worden, gelijk natuurlijk is, tot vele huishoudelijke voorwerpen gebruikt, zooals tot schotels, borden, lepels, lampen, bekers, en worden niet zelden sierlijk met zilver beslagen.
''Acrocomia, Attalea'' enz., 't meest echter ''Elais'' leveren niet bloot voor tropische huishoudingen, maar ook voor ons de genoegzaam onontbeerlijk geworden olie tot verlichting, tot zeep enz. Ook was kan de gelukkige bewoner der keerkringsstreken, zonder de onkosten van bijenkorven, van den bast van ''Cenoxylon'' en van de bladeren van ''Copernicia'' verkrijgen. Van verwstoffen leveren de palmen weinig op, een gebrek, dat bij de eenvoudige kleeding in die gewesten ook naauwelijks een gebrek is. Zij leveren juist het noodigste, eene roode verwstof uit de areca-noot en eene blaauwe tot het tatouëren uit het merg van ''Guilielma'', waarbij deze laatste palmboom nog in zijne stekels de instrumenten voor de genoemde operatie verschaft.
De overige technische hulpmiddelen, die de palmen leveren, zijn 't zij werkelijk van weinig beteekenis, 't zij wegens de traagheid van hunne bezitters te weinig ten voordeele aangewend. Ik ken slechts de looistof van ''Sabal'', de gom uit den bast van ''Cocos'' en het tot het vermengen met kalk met voordeel te gebruiken water uit de kokosnoot.
Nu volgt echter eene bonte rij van eene menigte voorwerpen, welke het eenvoudige verstand der zwarten en bruinen uit de palmen weet te maken en die ik in mijne veel op een verkoopings-catalogus gelijkende opsomming niet mag voorbijgaan.
De zucht tot opschik en uiterlijke versiering, die men bij den natuurmensch<noinclude></noinclude>
hkyw6j0erw4fl2z8oo5y9o6nc5pmbu9
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/47
104
41873
223383
131034
2026-06-17T09:18:49Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223383
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|25}}</noinclude>even zoo goed als bij ons aantreft, heeft geleerd de dikwijls zeer fraai er uitziende vruchten op menigerlei wijze en al naar gelang van hare grootte en kleur tot het maken van ringen, ketens, zelfs tot naalden (van ''Astrocaryum'') en tot allerlei andere zaken te gebruiken. Voor ons is de in Europa 't meest verwerkte vrucht van ''Phytelephas'', het zoogenaamde plantaardige ivoor, het belangrijkst, even als ook de tot knoppen voor wandelstokken en parapluies gebezigde zwart en geel gevlekte noot van ''Astrocaryum''. Van belang zijn ook voor ons het Spaansch riet of rotting (''Calamus rotang''), Babbagestokken (van ''Bactris, Geonoma''), de zoogenaamde palmstokken (uit de bladribben van ''Oreodoxa''), de Malakkastokken, draakrieten (van ''Calamus draco''); van het laatstgenoemde materiaal worden ook de bekende zwevende bruggen, de schrik van alle Europeërs, die er over heen moeten, zaamgevlochten. Bovendien vermeld ik nog ter waarschuwing voor de dames het »valsche vischbeen," dat uit de zwartgekleurde en gespletene stammen van ''Calamus rotang'' gemaakt wordt.
De blaaspijpen en bogen der Indianen worden vervaardigd, de eerste uit ''Ixiartea, Kunthia'' en ''Jubaea'', de laatste uit ''Calamus'', waarbij zij de pijlen uit de bladribben van ''Oenocarpus'' of uit de stammen van ''Arenga'' of ''Raphis'' snijden, welke pijlen zij dan met het sap van het omkleedsel der areca-noot vergiftigen.
Schrijfpennen geven de holle bladstelen van ''Borassus'', gelijk ook de stam van ''Arenga'' en ''Raphis''; het noodige papier daarbij leveren de bladen van ''Chamaerops excelsa'' en ''Corypha'' en de inwendige huid van den bladsteel van ''Borassus''. Inkt kan men bereiden uit de areca-noot.
Het gebruik der palmbladen tot zonneschermen en waaijers is zoo uitgebreid, dat bijna elke palmsoort haar contingent daartoe levert en dus ook elke landstreek haar eigenen vorm of hare eigene mode heeft. Eenvoudiger is het gebruik van kokosbladeren tot fakkels of ook van de afgeknotte bladrib tot kam.
Ik meen in deze regels een denkbeeld te hebben gegeven van het verbazend uitgestrekte nut, dat eene enkele plantenfamilie aanbrengt, en de lezer zal, hoop ik, deze voorstelling niet geheel onbevredigd nederleggen. Eer ik echter van mijn onderwerp geheel afstap, kan<noinclude></noinclude>
0q54937dpanv3eoeulpafpxlkhyj946
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/48
104
41874
223384
131035
2026-06-17T09:20:54Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223384
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|26|HET NUT DER PALMEN VOOR DE MENSCHELIJKE HUISHOUDING.|}}</noinclude>ik niet nalaten nog die palmsoort te gedenken, naar welke nog heden een der Christelijke feestdagen, de Palmzondag, genaamd wordt. Deze palm was, gelijk als bijna zeker kan worden aangenomen, de voor de Oosterlingen zoo hoogst gewigtige dadelpalm (''Phoenix dactylifera'').
{{gap|4em}}Naar {{sc|d. von biedermann}}, in ''die Natur'', 1860, S. 180.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr|2}}{{lijn|5em}}{{dhr|2}}<noinclude></noinclude>
sjnhbdjonc53vjm909f71zirsq4x7rz
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/384
104
43185
223369
134264
2026-06-16T20:37:05Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223369
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{x-larger|DIEREN IN OOST-PRUISSEN.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
De bosschen in Oost-Pruissen (de provincie ''Pruissen'' van het koningrijk van dien naam) zijn nog altoos aanzienlijk, alhoewel in uitgestrektheid en digtheid, bij vroegeren tijd, aanmerkelijk verminderd. Met deze vermindering van hout en de toeneming der bevolking, zijn ook vele groote dieren van daar verdreven. Volgens de ''Agronomische Zeitung'' van 1859, p. 557, zijn de ''Tarpanen'' of ''wilde paarden'' sedert het einde der 16e, de ''Auerochs'' sedert het midden der 18e eeuw, de ''losch'' of ''lynx'' sedert bijna 50, de ''beer'' sedert bijna 40 jaren uit dat gewest verdwenen. ''Wolven'', vroeger over de gansche provincie verspreid en zeer algemeen, komen thans alleen nog maar hier en daar in haar oostelijk gedeelte voor, en de ''Eland'' (de ''Elch''), die nog in het begin der vorige eeuw om Koningsbergen en in Pruissisch Litthauen (regerings-kreits Gumbinnen) vrij talrijk was, bepaalt zich thans tot een 70 stuks, die in de Kaaphornsche heide in Samland gehouden worden. In 1850 was de eland, ten gevolge der vernielingen gedurende de beide vorige jaren van jagtvrijheid, hier zijne algeheele vernietiging nabij. Talrijk is nog altoos het ''wilde zwijn'' en, behalve de gewone soorten van wild, die ook elders in Pruissen voorkomen, ook de ''wilde'' of ''boomkat''. Aan de bovenlandsche meren komt ook de ''bever'', hoewel zelden, voor. Behalve het gewone gevogelte vindt men in de bosschen de ''Auerhaan'' en de ''trapgans''; aan de kusten den ''zeeadelaar, reiger'' en ''kraanvogel''.
{{rechts|[[Auteur:Alexander Willem Michiel van Hasselt|{{sc|v. H.}}]]{{gap|5em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
tf7v9a4lbv28sglcfj5mqkurbcggnal
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/234
104
83975
223363
216416
2026-06-16T17:56:43Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
223363
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|199}}</noinclude>mee zoo ’t wil, hy was de Leermeester van onzen {{sc|Blankhof}} en van Johannes Bulot. Naderhant geraakte {{sc|Blankhof}} by Pieter Scheyenburg, en van daar om de Konst voort te oeffenen by Cezar van Everdingen, en Gerrit de Jong, tot dat hy zig door reislust geprikkelt naar Rome begaf, daar hy tweemaal (anderen zeggen driemaal) op verscheide tyden geweest is.<br>{{gap}}In de Schilderbent werd zyn rechte naam verandert in {{sc|Jan Maat}}; wy zullen hem voortaan ook zoo noemen om dat hy dien zedert behouden heeft, en hy daar best by bekent is.<br>{{gap}}De eerste voorwerpen van zyn Penceel waren Lantschappen, en inlantsche Strand- en Watergezichten, die hy vaardig vlak en kwik wist te schilderen, ’t welk vermoeden geeft dat zyne Reizen hem aanleiding tot het Zeeschilderen hebben gegeven. Zyn waardigst geachte stukken, zyn die, in welke hy Italiaansche Stranden, en Zeepoorten, met der zelver vremde vaartuigen, heeft afgebeelt.<br>{{gap}}Hy was los van leven, en los in ’t schilderen; waarom zyn aart die woelig was zyn penceel tot vaardig schilderen gewende. Ende Konstkenners hebben opgemerkt, dat, wanneer hy wat meer gedult nam, om zyn werk uitvoeriger en meer gepolyst te doen voorkomen, de zelve dan die geestige losheid, en prysselyke fixheid misten, hoe wel ik weet, (dit niet tegenstaande) dat de net gepolyste schilderyen thans wel meest gewilt worden. By den Konstschilder Gerrit vander Steur tot Alkmaar hangt een Strantgezicht, ’t geen onder zyn beste werken mag getelt worden, konstig en natuurlyk verbeelt. De zwalpinge of overbuitelinge der ebbende en aan-<noinclude>{{RH||N 4|vloe-}}</noinclude>
ppwbavugr9s1jvtki4daarv1qhmm3c5
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/94
104
86888
223364
2026-06-16T19:21:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223364
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|SNELLE PLANTENGROEI.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Het is bekend, dat de snelheid van ontwikkeling in het plantenrijk dikwijls allerbelangrijkst en veel grooter dan in het dierenrijk is. Verschillende merkwaardige voorbeelden zijn daarvan opgeteekend. Zoo bereikt de wonderboom (''Ricinus communis'') in drie maanden tijds meermalen eene hoogte van 16 tot 18 voet. De hennep (''Cannabis sativa'') kan binnen de 24 uren vier oude duimen in lengte toenemen. De heer {{sc|harting}} zag in 24 uren tijds een stengel van de heggerank of wilde wijngaard (''Bryonia alba'') 191, en een van de hop (''Humulus Lupulus'') 179 streep langer worden (vergel. ''Album der Natuur'' 1854, bl. 149—150); terwijl, wanneer men zich de opgewonden stengen van laatstgenoemde plant in eene regte lijn uitgestrekt denkt, deze in 4 maanden eene lengte van 30 tot 40 voet bereiken. Ook andere klimplanten erlangen vaak eene aanzienlijke ontwikkeling in lengte, zooals wij in de gelegenheid zijn dit jaarlijks bij ''Cobaca scandens'', bij onze kalabassen (''Cucurbita's'') enz. op te merken. Bekend om den snellen wasdom van zijnen bloemstengel is ook de anders zich tamelijk traag ontwikkelende zoogenaamde honderdjarige, verkeerdelijk aldus genoemde Aloë (''Agave americana''), die aan de oevers van de Middellandsche zee binnen ruim eene maand tijds eene bloemsteng van 30 voet vormt. Meer dan eens werd die snelle wasdom in onze plantentuinen nagegaan; men kwam daarbij tot verschillende, dikwijls hooge cijfers; het hoogste is waarschijnlijk wel dat, hetwelk door den hoogleeraar {{sc|n.l. burman}} wordt vermeld, die zulk een bloemsteng in 24 uren vijf voet in de lengte zag toenemen. (Zie {{sc|h.c. van hall}}, ''Handboek der Kruidkunde'', 1846, bl. 194).
Zeer merkwaardig is ook de groei bij de bamboe's (''Bambusa's''), zooals uit de volgende opgaven kan blijken:
Wijlen de hoogl. {{sc|ch. morren}} zag een bamboes (''Bambusa arundinacea'') in eene der warme kassen van den plantentuin te Luik in 9 maanden tijds tot eene hoogte van 32 voet opschieten.
In den tuin te Calcutta nam de beroemde {{sc|wallich}} waar, dat een<noinclude></noinclude>
qgjcb5u9zwk4sdwd15ykpyotcqdg93z
Index:Het Volk vol 044 no 17669 Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven.pdf
106
86889
223365
2026-06-16T19:21:56Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
223365
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=tijdschrift
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Het Volk
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1943
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=V
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1="4D" />
|Opmerkingen=[[Het Volk/Jaargang 44/Nummer 17669/Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
df6jtov5vqyzajcc2htxldrvsp9vndn
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/95
104
86890
223366
2026-06-16T19:22:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223366
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" /></noinclude>
64 SNELLE PLANTENGROEI.
bamboesstengel in ééne maand tijds 86 el, d. 1. dagelijks gemiddeld
2 palm 9 duim of meer dan één Rh. voet, in lengte was toegenomen.
In PETERMANN'S geographisch tijdschrift wordt opgegeven, dat een
bamboes in den botanischen tuin te Edinburg in één dag 0.16 el
langer werd.
Nog merkwaardiger is de groei bij Bambusa gigantea, die 30 meters
hoog wordt en met de verwonderlijke snelheid van 0.50 el per dag
in lengte toeneemt. Maar welligt zonder voorbeeld is de snelheid
van wasdom bij de Bengaalsche Bambusa tulda, die hare gewone
hoogte van 22 Ned. el in ééne maand tijds bereikt, dus 0.08 in het
uur groeit.
Prof. dr. KARL KocH vermeldt in zijn Wochenschrift, dat men in den
botanischen tuin te Berlijn de groeikracht van eene Bambusa verticillata
naauwkeurig heeft nagegaan: deze plant was op den 22sten Augustus
één Ned. el hoog en 0.25 el in doorsnede; den 24sten November
reeds had zij eene hoogte van }2 Ned. el bereikt en was dus ge-
middeld 0,12 el per dag in lengte toegenomen. De groei was bij
dit individu zeer ongelijk en verschilde den eenen dag bij den
anderen van 0.02 tot 0.04; het werkzaamst was hij van den 3den
tot den 4den September, daar de toeneming in lengte toen 0.22 el
was. (Vergl. Revue horticole, 1862, p. 102).
He mochl<noinclude></noinclude>
assob7rndn9j8fupeyutu75b0zpcq5g
223370
223366
2026-06-17T07:56:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223370
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|64|SNELLE PLANTENGROEI.|}}</noinclude>bamboesstengel in ééne maand tijds 86 el, d.i. dagelijks gemiddeld 2 palm 9 duim of meer dan één Rh. voet, in lengte was toegenomen.
In {{sc|petermann's}} geographisch tijdschrift wordt opgegeven, dat een bamboes in den botanischen tuin te Edinburg in één dag 0.16 el langer werd.
Nog merkwaardiger is de groei bij ''Bambusa gigantea'', die 30 meters hoog wordt en met de verwonderlijke snelheid van 0.50 el per dag in lengte toeneemt. Maar welligt zonder voorbeeld is de snelheid van wasdom bij de Bengaalsche ''Bambusa tulda'', die hare gewone hoogte van 22 Ned. el in ééne maand tijds bereikt, dus 0.08 in het uur groeit.
Prof. dr. {{sc|karl koch}} vermeldt in zijn ''Wochenschrift'', dat men in den botanischen tuin te Berlijn de groeikracht van eene ''Bambusa verticillata'' naauwkeurig heeft nagegaan: deze plant was op den 22sten Augustus één Ned. el hoog en 0.25 el in doorsnede; den 24sten November reeds had zij eene hoogte van 12 Ned. el bereikt en was dus gemiddeld 0,12 el per dag in lengte toegenomen. De groei was bij dit individu zeer ongelijk en verschilde den eenen dag bij den anderen van 0.02 tot 0.04; het werkzaamst was hij van den 3den tot den 4den September, daar de toeneming in lengte toen 0.22 el was. (Vergl. ''Revue horticole'', 1862, p. 102).
{{r|[[Auteur:Herman Christiaan van Hall|{{sc|H. v. H.}}]]{{gap|3em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
4wbfe73xlt7e98vvy4ang01url2din1
Pagina:Het Volk vol 044 no 17669 Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven.pdf/1
104
86891
223367
2026-06-16T19:23:05Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
223367
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{c|{{xxx-larger|Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven}}}}
{{c|{{x-larger|''Soldaten plunderden en roofden naar hartelust''}}}}
{{dhr|2}}
[[Bestand:Het Volk vol 044 no 17669 Dal der Koningen.jpg|500px|center]]
{{fine|''Gezicht op de koningsgraven te Luxor. De grote ingang is die naar het graf van Ramses VI, rechts daarvoor de bijna verborgen ingang van het graf van Toet-Anch-Amon. (Cliché A.P.-archief)''}}
{{dhr|2}}
{{c|{{x-larger|Toet-anch-amons nederig graf}}}}
{{lijn|4em}}
{{c|{{larger|Zo vergaat ’s werelds glorie}}}}
{{initiaal|D}}e geschiedenis heeft haar grillen. Een van de zonderlingste van deze grillen is wel geweest — een twintigtal jaren geleden — het in de gehele beschaafde wereld bekend worden van de naam van een Egyptischen farao, van wiens bestaan voordien slechts een handjevol Egyptologen kennis droeg.
<br>{{gap}}Toet-anch-amon is maar een heel onbetekenend vorstje geweest en hij heeft waarschijnlijk nog geen tien jaar geregeerd. Het is dan ook zuiver aan het toeval te danken, dat zijn naam voortleeft bij het grote publiek, terwijl de namen van veel belangrijker Egyptische heersers, als Toetmosis, Ramses, Echnaton, voor velen niet meer dan zinledige klanken zijn.
<br>{{gap}}Tegen het einde van 1922 verbreidde zich de mare, dat in Egypte, in het Dal van de Koningsgraven nabij de ruïnen van Thebe, een vondst van ongekende omvang en rijkdom gedaan was. Verborgen schatten hebben altijd en overal op de verbeelding der mensen gewerkt. De aantrekkingskracht van het geheimzinnige werd hier bovendien nog verhoogd door het verband met het mysterie van de dood.
<br>{{gap}}In geen begraafplaats ter wereld zijn zoveel schatten verborgen als in het Dal der Koningsgraven. Hier, in diep in de heuvels uitgegraven kamers, werden de aanzienlijken uit het oude Egypte tussen 1700 en 1100 voor het begin onzer jaartelling begraven: farao’s en hun vrouwen, prinsen en prinsessen en hoge ambtenaren. Zij werden in hun laatste rustplaats gelegd temidden van al de pracht en praal, waarover oosterse fantasie en een rijke beschaving konden beschikken.
{{dhr}}
{{gap}}Voor de Egyptenaren was dit meer dan een ceremonie. De rijkdommen, die met den dode begraven werden, hadden ten doel hem in staat te stellen het leven in het hiernamaals op dezelfde voet voort te zetten als hij het in deze wereld gewend was geweest.
<br>{{gap}}Zolang Egypte een grote mogendheid en een geordende staat was, waarin de farao zijn gezag wist te doen eerbiedigen, bleven de graven in het algemeen voor schennis behoed. Mochten al hier en daar uit een graf enkele kostbaarheden gestolen worden, berovingen op grote schaal, plunderingen van hele graven, kwamen zo goed als niet voor.
<br>{{gap}}Anders werd dit na de dood van Ramses II, in 1215 voor Chr. Onder zijn opvolgers, een rij zwakke vorsten, geraakte Egypte deerlijk in verval.
{{rechts|'''De eerste rovers'''}}
{{gap}}Egypte’s aanzien in de oude wereld zonk, het verspeelde zijn Aziatische „koloniën” en vandaar stroomde geen tribuut van de onderworpen volkeren meer het land binnen. De schatkist raakte leeg. Men dacht aan de rijkdommen, verborgen in de graven in het Dal der Koningen, en soldaten, die uit de lege schatkist geen soldij meer ontvingen, verschaften zichzelf betaling, door openlijke en schaamteloze plundering van de schatten. Tevergeefs traden de priesters van Amon tegen deze heiligschennis op. De regering was machteloos. Om tenminste de mummies voor verminking te behoeden, lieten de priesters vele er van overbrengen naar verborgen plaatsen. De verwarring, ontstaan door het optreden der rovers, is daardoor in de graven natuurlijk eer groter dan kleiner geworden.
<br>{{gap}}Geen enkel Egyptisch koningsgraf is op deze wijze geheel intact gebleven en ontzaglijk veel waardevol materiaal is gestolen of vernield. Eigenlijk mag het, de omstandigheden in aanmerking genomen, nog een wonder heten, dat er zoveel gespaard is en door net nageslacht kon worden opgedolven.
<br>{{gap}}Meer dan een eeuw reeds, sinds Belzoni in 1818 het prachtige, maar deerlijk geschonden graf van Seti I vond, was men hier met archaeologische opgravingen bezig. Het gehele terrein was vrijwel afgezocht en weinigen koesterden de hoop, dat een geheel of tenminste zo goed als ongeschonden graf nog zou worden gevonden.
{{alinea|2em|2em|Een dezer weinigen was de onderzoeker Howard Carter. Op 26 November 1922 zag hij zijn onvermoeide jarenlange nasporingen met succes bekroond. Onder de puinhopen van een ander graf en daardoor aan de aandacht zowel der rovers als der archaeologen ontsnapt, vond hij de toegang tot een graf, dat later dat van Toet-anch-amon bleek te zijn.<br>{{gap}}Geheel ongeschonden was ook dit niet. Grafrovers hadden er, waarschijnlijk kort nadat de farao er ter ruste gelegd was, een bezoek gebracht en enkele kostbaarheden meegenomen. Voor de grote plundering in de vervaltijd van Egypte was het echter behoed gebleven en dientengevolge leverde het een overvloed aan kostbaarheden op, zo groot als men tot dien in geen enkel Egyptisch koningsgraf had gevonden en men zeer zeker ook niet meer vinden zal. Deze vondst was werkelijk sensationeel en zij heeft veel bijgedragen tot de kennis van een der merkwaardigste beschavingen, die de wereldgeschiedenis kent.}}
{{gap}}Meer dan drieduizend jaar hadden de schatten in de aarde verborgen gelegen en hoewel in het algemeen goed geconserveerd, waren vele voorwerpen toch zo droog en breekbaar, dat ze eerst na een grondige chemische bewerking ondergaan te hebben, konden worden aangeraakt en vervoerd.
<br>{{gap}}Wat men hier vond aan kostbare gewaden, gebruiksvoorwerpen, wapenen, sieraden, is niet in enkele woorden weer te geven en de verbeelding schiet te kort om er zich een voorstelling van te vormen. Kort na de ontdekking, in de winter van 1922/’23, trokken duizenden toeristen uit alle streken der aarde naar Luxor om de schatten te zien en de kranten schreven er over in kolommenlange artikelen.
{{rechts|'''Verdwenen roem'''}}
{{gap}}Toch was, in vergelijking met die van vele andere Egyptische vorsten, Toet-anch-amon’s graf een van de nederigste. De farao’s besteedden soms tientallen jaren van hun regering aan het bouwen en inrichten van hun laatste rustplaats. Toet-anch-amon stierf op jeugdige leeftijd en hem ontbrak dus de tijd daartoe. In zijn graf vindt men geen statige galerijen met rijk versierde wanden. Het bevat slechts vier vertrekken en de staatsie van de uitrusting, hoe overdadig reeds in onze ogen, haalt niettemin niet bij die van de grote heersers. Doch deze laatste laat zich voor het grootste deel slechts vermoeden, die van Toet-anch-amon heeft het verbaasde nageslacht met eigen ogen kunnen aanschouwen, zo niet in origine in het graf zelf of in net museum te Caïro, dan toch tenminste in de talrijke afbeeldingen, die er van in kranten, tijdschriften en boeken verspreid zijn.
<br>{{gap}}Hoewel Toet-anch-amon’s regeerperiode kort is geweest, is zij toch voor de kennis der Egyptische geschiedenis van groot belang. De jonge farao was namelijk de opvolger van Echnaton, den zogenaamden „ketterkoning”, wiens streven er op gericht was het veelgodendom van het volk in het land van de Nijl te vervangen door een monotheïstische eredienst, gebaseerd op de verering van de zon als de bron van alle leven. Het volk, geleid door de priesters van den oppergod van Thebe, Amon, verzette zich echter tegen de niéuwe godsdienst en deze was na de vroegtijdige dood van zijn fanatieken verkondiger ten ondergang gedoemd. De Oude goden, met Amon aan het hoofd, namen hun plaatsen weer in. De naamsverandering van Echnaton’s opvolger en schoonzoon, Toet-anch-aton (levend beeld van Aton, de zonneschijf) in Toet-anch-Amon, onder welke naam hij is blijven voortleven, spreekt in dit opzicht een duidelijke taal.
<br>{{gap}}Sindsdien heeft de toen reeds enige duizenden jaren oude Egyptische cultuur geen vernieuwingspogingen meer gekend. Zij verstarde tot het gouden dodenmasker, dat enige eeuwen later de Grieken leerden kennen en dat zij aan ons als het ware gezicht van Egypte overleverden. Eerst nadat anderhalve eeuw geleden de hiëroglyphen hun geheim prijs gaven en de stenen en de graven gingen spreken, heeft men een ander Egypte gevonden, een land nog wel vol geheimen en raadsels, maar dat toch ook ons veel te zeggen heeft.
<br>{{gap}}De ontsluiting van Toet-anch-amon’s graf heeft tot de kennis van dit Egypte in aanzienlijke mate bijgedragen.
{{dhr|2}}
[[Bestand:Het Volk vol 044 no 17669 kop van een standbeeld.jpg|400px|center]]
{{block center|width=400px|{{fine|''De vrouw van Toet-Anch-Amon. Dit beeldje werd in het graf van den farao gevonden (Cliché A.P.-archief)''}}}}<noinclude></noinclude>
fjkbtavsyzh6cta5xxpzoezjukwir6t
Het Volk/Jaargang 44/Nummer 17669/Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven
0
86892
223368
2026-06-16T19:25:19Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
223368
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven. Soldaten plunderden en roofden naar hartelust. Toet-anch-amons nederig graf. Zo vergaat ’s werelds glorie’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''Het Volk'', vrijdag 2 juli 1943, p. 4D. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Het Volk vol 044 no 17669 Onmetelijke schatten borg het Dal der Koningsgraven.pdf" from="1" to="1"/>
[[Categorie:Het Volk]]
0e31q7kgj86afujwx7u7vzbtpd5z6v9
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/96
104
86893
223371
2026-06-17T08:01:57Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223371
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}}
{{c|{{xx-larger|DE KRYPTOGAMEN:}}
{{smaller|DOOR}}
{{larger|[[Auteur:Frederik Willem van Eeden|{{sc|F.W. van EEDEN.}}]]}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Vóór {{sc|linnaeus}} zijn beroemd stelsel op het getal der meeldraadjes en stempels had gevestigd, waren de planten, naar haar oppervlakkigen aanblik, in eenige groepen gerangschikt, op dezelfde wijs als wij in het dagelijksch leven plegen te doen. Zoo rangschikte men de woudboomen, de vruchtboomen, de bolgewassen, de waterplanten, de vergiftige en aromatische gewassen tot groepen, waarvan de meesten de ongelijksoortigste planten in zich vereenigden en bij de toenemende bekendheid met vele buitenlandsche planten niet konden behouden blijven.
Het stelsel van {{sc|linnaeus}} gaf daarentegen een zeer gemakkelijk middel tot onderscheiding en herkenning aan de hand, doch was alleen van toepassing op de zigtbaar bloeijende planten (Phanerogamen). De lager bewerktuigde, de Varens, Mossen, Wieren en Zwammen bleven hare natuurlijke rangschikking behouden, want {{sc|linnaeus}} ontdekte in haar niets, dat naar bloemen, naar meeldraadjes of stempels zweemde; alleen zaden of kiemkorrels, die zich òf in vruchtjes òf op de oppervlakte der plant zelve ontwikkelen. Hij veronderstelde echter, dat bij deze planten op nog onbekende wijze, door nog niet waargenomen organen iets dergelijks moest plaats hebben als bij de bloeijende planten (eene veronderstelling, wier juistheid thans ten minste bij velen van haar is gebleken) en noemde ze daarom ''Cryptogamae'' (verborgen bloeijende) in tegenstelling van de ''Phanerogamae'' of zigtbaar bloeijende. Verder kon hij niet gaan en door zijn kunstmatig stelsel in de lagere<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|5}}{{gap}}}}</noinclude>
j2tgj2uz1sppkbj5jji4g0lwjzzfgsa
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/97
104
86894
223372
2026-06-17T08:09:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223372
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|66|DE KRYPTOGAMEN.|}}</noinclude>plantengroepen de natuur niet verbeteren, die daarin zoo duidelijk spreekt, dat een kind die groepen bij den eersten aanblik weet te onderscheiden.
Het stelsel van {{sc|linneaus}} is slechts eene korte, kunstmatige ingrijping geweest op de gezonde natuurbeschouwing, die niet enkele deelen, maar het voorkomen der geheele plant en hare ontwikkeling tot rigtsnoer neemt om de groepen te onderscheiden, en thans verdeelt men de planten weder in patuurlijke afdeelingen, even als van ouds, doch op wezenlijker, wetenschappelijker gronden. Niet de groeiplaats, niet het nut voor den mensch, maar de vorm is de eenige, algemeene grondslag geworden en met het onderzoek naar de ontwikkeling van dien vorm is de kennis van het leven der plant zoo naauw verbonden, dat de rangschikking niet meer eene drooge, onvruchtbare en conventionele studie is, gelijk ten tijde van {{sc|linneaus}}, maar een der rijkste en leerzaamste gedeelten der Plantenkunde.
Sommige zeer natuurlijke groepen, waarin de vorm ook aan de eigenschappen der planten beantwoordt, zijn uit den voor-Linnaeaanschen tijd behouden gebleven. Zoo behooren de meeste aromatische kruiden tot de familie der Lipbloemigen (''Labiatae''), de peulvruchten tot die der ''Leguminosae'', de bolgewassen tot de ''lilaceae'', terwijl de familie der Grassen en eindelijk al de verschillende groepen der Kryptogamen in de rangschikking niet veranderd zijn. Wel heeft men, sedert de bevruchting der Mossen en Varens meer is aan het licht gekomen, den naam ''Cryptoyamae'' door andere namen willen vervangen, zoo als ''Agamae'' (zonder bevruchting), ''Cellulares'' (celplanten, als bestaande alleen uit celweefsel zonder vaten) en andere; doch ook geen van deze is in den volsten zin van algemeene juistheid, waarom de oude naam, ''Cryptogamae'', nog veelal wordt gebezigd.
De groepen, die tot deze omvangrijke afdeeling behooren, zijn de Wieren (''Algae''), de Zwammen (''Fungi''), de Korstmossen (''Lichenes''), de Levermossen (''Hepaticae''), de Bladmossen (''Muscí''), de Paardestaarten (''Equisetaceae''), de Varens (''Filices''), de Watervarens (''Marsiliaceae'') en de Wolfsklaauw-mossen (''Lycopodiaceae''). Deze groepen zijn echter geenszins scherp begrensd, maar door merkwaardige tusschenvormen onderling aan elkaâr verbonden, vooral in de laagste, de Wieren en<noinclude></noinclude>
n2oy8e4cbl3evli2n40slc3a7qadvnf
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/98
104
86895
223373
2026-06-17T08:13:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223373
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE KRYPTOGAMEN.|67}}</noinclude>Zwammen, die in hun eenvoudigsten toestand niet van elkander zijn te onderscheiden. Wij moeten ook niet vergeten, dat onze rangschikking slechts een hulpmiddel is. De plantenwereld is een zamenhangend geheel, doch niet aaneengeschakeld als een keten, maar rondom in elkander sluitende en passende als een mozaïk. Voor de juiste kennis der vormen mag eene afscheiding in groepen en familiën noodig zijn, in waarheid zijn er geen groepen, geen familiën, geen soorten, maar een in oneindige vormen schitterend geheel.
Een celletje, een vlies of een vezeltje is de eerste ons zigtbare uiting van het bewerktuigde leven. De kiemen tot dit leven zijn overal aanwezig en omringen ons meer dan wij vermoeden. Wolken van mikroskopisch kleine kiemcellen vervullen den dampkring en ontwikkelen zich, waar zij een gunstigen bodem vinden, òf tot plantaardige (''Mycoderma'') òf tot dierlijke ligchaampjes (''Infusoria''), die door hun leven en voeding die eigenaardige werking in de stoffen voortbrengen, welke wij gisting noemen.
De jongste onderzoekingen van {{sc|pasteur}} hebben een merkwaardig licht over de gisting verspreid en bewezen, dat die zoo geheimzinnige ontbindingen, welke men vroeger scheikundig trachtte te verklaren, het gewrocht zijn van levende wezens, die uit de suiker der plantenvloeistoffen alkohol en koolzuur, uit den wijn den azijn bereiden, die het brooddeeg doen rijzen en die ook eindelijk die geheele ontbinding veroorzaken, welke wij verrotting noemen.
Het leven en de werking dier mikroskopische wezens is hoogst verschillend. De wijngisting, de ontbinding der suikerdeelen van het druivensap tot alkohol, koolzuur en andere stoffen geschiedt door plantaardige wezens (''Mycoderma vini''), die zich als celletjes vertoonen en door verdeeling voortplanten. Deze plantjes hebben tot hun bestaan zuurstof noodig; in eene afgeslotene ruimte houdt daarom hunne werking na een zeker tijdsverloop op, wanneer zij sterven en op den bodem zinken. Evenzoo heeft in het mout de biergisting plaats door als draadjes aaneen verbonden celletjes.
Blijft wijn of bier gedurende een zeker tijdsverloop aan de lucht blootgesteld, dan ontwikkelen zich daarop andere celplantjes, de zoogenoemde azijnmoer (''Mycoderma aceti''), die de azijngisting dier vochten<noinclude></noinclude>
g9ms1s5g7lagkpte4v2afac7m0wn15h
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/99
104
86896
223374
2026-06-17T08:16:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223374
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|68|DE KRYPTOGAMEN.|}}</noinclude>veroorzaken, door den alkohol met de zuurstof der lucht tot azijnzuur te verbinden.
Wanneer plantaardige of dierlijke vochten een tijdlang hebben gestaan en alle zuurstof door celplantjes of infusoriën daaruit is weggenomen, terwijl deze zich alleen op de oppervlakte als een dun laagje hebben gevestigd, dan ontkiemen in het binnenste van het vocht eene geheel ander soort van dierlijke wezens (''Vibrio''), die zonder zuurstof leven en de stikstof houdende zelfstandigheden omzetten tot nog eenvoudiger verbindingen, welke laatste verder door de bovenste laag plantjes en diertjes met de zuurstof van de lucht vereenigd, als de eenvoudigste verbindingen, gelijk ammoniak en koolzuur ontwijken. Deze dubbele werking neemt meer en meer toe; een ontzettende stank verspreidt zich, en de verrotting begint om met eene geheele oplossing in de eenvoudigste bestanddeelen te eindigen.
De veronderstelling, dat de gistcellen en infusoriën, zonder kiemen, uit de verbindingen der stof zouden ontwikkeld worden (''generatio spontanea''), is door de onderzoekingen van {{sc|pasteur}} wederlegd. Hij heeft ontdekt, dat de dampkringslucht die kiemen aanvoert, en wanneer zij door fijne watten gedreven wordt, in deze de zeer kleine zaadjes en celletjes achterlaat, die de gistcellen en infusoriën doen geboren worden. Plantaardige en dierlijke vloeistoffen, waarin vooraf alle kiemen door koking waren gedood, vertoonden onder den invloed van zoodanig gefiltreerde lucht, zelfs na jaren, geen spoor van gisting of verrotting. Het verduurzamen van levensmiddelen berust dus voornamelijk op het beginsel van verdelging en wering der dierlijke of plantaardige kiemcellen.
Planten en dieren zijn in hun eersten trap van ontwikkeling bijna niet van elkander te onderscheiden; het planten- en dierenrijk zijn als twee takken van een zelfden stam, die aan de uiteinden het duidelijkst van elkander verschillen, maar aan hun oorsprong ineenvloeijen en den onderzoeker doen weifelen. De voortplantingscellen van sommige wieren bewegen zich een tijd lang, voor zij zich tot plant ontwikkelen, andere wiersoorten (''Oscillatoria'') bestaan uit een bundel celdraden, die aan de eene zijde vastgehecht, zich aan de andere slingerend bewegen, als de Polypen; de Kristalwieren (''Diatomeae'') zijn planten met<noinclude></noinclude>
ie8mx5zq0vhwvqoeol9ulf35x6eku3m
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/100
104
86897
223375
2026-06-17T08:19:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223375
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE KRYPTOGAMEN.|69}}</noinclude>harde kiezelpantsers als de schelpdieren, de wonderlijk schoone ''Sertularia's'' zijn zeepolypen, die den vorm bezitten van een gras- of denneplantje, de schimmels doen zich nu eens voor als een cel, dan weder als een wier. In dezen nog duisteren schuilhoek is het onmogelijk, scherpe grenzen te stellen, zelfs niet tusschen de bewerktuigde en onbewerktuigde natuur. De koraaldieren vormen door hunne verharde omkleedsels gesteenten, en het steengraauwe, schelpachtige korstmos onzer zeeduinen (''Patellaria'') is duurzaam en hard als het zand, waarop het, in groote menigte, zonder wortel, op de droogste, barste plekken voorkomt.
Gelijk de laagste diersoorten, de weekdieren, de straaldieren en polypen iets plantaardigs en zelfs iets anorganisch in hun vorm en leven vertoonen, zoo zien wij in de Kryptogamen verschijnselen en vormen, die ons aan het dierlijk leven en zelfs aan de onbewerktuigde p\natuur herinneren. Van daar de eigenaardige indruk, dien zij op ons maken, gansch anders dan die van de zigtbaar bloeijende planten, een indruk, die spreekt van een voorbijgegaan tijdperk, toen de hoogere Kryptogamen, bij andere toestanden onzer planeet, in haar grootsten luister schitterden.
Vrij zeker is het, dat bij de meeste hoogere Kryptogamen een bevruchtend en vruchtdragend orgaan bestaat. Het laatste, dat het duidelijkst is, heeten wij gewoonlijk de vrucht (''Sporangium''), het eerste is hoogst moeijelijk te ontdekken en bevindt zich dikwijls op gedeelten der plant, die slechts korten tijd en alleen bij hare ontkieming bestaan (''prothallium'', voorkiem), zooals dit bij de varens is aangetoond. Dit bevruchtend orgaan (''antheridium'') bevat meestentijds kleine, slangvormige ligchaampjes (''antherozoïden''), die zich, bij het uitkomen, min of meer slingerend bewegen en wier werking op de vrucht nog niet met zekerheid bekend is.
Hier staan wij op de grenzen der wetenschap, waar gissing en geloof, gelijk overal, vaak tot ijdele redenering en onvruchtbaren strijd leiden en alleen de geduldige, moedige onderzoeker langzamerhand den weg kan banen.
De Korstmossen vormen door hunne gedaante als 't ware een overgang<noinclude></noinclude>
l1hkh3trkopz18na2j2q25n25aylapd
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/101
104
86898
223376
2026-06-17T08:28:08Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223376
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|70|DE KRYPTOGAMEN.|}}</noinclude>van de onbewerktuigde tot de bewerktuigde natuur. Hunne vormen zijn architectonisch, als uit steen gehouwen, en doen ons denken aan onze blad- en schelpvormige muurornamenten. Hun kleur is als die der steenen, graauw, vaalgroen, wit, geelachtig of rozenrood; op het aanraken zijn zij hard, droog en lederachtig; zij groeijen bij voorkeur op steen, hout, zelfs op metaal; hoe minder warmte om hen, hoe minder leven in den bodem, waarop zij groeiijjen, hoe liever het hun is. Zij zijn in de poolstreken, op de toppen der bergen, in de schraalste oorden der aarde de laatste vertegenwoordigers van het plantenrijk en waren daar waarschijnlijk eenmaal de eerste. Op den Montblanc vindt men ze op 14000 voet hoogte, op de Andes tot op 17000 voet, en bij ons zijn zij in den winter, zelfs bij de felste koude, in hunne volle ontwikkeling. Zij trekken uit den dampkring hun voedsel en hechten zich door vezeltjes aan de rotsen, muren of boomen, waarop zij groeijen. Hun groei op de stammen der boomen
vertoont ontwikkeling, naar mate het leven der boomen zijn jeugdige kracht verliest. Zoo zien wij op jonge, gladde boompjes slechts het kleine, zwart gestippelde Schriftmos (''Ophegrapha''), op oudere boomen de meer korstvormige Schildmossen (''Parmelia'') en op zwakke, kwijnende voorwerpen de Takmossen (''Ramalina''), die zich met verdubbelde kracht vertoonen, zoodra het leven uit takken of stam geweken is. De boom is dan geheel met het lange, vertakte, graauwe mos bedekt; slechts hier en daar komt de donkere oppervlakte der half doode takken onder dit grauwe kleed tevoorschijn, enmet zijn dun gebladerte is de boom het beeld van den afgesleten mensch, die zijn zelfstandigheid heeft verloren, en door 's levens kleine bezwaren wordt ten grave gebragt.
{{image missing}}
Fig. 1. Korstmos op Boomschors.<noinclude></noinclude>
o0gcypuiqufrjhqgyo02yz02s4tkisx
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/102
104
86899
223377
2026-06-17T08:33:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223377
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE KRYPTOGAMEN.|71}}</noinclude>De Korstmossen zijn geen eigenlijke woekerplanten, daar zij zich uit den dampkring voeden. Zij ontwikkelen zich niet in de hoogste mate, zonder dat de boom daartoe door verzwakking oorzaak geeft; want zij vestigen zich bij voorkeur daar, waar het leven langzaam wegkwijnt of geheel vernietigd is. De Schildmossen, die de gezonde, krachtige boomen gedeeltelijk bedekken, schaden hun niet noemenswaardig en geven aan ons oog een vrolijke afwisseling van tinten op de anders zoo sombere stammen, vooral wanneer het zonlicht in het najaar meer regtstreeks op die stammen valt. Dan is het als zijn de boomen aan den boschrand verzilverd en verguld door
het zacht parelkleurige en goudgele Schildmos (''Parmelia conspersa'' en ''parietina''). Het laatste, waarop men zoo duidelijk de donker-oranje gekleurde vruchtjes (''apothecia'') waarneemt, is een onzer algemeenste korstmossenen bedekt ook onze daken en muren vaak met een goudgelen gloed. Fig. 2 vertoont bij 1''b'' het vruchtje vergroot, bij 1 ''c'' hetzelfde in doorsnede; met de buisjes ''x'', waarin de kiemkorrels ontstaan.
Een overgang tot de gedaante der Zwammen vormen die kleine graauwe trompetvormige, dikwijls vertakte zuiltjes der ''Cladonia pyxidata'', die in den winter en het voorjaar als tallooze orgelpijpjes op
{{image missing}}
Fig. 2. ''Parmelia parietina''.
{{image missing}}
Fig. 3. ''Cladonia pyxidata''. Fig. 4. ''Cladonia rangiferina''.<noinclude></noinclude>
d19jil3kfgrzcp4plppoc9phqg4t1l8