Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.15 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo 100 34760 224783 224721 2026-08-14T18:36:02Z Vincent Steenberg 280 bronnen toegevoegd/verplaatst 224783 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Nederlandse schilderkunst;<br>Barok en Rococo<br>(ca. 1600-ca. 1750) | afbeelding = Rembrandt-Belsazar.jpg | beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] beschikbare bronnen over Nederlandse schilderkunst uit de periode ca. 1600 tot ca. 1750. | artikelwikipedia = }} == Algemeen == === Tentoonstellingen === ;1933 *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. ;1935 *''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p.&nbsp;3. **Anoniem (21 juni 1935) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 108/Nummer 35334/Avondblad/Het Rijksmuseum leent aan Boymans|‘Het Rijksmuseum leent aan Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p.&nbsp;13. **Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p.&nbsp;3. == Algemene geschiedenis van de Nederlandse schilderkunst uit de barok en rococo == *Houbraken, Arnold (1718-1721) ''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen]]'', Amsterdam: [s.n.] == Bijzondere onderwerpen == ;Aelst, Evert van (1602-1657) *Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Evert en Willem van Aelst|"Evert van Aelst […] Willem van Aelst"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;228-230. ;Aldewereld, Herman van (1628/1629-1669) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Anthonisz., Aert *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Asch, Pieter van *Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Janze van Asch|"Pieter Janze van Asch"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;235-236. ;Assen, Jan van (ca. 1635-1695/1697) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;235-236, met name 236. ;Ban, Gerbrand *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Beck, David (1621-1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Beck|“David Beck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;83-87. ;Beelt, Cornelis (voor 1612-na 1664) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Beerstraaten, Anthonie *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *Anoniem (13 juli 1898) [[Leeuwarder Courant/1898/Nummer 162/Leeuwarden, 12 Juli/Stadsnieuws/Ter afwisseling van de vorige verzameling|‘Ter afwisseling van de vorige verzameling is thans op het Prentenkabinet van het Friesch Museum tentoongesteld […]’]], ''Leeuwarder Courant'', [eerste blad, p.&nbsp;1]. *Anoniem (8 mei 1985) ‘Tip voor Sneek’, ''Leeuwarder Courant'', [p.&nbsp;17]. *Anoniem (22 mei 1985) ‘Beerstraatens stadsgezicht niet naar Sneek’, ''Leeuwarder Courant'', p.&nbsp;15. *''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p.&nbsp;6. ;Beerstraaten, Jan Abrahamsz. [[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]] [[Bestand:Algemeen Handelsblad vol 1872 no 12851 advertisement Belangrijke kunstveilingen in de Brakke Grond.jpg|thumb|Advertentie uit het ''Algemeen Handelsblad'', 24 september 1872]] *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p.&nbsp;17. *''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p.&nbsp;6. ;Beest, Sybrand van *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. *Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Beest. (S... van)|“Beest. (S... van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p.&nbsp;68. ;Bemmel, Jacob Gerritsz. van *Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (Joost van)|“Bemmel. (Joost van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p.&nbsp;73. ;Bemmel, Willem van (1630-1708) *Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (van)|“Bemmel. (van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p.&nbsp;72-73. ;Berckheyde, Job (1630-1693) *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. *Houbraken, Arnold (1721) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Job en Gerard Berkheyden|“Job en Gerard Berkheyden”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel III, p.&nbsp;189-198. ;Bergh, Matthijs van den (1618-1687) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathys vanden Berg|“Mathys vanden Berg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;15-16. ;Bisschop, Abraham (1670-1729/1730) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Abraham Bisschop|“Abraham [Bisschop]”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;222-223. ;Bisschop, Jacobus (1658-1704) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakobus Bisschop|“Jakobus Bisschop”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;222. ;Bisschop, Cornelis (1630-1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Bisschop|“Kornelis Bisschop”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;220-222. ;Blanckerhoff, Jan Theunisz. (1628-1669) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Teunisz. Blankhof|“Jan Teunisz. Blankhof”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;198-200. ;Bloemaert, Hendrick [[Bestand:Opregte Haerlemsche Courant vol 1832 no 027 ad L. van Es en S. de Grebber.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Opregte Haerlemsche Courant'', 3 maart 1832.]] *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. *Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Abraham Bloemaart|"Abraham Bloemaart"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;44. ;Boone, Daniël (1630/1631-1692) *''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Borssom, Anthonie van *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Bray, Jan de *''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Breenbergh, Bartholomeus (1598-1657) *[Nederlandse Meesters], Hôtel Maréchal de Turenne, Den Haag, 9-17 februari 1840, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (12 februari 1840) [[Algemeen Handelsblad/1840/Nummer 2580/Berigt aan Kunstvrienden|‘Berigt aan Kunstvrienden [advertentie]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p.&nbsp;3]. *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Brekelenkam, Quiringh van (1622/30-1669/1670) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Buytewech, Willem (I) (1591/1592-1624) *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Carrée, Michiel (1657-1727) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Claesz., Pieter (1597/1598-1661) *''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;7. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Codde, Pieter *''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen: **Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden [...]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Compe, Jan ten *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Croos, Anthonie van (1606/1607-1662) *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p.&nbsp;2]. *''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;7. ;Cuylenborch, Abraham van (I) *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Delff, Jacob Willemsz. (II) (1619-1661) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Delff|“Jakob Delff”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;56-57. ;Diepraam, Arent (1622-1670) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Does, Jacob van der (I) (1623-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Does|“Jakob vander Does”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;105-108. ;Donker, Jan *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;93. ;Donker, Pieter (ca. 1635-1668) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;93. ;Doomer, Lambert (1624-1700) *''Kaarten, profielen en panorama’s van Amsterdam'', Museum Fodor, Amsterdam, 10 september-27 november 1932.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (1 oktober 1932) [[De Locomotief/Jaargang 81/Nummer 228/Amsterdam in Vroeger Eeuwen|‘Amsterdam in Vroeger Eeuwen. Eene belangwekkende tentoonstelling’]], ''De Locomotief'', Vijfde Blad, [p.&nbsp;2]. ;Doudijns, Willem (1630-1697) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Doudyns|“Willem Doudyns”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;234-235. ;Drielenburg, Willem van (1632-1677) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem van Drillenburg|“Willem van Drillenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;147-153. *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Droochsloot, Cornelis *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Druyvestein, Aart Jansz. (1577-1627) *Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Aart Janze Druivestein|"Aart Janze Druivestein"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;60-61. ;Dubbels, Hendrick Jacobsz. *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p.&nbsp;6. ;Duck, Jacob *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Duif, Jan Ariens (1617-1649) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;90-91. ;Dullaert, Heyman *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. ;Duynen, Isaac van *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Eeckhout, Gerbrand van den (1621-1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout|“Gerbrant vanden Eekhout”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;100-101. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Esselens, Jacob (1626-1687) [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam ge­hou­den veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Everdingen, Allaert van (1617-1675) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen|“Aldert van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;95-96. ;Everdingen, Caesar van (1616/1617-1678) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Cesar van Everdingen|“Cesar van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;94-95. *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Everdingen, Jan (I) (ca. 1618/1620-1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Everdingen|“Jan van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;95. ;Fabritius, Barent *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Fromantiou, Hendrick de (1633/1634-na 1693) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg|“Gerard Uilenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;293-303, met name 294-296. *Anoniem (3 april 1937) [[De Telegraaf/Jaargang 45/Nummer 16746/Avondblad/Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur|‘Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur. Groot was de invloed van Louise van Oranje. Uiteindelijk is niet veel meer van dit alles te merken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;5. *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. ;Gael, Barent (1630/1635-1698) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Gaesbeeck, Adriaen van *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Giselaer, Nicolaes de *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. ;Gool, Jan van *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Graat, Barent (1628-1709) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Barent Graat|“Barent Graat”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;200-209. ;Graauw, Hendrik (1627-1693) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw|“Hendrik Graauw”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;189-191. ;Grasdorp, Willem *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Grebber, Anthonie Claesz. de *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Grebber, Pieter de (ca. 1600-1652/1653) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 122. ;Groot, Jan de (1650-1726) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Groot|“Jan de Groot”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;58. ;Hackaert, Jan *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Halen, Arnoud van (1673-1732) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;259-262, met name 262. ;Hals, Dirck (1591-1656) *''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p.&nbsp;1. *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Hals, Frans (II) (1618-1669) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Hals, Harmen *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. ;Hannot, Johannes *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Heck, Claes Jacobsz. van der (ca. 1575/ca. 1581-1652) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nicolaas vander Hek|“Nicolaas vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;7-8. ;Heck, Marten Heemskerck van der (ca. 1607-1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Marten Heemskerk vander Hek|“Marten Heemskerk vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;8. ;Heem, Jan Davidsz. de (1606-1684) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Heer, Margareta de (voor 1603-voor 1665) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Helmbreker, Dirck (1633-1696) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Helmbreker|“Theodoor Helmbreker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;108-109. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Heusch, Willem de *''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p.&nbsp;1. *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Heyden, Jan van der (1637-1712) *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Hillegaert, Paulus van (I) (1596-1640) [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam ge­hou­den veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Holsteyn, Pieter (II) (ca. 1614-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 124-125. ;Hondecoeter, Gijsbert Gillisz. de *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *Anoniem (9 oktober 1928) [[De Maasbode/Jaargang 61/Nummer 22102/Ochtendblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Het jaarverslag’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, derde blad, [p.&nbsp;1]. ;Hondecoeter, Gillis Claesz. de (ca. 1575-1638) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *D.L. (1853) [[Album der Natuur/1853/Nieuwe afbeelding Dodo, Lubach|‘Over eene nieuw ontdekte afbeelding van den Dodo’]], ''Album der Natuur'', jrg. 2, p.&nbsp;255. ;Hoogstraten, Jan van (1629/1630-1654) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;155-170, met name 168-170. ;Hoogstraten, Samuel van (1627-1678) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;155-170. ;Houbraken, Arnold *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Huijsum, Jan van (1682-1749) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *Anoniem (4 juni 1930) [[De Telegraaf/Jaargang 38/Nummer 14271/Avondblad/Hooge prijzen bij Christie|‘Hooge prijzen bij Christie’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Jacobsz., Jurriaan (1624-1685) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan Jakobze|“Juriaan Jakobze”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;49-50. ;Janssens van Ceulen, Cornelis (1593-1661) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Janson van Keulen|“Janson van Keulen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;224-225. ;Jongh, Ludolph de *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf de Jong|“Ludolf de Jong”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;32-34. ;Jonson van Ceulen, Cornelis (I) *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. ;Jordaens, Hans (IV) (1616-1680) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hans Jordaans|“Hans Jordaans”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;28-30. ;Kabel, Adriaen van der (1630/1631-1705) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;235-236. ;Kabel, Engel van der (1640/1641-1696) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;235-236. ;Keirincx, Alexander (1600-1652) *Houbraken, Arn. van (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Alexander Kierings|"Alexander Kierings"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;130. ;Klomp, Albert Jansz. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Knijff, Wouter (1605/1607-1694) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Koninck, Philips (1619-1688) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philips de Koning|“Philips de Koning”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;53-55. *''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;7. ;Koninck, Salomon (1609-1656) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Kraanevelt, N. (....-voor 1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/N. Kraanevelt|“N. Kraanevelt”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;52. ;Laer, Roeland van (1598-1635/1640) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 124. ;Latombe, Abraham (1597-na 1628) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Latombe|“Latombe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;27-28. ;Leemans, Anthonie (1631-1671/1673) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Lely, Peter *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. ;Leveck, Jacobus (1634-1675) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Lavecq|“Jakob Lavecq”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;153-155. ;Lisse, Dirck van der *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Lundens, Gerrit (1622-1686) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Luttichuys, Isaack (1616-1673) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Man, Cornelis de (1621-1706) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis de Man|“Kornelis de Man”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;99-100. ;Marienhof, Aert Jansz. (ca. 1626-1654) *Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;6]. ;Martens de Jonge, Jan *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. ;Meerkerk, Dirk (1602 of 1620-na 1660) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Dirk Meerkerk|“Dirk Meerkerk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;91-92. ;Meijer, Hendrick de (ca. 1620-na 1689) *Anoniem (10 juli 1910) [[De Maasbode/Jaargang 42/Nummer 10679/Aanwinsten in het Haagsch Museum|‘Aanwinsten in het Haagsch Museum’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, tweede blad, [p.&nbsp;1]. ;Menton, Frans (ca. 1545-1615) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Menton|“Frans Menton”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;15. ;Meyburgh, Bartholomeus (1628-ca. 1708) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;259-262. ;Mieris, Willem van [[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]] *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Mijtens, Johannes (ca. 1614-1670) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Molenaer, Klaes *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Mommers, Hendrick (1619/1620-1693) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Moor, Carel de (II) (1655-1738) *''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p.&nbsp;1]. ;Moucheron, Isaac de (1667-1744) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg|“Gerard Uilenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;293-303, met name 297-298. ;Murant, Emanuel (1622-ca. 1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Emanuel Murant|“Emanuel Murant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102. ;Nedek, Pieter Pietersz. (1617-na 1692) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Pieterze Nedek|“Pieter Pieterze Nedek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;27. ;Neer, Eglon van der *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Netscher, Caspar (1639-1684) *Havelaar, Just (7 september 1921) [[Het Vaderland/Jaargang 53/7 september 1921/Avondblad/Collectie Van Maanen|‘Collectie Van Maanen’]], ''Het Vaderland'', Avondblad B, p.&nbsp;2. ;Netscher, Constantijn *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. ;Nickelen, Isaak van (1632/1633-1703) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Nieulandt, Adriaen van (ca. 1586-1658) *Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adriaan Nieulant|"Adriaan Nieulant"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;42-43. ;Oosterwijck, Maria van *Bosboom-Toussaint, A.L.G. (1862) ''De bloemschilderes Maria van Oosterwijk'', Leiden: A.W. Sythoff. *Bredius, A. (1935) ‘Archiefsprokkelingen. Een en ander over Maria van Oosterwijck, “vermaert Konstschilderesse”’, ''Oud Holland'', jrg. 52, p.&nbsp;180-182. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Maria van Oosterwyk|“Maria van Oosterwyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;214-216. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|“Geertje Pieters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;216-218. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Oostfries, Catharina (ca. 1636-1708) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Katarina Oostfries|“Katarina Oostfries”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;209. ;Ossenbeeck, Jan van (ca. 1624-1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ossenbek|“Ossenbek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;170-171. ;Pape, Abraham de (ca. 1620-1666) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Pardanus, Abraham (1673-1744) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;144-145. ;Paulusz., Zacharias (ca. 1580-1648) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Zacharias Paulusz.|“Zacharias Paulusz.”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;55-56. ;Pierson, Christoffel (1631-1714) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;259-262. ;Pijnacker, Adam (1620/1622-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adam Pynaker|“Adam Pynaker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;96-99. *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. ;Poel, Egbert Lievensz. van der (1621-1664) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Poorter, Willem de (1608-na 1648) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Post, Frans *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p.&nbsp;17. ;Pot, Hendrik Gerritsz. (1580/1581-1657) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 123. ;Puytlinck, Christoffel *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Ravesteyn, Jan van (ca. 1572-1657) [[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]] *''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p.&nbsp;1. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Roestraeten, Pieter van (1630-1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Roestraten|“Roestraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;191-192. *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. ;Romeyn, Willem *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Rotius, Jan Albertsz. (1624-1666) *Anoniem (7 juni 1898) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 232/Nummer 131/Men meldt ons uit Amsterdam|‘Men meldt ons uit Amsterdam: [...]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', Eerste Blad, [p.&nbsp;2]. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Albertsz. Roodtseus|“Jan Albertsz. Roodtseus”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;11-12. ;Ruysch, Rachel *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. ;Saftleven, Cornelis *Anoniem (8 november 1905) [[Het Nieuws van den Dag/1905/Nummer 10999/Wetenschap en kunst|‘Wetenschap en kunst’]], ''Het Nieuws van den Dag'', p. 15. ;Sant-Acker, Frans (''fl''. 1648-1668) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Santvoort, Dirck Dircksz. *''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen: **Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p.&nbsp;3]. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Savoyen, Carel van (1618-1665) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel van Savoyen|“Karel van Savoyen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;53. ;Schagen, Gillis (1616-1668) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gillis Schagen|“Gillis Schagen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;30-32. ;Schellinks, Daniël (1627-1701) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;263-273, met name 273. ;Schellinks, Willem (1623-1678) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;263-273. ;Seghers, Hercules *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hercules Segers|“Hercules Segers”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;136-137. *''Hercules Seghers. Omstreeks 1590-omstreeks 1640'', ’s Rijks Prentenkabinet, Amsterdam, 1 april-30 juni 1914.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Prentenkabinet Hercules Seghers|‘Prentenkabinet: Hercules Seghers’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;6. ;Sorgh, Hendrick Martensz. (ca. 1611-1670) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh|“Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;89-90. *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Stap, Jan Woutersz. genaamd *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Staveren, Jan Adriaensz. van *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Streek, Hendrik van (1659-1720) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan van Streek|“Juriaan van Streek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;290-292, met name 292. ;Stoop, Dirk *''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p.&nbsp;1. ;Storck, Abraham [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Storck, Jacobus *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Swart, Pieter *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Tempel, Abraham van den *''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p.&nbsp;1]. *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. ;Troost, Cornelis *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Tulden, Theodoor van *Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p.&nbsp;2]. ;Vaillant, Andries (1655-1693) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. ;Vaillant, Bernard (1632-1698) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. ;Vaillant, Jacques (1643-1691) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;263-273, met name 266. ;Vaillant, Wallerant (1623-1677) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. ;Valkenburg, Dirk *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Velde, Jan van de (III) (1620-1662) *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Velde, Willem van de (II) (1633-1707) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Venne, Pieter van de *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Verbeeck, Cornelis (ca. 1590-na 1637) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 123. ;Verbijl, Jan Govertsz. (1634-1690) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;90-91. ;Verboom, Adriaen Hendriksz. (1627/1628-1673) [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam ge­hou­den veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Verdoel, Adriaen (I) (1623-1675) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adriaan Verdoel|“Adriaan Verdoel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;57-58. ;Verkolje, Nicolaas (1673-1746) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Verschuring, Willem (1660-1726) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Wilhelm Verschuring|“Wilhelm Verschuring”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;196. ;Verspronck, Johannes Cornelisz. (1600/1603-1662) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 122-123. ;Verwilt, François *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Victors, Jan *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Vinne, Vincent Laurensz. van der (I) (1628-1702) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vincent vander Vinne|“Vincent vander Vinne”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;210-214. *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. ;Vliet, Hendrick van (1611/1612-1675) *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. *Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;6]. ;Vois, Ary de *''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen: **Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p.&nbsp;3]. ;Voort, Cornelis van der *Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p.&nbsp;2]. ;Vrel, Jacob *''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p.&nbsp;3. **Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p.&nbsp;3. ;Waben, Jacobus (ca. 1575-ca. 1641) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jaques Wabbe|“Jaques Wabbe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;10-11. ;Waes, Aert van (ca. 1620-1664) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;90-91. ;Waterloo, Anthonie (1609-1690) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antoni Waterloo|“Antoni Waterloo”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;51. ;Werff, Adriaen van der (1659-1722) *''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Wieringa, Harmen Willems *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. ;Wieringen, Cornelis Claesz. (1577-1633) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 122. ;Wilkens, Theodoor (ca. 1690-1748) *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Willaerts, Adam (1577-1664) *Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adam Willaarts|"Adam Willaarts"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;60. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Willaerts, Cornelis *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Wit, Jacob de *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Withoos, Alida (ca. 1661/1662-1730) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 188. ;Withoos, Frans *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 189. ;Withoos, Johannes (1648-ca. 1688) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 188. ;Withoos, Matthias (1627-1703) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189. ;Withoos, Pieter (ca. 1657-1692) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 189. ;Wittel, Caspar van (1653-1736) *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Worst, Jan (....-na 1686) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Worst|“Jan Worst”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;147. ;Wouwerman, Jan (1629-1666) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|“Philip Wouwerman”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;69-76, met name 76. ;Wyck, Jan (1652-1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tomas Wyk|“Tomas Wyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;16-18. ;Wyntges, Geertje (1636-1712) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|“Geertje Pieters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;216-218. ;Zijl, Gerard Pietersz. van (ca. 1607-1665) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Pieterze van Zyl|“Gerard Pieterze van Zyl”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;225-233. ;Zuylen, J. Hendricksz. van (''fl''. 1644) *Anoniem (7 december 1931) [[De Maasbode/Jaargang 64/Nummer 24049/Avondblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Nieuwe aanwinsten’]], ''De Maasbode'', Avondblad, p.&nbsp;6. ;Overige onderwerpen *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem van Aelst|Willem van Aelst]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Arent Arentsz. genaamd Cabel|Arent Arentsz. genaamd Cabel]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Asselijn|Jan Asselijn]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Balthasar van der Ast|Balthasar van der Ast]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Justus van Attevelt|Justus van Attevelt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick Avercamp|Hendrick Avercamp]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Baburen|Dirck van Baburen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ludolf Bakhuizen|Ludolf Bakhuizen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis Bega|Cornelis Bega]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Abraham Begeyn|Abraham Begeyn]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham van Beijeren|Abraham van Beijeren]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Berchem|Nicolaes Berchem]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerrit Berckheyde|Gerrit Berckheyde]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Bergen|Dirck van Bergen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Bijlert|Jan van Bijlert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham Bloemaert|Abraham Bloemaert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Bloemaert|Adriaen Bloemaert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ferdinand Bol|Ferdinand Bol]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Bor|Paulus Bor]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard ter Borch (II)|Gerard ter Borch (II)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Andries Both|Andries Both]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Both|Jan Both]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Richard Brakenburg|Richard Brakenburg]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Leonaert Bramer|Leonaert Bramer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Elias van den Broeck|Elias van den Broeck]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick ter Brugghen|Hendrick ter Brugghen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aelbert Cuyp|Aelbert Cuyp]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Benjamin Cuyp|Benjamin Cuyp]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon van der Does|Simon van der Does]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard Dou|Gerard Dou]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Joost Cornelisz. Droochsloot|Joost Cornelisz. Droochsloot]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Carel Fabritius|Carel Fabritius]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Feddes van Harlingen|Pieter Feddes van Harlingen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Govert Flinck|Govert Flinck]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Wybrand de Geest|Wybrand de Geest]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Arent de Gelder|Arent de Gelder]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Gillig|Jacob Gillig]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Goyen|Jan van Goyen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans Hals|Frans Hals]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Hanneman|Adriaen Hanneman]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Willem Claesz. Heda|Willem Claesz. Heda]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis de Heem|Cornelis de Heem]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Bartholomeus van der Helst|Bartholomeus van der Helst]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Meindert Hobbema|Meindert Hobbema]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Melchior d'Hondecoeter|Melchior d'Hondecoeter]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard van Honthorst|Gerard van Honthorst]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Pieter de Hooch|Pieter de Hooch]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan van Huchtenburg|Jan van Huchtenburg]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Karel du Jardin|Karel du Jardin]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem Kalf|Willem Kalf]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Lastman|Pieter Lastman]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Hendrik van Limborch|Hendrik van Limborch]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Lingelbach|Johannes Lingelbach]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Maes|Nicolaes Maes]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gabriël Metsu|Gabriël Metsu]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Michiel van Mierevelt|Michiel van Mierevelt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans van Mieris (I)|Frans van Mieris (I)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Miense Molenaer|Jan Miense Molenaer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Matthijs Naiveu|Matthijs Naiveu]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aert van der Neer|Aert van der Neer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Ochtervelt|Jacob Ochtervelt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van Ostade|Adriaen van Ostade]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Isaac van Ostade|Isaac van Ostade]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie Palamedesz.|Anthonie Palamedesz.]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis van Poelenburch|Cornelis van Poelenburch]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Potter|Paulus Potter]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Potter|Pieter Potter]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Rembrandt|Rembrandt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van Ruisdael|Jacob van Ruisdael]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Salomon van Ruysdael|Salomon van Ruysdael]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Saenredam|Pieter Saenredam]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Herman Saftleven|Herman Saftleven]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Steen|Jan Steen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Juriaan van Streek|Juriaan van Streek]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Torrentius|Johannes Torrentius]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van der Ulft|Jacob van der Ulft]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Velde|Adriaen van de Velde]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Venne|Adriaen van de Venne]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Vermeer|Johannes Vermeer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrik Verschuring|Hendrik Verschuring]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon de Vlieger|Simon de Vlieger]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Weenix|Jan Weenix]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Baptist Weenix|Jan Baptist Weenix]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Thomas Wijck|Thomas Wijck]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Wijnants|Jan Wijnants]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Emanuel de Witte|Emanuel de Witte]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Philips Wouwerman|Philips Wouwerman]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Wouwerman (II)|Pieter Wouwerman (II)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Joachim Wtewael|Joachim Wtewael]] [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]] bo77tl99lwsjdox0d52j7ewx59pax78 Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/309 104 41945 224760 138104 2026-08-14T14:52:17Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224760 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr|2}} {{c|{{xx-larger|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN;}} {{smaller|DOOR}} {{larger|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|P. HARTING.}}]]}}}} {{dhr|2}} {{rule|5em}} {{dhr}} In een vorig opstel (bl. 231) vermeldde ik de vraag eener bejaarde dame: of men eenen zekeren, zich door zijn kunstig vlechtwerk onderscheidenden vogel niet kon leeren breijen? Mijne geëerde lezeressen hebben welligt over deze onnoozele vraag geglimlacht. Maar toch, al zijn er geen vogels, die kunnen breijen, noch het immer zullen leeren, zeker is het, dat er vogels zijn, die de kunst van naaijen verstaan. {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 317.png | width = 160px | align = left | alt = Indische snijdervogel | cap = {{fine block|Indische snijdervogel (''Orthotomus sutorius'').}} | capalign = center}} Hun aantal is niet groot, — trouwens buitengewone talenten zijn altijd zeldzaam, ook onder de dieren; — ook zijn zij kleine nietige wezentjes, die zich bovendien meerendeels geenszins door kleurenpracht onderscheiden, maar in hunnen dunnen priemvormigen snavel bezitten zij een uitmuntend werktuig, dat zij beurtelings als naald of priem en als eene fijne knijptang of schaar gebruiken om, door middel van wol of spinsel, bladeren zamen te naaijen en zoo eene buitenbekleeding voor hun nestje daartestellen. Uit hoofde van deze inderdaad bewonderingswaardige kunstvaardigheid heeft men hun den algemeenen naam van «snijder- of kleedermakervogels" gegeven. {{nop}}<noinclude></noinclude> 2t6ivcc3nilewk4x8rgvcv2m0ye40ao 224761 224760 2026-08-14T14:55:37Z DoekeHellema 16849 224761 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr|2}} {{c|{{xx-larger|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN;}} {{smaller|DOOR}} {{larger|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|P. HARTING.}}]]}}}} {{dhr|2}} {{rule|5em}} {{dhr}} In een vorig opstel (bl. 231) vermeldde ik de vraag eener bejaarde dame: of men eenen zekeren, zich door zijn kunstig vlechtwerk onderscheidenden vogel niet kon leeren breijen? Mijne geëerde lezeressen hebben welligt over deze onnoozele vraag geglimlacht. Maar toch, al zijn er geen vogels, die kunnen breijen, noch het immer zullen leeren, zeker is het, dat er vogels zijn, die de kunst van naaijen verstaan. {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 317.png | width = 160px | align = left | alt = Indische snijdervogel | cap = {{fine block|Indische snijdervogel (''Orthotomus sutorius'').}} | capalign = center}} Hun aantal is niet groot, — trouwens buitengewone talenten zijn altijd zeldzaam, ook onder de dieren; — ook zijn zij kleine nietige wezentjes, die zich bovendien meerendeels geenszins door kleurenpracht onderscheiden, maar in hunnen dunnen priemvormigen snavel bezitten zij een uitmuntend werktuig, dat zij beurtelings als naald of priem en als eene fijne knijptang of schaar gebruiken om, door middel van wol of spinsel, bladeren zamen te naaijen en zoo eene buitenbekleeding voor hun nestje daartestellen. Uit hoofde van deze inderdaad bewonderingswaardige kunstvaardigheid heeft men hun den algemeenen naam van »snijder- of kleedermakervogels" gegeven. {{nop}}<noinclude></noinclude> pw2zaxuzppictyla3rb9gkkabw7duee Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/206 104 41994 224752 138098 2026-08-14T14:28:13Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224752 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|180|DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>nog zeer oppervlakkige, maar toch tamelijk juiste voorstelling van het merkwaardige werktuig, waarmede de cicaden hare gangen boren<ref> De wijze, waarop de cicaden zich van haar werktuig bedienen, is nog niet volledig bekend. Het is tot hiertoe niet gelukt, uit hoofde van de groote vreesachtigheid dezer diertjes, hen gedurende het eijerleggen naauwkeurig gade te slaan. Alleen het anatomisch onderzoek der deelen levert derhalve den grond op, om daaruit te besluiten tot het gebruik, hetwelk het insekt daarvan gedurende het leven maakt. Verschillende onderzoekers nu zijn daaromtrent tot eenigermate verschillende uitkomsten geraakt. {{sc|Réaumur}} (''Mémoires pour servir a l'histoire des insectes'', V, p. 170) meende, dat de beide zijdelingsche stukken zich beurtelings heen en weder bewogen, zoodat, wanneer het eene rees, het andere daalde, en het rugge- of middenstuk alleen tot vereeniging van beiden diende. Volgens hem werken derhalve de zijdelingsche stukken als twee vijlen. {{sc|Doyère}} (''Ann. d. scienc. natur'', 1837) daarentegen besloot uit zijn onderzoek, dat de tandjes der zijdelingsche stukken alleen als weerhaken zouden dienen, terwijl de eigenlijke boring door het middenstuk zoude geschieden. {{sc|Westwood}} (''Modern classification of insects'', II, p. 424) keerde echter weder tot de voorstelling van {{sc|Réaumur}} terug en verwierp de verklaring van {{sc|doyère}}, welke ook door {{sc|lacaze-duthiers}} (''Ann. d. scienc. nat.'', 1852, 3me ser., XVIII, p. 383), onzes inziens op afdoende gronden bestreden werd, voor zoo ver de verrigting der zijdelingsche stukken betreft, waaraan ook hij, even als {{sc|réaumur}}, de werking eener vijl toekent, echter met dat verschil, dat volgens hem deze zijdelingsche stukken niet beurtelings, maar gelijktijdig bewogen worden, terwijl hij het met {{sc|doyère}} eens is, dat het rugge- of middenstuk bij de boring ook medewerkt en dient om de eerste opening te maken, die vervolgens door de werking der vijlen vergroot wordt. Mij komt deze opvatting de waarschijnlijkste voor, en het is daarom dat ik in den tekst de beschrijving van {{sc|lacaze-duthiers}} gevolgd heb, aan wiens verhandeling ook de figuren ontleend zijn.</ref>. {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 214.png | width = 240px | align = left | alt = | cap = {{fine block|Tak met gangen, geboord door eene Cicade en met eijeren gevuld.}} | capalign = center}} Die gangen worden door hen niet in levende, maar in doode takken gemaakt, vermoedelijk omdat vochtigheid schadelijk voor de eijeren zoude zijn. Bij voorkeur kiest het insekt daarvoor dunne takken. Men kan de tegenwoordigheid der met eijeren gevulde gangen herkennen aan kleine verhevenheden of verdikkingen op den tak, die niet anders zijn dan houtsplintertjes, welke losgemaakt zijn door het inbrengen van de boor, maar zoo dat zij nog aan het eene einde vastzitten. Deze verdikkingen zijn gewoonlijk op ééne lijn geplaatst, zelden op twee lijnen, nagenoeg op gelijke afstanden van elkander. Van daar uit gaat de gang eerst<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 05peqbgnoee89m3qq2axxrh7f4t7m3f Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/207 104 41995 224753 138100 2026-08-14T14:33:10Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224753 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|181}}</noinclude>schuins binnenwaarts, totdat deze het merg bereikt heeft, waarin zij zich dan evenwijdig met de oppervlakte van den tak voortzet. Dit verklaart tevens, waarom het insekt aan dunne takken de voorkeur geeft. Daarin toch kan het spoediger doordringen tot in het weeke merg, waar de boring veel minder moeite kost dan in het hardere hout. Van het werk, dat een zoodanig insekt doet, kan men zich eene voorstelling maken, indien men weet, dat een enkel wijfje vijf tot zevenhonderd eijeren legt! {{dhr}} Niet minder opmerkelijk dan de legboor der Cicaden is het werktuig, waarvan de Zaagwespen zich tot dergelijke oogmerken bedienen. De familie der Zaagwespen is talrijk aan soorten en verscheidene daarvan komen ook hier te lande voor. Bij sommige soorten (de geslachten ''Sirex, Urocerus, Cephus, Bhyssa'') is de legboor uitwendig zigtbaar en bij sommigen zelfs zeer lang, tot verscheidene duimen toe, b.v. bij die van het geslacht ''Bhyssa'', waar hare lengte tot 10 Ned. duimen bedraagt. Bij andere (de geslachten ''Tenthredo, Cimbex, Lophyrus'' enz.) vertoont zich de legboor in den gewonen toestand niet uitwendig, maar kan zij uit eene spleet aan het achterlijf worden voortgeschovenen naar buiten gebragt. {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 215.png | width = 160px | align = left | alt = Sirex gigas | cap = {{smaller|''Sirex gigas''.}} | capalign = center}} Ook het maaksel dezer legboor levert, althans bij eene oppervlakkige beschouwing veel verschil op. Een naauwkeuriger onderzoek doet echter zien, dat de haar zamenstellende deelen telkens onderling vergelijkbaar zijn en dat het verschil zich alleen bepaalt tot dat van grootte en gedaante. Eene uitvoerige beschrijving van dit merkwaardige werktuig in zijne onderscheidene vormen zoude ons veel te ver leiden en ook hier misplaatst zijn. Het zij voldoende hier enkele hoofdpunten van het<noinclude></noinclude> naqhxwvzk0c1o2vi5qgmhtqroatikrh Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/208 104 41996 224754 138101 2026-08-14T14:34:50Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224754 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|182|DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 216.png | width = 180px | align = left | alt = Achterlijf en legboor | cap = {{fine block|A. Uiteinde van het achterlijf van ''Sirex gigas'', met het boorwerktuig vergroot.</br> B. Uiteinde van het boorwerktuig, doorgesneden om de zamenstelling uit drie deelen te zien.}} | capalign = center}} maaksel aan te stippen, ten einde de werking daarvan te doen begrijpen. Bij die soorten, welke eene lange, naar buiten uitstekende legboor hebben, wordt dit werktuig buitenwaarts gesteund door twee hoornachtige klepjes; de boor zelve, welke naaldvormig is, bestaat nog uit drie stukken, die, op eene dergelijke wijze als wij het boven van de legboor der cicaden zagen, in de lengterigting over elkander verschuifbaar zijn. Het eene, grootere (''gorgeret'' van {{sc|lacaze-duthiers}}) zullen wij het ''steunstuk'' noemen, de beide andere fijnere (''stylets'' van {{sc|l.d.}}) kunnen den naam van ''zaagpriemen'' dragen, omdat zij aan hun einde zaagsgewijs getand zijn. Het steunstuk is ook wel aan zijn uiteinde met tandjes bezet, doch deze zijn met hun scherpen kant bovenwaarts gekeerd, zoodat zij meer de dienst van weerhaken vervullen. Het gebruik nu, hetwelk deze dieren van hun boorwerktuig maken, komt in het kort op het volgende neder. Zij steken de spits daarvan in de oppervlakte van den tak, waarin zij boren willen om er een ei in te leggen. De weerhaken hechten zich daarin vast, en nu brengen zij de zaagpriemen in beweging, in dier voege dat, terwijl de eene rijst, de andere daalt, en zoo, door de beurtelingsche werking der beide zagen, een kanaaltje wordt uitgehold. Van de kracht, waarmede deze beweging geschiedt, en van de hardheid dezer toch slechts uit hoornzelfstandigheid bestaande deelen, kan men zich eenig denkbeeld maken, indien men weet, dat daardoor niet alleen gaten in hout, maar zelfs in lood kunnen geboord worden, zoo als gebeurde in de kogels der patronen van de Franschen tijdens den Krim-oorlog. {{nop}}<noinclude></noinclude> dtbc9iowegs9r84ky1kucgqmdampijo Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/209 104 41997 224755 138102 2026-08-14T14:38:40Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224755 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|183}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217a.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|Nest met eijeren van een zaagwesp in een takje van een rozenboom.}} | capalign = center}} Niet minder kunstig gevormd zijn de kortere zaagwerktuigen van andere soorten, welke zich daarvan meer bedienen om insnijdingen in takken en bladeren te maken, waarin zij dan hunne eijeren leggen, dan wel om daarmede diepe gaten of kanalen te boren. Wanneer het werktuig uit de spleet, omgeven door twee hoornplaatjes aan het achterlijf, te voorschijn treedt, dan ziet men, dat het uit twee deelen bestaat, die elk voor zich nog uit twee andere zijn zamengesteld. Twee daarvan beantwoorden te zamen aan het bovengenoemde steunstuk, waarin de zaagpriemen op en neder glijden, terwijl de beide andere met beide laatstgenoemde overeenstemmen. Alleenlijk zijn zij veel {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217b.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|A. Achterlijf eener bladwesp, van onderen gezien; bij ''a'' de spleet met het zaagwerktuig.</br>B. Hetzelfde van terzijde gezien, met het naar buiten gestulpte zaagwerktuig.}} | capalign = center}} korter dan deze, dikwijls eenigzins S-vormig gekromd en langs hun geheelen rand met tandjes bezet. Met één woord, zij zijn ware zagen, van achteren voorzien van een rug, doch die er {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217d.png | width = 120px | align = right | alt = | cap = {{fine block|B. Een gedeelte der zaag, sterker vergroot, om het maaksel der tandjes te doen zien.}} | capalign = center}} niet, —zooals bij sommige soorten van timmermanszagen, waar die rug alleen dient om de doorbuiging van het blad te beletten,—onbewegelijk mede verbonden is, maar beide deelen van elke zaag zijn alleen vereenigd door eene sponning en eene daarin grijpende kam of lijst, zoodat de eigenlijke zaag heen en weder kan glijden, zonder dat de rug gelijktijdig bewogen {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217c.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|A. Zaagwerktuig van ''Cimbex Sylvarum''; ''a b'' ruggestuk, ''c d'' zaag.}} | capalign = center}}<noinclude></noinclude> e071w9166tsyb4tveubg3x3tdcfky15 224757 224755 2026-08-14T14:41:05Z DoekeHellema 16849 224757 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|183}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217a.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|Nest met eijeren van een zaagwesp in een takje van een rozenboom.}} | capalign = center}} Niet minder kunstig gevormd zijn de kortere zaagwerktuigen van andere soorten, welke zich daarvan meer bedienen om insnijdingen in takken en bladeren te maken, waarin zij dan hunne eijeren leggen, dan wel om daarmede diepe gaten of kanalen te boren. Wanneer het werktuig uit de spleet, omgeven door twee hoornplaatjes aan het achterlijf, te voorschijn treedt, dan ziet men, dat het uit twee deelen bestaat, die elk voor zich nog uit twee andere zijn zamengesteld. Twee daarvan beantwoorden te zamen aan het bovengenoemde steunstuk, waarin de zaagpriemen op en neder glijden, terwijl de beide andere met beide laatstgenoemde overeenstemmen. Alleenlijk zijn zij veel {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217b.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|A. Achterlijf eener bladwesp, van onderen gezien; bij ''a'' de spleet met het zaagwerktuig.</br>B. Hetzelfde van terzijde gezien, met het naar buiten gestulpte zaagwerktuig.}} | capalign = center}} korter dan deze, dikwijls eenigzins S-vormig gekromd en langs hun geheelen rand met tandjes bezet. Met één woord, zij zijn ware zagen, van achteren voorzien van een rug, doch die er {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217d.png | width = 120px | align = right | alt = | cap = {{fine block|B. Een gedeelte der zaag, sterker vergroot, om het maaksel der tandjes te doen zien.}} | capalign = center}} niet, — zooals bij sommige soorten van timmermanszagen, waar die rug alleen dient om de doorbuiging van het blad te beletten,—onbewegelijk mede verbonden is, maar beide deelen van elke zaag zijn alleen vereenigd door eene sponning en eene daarin grijpende kam of lijst, zoodat de eigenlijke zaag heen en weder kan glijden, zonder dat de rug gelijktijdig bewogen {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217c.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|A. Zaagwerktuig van ''Cimbex Sylvarum''; ''a b'' ruggestuk, ''c d'' zaag.}} | capalign = center}}<noinclude></noinclude> bk0jxiy096hmv3mjzzy8hgwkn9fxgd6 224758 224757 2026-08-14T14:41:27Z DoekeHellema 16849 224758 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|183}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217a.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|Nest met eijeren van een zaagwesp in een takje van een rozenboom.}} | capalign = center}} Niet minder kunstig gevormd zijn de kortere zaagwerktuigen van andere soorten, welke zich daarvan meer bedienen om insnijdingen in takken en bladeren te maken, waarin zij dan hunne eijeren leggen, dan wel om daarmede diepe gaten of kanalen te boren. Wanneer het werktuig uit de spleet, omgeven door twee hoornplaatjes aan het achterlijf, te voorschijn treedt, dan ziet men, dat het uit twee deelen bestaat, die elk voor zich nog uit twee andere zijn zamengesteld. Twee daarvan beantwoorden te zamen aan het bovengenoemde steunstuk, waarin de zaagpriemen op en neder glijden, terwijl de beide andere met beide laatstgenoemde overeenstemmen. Alleenlijk zijn zij veel {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217b.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|A. Achterlijf eener bladwesp, van onderen gezien; bij ''a'' de spleet met het zaagwerktuig.</br>B. Hetzelfde van terzijde gezien, met het naar buiten gestulpte zaagwerktuig.}} | capalign = center}} korter dan deze, dikwijls eenigzins S-vormig gekromd en langs hun geheelen rand met tandjes bezet. Met één woord, zij zijn ware zagen, van achteren voorzien van een rug, doch die er {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217d.png | width = 120px | align = right | alt = | cap = {{fine block|B. Een gedeelte der zaag, sterker vergroot, om het maaksel der tandjes te doen zien.}} | capalign = center}} niet, — zooals bij sommige soorten van timmermanszagen, waar die rug alleen dient om de doorbuiging van het blad te beletten, — onbewegelijk mede verbonden is, maar beide deelen van elke zaag zijn alleen vereenigd door eene sponning en eene daarin grijpende kam of lijst, zoodat de eigenlijke zaag heen en weder kan glijden, zonder dat de rug gelijktijdig bewogen {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 217c.png | width = 120px | align = left | alt = | cap = {{fine block|A. Zaagwerktuig van ''Cimbex Sylvarum''; ''a b'' ruggestuk, ''c d'' zaag.}} | capalign = center}}<noinclude></noinclude> frgxp3e95kdsqhq6m0gimqdmhs8674u Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/210 104 41998 224759 138103 2026-08-14T14:50:59Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224759 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|184|DE TIMMERAARS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>wordt. Op die wijze wordt derhalve de grootste beweeglijkheid gepaard aan groote stevigheid en vastheid in de rigting der beweging. Overigens is er in het maaksel van dit zaagwerktuig bij onderscheidene soorten nog vrij wat verschil in de gedaante der zagen, in de meerdere of mindere scherpte der tandjes, die dikwerf zelve nog met kleinere tandjes bezet zijn (zie B), in hunne grootte, aantal, verder ook in het maaksel van het ruggestuk, dat soms mede stomp getand, in andere gevallen alleen van dwarse groeven voorzien is, enz. Van eenige dezer verschillen getuigen reeds de weinige nevenstaande afbeeldingen, welke gevolgd zijn naar eenige van die, welke reeds voorlang {{sc|lyonet}} gegeven heeft. Indien men de kunstige inrigting dezer werktuigen beschouwt, die, hoewel zoo klein, dat alleen het mikroskoop hun maaksel onthult, toch zoo voortreffelijk aan hun doel beantwoorden, dan voorwaar wordt men geneigd met {{sc|lyonet}} te gelooven, dat de menschelijke kunstvlijt met goed gevolg daaraan modellen zoude kunnen ontleenen, ofschoon al wat door menschenhanden gemaakt wordt voorzeker wel altijd verre verwijderd zoude blijven van de verwonderlijke fijnheid van bewerking, welke eigen is aan deze werktuigen, waarvan de natuur de bouwmeester is. {{dhr}} Nog andere dieren, behoorende tot eene geheel andere klasse, namelijk tot die der weekdieren, verdienen in het thans behandelde gild eene plaats. Ik bedoel de Pholaden en Teredo's. De laatsten vooral, meer bekend onder den weinig gepasten naam van Paalwormen, zijn berucht wegens de door hen aangerigte schade bij het boren hunner gangen in de palen en sluisdeuren onzer zeeweringen, en het werktuig, waarmede zij dit doen, heeft een niet minder verwonderlijk maaksel, dan dat der zoo even vermelde insekten. Doch reeds vroeger in dit ''Album'' (jaargang 1857, bl. 289) en elders<ref> In het ''Verslag over den paalworm'' door de Commissie der kon. Akad. v. Wetens, en in den ''Volksalmanak'' voor 1861, uitgegeven door de Maatschappij tot nut van 't algemeen.</ref> heb ik over hen uitvoerig gehandeld, en de lezer zal mij dus veroorloven hen hier ter plaatse met stilzwijgen voorbij te gaan. {{r|{{smaller|(''Wordt vervolgd.'')}}{{gap|4em}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 6t6e0zilm4yfv9c0xqp33d7tlqlkif7 Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/310 104 43055 224762 138105 2026-08-14T14:57:18Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224762 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|282|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 318.png | width = 140px | align = left | alt = Nest vanIndische snijdervogel | cap = {{fine block|Nest van ''Orthotomus sutorius''}} | capalign = center}} Er zijn daarvan verschillende soorten, die allen zuidelijk Azië en de aangrenzende eilanden bewonen. De oudst bekende is de snijdervogel van Ceylon en het vaste land van Indië (''Orthotomus sutorius s. longicaudatus''). Hij kiest om zijn nestje te bouwen eene plant met tamelijk groote bladeren, verzamelt vervolgens eenige boomwol, die hij zelf van de struik plukt en met zijn snavel en dunne pootjes tot een draad spint, en naait dan de randen van het omgevouwen blad of in andere gevallen ook wel die van twee bladeren te zamen met eenige lange steken. De zoo gevormde holte wordt vervolgens gevuld met boomwol, fijne donsige vedertjes en andere zachte stoffen, waarop het wijfje hare eijeren legt en uitbroedt. Daar dit vogeltje geenszins altijd de bladeren derzelfde plant bezigt om zijn nest te bouwen, maar integendeel dan eens deze dan weder gene, al naar de gelegenheid zich aanbiedt, zoo is ook de gedaante dezer nestjes zeer verschillend, en moet het, ofschoon zijne kunst hem aangeboren is, deze overeenkomstig de veranderde omstandigheden wijzigen. Hetzelfde geldt van den Javaanschen snijdervogel (''Prinia (Orthotomus) familiaris''). Deze bouwt, in het algemeen op dezelfde wijze als de vorige soort<ref>Zie hierover {{sc|bernstein}}, ''Over de zoogenaamde eetbare vogelnestjes en den nestbouw van eenige andere Javaansche vogels, Acta Societ. Scient. Indo-Neerlandicae'', III, 1857, p. 23, die er echter bijvoegt, dat de vogels de woldraden met hun speeksel overtrekken, waardoor zij beter hechten.</ref>, een nest uit een enkel<ref> Zie de afbeelding fig. 8 op de plaat gevoegd bij het vorige nommer. Deze afbeelding is gemaakt naar een voorwerp, bewaard in de verzameling van den zoölogischen tuin te Amsterdam.</ref> of uit twee bladeren, doch hij bezigt om deze zamen te naaijen niet enkel plantenwol, maar ook zijde, namelijk het spinsel van rupsen<ref name=p282>Zoo vond ik het bij twee door mij onderzochte voorwerpen, het eene toebehoorende</ref>. Somwijlen zelfs brengt hij zijn hem van de<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 8iavsvwz1gbzgja4t67mcl7i8cjohbt 224763 224762 2026-08-14T14:59:14Z DoekeHellema 16849 224763 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|282|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 318.png | width = 140px | align = left | alt = Nest vanIndische snijdervogel | cap = {{fine block|Nest van ''Orthotomus sutorius''}}. | capalign = center}} Er zijn daarvan verschillende soorten, die allen zuidelijk Azië en de aangrenzende eilanden bewonen. De oudst bekende is de snijdervogel van Ceylon en het vaste land van Indië (''Orthotomus sutorius s. longicaudatus''). Hij kiest om zijn nestje te bouwen eene plant met tamelijk groote bladeren, verzamelt vervolgens eenige boomwol, die hij zelf van de struik plukt en met zijn snavel en dunne pootjes tot een draad spint, en naait dan de randen van het omgevouwen blad of in andere gevallen ook wel die van twee bladeren te zamen met eenige lange steken. De zoo gevormde holte wordt vervolgens gevuld met boomwol, fijne donsige vedertjes en andere zachte stoffen, waarop het wijfje hare eijeren legt en uitbroedt. Daar dit vogeltje geenszins altijd de bladeren derzelfde plant bezigt om zijn nest te bouwen, maar integendeel dan eens deze dan weder gene, al naar de gelegenheid zich aanbiedt, zoo is ook de gedaante dezer nestjes zeer verschillend, en moet het, ofschoon zijne kunst hem aangeboren is, deze overeenkomstig de veranderde omstandigheden wijzigen. Hetzelfde geldt van den Javaanschen snijdervogel (''Prinia (Orthotomus) familiaris''). Deze bouwt, in het algemeen op dezelfde wijze als de vorige soort<ref>Zie hierover {{sc|bernstein}}, ''Over de zoogenaamde eetbare vogelnestjes en den nestbouw van eenige andere Javaansche vogels, Acta Societ. Scient. Indo-Neerlandicae'', III, 1857, p. 23, die er echter bijvoegt, dat de vogels de woldraden met hun speeksel overtrekken, waardoor zij beter hechten.</ref>, een nest uit een enkel<ref> Zie de afbeelding fig. 8 op de plaat gevoegd bij het vorige nommer. Deze afbeelding is gemaakt naar een voorwerp, bewaard in de verzameling van den zoölogischen tuin te Amsterdam.</ref> of uit twee bladeren, doch hij bezigt om deze zamen te naaijen niet enkel plantenwol, maar ook zijde, namelijk het spinsel van rupsen<ref name=p282>Zoo vond ik het bij twee door mij onderzochte voorwerpen, het eene toebehoorende</ref>. Somwijlen zelfs brengt hij zijn hem van de<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> cxe16wi25x73w8djnu24jgcbxfw9yu1 224764 224763 2026-08-14T14:59:30Z DoekeHellema 16849 224764 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|282|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>{{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 318.png | width = 140px | align = left | alt = Nest vanIndische snijdervogel | cap = {{fine block|Nest van ''Orthotomus sutorius''.}} | capalign = center}} Er zijn daarvan verschillende soorten, die allen zuidelijk Azië en de aangrenzende eilanden bewonen. De oudst bekende is de snijdervogel van Ceylon en het vaste land van Indië (''Orthotomus sutorius s. longicaudatus''). Hij kiest om zijn nestje te bouwen eene plant met tamelijk groote bladeren, verzamelt vervolgens eenige boomwol, die hij zelf van de struik plukt en met zijn snavel en dunne pootjes tot een draad spint, en naait dan de randen van het omgevouwen blad of in andere gevallen ook wel die van twee bladeren te zamen met eenige lange steken. De zoo gevormde holte wordt vervolgens gevuld met boomwol, fijne donsige vedertjes en andere zachte stoffen, waarop het wijfje hare eijeren legt en uitbroedt. Daar dit vogeltje geenszins altijd de bladeren derzelfde plant bezigt om zijn nest te bouwen, maar integendeel dan eens deze dan weder gene, al naar de gelegenheid zich aanbiedt, zoo is ook de gedaante dezer nestjes zeer verschillend, en moet het, ofschoon zijne kunst hem aangeboren is, deze overeenkomstig de veranderde omstandigheden wijzigen. Hetzelfde geldt van den Javaanschen snijdervogel (''Prinia (Orthotomus) familiaris''). Deze bouwt, in het algemeen op dezelfde wijze als de vorige soort<ref>Zie hierover {{sc|bernstein}}, ''Over de zoogenaamde eetbare vogelnestjes en den nestbouw van eenige andere Javaansche vogels, Acta Societ. Scient. Indo-Neerlandicae'', III, 1857, p. 23, die er echter bijvoegt, dat de vogels de woldraden met hun speeksel overtrekken, waardoor zij beter hechten.</ref>, een nest uit een enkel<ref> Zie de afbeelding fig. 8 op de plaat gevoegd bij het vorige nommer. Deze afbeelding is gemaakt naar een voorwerp, bewaard in de verzameling van den zoölogischen tuin te Amsterdam.</ref> of uit twee bladeren, doch hij bezigt om deze zamen te naaijen niet enkel plantenwol, maar ook zijde, namelijk het spinsel van rupsen<ref name=p282>Zoo vond ik het bij twee door mij onderzochte voorwerpen, het eene toebehoorende</ref>. Somwijlen zelfs brengt hij zijn hem van de<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 6bl6x4k4k0nro2mpokwdv76j5o489kn Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/311 104 43056 224765 138106 2026-08-14T15:00:46Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224765 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|283}}</noinclude>natuur geschonken talent niet eens in toepassing, namelijk wanneer hij zijn nestje bouwt tusschen de sparrige takken der op Java menigvuldig tot omheiningen gebezigde ''Lanthana''-soorten, alsdan daartoe alleen zulke zelfstandigheden gebruikende, waaruit anders het inwendige bestaat, zooals fijne grashalmen, vezelen van kokosnoot-schalen, en daar binnen een donzig bekleedsel van plantenwol en kokosdraden. En terwijl in andere gevallen de gedaante van het nest zich geheel wijzigt naar den vorm der daarvoor gebezigde bladen en de opening gewoonlijk bovenwaarts gekeerd is, heeft daarentegen zulk een vrij tusschen takjes gebouwd nest eene tamelijk regelmatig ronde of eironde gedaante en eene zijdelingsche opening. Zoo zien vrij in dit geval weder de duidelijke blijken van eene soort van overleg, waarvan eene verandering in de bouwwijze het gevolg is. Het is als of het vogeltje weet, dat zich takken niet laten zamennaaijen, en het zich daarom de vergeefsche moeite spaart, maar, eenmaal die plaats voor zijnen nestbouw gekozen hebbende, nu ook poogt aan zijn nest eene grootere veiligheid te verschaffen, door het van boven te overdekken en den ingang minder in het oog te doen vallen. Vermoedelijk is het een vogeltje van hetzelfde geslacht (''Orthotomus''), waardoor de kunstige nestjes zijn zamengesteld, welke reeds voor vele jaren door onzen {{sc|martinet}}<ref>''Katechismus der Natuur'', Dl. II, bl. 194,</ref> zijn beschreven, terwijl hij aan die beschrijving eene afbeelding toevoegde, welke naar zulk een nestje in den verschen toestand gemaakt was door den heer {{sc|van braam houckgeest}}, die, tijdens zijn verblijf te Canton, er twee uit de boomen, staande achter zijn huis, genomen had. Een ander werd door genoemden heer ten geschenke gezonden aan het stadhouderlijk kabinet en is vermoedelijk, met de overige voorwerpen, die deze verzameling zamenstelden, naar Parijs overgevoerd, terwijl het niet blijkt, dat het later weder onder de vandaar door {{sc|brugmans}} teruggebragte voorwerpen heeft behoord. Wel is waar bevindt zich thans een zoodanig nestje in 's Rijks Museum te Leiden, doch uit de bijgevoegde etiquette <ref follow=p282>aan 's rijks Museum, het andere aan de verzameling van den zoölogischen tuin te Amsterdam. Hier en elders waar twijfel bestond, besliste het mikroskopisch onderzoek.</ref><noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> evpo9lckcycguyfflrbl0culq4dyvp2 224766 224765 2026-08-14T15:01:30Z DoekeHellema 16849 224766 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|283}}</noinclude>natuur geschonken talent niet eens in toepassing, namelijk wanneer hij zijn nestje bouwt tusschen de sparrige takken der op Java menigvuldig tot omheiningen gebezigde ''Lanthana''-soorten, alsdan daartoe alleen zulke zelfstandigheden gebruikende, waaruit anders het inwendige bestaat, zooals fijne grashalmen, vezelen van kokosnoot-schalen, en daar binnen een donzig bekleedsel van plantenwol en kokosdraden. En terwijl in andere gevallen de gedaante van het nest zich geheel wijzigt naar den vorm der daarvoor gebezigde bladen en de opening gewoonlijk bovenwaarts gekeerd is, heeft daarentegen zulk een vrij tusschen takjes gebouwd nest eene tamelijk regelmatig ronde of eironde gedaante en eene zijdelingsche opening. Zoo zien vrij in dit geval weder de duidelijke blijken van eene soort van overleg, waarvan eene verandering in de bouwwijze het gevolg is. Het is als of het vogeltje weet, dat zich takken niet laten zamennaaijen, en het zich daarom de vergeefsche moeite spaart, maar, eenmaal die plaats voor zijnen nestbouw gekozen hebbende, nu ook poogt aan zijn nest eene grootere veiligheid te verschaffen, door het van boven te overdekken en den ingang minder in het oog te doen vallen. Vermoedelijk is het een vogeltje van hetzelfde geslacht (''Orthotomus''), waardoor de kunstige nestjes zijn zamengesteld, welke reeds voor vele jaren door onzen {{sc|martinet}}<ref>''Katechismus der Natuur'', Dl. II, bl. 194.</ref> zijn beschreven, terwijl hij aan die beschrijving eene afbeelding toevoegde, welke naar zulk een nestje in den verschen toestand gemaakt was door den heer {{sc|van braam houckgeest}}, die, tijdens zijn verblijf te Canton, er twee uit de boomen, staande achter zijn huis, genomen had. Een ander werd door genoemden heer ten geschenke gezonden aan het stadhouderlijk kabinet en is vermoedelijk, met de overige voorwerpen, die deze verzameling zamenstelden, naar Parijs overgevoerd, terwijl het niet blijkt, dat het later weder onder de vandaar door {{sc|brugmans}} teruggebragte voorwerpen heeft behoord. Wel is waar bevindt zich thans een zoodanig nestje in 's Rijks Museum te Leiden, doch uit de bijgevoegde etiquette <ref follow=p282>aan 's rijks Museum, het andere aan de verzameling van den zoölogischen tuin te Amsterdam. Hier en elders waar twijfel bestond, besliste het mikroskopisch onderzoek.</ref><noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 8rxe5yrx087r4biivb7ljbnd8cym0kl Index:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf 106 85692 224823 224689 2026-08-15T08:47:45Z Havang(nl) 4330 224823 proofread-index text/x-wiki {{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template |Type=boek |Taal=nl |wikidata= |Titel=Li romans de Bauduin de Sebourc, le roy de Jherusalem |Ondertitel=Poëme du XIVe siècle, publié pour la première fois d'après les Manuscrits de la Bibliothèque Royale. |Deel= |Auteur=Anoniem auteur. Tekst bezorgd door Louis-Napoléon Boca, eerste editie 1841, herdruk 1972. |Vertaler=Wikisourceredactie, met hulp van AI. |Redacteur=Louis Boca |Illustrator= |Stroming= |Jaar=1841 |Uitgever= |Plaats= |Druk= |OorspronkelijkeUitgave= |Key= |doe_wikidata= |ISBN= |OCLC= |LCCN= |BNF_ARK= |DBNL= |Bron=pdf |Afbeelding=3 |Voortgang=C |Delen= |Pagina's=<pagelist 1=ft 2=- 3="Titel Repro" 4=- 5="Titel I" 6=- 7to22=roman 7=1 23=1 407="Titel II" 408=- 409to415=roman 409=1 416=- 417=1 865=- 866=Inh. /> |Opmerkingen={{Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/866}} |NestedInhoud= |Breedte= |Css= |Header= |Footer= }} 4b9c6b25pqly9ltfqv43h667wiq6y37 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/866 104 85694 224834 224485 2026-08-15T11:54:43Z Havang(nl) 4330 224834 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{{c|{{x-larger|INHOUD}}<br>{{smaller|''maakt geen deel uit van het oorswpronkelijke werk)''}}}} {{c|EERSTE DEEL.<br> [[DE ROMAN VAN BOUDEWIJN VAN SEBOURG.]]}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ Vooraf|Informatie vooraf]]|{{pli|1|6}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG I|ZANG I]]|{{pli|1|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG II|ZANG II]]|{{pli|33|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG III|ZANG III]]|{{pli|63|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG IV|ZANG IV]]|{{pli|99|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG V|ZANG V]]|{{pli|123|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG VI|ZANG VI]]|{{pli|151|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG VII|ZANG VII]]|{{pli|177|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG VIII|ZANG VIII]]|{{pli|203|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG IX|ZANG IX]]|{{pli|239|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG X|ZANG X]]|{{pli|267|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XI|ZANG XI]]|{{pli|305|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XII|ZANG XII]]|{{pli|329|22}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XIII|ZANG XIII]]|{{pli|357|22}}}} {{c|TWEEDE DEEL.<br>HET VERVOLG VAN BOUDEWIJN VAN SEBOURG, of<br>[[DE ROMAN VAN DE BASTAARD VAN BOUILLON.]]}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XIV|ZANG XIV]]|{{pli|1|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XV|ZANG XV]]|{{pli|45|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XVI|ZANG XVI]]|{{pli|89|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XVII|ZANG XVII]]|{{pli|125|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XVIII|ZANG XVIII]]|{{pli|157|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XIX|ZANG XIX]]|{{pli|185|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XX|ZANG XX]]|{{pli|221|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XXI|ZANG XXI]]|{{pli|251|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XXII|ZANG XXII]]|{{pli|275|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XXIII|ZANG XXIII]]|{{pli|311|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XXIV|ZANG XXIV]]|{{pli|341|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XXV|ZANG XXV]]|{{pli|393|416}}}} {{dotlist||[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XXVI|ZANG XXVI]]|{{pli|447|416}}}}<noinclude></noinclude> h96nbnk7rurki81tne3xporjp7jfhq0 Hoofdportaal:Kunst/Algemeen/Kunsthandel 100 86229 224781 224337 2026-08-14T18:19:27Z Vincent Steenberg 280 +bron 224781 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Kunsthandel | afbeelding = Microcosm of London Plate 006 - Auction Room, Christie's (edited).jpg | alt = veiling bij Christie in Londen, 1808 | beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] aanwezige bronnen over de kunsthandel. }} *Anoniem (15 september 1828) [[Rotterdamsche Courant/1828/Nummer 82/Men is van meening te doen veilen en verkoopen|‘Men is van meening […] te doen veilen en verkoopen, op Maandag den 14 Julij 1828 en volgende dagen, […] ten Sterfhuize van wijlen den Wel Ed. Geboren Heer Johannes Verkolje […] te Rijnzaterwoude, […] Een deftige en zindelijke inboedel, […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p.&nbsp;3]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (21 oktober 1903) [[De Telegraaf/Jaargang 11/Nummer 4036/Avondblad/Veiling te Den Haag|‘Veiling te Den Haag’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. *''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen: **Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden [...]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. *Anoniem (10 juni 1927) [[Anoniem/Collectie Goudstikker|‘Collectie Goudstikker’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 9. ;Kunsthandel P. de Boer *Gruyter, Jos. de (27 juni 1939) ‘Oude schilderijen uit de collectie P. de Boer’, ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1. ;Cassirer, Berlijn *Anoniem (1 oktober 1930) [[Nieuwe Tilburgsche Courant/Jaargang 52/Nummer 10885/Op de veiling van de verzameling Figdor|‘Op de veiling van de verzameling Figdor te Berlijn [...]’]], ''Nieuwe Tilburgsche Courant'', Derde blad, [p. 4]. ;Christie's *''Ancient and Modern Pictures from the Collection of Henry Weigall'', Christie's, Londen, 6 juli 1925.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (3 juli 1925) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad C, p.&nbsp;1. *Anoniem (4 juni 1930) [[De Telegraaf/Jaargang 38/Nummer 14271/Avondblad/Hooge prijzen bij Christie|‘Hooge prijzen bij Christie’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Galérie Charpentier, Parijs *''Catalogue des tableaux anciens. Œuvres des écoles primitives et de la Renaissance par Bartolomeo Veneto, Corneille de Lyon, Lucas Cranach, Adriaen Isenbrant'' […] ''Objets d’art et de haute curiosité des époques gothique et Renaissance, faiences italiennes, haut-relief en terre'' […] ''composant la collection de Mrs. E. Bayer, Comtesse Sala'', Galérie Charpentier, Parijs, 19 mei 1933.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De zestig nummers|‘De zestig nummers van de verzameling van mevrouw Bayer gravin Sala, in de Galerie Jean Charpentier te Parijs geveild, […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. *''Salon des Réalistes Nouvelles, Renaissance plastique. 1re exposition (2me série). Oeuvres des artistes étrangers'', Galerie Charpentier, Parijs, 30 juni-15 juli 1939.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (19 juni 1939) [[Het Vaderland/Jaargang 71/19 juni 1939/Avondblad/Abstracte schilders te Parijs|‘Abstracte schilders te Parijs’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Galerie Fischer Auktionen AG, Luzern *''Gemälde und Plastiken moderner Meister aus deutschen Museen. Braque, Chagall, Derain, Ensor, Gauguin, van Gogh, Laurencin, Modigliani, Matisse, Pacin, Picasso, Vlaminck, Marc, Nolde, Klee, Hofer, Rohlfs, Dix, Kokoscka, Beckmann, Pechstein, Kirchner, Heckel, Grosz, Schmidt-Rottluff, Müller, Modersohn, Macke, Corinth, Liebermann, Amiet, Baraud, Feiniger, Levy, Legmbruck, Mataré, Marcks, Archipenko, Barlach'', Galerie Fischer, Luzern, 30 juni 1939.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (14 juni 1939) [[Haagsche Courant/1939/Nummer 17286/Duitschland exporteert ontaarde kunst|‘Duitschland exporteert ontaarde kunst. Ook Vincent van Gogh uit de gratie’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Galerie J & A Leroy Frères, Brussel *''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p.&nbsp;1. ;Kunsthandel Frans Buffa & Zonen, Amsterdam *Anoniem (26 maart 1931) [[Het Vaderland/Jaargang 62/26 maart 1931/Avondblad/Van 28 Maart tot 15 April|‘Van 28 Maart tot 15 April […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p.&nbsp;1]. ;Cassirer, Paul (1871-1926) *Bois, J.H. de (13 januari 1926) [[De Avondpost/Jaargang 41/Nummer 12967/Avondeditie/Kunstkroniek|‘Kunstkroniek’]], ''De Avondpost'', Avondeditie, Tweede blad, p.&nbsp;1. ;Maurer, Friedrich (1812-1906) *[Nederlandse Meesters], Hôtel Maréchal de Turenne, Den Haag, 9-17 februari 1840, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (12 februari 1840) [[Algemeen Handelsblad/1840/Nummer 2580/Berigt aan Kunstvrienden|‘Berigt aan Kunstvrienden [advertentie]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p.&nbsp;3]. ;Frederik Muller & Co. - Mensing & Zoon *''Eenige nagelaten schilderstukken en teekeningen van Wally Moes'', Frederik Muller & Co., Amsterdam, 20 mei 1919.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (18 mei 1919) [[De Telegraaf/Jaargang 27/Nummer 10477/Veiling Frederik Muller|‘Veiling Frederik Muller’]], ''De Telegraaf'', eerste blad, p.&nbsp;3. *Anoniem (25 mei 1921) [[De Maasbode/Jaargang 53/Nummer 17538/Avondblad/Veiling Frederik Muller & Co.|‘Veiling Frederik Muller & Co.’]], ''De Maasbode'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;2. *''Tableaux anciens, antiquités, gravures, dessins, aquarelles, meubles, tapisseries, étoffes, tapis persans, émaux de Limoges, ivoires, argenterie, miniatures, objets de vitrine, cuir ciselé, sculptures, porcelaines de la Chine et du Japon, faïence de Delft, verrerie, faïences persanes, etc.'', Mensing & Zoon, Amsterdam, 17-19 november 1936.<br>Aankondiging en opbrengst: **Anoniem (7 november 1936) [[De Telegraaf/Jaargang 44/Nummer 16601/Avondblad/Veilingen te Amsterdam|‘Veilingen te Amsterdam’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Vijfde Blad, p.&nbsp;9. *Hs. R. (1 december 1953) ‘Omvangrijke veiling bij Frederik Muller’, ''Algemeen Handelsblad'', p.&nbsp;5. ;Kunsthandel M.J. Citroen, Amsterdam *Anoniem (28 mei 1922) [[De Telegraaf/Jaargang 30/Nummer 11570/Memorandum|‘Memorandum’]], ''De Telegraaf'', p.&nbsp;9. ;Kunsthandel Everts, Rotterdam *''Het oude boek'', Kunsthandel Everts, Rotterdam, 18 oktober-7 november 1924, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Everts|‘Kunsthandel Everts’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/In den kunsthandel Everts|‘In den kunsthandel Everts […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Kunsthandel Fetter, Amsterdam *''Jan Poortenaar'', Kunsthandel Fetter, Amsterdam, oktober 1924, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Kunsthandel Fetter|‘Kunsthandel Fetter’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Kunsthandel Gebr. Douwes, Amsterdam *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Kunsthandel D. Katz, Dieren *J.W. (12 april 1937) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 124/Nummer 15586/Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren|‘Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren. Wederom aanwinsten’]], ''Arnhemsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Kunsthandel J.H. de Bois, Haarlem *Anoniem (30 september 1916) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 41/Nummer 9151/Over moderne schilderkunst|‘Over moderne schilderkunst’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. *Anoniem (3 oktober 1916) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 41/Nummer 9153/Kunst|‘Kunst. Moderne schilderkunst’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', eerste blad, [p.&nbsp;2]. *Anoniem (17 november 1916) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 322/Avondblad/In den Kunsthandel J.H. de Bois te Haarlem (...)|‘In den Kunsthandel J.H. de Bois te Haarlem […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, A, p.&nbsp;1. *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/In J. H. de Bois' Kunsthandel|‘In J. H. de Bois’ Kunsthandel te Haarlem […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Kunsthandel Santee Landweer, Amsterdam *Anoniem (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Verluchte manuscripten|‘Verluchte manuscripten’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Kunstzaal Manteau, Brussel *Anoniem (1 februari 1937) [[Het Vaderland/Jaargang 68/1 februari 1937/Avondblad/Tytgat en Portugal|‘Tytgat en Portugal. De schilder keert onveranderd van zijn reis terug’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Kunstzalen d'Audretsch, Den Haag *[De Anderen]. ''Catalogus der eerste tentoonstelling van kunstwerken der leden in de kunstzalen d'Audretsch'', Den Haag, 7 mei-7 juni 1916 (verlengd tot tweede helft juni).<br />Aankondigingen en recensies: **Anoniem (4 mei 1916) [[Leidsch Dagblad/Nummer 17235/"De Anderen"|‘„De Anderen”’]], ''Leidsch Dagblad'', Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. **Anoniem (5 mei 1916) [[Nieuwe Apeldoornsche Courant/Jaargang 13/Nummer 4216/Moderne Kunst|‘Moderne Kunst’]], ''Nieuwe Apeldoornsche Courant'', tweede blad, [p.&nbsp;1]. **B. (11 mei 1916) [[De Avondpost/1916/Nummer 9512/Avond-editie/Kunstzaal d’Audretsch|‘Kunstzaal d’Audretsch. „De Anderen”’]], ''De Avondpost'', Avond-editie, p.&nbsp;A 2. **Ω (12 mei 1916) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 89/Nummer 28423/Avondblad/Kunst in Den Haag|‘Kunst in Den Haag’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, [p.&nbsp;6]. **Anoniem en Theo van Doesburg (13 mei 1916) [[De Kunst/Jaargang 8/Nummer 433/Grappenmakers|‘Grappenmakers’]], ''De Kunst'', jrg. 8, nr. 433, [p. 369]. **Henri Borel (19 mei 1916) [[De Telegraaf/Jaargang 24/Nummer 9392/Avondblad/"De Anderen"|‘„De Anderen”’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, p. 9. **B. van Hasselt (20 mei 1916) [[Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant/Jaargang 1916/Nummer 118/Kunst in de Hofstad|‘Kunst in de Hofstad’]], ''Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant'', Derde Blad, [p.&nbsp;2]. **U. (25 mei 1916) [[Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage/Jaargang 245/Nummer 123/De Anderen|‘De Anderen’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage'', eerste blad, [p.&nbsp;1]. *Havelaar, Just (23 december 1929) [[Het Vaderland/Jaargang 61/23 december 1929/Avondblad/Maurice Sijs|‘Maurice Sijs bij d’Audretsch’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p.&nbsp;1]. ;D. Sala & Zonen, Leiden/Den Haag *Anoniem (23 december 1929) [[Het Vaderland/Jaargang 61/23 december 1929/Avondblad/In den kunsthandel D. Sala & Zn.|‘In den kunsthandel D. Sala & Zn. te Leiden […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p.&nbsp;1]. *[''werken van George Hendrik Breitner''], D. Sala & Zonen, Den Haag, juni-15 juli 1939, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14 juni 1939) [[Haagsche Courant/1939/Nummer 17286/Kunsthandel Sala en Zonen|‘Kunsthandel Sala en Zonen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Galerie Sedelmeyer, Parijs *Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Huldschinsky|‘Huldschinsky, een berlijnsch schilderijenliefhebber, heeft […] gekocht een […] schilderij van Rafaël […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p.&nbsp;2]. ;Uylenburgh, Gerrit (II) (ca. 1625-1679), kunsthandelaar en schilder *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg|“Gerard Uilenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;293-303. ;Veilinghuis A. Mak B.V. *''Antiquiteiten'', A. Mak, Dordrecht, 24-26 oktober 1916.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (26 oktober 1916) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 300/Avondblad/Op de gisteren voortgezette veiling|‘Op de gisteren voortgezette veiling van antiquiteiten enz., door de fa. A. Mak te Dordrecht, zijn nog de volgende prijzen besteed: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, A, p.&nbsp;1. ;Vries, R.W.P. de *Anoniem (2 augustus 1930) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 103/Nummer 33567/Avondblad/Een oude Bosschenaar in de hoofdstad|‘Een oude Bosschenaar in de hoofdstad’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p.&nbsp;4. *A. Stheeman ([september] 1930) [[Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift/Jaargang 40/Deel 80/Een Jheronymus Bosch bij R. W. P. de Vries|‘Een Jheronymus Bosch bij R.W.P. de Vries’]], ''Elsevier's geïllustreerd maandschrift'', jrg. 40, deel 80, p.&nbsp;284-286. ;E.J. van Wisselingh & Co. *''Catalogus der tentoonstelling van schilderijen enz.'', E.J. van Wisselingh, Panorama Mesdag, Den Haag, oktober-november 1916.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 oktober 1916) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 300/Avondblad/E. J. v. Wisselingh|‘E. J. v. Wisselingh. (Slot.) Gebouw Panorama Mesdag’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, A, p.&nbsp;1. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal kunst]] mqli6pqit0up8cej4hlh5xuo4ttln8w Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/33 104 87583 224788 224704 2026-08-14T20:21:19Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224788 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Cousine, » dist Wistacez, « je vous ai en convent « Que ces ·iij· enmenrai, sans nul arrestement, « A Bouloigne, où ma mère laissai à coer dolent : « Car volentiers verrai les enfans de jouvent. « Le plus petit arés en vo gouvernement, « Et j’enmenrai les ·iij· par vostre otriement. « Car d’anter ses amis vault-on miex bien sovent. « Qui eslonge des iex, on dist communalment, « Il eslonge du cuer. Antise amour aprent. « Cousine, » dist Wistaces, « je vous requier et prie, « Que je puisse mener ma mère, vostre amie, « Ches ·iij· enfans gentis, qui sont de sa lignie ; « Temprement les r’arés, ne vous dobtez mie. » Et la dame respont : « et je les vous otrie. » Wistaces séjourna illeuc une nutie, Lendemain s’en parti, o sa chevalerie. Une litière fu moult bien apparellie, Où li enfant sont mis, qui tant ont signourie ; A Boulongne s’ent vont s’ont la chité laissie, Où la dame remest dolante et courouchie. Le petit Bauduin ot en sa compaignie. De la dame lairai, jusqu’à une autre fie ; Et du Roy vous dirai, qui s’en va à navie, Parmi le haute mer, qui tant est resoignie. Des journéez qu’il font, n’est drois que je vous die. Tant vont nagant par mer icelle baronnie, Qu’il ont en mi la mer grant navire coisie : Ch’estoient Sarrasins, cui le corps Diu maudie, Et si les conduissoit li fors roys d’Orcanie ; Et li Rouges-Lions fu en sa compaignie. Chius venoit d’Antioche, une cité garnie, Où il avoit éu bataille resforchie ; Et grant destruction de cheux de païenie : Car Brohadas, li fiex au soudant de Persie, I avoit esté mors, si comme l’istoire crie ; </poem> |valign=top| <poem> « Nicht, » zei Wistace, « ik beloof u » « Dat ik deze drie mee zal nemen, zonder enig uitstel, » « Naar Boulogne, waar ik mijn moeder met een bedroefd hart achterliet: » « Want gaarne zal zij de jonge kinderen zien. » « De kleinste zult u onder uw hoede houden, « En ik zal de drie meenemen met uw toestemming. « Want door met zijn vrienden om te gaan, wordt men vaak beter. « Wie uit het oog is, zo zegt men algemeen, « Is uit het hart. Omgang leert liefde. 350 « Nicht, » zei Wistace, « ik verzoek en bid u, » « Dat ik mag meenemen naar mijn moeder, uw vriendin, » « Deze drie edele kinderen, die tot haar familie behoren; » « Weldra zult u hen terug hebben, twijfel er niet aan. » En de dame antwoordt: « En ik sta ze aan u af. » Wistace verbleef daar één nacht, De volgende ochtend vertrok hij met zijn ridders. Een draagstoel werd zeer goed in gereedheid gebracht, Waar de kinderen in werden geplaatst, die zoveel adeldom bezitten; Zij gaan naar Boulogne: zij hebben de stad verlaten, Waar de dame bedroefd en neerslachtig achterblijft. 360 De kleine Boudewijn hield zij in haar gezelschap. Over de dame zal ik zwijgen, tot een andere keer; En over de Koning zal ik u vertellen, die met zijn vloot wegtrekt, Over de open zee, die zozeer gevreesd wordt. Over de dagreizen die zij maken, is het niet nodig dat ik u vertel. Zolang varen zij over zee, ''deze baronnen, Dat zij midden op de zee'' een grote vloot ontdekten: Dat waren Saracenen, wier lichaam God moge vervloeken, En zij werden geleid door de sterke koning van Orcanië; En de Rode Leeuw was in zijn gezelschap. 370 Deze kwam uit Antiochië, een versterkte stad, Waar een hevige strijd had plaatsgevonden; En grote vernietiging van de lieden van het heidendom: Want Brohadas, de zoon van de sultan van Perzië, Was daar gestorven, zoals de geschiedenis roept; </poem> |}<noinclude></noinclude> fxuo43nf0e0n8t9ra6wu6etnmdxtkqe Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/34 104 87584 224789 224699 2026-08-14T20:59:37Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224789 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem>Et li Rouges-Lions ot le teste trenchie. Et chius estoit ses fiex qui menoit le navie : Pour son père ploroit et menoit laide vie. Godefrois de Buillon, qui tant ot signourie, L’avoit mort en bataille, à l’espée fourbie ; Et Brohadas ausi tua par compaignie. Corbarans l’emportoit tous les plains de Surie ; Et li jones Lions, qui Abilant maistrie, En reportoit son père, pour cui il brait et crie ; S’en remenoit sa gent matée et desconfie. Mais il ont en la mer véut no baronnie : Bien seurent que c’estoit de la gent baptisie ; Car sus les bors des neifz ot mainte crois dréchie, Et riches confanons. C’est che qui sénéfie Que chil dedens créoient en le Vierge-Marie. Quant li Rouges-Lions a ichelle ost coisie, Il a dit à sa gent parole bien prisie : « Signour, vous qui m’amez, au jourd’ui je vous prie « Que la mort de mon père soit maintenant vengie ; « Car n’est mie boins enfès qui mort de père oublie, « Puis qu’il le puet venguier, à l’espée fourbie. » Dist li Rouges-Lions, qui fu roys d’Abilant, Et sirez dez désers, qui i sont si très grant : « Signour, vous qui créez Mahon et Tirvogant, « Che sont gent cristiène, qui chi viènent nagant : « Or soiés au jourd’ui hardi et combatant. « Godefrois de Buillon a fait mon cuer dolant ; « Par devant Antioche desconfi Corbarant, « Et ochist Brohadas et mon père devant. « Mais par les candelabres, qu’à Mièkes sont ardant, « Jammais n’arai mon cuer baut, liet, ne joiant, « S’arai vengiet mon père, que j’en vois remenant. » Et chil ont respondu : « vous alés bien parlant. » Li ordeneur des os sonnent maint olifant, Buisinez et arainnez ; bien s’en vont aprestant.</poem> |valign=top| <poem> En de Rode Leeuw had het hoofd afgehouwen gekregen. En deze was zijn zoon die de vloot leidde: Om zijn vader weende hij en leidde een bitter leven. Godfried van Bouillon, die zoveel macht had, Had hem gedood in de strijd, met het gepolijste zwaard; 380 En Brohadas doodde hij eveneens in hun gezelschap. Corbaran voerde hem weg over de vlakten van Syrië; En de jonge Leeuw, die heerser is over Abilant, Bracht zijn vader terug, om wie hij brult en schreeuwt; En nam zijn volk mee terug, klemgezet en verslagen. Maar zij hebben op de zee onze baronnen gezien: Zij wisten goed dat het om gedoopt volk ging; Want op de boorden van de schepen was menig kruis opgericht, En rijke vaandels. Dat betekent Dat degenen daarbinnen geloofden in de Maagd Maria. 390 Toen de Rode Leeuw dat leger had opgemerkt, Zei hij tegen zijn mannen een zeer gewaardeerd woord: « Heren, u die mij liefhebt, vandaag bid ik u » « Dat de dood van mijn vader nu gewroken moge worden; » « Want het is geen goed kind dat de dood van zijn vader vergeet, » « Als hij hem wreken kan met het gepolijste zwaard. » :Sprak de Rode Leeuw, die koning van Abilant was, En heer van de woestijnen, die daar zo heel groot zijn: « Heren, u die gelooft in Mahom en Tervogant, « Dit zijn christenmensen, die hier aan komen varen: 400 « Wees dus vandaag koen en strijdbaar. » « Godfried van Bouillon heeft mijn hart bedroefd gemaakt; » « Voor Antiochië versloeg hij Corbaran, » « En doodde Brohadas en mijn vader voordien. » « Maar bij de kandelaren, die in Mekka branden, » « Nooit zal ik mijn hart blij, vrolijk of verheugd hebben, » « Of ik zal mijn vader gewroken hebben, als ik ervan terug ga keren. » En zij antwoordden: « U spreekt zeer goed. » De leiders van de legers blazen op menige olifant [horen], Herauten en trompetters; zij gaan zich goed voorbereiden. 410</poem> |}<noinclude></noinclude> qzbi0k87j4s923q6w8dvl77viirj832 224790 224789 2026-08-15T01:50:30Z Havang(nl) 4330 224790 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem>Et li Rouges-Lions ot le teste trenchie. Et chius estoit ses fiex qui menoit le navie : Pour son père ploroit et menoit laide vie. Godefrois de Buillon, qui tant ot signourie, L’avoit mort en bataille, à l’espée fourbie ; Et Brohadas ausi tua par compaignie. Corbarans l’emportoit tous les plains de Surie ; Et li jones Lions, qui Abilant maistrie, En reportoit son père, pour cui il brait et crie ; S’en remenoit sa gent matée et desconfie. Mais il ont en la mer véut no baronnie : Bien seurent que c’estoit de la gent baptisie ; Car sus les bors des neifz ot mainte crois dréchie, Et riches confanons. C’est che qui sénéfie Que chil dedens créoient en le Vierge-Marie. Quant li Rouges-Lions a ichelle ost coisie, Il a dit à sa gent parole bien prisie : « Signour, vous qui m’amez, au jourd’ui je vous prie « Que la mort de mon père soit maintenant vengie ; « Car n’est mie boins enfès qui mort de père oublie, « Puis qu’il le puet venguier, à l’espée fourbie. » Dist li Rouges-Lions, qui fu roys d’Abilant, Et sirez dez désers, qui i sont si très grant : « Signour, vous qui créez Mahon et Tirvogant, « Che sont gent cristiène, qui chi viènent nagant : « Or soiés au jourd’ui hardi et combatant. « Godefrois de Buillon a fait mon cuer dolant ; « Par devant Antioche desconfi Corbarant, « Et ochist Brohadas et mon père devant. « Mais par les candelabres, qu’à Mièkes sont ardant, « Jammais n’arai mon cuer baut, liet, ne joiant, « S’arai vengiet mon père, que j’en vois remenant. » Et chil ont respondu : « vous alés bien parlant. » Li ordeneur des os sonnent maint olifant, Buisinez et arainnez ; bien s’en vont aprestant.</poem> |valign=top| <poem> En de Rode Leeuw had het hoofd afgehouwen gekregen. En deze was zijn zoon die de vloot leidde: Om zijn vader weende hij en leidde een bitter leven. Godfried van Bouillon, die zoveel macht had, Had hem gedood in de strijd, met het gepolijste zwaard; 380 En Brohadas doodde hij eveneens in hun gezelschap. Corbaran voerde hem weg over de vlakten van Syrië; En de jonge Leeuw, die heerser is over Abilant, Bracht zijn vader terug, om wie hij brult en schreeuwt; En nam zijn volk mee terug, klemgezet en verslagen. Maar zij hebben op de zee onze baronnen gezien: Zij wisten goed dat het om gedoopt volk ging; Want op de boorden van de schepen was menig kruis opgericht, En rijke vaandels. Dat betekent Dat degenen daarbinnen geloofden in de Maagd Maria. 390 Toen de Rode Leeuw dat leger had opgemerkt, Zei hij tegen zijn mannen een zeer gewaardeerd woord: « Heren, u die mij liefhebt, vandaag bid ik u » « Dat de dood van mijn vader nu gewroken moge worden; » « Want het is geen goed kind dat de dood van zijn vader vergeet, » « Als hij hem wreken kan met het gepolijste zwaard. » :Sprak de Rode Leeuw, die koning van Abilant was, En heer van de woestijnen, die daar zo heel groot zijn: « Heren, u die gelooft in Mahom en Tervogant, « Dit zijn christenmensen, die hier aan komen varen: 400 « Wees dus vandaag koen en strijdbaar. » « Godfried van Bouillon heeft mijn hart bedroefd gemaakt; » « Voor Antiochië versloeg hij Corbaran, » « En doodde Brohadas en mijn vader voordien. » « Maar bij de kandelaren, die in Mekka branden, » « Nooit zal ik mijn hart blij, vrolijk of verheugd hebben, » « Of ik zal mijn vader gewroken hebben, als ik ervan terug ga keren. » En zij antwoordden: « U spreekt zeer goed. » De leiders van de legers blazen op menige olifant [horen], Klaroeniers en trompetters; zij gaan zich goed voorbereiden. 410</poem> |}<noinclude></noinclude> rn9fkz69acvyobgx4e5z86hbxsfcv29 224791 224790 2026-08-15T06:01:06Z Havang(nl) 4330 224791 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem>Et li Rouges-Lions ot le teste trenchie. Et chius estoit ses fiex qui menoit le navie : Pour son père ploroit et menoit laide vie. Godefrois de Buillon, qui tant ot signourie, L’avoit mort en bataille, à l’espée fourbie ; Et Brohadas ausi tua par compaignie. Corbarans l’emportoit tous les plains de Surie ; Et li jones Lions, qui Abilant maistrie, En reportoit son père, pour cui il brait et crie ; S’en remenoit sa gent matée et desconfie. Mais il ont en la mer véut no baronnie : Bien seurent que c’estoit de la gent baptisie ; Car sus les bors des neifz ot mainte crois dréchie, Et riches confanons. C’est che qui sénéfie Que chil dedens créoient en le Vierge-Marie. Quant li Rouges-Lions a ichelle ost coisie, Il a dit à sa gent parole bien prisie : « Signour, vous qui m’amez, au jourd’ui je vous prie « Que la mort de mon père soit maintenant vengie ; « Car n’est mie boins enfès qui mort de père oublie, « Puis qu’il le puet venguier, à l’espée fourbie. » Dist li Rouges-Lions, qui fu roys d’Abilant, Et sirez dez désers, qui i sont si très grant : « Signour, vous qui créez Mahon et Tirvogant, « Che sont gent cristiène, qui chi viènent nagant : « Or soiés au jourd’ui hardi et combatant. « Godefrois de Buillon a fait mon cuer dolant ; « Par devant Antioche desconfi Corbarant, « Et ochist Brohadas et mon père devant. « Mais par les candelabres, qu’à Mièkes sont ardant, « Jammais n’arai mon cuer baut, liet, ne joiant, « S’arai vengiet mon père, que j’en vois remenant. » Et chil ont respondu : « vous alés bien parlant. » Li ordeneur des os sonnent maint olifant, Buisinez et arainnez ; bien s’en vont aprestant.</poem> |valign=top| <poem> En de Rode Leeuw had het hoofd afgehouwen gekregen. En deze was zijn zoon die de vloot leidde: Om zijn vader weende hij en leidde een bitter leven. Godfried van Bouillon, die zoveel macht had, Had hem gedood in de strijd, met het gepolijste zwaard; 380 En Brohadas doodde hij eveneens in hun gezelschap. Corbaran voerde hem weg over de vlakten van Syrië; En de jonge Leeuw, die heerser is over Abilant, Bracht zijn vader terug, om wie hij brult en schreeuwt; En nam zijn volk mee terug, klemgezet en verslagen. Maar zij hebben op de zee onze baronnen gezien: Zij wisten goed dat het om gedoopt volk ging; Want op de boorden van de schepen was menig kruis opgericht, En rijke vaandels. Dat betekent Dat degenen daarbinnen geloofden in de Maagd Maria. 390 Toen de Rode Leeuw dat leger had opgemerkt, Zei hij tegen zijn mannen een zeer gewaardeerd woord: « Heren, u die mij liefhebt, vandaag bid ik u » « Dat de dood van mijn vader nu gewroken moge worden; » « Want het is geen goed kind dat de dood van zijn vader vergeet, » « Als hij hem wreken kan met het gepolijste zwaard. » :Sprak de Rode Leeuw, die koning van Abilant was, En heer van de woestijnen, die daar zo heel groot zijn: « Heren, u die gelooft in Mahom en Tervogant, « Dit zijn christenmensen, die hier aan komen varen: 400 « Wees dus vandaag koen en strijdbaar. » « Godfried van Bouillon heeft mijn hart bedroefd gemaakt; » « Voor Antiochië versloeg hij Corbaran, » « En doodde Brohadas en mijn vader voordien. » « Maar bij de kandelaren, die in Mekka branden, » « Nooit zal ik mijn hart blij, vrolijk of verheugd hebben, » « Of ik zal mijn vader gewroken hebben, als ik ervan terugkeer. » En zij antwoordden: « Goed gesproken. » De leiders van de legers blazen op menige olifant [horen], Bazuinen en trompetten; zij vertrekken goed voorbereid. 410</poem> |}<noinclude></noinclude> r3a1s7pd11qv30rsqohkpy8v77qn88z Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/35 104 87585 224792 224700 2026-08-15T06:30:01Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224792 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem>Et quant li cristien virent le convenant, En conroy se sont mis : bien se vont ordenant. « Or, » dist li roys Hernous, « biau signour, or avant ! « Cascuns se poet sauver, s’il poet maintenant. « Veschi gent Sarrasine, qui croient Tervogant. « Que feriens-nous à Romme, nobile combatant, « Quant nous avons trouvé saint Pière chi devant ? « Or se poèent sauver li petit et li grant ; « Car chil qui chi morront, je vous jur et créant, « Les âmes en iront ou trosne reluisant, « Là où il verra Diu en son propre samblant. « Il vaut miex à morir en Jhésu-Crist vengant, « Que vivre faussement, en che siècle mescant : « En paradis seront porté li trespassant. » Gaufrois entendi bien le parler souffissant, Mais pour Diu vengier n’entra point el calant. A soy meismez dist : « tout cil sont non sachant, « Qui convoitent leur mort et vont en riens hastant : « Car puis c’uns homs est mors, il n’a au sien noiant ; « Si le boivent et galent si hoir ou si enfant. « Je tieng à paradis che siècle déduisant : « Quant ·j· homs i puet faire son bon et son commant, « Et avoir belle dame et boire des vins tant, « C’on se fache servir en gales et en cant. « Cil qui ont povreté sont en infer manant, « Car je tieng pour infer le règne d’un mescant. » Ensi disoit Gaufrois, qui à nul bien ne bée. Le Roy en appella, à moult haute alenée : « Sire, » ce dist Gaufrois, « or, oiés me pensée ; « Se croire me voliés, hui en ceste journée, « Je feroie une cose, s’il vous plaist et agrée, « Que dedens ·j· batel iroie faire entrée, « Et s’iroie véoir ceste gent foursenée : « Si seroit de par moy toute leur gent esmée. « Se rendre se voloient, sans cop férir d’espée,</poem> |valign=top| <poem> En toen de christenen de toestand zagen, Stelden zij zich in slagorde op: goed gaan zij zich ordenen. « Nu, » zei koning Arnoul, « schone heren, nu voorwaarts! » « Ieder kan zich redden, als hij nu kan. » « Ziehier Saraceens volk, dat gelooft in Tervogant. » « Wat zouden we in Rome doen, nobele strijders, » « Nu we sint Petrus hier voor ons hebben gevonden? » « Nu kunnen de kleinen en de groten zich redden; » « Want degenen die hier zullen sterven, ik zweer en verzeker het u, » « Hun zielen zullen naar de schitterende troon gaan, 420 « Waar men God zal zien in Zijn eigen gedaante. » « Het is beter te sterven terwijl men Jezus Christus wreekt, » « Dan valselijk te leven, in deze ellendige wereld: » « De overledenen zullen het paradijs ingedragen worden. » Gaufroi begreep de waardige rede goed, Maar helemaal niet om God te wreken ging hij de schuit in. Bij zichzelf zei hij: « Al degenen zijn onwetend, » « Die hun dood begeren en zich ergens naartoe haasten: » « Want zodra een mens dood is, heeft hij niets meer aan het zijne; » « als erfgenaam of kind ermee drinken en feesten. 430 « Ik houd deze plezierige wereld voor het paradijs: » « Wanneer een mens er zijn zin en zijn wil kan doen, » « En een schone dame kan hebben en zoveel wijnen kan drinken, » « Dat men zich laat bedienen in feesten en gezang. » « Degenen die armoede hebben, zijn bewoners van de hel, » « Want ik houd het rijk van een arme voor de hel. » Zo sprak Gaufroi, die op niets goeds uit was. De Koning sprak hij aan, met zeer luide adem: « Heer, » zei Gaufroi, « hoor nu mijn gedachte; » « Als u mij wilde geloven, vandaag op deze dag, 440 « Zou ik iets doen, als het u behaagt en schikt, » « Dat ik in een bootje zou stappen, » « En zou gaan kijken naar dit uitzinnige volk: » « Zo zou door mij hun hele volk geschat worden. » « Als zij zich wilden overgeven, zonder een slag met het zwaard, »</poem> |}<noinclude></noinclude> 5e478a5dplhcl38eo53extbe4khkko3 De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Filip Roos 0 87704 224749 224681 2026-08-14T13:11:06Z Vincent Steenberg 280 224749 wikitext text/x-wiki <pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=318 to=327 fromsection=s2 tosection=s1 header=2/> [[Categorie:Schouburg]] 4vwf2cffli5zkrbg1n4jmhbciunryqh Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/336 104 87719 224747 2026-08-14T12:46:46Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224747 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|297}}{{block center/s}}</noinclude><br>''Dies hoe de krygselenden treffen'',<br>''De Schilderkonst mag ’t hooft verheffen''.{{block center/e}} {{gap}}Het zy daar mee zoo ’t wil, zyne agting hier door gekrenkt zynde, vertrok hy naar Engelant en hielp by wylen voor ''Pieter Lely'' (daar hy kennis aan had) kleeren en Lantschappen agter zyne pourtretten schilderen, en kwam met een aldaar te sterven.<br>{{gap}}Die beminnaars van Roomsche Konst zyn, of Italie hebben doorreist, en de konst der groote meesters gezien, weten niet alleen met verwonderinge van de zelve te spreeken, maar ook boven menschelyke werken te roemen, en dus elk een groots denkbeelt daar van in te drukken. Dit doen ook inzonderheit zulke die daar handel mee dryven. Zoo haast en komt ’er dan geen konststuk van Italie tot ons, of van elders op een openbare verkooping, of straks, op ’t spellen van een groot meesters naam, staat elk met verwondering de zelve te begapen, en door vooroordeelen ingenomen verwonderlyke schoonheit daar in te ontdekken, of ten minsten zulks, zig zelven, en anderen wys te maken. Dit doen zelf zulke ''die daar even zoo veel af weten als ’t Kalf van den Zondag'', en maar alleen napraten ’t geen zy van anderen hooren zeggen, een bederf dat van langzamer hand ingekropen, onze brave Hollantsche konst kleynagting aandoet.<br>{{gap}}Het vooroordeel doet dikwils meer zien als zuivere bespiegelinge, en geeft het zelve genoegen. Tot bevestiging van dit gezeide dient dit eene staal. ''Izak de Moucheron'' uit Italien gekomen had onder een menigte van Modellen ook mee gebrocht een doek dien hy zelf beschildert had naar een<noinclude>{{RH||T 5|stuk}}</noinclude> 182r7nxc5s8k0kn8i3rfmbhh3xyqmue Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/337 104 87720 224748 2026-08-14T12:54:07Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224748 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|298|''Schouburgh der''|}}</noinclude>stuk van ''Pouzyn''. De Postmeester van Zwol belust of hy niet iets meegebracht hadde dat zyn zinlykheit genoegen konde geven, ging hem bezoeken. Straks viel zyn oog op dit stuk, en hy kocht het zonder te vragen door wien het beschildert was, voor een der beste stukken van ''Pouzyn'', en hielt het ook daar voor, schoon het egte stuk hier te lant kwam en daar nevens gestelt wierd, en ''Moucheron'' gevraagt hoe het daar mee gelegen was, zig daar ontrent openhartig verklaarde.<br>{{gap}}Wy spreken den roem niet tegen die de egte Italiaansche Konst verdient: nog moet my niemant verdenken, om myn vryborstig schryven, even als of ik met een vooroordeel tegen buitenlantsche konst was ingenomen; geheel niet: ik bemin de grootsche gedachten en stoute behandelinge, ja kan met zoo veel vermaak de zelve beschouwen, dat ik my zelf byna vergeet: maar ik kan niet dulden datmen nabootzels, en prullen den menschen voor egte konst in de vuist stopt, en dan nog wil dat elk zig over de schoonheit dier konst verwondere.<br>{{gap}}Zyn ’er daar de beelden zoodanig in ’t bruin zyn weg gedompelt datmen niet ziet waar de zelve beginnen of eyndigen, men geeft het den naam van een ongemeene behandeling. Zyn ’er daar de beelden op den voorgront als in helderen zonneschyn gedaagt door het agterwerk (dat een donkeren nagt verbeelt) sterk afsteken, men pryst het kragtig schilderen.<br>{{gap}}Zyn ’er daar de beelden misvormt, en wanstallig zyn, men ziet die misslagen over ’t hooft, en pryst het geen ’er fraay in is. Dit is een prysselyke wyze van doen om niet voor een spin geagt te worden; maar als men dan ook in de zelve pryst,<noinclude>{{rechts|’t}}</noinclude> akrr2tauvp273xq9rcpodxssuz85acw Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/98 104 87721 224750 2026-08-14T13:37:43Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224750 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />88</noinclude>anders dan datmense leyden soude (tot haren son)e oriant Maer die coninck helias seyde datsi h(em niet meer) sien en soude, ende hi gasse inden handen van (sinen diena)ren, ende dede daer matabrune setten aen een(en stake ende) dede brengen hout ende stroo om haer te verba(rnen als sy ver)dient hadde. Als matabrune sach datse ster(uen moeste so) overdachtse haer quaet met rouwe ende riep (he)lias ende seyde mijn kint ic bid u ghenade, ic (ken dat ic) die doot wel verdient hebbe, want ic u moede(r valschelyken) verraden hebbe ende seyde dat van haer ware(n comen {{SIC|·vij·|7}} honden, maer si baerde {{SIC|·vij·|7}} kinder ele met e(ne zilveren) ketten aen haren hals, maer bi mijnen va(lschen wille) dedicse versenden om te doden, maer god h(eestse behoet Ooc seyde ic datse had willen vergeven den coninck oriant ende my twelcke sy noyt en dachte hijerom ist wel recht dat ic sterve, ende ick hebt (vore god) verdient, ende ic bidde dat hijt mi wil vergheven (ende d)en doot die ick sterven moet wil keren in ver(gisseniffe van mijnen sonden, ende ic bidde v dat ghijt my (ooc vergheve)n wilt, want ic sterve willichlijc, ende ic vergeve (u mijn doot). Doe seyde helias, Ic vergheeft u als van (mijn deel n)ochtans suldi sterven by iusticien ic byd god dat (hijt u wilt ver)gheven. Doen werdt daer hout ende torven om (matabrun)e<ref>In latere drukken volgt hier: ghestoockt</ref> ende dat vier daer in ghesteken, ende aldus wasse (verbarnt om ha)er misdaet Ende als de iusticie gedaen was is (de coninck weder)ghekeert te lylefort daer hi eerlic ontfangen (wart ende) gas zijnder moeder te kennen datter geschiet was (ende seyd)e, mijn moeder verblijdt u want ghy sijt ghewro(ken van der v)alscher matabrune, die ic heb doen verbarnen (om haer quaet. Doe antwoorde beatris, mijn ghemin(de sone ic da)ncke u seere, ihcsus wil haerder ((iel)en verge(ven Ende na) desen bleven sy bi malcanderen in goeden (peyse daer) as dat volck verblijdt was {{c|(Hoe de sw)aen helias brueder hem verthoonde in dye<br> riuiere voor een scip}} (Als hel)ias de coninck een wile tijts beseten had zijn rijck (van lyl)efort in goeden vrede, so gevielt dat hi uit een (venster sach)<noinclude></noinclude> 3twp3jeg4fjjg69vds8wdk63jid0qv8 Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/99 104 87722 224751 2026-08-14T13:55:35Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224751 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />89</noinclude>vanden palleyse ende hi bek(e)nde d(e)n swaen (sijn brued)er, die noch in zijn menschelijcke forme niet (en w)as omdat zijn ketten ghesmolten was. (ende dese selv)e swaen was int wa(t)er voor een scip dat hi (te lande bra)cht, als te ontbeyden den coninck helias, ende als (helias dit sach) s(e)yde hi in hem selven Dit is een teeken (dat mi god sent om mi te kennen te ghevene dat ic soude) ghaen met desen zwaen dye mi gheleyden (sal in eenigh) landt om eere te vercrigen door den name (ende die wille<ref>Ontbreekt in de latere drukken</ref>) gods. Ende in desen opset ende ingheven vand(en heylighen) gheest so vergaderde hi zijn brueders ende suste(r ende quam) tot zijn vaeder ende moeder, ende seyde {{gedicht|start=stanza|end=follow}} Mijn gheminde eerweerdighe vadere Duechdelijcke moeder ende broeders allega(dere) Lief suster, ende alle mijn vrienden tsamen Tis nootlijc dat is uit goeder adere Minlijc oorlof neme, weest drucs ontladere Bidt god dat hi mi hoede van blamen Want mijn broeder die zwaen naer tgodlijc ra(men) Comt mi halen in een scip dat hi heeft brach(t) Aent landt, daer hi mi sonder beschamen Verbeyt, so ghi sien moecht hoe hy wacht Dus die conincklijcke crone vader hooch geacht Die ghi mi van lijlefort hebt gegheuen Die stellic weder geheelijc in uwer macht Ende in uwen handen vader verheven Ick neem oorlof aen u alien, diet hoort oft si(et) Ter lieften gods reysende daer hijt ghebiet. :Bider bewisinge van mijnen broeder den zw(ane) Ende ter eeren gods pijnic to bestane. Dees reyse, want is mi betrouwe boven mat(en) In god, al heeft hi mijn broeder inder gheda(ne) Vanden zwaen ghelaten, is hoop noch tonts(ane) (Bi cracht zijn)der hulpen troost bi baten (God heeften l)icht in dees ghedachte ghelaten}}<noinclude></noinclude> 1ug4855hy933vcy8v4rh6g7w3c3rl6v Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/338 104 87723 224756 2026-08-14T14:39:33Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224756 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|299}}</noinclude>’t geen men in de Nederlantsche schilderyen veragt, en uitvist, dat is ook zeker niet wel te verdragen.<br>{{gap}}''Daar is geen goud zonder schuim'' zeit de spreuk, ''nog ook geen schildery zoo slecht, of daar is wat in dat men roemen kan''. Dit zyn de twee hantvatzels die de Konst heeft, en ’t scheelt heel veel by welk men de zelve aangrypt.<br>{{gap}}Gelukkig was de Konst in ’t algemeen, en de levende Konstschilders in ’t byzonder, indien hunne werken door onzydige oogen beschout, en zonder agt te geven op namen, volgens hunne waarde wierden geoordeelt; dan zouden vele het hooft noch boven steken, die nu in de veragting begraven, geen vrucht van hunnen arbeyd plukken. Ongelukkige, die onder de verdrukking zuchten, en in al hun levenstyd geen ''Mecenassen'' aantreffen, die hen in spyt der wangunst opbeuren.<br>{{gap}}In de stukken der uitlanders, en de Konstwerken der overledenen, worden de gebreken eerder over ’t hooft gezien, dan in die der levendigen. Dezer werk diende wel volmaakt te wezen, zal ’t voor gangbaar deurgaan; om dat het door bedilzugtigen naau gezift, getoetst, en ter monstering gebragt wort.<br>{{gap}}Zyn ’er onder die in de bruinte wat twyffelagtig zyn, men zeit straks, ’t is om de misslagen te bedekken.<br>{{gap}}Gebeurt het dat zommige hunne werken voor aan sterk en agter bruin maken, straks hoort men zeggen: dat de natuurlyke helderheit daar in niet is waargenomen, en dat het geen Konst is, wit tegen swart te doen afsteeken. En zoo ’er gebreken of fouten in zyn, de zelve worden luider als<noinclude>{{rechts|de}}</noinclude> oftio3f6ov85fl8dnc6uf8o218xoels Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/339 104 87724 224767 2026-08-14T15:15:35Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224767 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|300|''Schouburgh der''|}}</noinclude>de Hanekreet, die Petrus zyn misdryf indagtig maakte, uitgekraait.<br>{{gap}}Gelyk de eene schakel uit de ander volgt, zoo vloeit de eene redenvoering uit de andere, en dus zyn wy wat ter zyden ons doel geweken, welk was om eyndelyk door een staal of twee aan te wyzen, hoe onzeker het is dat al die stukken, die men voor Italiaansche Konst aanpryst, egt zouden wezen: of voor de beste soort van der berugtste meesters Konstwerken moeten aangezien worden.<br>{{gap}}’T is bekent dat de voornaamste Konststukken, waar door de Italianen zoo veel roem in de waerelt hebben behaalt, voor Kerken. Kloosters, en Paleyzen, der magtigste geslachten van Italien geschildert, in vaste handen zyn; gevolglyk dat het voor het meerder gedeelte uitschot is, daar in andere landen Koophandel mee gedreven wort. Ik betwist niet dat ’er nu en dan wel een puik Konststuk of stukken, aldaar opgekocht, ter sluik vervoert, hier te lant komen, waar mee de ware Konstkenners in hunne Konstkabinetten pronken: maar dat die zoo gereed, en in zulken getal te bekomen zyn dat men ’er heele verkoopingen van kan oprechten, als geschiet, geeft genoegzaam agterdocht dat ’er bedrog onder speelt. Overzulks komt het my ook belachelyk voor wanneer de ''Catalogen'' stompen met de naam van ''Rafael d’Urbyn'', even of die stukken zoo makkelyk te bekomen waren als een Boerekermisstuk van ''Droogsloot'', of Bloemstukken van ''Bartholomeus Astyn''.<br>{{gap}}Daar en boven is bekent dat ’er te Rome een verbod is tegen het uitvoeren der beste of vermaardste Konststukken; gelyk ook opzichters tot dien einde gestelt zyn, die recht hebben om de zelve aan te houden voor die waarde als dezel-<noinclude>{{rechts|ve}}</noinclude> ktw18sx9xxybg5s7pwywdq1dpww4rf0 Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/340 104 87725 224768 2026-08-14T15:33:07Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224768 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|301}}</noinclude>ve worden aangegeven: of dien prys waar voor dezelve opgekogt zyn: en dat niet alleen in opzicht van Schilderyen maar ook van teekeningen.<br>{{gap}}Een bewys van myn gezegde is met den Konstschilder...... ''Kloosterman'' voorgevallen in het jaar 1700. Deze had te Rome een groot getal teekeningen opgekogt van de eerste Meesters voor ettelyke honderd ''Schudy''. Maar zy werden door last van Paus Clemens den elfden aangehouden: en een gedeelte daar van op de kamer der ''Academie'', en de Vaticaanse Zalen van ''Rafael'' beschildert ten dienst der Konstoeffening opgehangen.<br>{{gap}}Wat Rafael aanbelangt, de meeste zyner konstwerken in ''Fresko'' geschildert, en die, welke hy op doek of paneelen met Olyverf geschildert heeft, zyn wel in zulke vaste handen dat ’er geen uitbreken aan is; want die ’er bezitters van zyn hebben zoo veel agting voor de zelve, dat verscheiden van ''Rafaels'' konstwerken met een yzer staketsel afgeschut zyn, op dat de zelve door onvoorzigtigheit niet geschonden zouden worden. Zo dat de zelve als heiligdom geschat of geacht zyn. Zelf is ’er binnen Rome, behalve zyn groote werken in ’t ''Vaticaan'', en het hoog altaarstuk in St. Pieter op den Berg, weinig van hem te zien, als een kleen stukje in de slaapkamer van den Paus in ’t ''Vaticaan'', waar aan noch getwyfelt wort of het wel egt is, en of het niet door ''Julio Romano'' naar het groote stuk van ''Rafael'' in St. Pieter (dewyl het van gelyken inhoud is) na gebootst is in ''Rafaels'' leven, en hy zelf daar de laatste hand aan geleent heeft. Dergelyke achterdocht heeftmen ook van de stukken, welke de Kardinaal Barbarini heeft, en die van hem voor egte van Rafael worden gehouden. En zoo is het met die men in andere Paleyzen vint.<noinclude>{{rechts|Nu}}</noinclude> k98e59gxhwwt9uqg777qsdayou00n82 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/85 104 87726 224769 2026-08-14T17:25:06Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| !Brontekst !Vertaling |- |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|'''CHANT III.'''}} {{dhr|1.5em}} <poem> Signour, or est bien tampz que je vous sénéfie Comment Eliénor, la pucelle jolie, S’aparut et monstra, en estraingne partie, A son loïal ami, pour cui fu baptisie ; Et pour cui ot passet haute mer à navie. Elle jut à l’hostel le… 224769 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| !Brontekst !Vertaling |- |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|'''CHANT III.'''}} {{dhr|1.5em}} <poem> Signour, or est bien tampz que je vous sénéfie Comment Eliénor, la pucelle jolie, S’aparut et monstra, en estraingne partie, A son loïal ami, pour cui fu baptisie ; Et pour cui ot passet haute mer à navie. Elle jut à l’hostel le nuit moult courechie ; Mais elle ne dormist, pour tout l’or de Pavie, Ains disoit toute nuit : « douche Vierge-Marie, « Qui portas en tes flans le digne fruit de vie, « Je te prie et requier, douche Vierge saintie, « Que me voelliez garder, que n’aië villonnie ; « Et que femme vivans n’ait jà le signourrie « De mon loyal ami, pour cui sui traveillie. « Hélas ! c’est pour noient ; plainne sui de sotie ! « Esmerez ne cognoist ne moi ne ma lignie : « Certez, se je li di, de lui ère moquie. « Non pourquant, puis que je sui si avant approchie, « Li dirai de Gaufroi toute la félonnie ; « Et comment il vendi son signour, par envie : « Et puis, se il li plaist, si ne me prende mie. « S’espouser ne me voelt, drois est que je li prie « Moy fache avoir le pain, dedens une abéïe : « Si prierai pour lui et main et à nutie. » Puis dist à l’autre mot : « se je sui abaubie « De querre mon pourfit, je serai bien honnie : </poem> |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''ZANG III.'''}}}} {{dhr|1.5em}} <poem> Heren, het is nu de juiste tijd dat ik u te kennen geef Hoe Eliénor, de schone maagd, Verscheen en zich toonde, in een vreemd land, Aan haar trouwe geliefde, voor wie zij gedoopt was; En voor wie zij de hoge zee per schip was overgestoken. Zij lag die nacht in de herberg, zeer bedroefd; Maar zij sliep niet, voor al het goud van Pavia, In plaats daarvan zei ze de hele nacht: « zoete Maagd Maria, Die in uw schoot de waardige vrucht des levens droeg, Ik bid u en smeek u, zoete heilige Maagd, 10 Dat u over mij wilt waken, dat mij geen schande overkomt; En dat geen levende vrouw de heerschappij mag hebben Over mijn trouwe geliefde, voor wie ik deze moeite doe. Helaas! Het is voor niets; ik ben vol dwaasheid! Esmerez kent mij noch mijn familie: Zeker, als ik het hem vertel, zal hij me uitlachen. Niettemin, nu ik zo dichtbij gekomen ben, Zal ik hem al de slechtheid van Gaufroi vertellen; En hoe hij zijn heer uit afgunst heeft verkocht: En daarna, als het hem behaagt, hoeft hij me niet te nemen. 20 Als hij me niet wil trouwen, is het rechtvaardig dat ik hem smeek Mij aan brood te helpen, binnen een abdij: Dan zal ik voor hem bidden, zowel 's ochtends als 's avonds. » Toen zei ze meteen daarna: « als ik te beschroomd ben Om mijn eigen belang na te streven, zal ik diep beschaamd zijn: </poem> |}<noinclude></noinclude> 12qwo1g3w951du7xbfjqbywiufzztut Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/86 104 87727 224770 2026-08-14T17:26:46Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224770 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Car puis c’on s’abaubist on ne vault une aillie ; « Car jà cowars n’ara, à nul jour, belle amie. » Eliénor, la belle, toute la nuit veilla. Droit à l’aube crevant, se vesti et chaussa : De l’hostel est issue et congié demanda. Le drap emporte o lui ; vers le palais s’en va. Li huis sont tout ouvert, mais bien on les garda : Elle entra en le porte, c’on ne li dévéa. Tout droit au maistre mur, à l’entrée de chà, A tendue l’istoire, qu’oï avés piècha ; Si s’est delez assise, dist qu’elle vendera. Quant li jours devint grans et li solaus leva, Le cours moult fu puplée : grans gens s’i assambla. È-vous ·j· chevalier qui au drap s’arresta ? Il pourlisi les lettrez et l’istoire avisa ; Le traïson Gaufroi toute dedens trouva : Regarde le pucelle, qui l’avoit tendu là ; Lors li a dit : « pucelle, d’ont vous vient ce dras là ? » Chelle qui sot Franchois et qui bel le parla : « Sire, l’istoire i est, et quanques il i a. « Li dras fu estorez ou lieu, n’en doubtez jà, « Où li matère avint ; car chiuz qu’ensi l’ouvra « Sot au vray le matère et pour ce le mist là. » Oït le li chevaliers, tous li sans li mua. A ces mos Esmerez du palais s’avala. Voit le li chevaliers, adont li escria : « Esmeret, biau dous sire, pour Dieu entendez cha : « Acatez che drap chi, et si n’en broiés jà, « Tout chou c’on le vous fait ; assez miex vous vaura. « Se vous ne l’acatez, et Gaufrois viègne chà, « Tantost l’acatera tout che qu’on li fera. « Cha, » dist li chevaliers, « sire, n’atendez plus ; « Achatez ce drap-chi, qui est si bien tissus. » « Belle, » dist Esmerez, li damoisiaus crémus, « Que faites-vous che drap, qui chi est pourtendus ? » </poem> |valign=top| <poem> Want als men eenmaal beschroomd is, is men geen knoflookteen waard; Want een lafaard zal nooit, op geen enkele dag, een mooie geliefde hebben. » Eliénor, de schone, waakte de hele nacht. Precies bij het aanbreken van de dageraad kleedde en schoeide zij zich: Zij verliet de herberg en vroeg om verlof. 30 Het kleed neemt zij met zich mee; zij gaat naar het paleis. De deuren staan wijd open, maar ze werden goed bewaakt: Zij ging de poort binnen, wat haar niet werd geweigerd. Recht voor de hoofdmuur, bij de ingang van deze kant, Heeft zij het wandtapijt opgehangen, waarover u zojuist hoorde; En zij ging erbij zitten, en zei dat ze het wilde verkopen. Toen de dag groot werd en de zon opkwam, Werd het hof druk bezocht: veel volk verzamelde zich daar. En zie, was daar niet een ridder die bij het kleed bleef staan? Hij las de letters en bekeek het verhaal; 40 Het verraad van Gaufroi vond hij er helemaal in terug: Hij kijkt naar de maagd, die het daar had opgehangen; Toen zei hij tegen haar: « maagd, vanwaar komt u aan dit kleed? » Zij, die het Frans kende en het mooi sprak, zei: « Heer, het verhaal staat erop, en alles wat erbij hoort. Het kleed werd gemaakt op de plek, twijfel daar niet aan, Waar de gebeurtenis plaatsvond; want degene die het zo maakte Wist de waarheid over de zaak en heeft het daarom daar aangebracht. » De ridder hoorde het, en al zijn bloed kookte. Bij deze woorden kwam Esmerez uit het paleis naar beneden. 50 De ridder ziet hem en riep hem toe: « Esmerez, mooie lieve heer, luister hier om Gods wil naar: Koop dit kleed hier, en aarzel er niet over, Wat men u er ook voor vraagt; het zal u veel beter uitkomen. Als u het niet koopt en Gaufroi komt hierheen, Dan zal hij het meteen kopen, wat men hem ook vraagt. Hierheen, » zei de ridder, « heer, wacht niet langer; Koop dit kleed hier, dat zo prachtig geweven is. » « Schone, » zei Esmerez, de vreesachtige edelman, « Wat vraagt u voor dit kleed, dat hier is uitgestald? » 60 </poem> |}<noinclude></noinclude> 2n1ltvlptcl1qmxz1wh8g2jooflc54c Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/87 104 87728 224771 2026-08-14T17:29:37Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> « Sire, tout vo royaume ; car il vaut tant et plus. » « Par foy, » dist Esmerez, « moult seroit quiers li jus ! « Je croi qu’aucuns deniers m’en sera rabatus ; « Or m’en faites raison : jà ne vous ert tolus. » Lors isnèlement a aucuns des mos léus ; Si dist à le pucelle : « pour les sains de lassus, « Car m’en faitez raison, que j’en sui tous abus. » « Sire, » dist la puchelle, foy que je doy Jhésus, « Vo co… 224771 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Sire, tout vo royaume ; car il vaut tant et plus. » « Par foy, » dist Esmerez, « moult seroit quiers li jus ! « Je croi qu’aucuns deniers m’en sera rabatus ; « Or m’en faites raison : jà ne vous ert tolus. » Lors isnèlement a aucuns des mos léus ; Si dist à le pucelle : « pour les sains de lassus, « Car m’en faitez raison, que j’en sui tous abus. » « Sire, » dist la puchelle, foy que je doy Jhésus, « Vo corpz et vo royaume en arai, et non plus. » « Holà ! » dist Esmerez, « couvrez ; il est vendus. » Esmerez de Nimaye commande au chevalier Le pucelle et le drap fache tost convoïer, Après lui, ou palais, sans point de l’attargier. Il abati le drap, qui moult fist à prisier ; Le pucelle emmena, par le palais plénier, En une riche cambre, qui fu painte à ormier. Esmerez de Nimaye ne s’i volt atergier, En le cambre sa mère envoie un messagier Dire que viègne à lui parler et desraisnier. La Royne faisoit moult bel appareillier Celle qui bien cuidoit Esmeret nochoïer ; Et li messaiges vint, à la dame, nonchier Que ses fiex le mandoit, pour à lui conseillier. Le Royne i ala, que ne le volt laissier : Ses ·iij· fiex a trouvez avoec le chevalier, Et avoec le pucelle, où il n’ot qu’ensingnier. Esmeret voit sa mère devant lui aprochier, Adont encontre li se va agenoullier : Doucement l’onnera li dansiaus, à vis fier ; Car on doit père et mère honnerer et prisier. L’escripture tesmoingne, dont on fait le sautier : Qui deshonneure chiaus que on doit avoir chier, Che est et père et mère, qui leur fait destourbier, Jhésus, li tous poissans, leur envoie encombrier ; S’il ne l’ont en che siècle, si l’ont-il en infer. </poem> |valign=top| <poem> « Heer, uw hele koninkrijk; want het is zoveel en meer waard. » « Mijn trouw, » zei Esmerez, « dat zou een zeer dure prijs zijn! Ik geloof dat er wel wat geld voor mij vanaf zal gaan; Geef me nu een redelijke prijs: het zal u niet worden ontnomen. » Toen las hij snel enkele woorden; En hij zei tegen de maagd: « bij de heiligen hierboven, Geef me een redelijke prijs, want ik ben geheel in de war. » « Heer, » zei de maagd, « bij de trouw die ik verschuldigd ben aan Jezus, Uw lichaam en uw koninkrijk zal ik ervoor hebben, en niets minder. » « Stop! » zei Esmerez, « dek het maar af; het is verkocht. » 70 Esmerez van Nijmegen beveelt de ridder De maagd en het kleed snel te begeleiden, Achter hem aan, naar het paleis, zonder enig uitstel. Hij haalde het kleed naar beneden, dat zeer te prijzen was; Hij nam de maagd mee door het weidse paleis, Naar een rijke kamer, die met zuiver goud beschilderd was. Esmerez van Nijmegen wilde daar niet dralen, Naar de kamer van zijn moeder stuurde hij een boodschapper Om te zeggen dat zij naar hem toe moest komen om te spreken en te overleggen. De koningin liet net prachtige kleding klaarmaken 80 Voor haar die dacht met Esmerez te gaan trouwen; En de boodschapper kwam aan de dame berichten Dat haar zoon haar ontbood om met haar te beraadslagen. De koningin ging erheen, want zij wilde het niet nalaten: Zij trof haar drie zonen aan bij de ridder, En bij de maagd, waar niets op aan te merken viel. Esmerez ziet zijn moeder voor zich verschijnen, Vervolgens gaat hij voor haar op zijn knieën zitten: Zachtjes eerde de edelman haar, met een trots gezicht; Want men moet vader en moeder eren en waarderen. 90 De schrift getuigt ervan, waarvan men het psalter maakt: Wie degenen onteert die men lief moet hebben, Dat zijn vader en moeder, en wie hen verdriet doet, Jezus, de Almachtige, stuurt hen rampspoed; Als ze het niet in deze wereld krijgen, dan wel in de hel.</poem> |}<noinclude></noinclude> l5iie1gre5f0w44xfpemmki21hho43q Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/88 104 87729 224772 2026-08-14T17:46:46Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> On n’acroit riens à Dieu, qu’il ne faille païer. Esmerez de Nimaye sa mère en apella : « Dame, or oïés merveillez, c’on vous monstrera ; « Veschi une puchelle, d’outre-mer par delà, « Qui passée est chà outre ; ·j· drap aportet a : « Merveilleuse aventure en escript il y a. » Dont fu li dras tendus ; et la belle parla : « Or entendez, Royne, et tout chil qui sont chà : « Ne tenez à fantosme tout che c’on v…' 224772 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> On n’acroit riens à Dieu, qu’il ne faille païer. Esmerez de Nimaye sa mère en apella : « Dame, or oïés merveillez, c’on vous monstrera ; « Veschi une puchelle, d’outre-mer par delà, « Qui passée est chà outre ; ·j· drap aportet a : « Merveilleuse aventure en escript il y a. » Dont fu li dras tendus ; et la belle parla : « Or entendez, Royne, et tout chil qui sont chà : « Ne tenez à fantosme tout che c’on vous dira ; « Car c’est aussi vrai que Jhésus s’aumbra « En le Vierge-Marie, où ·ix· mois reposa. « Veschi comment Gaufrois o vo père passa ; « Et veschi l’acordanche, comment il s’acorda « A mon frère, le roy, qui vo père aquata. « Gaufrois, par fausseté, le vendi et livra. « Li poeplez i fu mors que li Roys y mena ; « Une nef d’or querquie Gaufrois en ramena ; « Et vés ichi comment mes frèrez me livra Vo père, en ma prison, où lonc tampz demoura. « Veschi le couvenent ossi qu’il me jura, « Que j’aroie Esmeret ; il le me fiancha. « A toutes ces enseingnes, Rois, à toi me donna : « Quant de toi se parti, bien près de ·viij· ans a, « Au dehors de Nimaye tes pères te baisa ; « Et ·j· riche afique au partir te laissa. « Et je li eus convent, quant toi me présenta, « Qu’autre de toi n’aroie ; aussi n’arai-je jà. « Je te demans le foy que tes pères jura, « Sour saintez évangilez. Ton corpz me fiancha ; « Jà ne l’en quiterai, car bon marquiet i a. « Esmerez de Nimaye, je sui à toi venue : « Estre dois mes maris, je doi estre ta drue. « Or fai, se il te plaist, l’âme ton père ajue ; « Jà ne li pardonrai le foy qu’en ai éue. « J’ai, pour l’amour de toi, grant paine rechéue </poem> |valign=top| <poem> Men leent niets van God, of men moet het terugbetalen. Esmerez van Nijmegen sprak zijn moeder aan: « Dame, hoor nu de wonderen die men u zal tonen; Hier is een maagd van overzee daarginds, Die tot hier is overgestoken; zij heeft een kleed meegebracht: 100 Een wonderlijk avontuur staat erin geschreven. » Toen werd het kleed uitgespreid; en de schone sprak: « Luister nu, koningin, en iedereen die hier is: Beschouw niet als een fabel alles wat men u zal vertellen; Want het is even waar als dat Jezus vlees aannam In de Maagd Maria, waar hij negen maanden rustte. Zie hier hoe Gaufroi met uw vader overstak; En zie hier de overeenkomst, hoe hij akkoord ging Met mijn broer, de koning, die uw vader kocht. Gaufroi heeft hem door valsheid verkocht en uitgeleverd. 110 Het volk dat de koning daarheen leidde, stierf erbij; Een schip vol goud bracht Gaufroi ervan mee terug; En zie hier hoe mijn broer mij uw vader overleverde In mijn gevangenis, waar hij lange tijd verbleef. Zie hier ook de belofte die hij mij zwoer, Dat ik Esmerez zou krijgen; hij heeft het mij beloofd. Met al deze bewijzen, Koning, gaf hij mij aan jou: Toen hij van jou wegging, nu bijna acht jaar geleden, Kuste jouw vader je buiten Nijmegen; En een rijke gesp liet hij je achter bij het vertrek. 120 En ik deed hem de belofte, toen hij jou aan mij voorstelde, Dat ik geen ander dan jij zou hebben; en dat zal ik ook nooit doen. Ik eis van jou de trouw die jouw vader zwoer Op de heilige evangelies. Jouw lichaam heeft hij mij beloofd; Nooit zal ik hem daarvan ontslaan, want het is een goede koop. Esmerez van Nijmegen, ik ben naar jou toe gekomen: Jij moet mijn echtgenoot zijn, ik moet jouw geliefde zijn. Help nu, als het je behaagt, de ziel van je vader; Nooit zal ik hem de trouw vergeven die ik van hem had. Ik heb, omwille van de liefde voor jou, groot lijden ondergaan 130</poem> |}<noinclude></noinclude> qxsougogbobfk30exdknzc5medo979p Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/89 104 87730 224773 2026-08-14T17:48:28Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> « Et en terre et en mer ; mais Diex m’a secourue. « De nul homme de char n’ai esté corrumpue ; « S’autre me poez trouver j’otroië c’on me tue. « Fai que l’âme ton père soit briefment absolue ; « Se tu amas le corpz, d’acquitier t’esvertue « L’âme qui du serpent li fu jadis tolue : « Car li bons Rois meurut, par une beste mue ; « Et Gaufrois le vendi, à le gent mescréue. « S’en raporta l’avoir par cui…' 224773 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Et en terre et en mer ; mais Diex m’a secourue. « De nul homme de char n’ai esté corrumpue ; « S’autre me poez trouver j’otroië c’on me tue. « Fai que l’âme ton père soit briefment absolue ; « Se tu amas le corpz, d’acquitier t’esvertue « L’âme qui du serpent li fu jadis tolue : « Car li bons Rois meurut, par une beste mue ; « Et Gaufrois le vendi, à le gent mescréue. « S’en raporta l’avoir par cui est déchéue « Ta mère, laidement, et chil de ta venue. » Et quant Esmerez a le parole entendue ; La pucelle acola, et prist par le main nue, Et dist : « je vous afi, sour Dieu qui fist la nue ; « Pour l’amour mon père, qui fesistez ajue, « Qui me donna à vous, qui chi estez venue ; « Jammais n’arai moullier, ni amie, né drue, « Fors seulement vo corpz : car par vous est séue « Le traïson Gaufroi, qui sera chier vendue. » Sa mère en apella ; dou parler s’ervertue : « Gardez ceste pucelle, si l’arés bien vestue. « Je vois tuer Gaufroi, d’espée ou de machue ; « Quant mon père tua, drois est que je le tue. » Esmerez de Nimaie ot moult le cuer dolant. Eliénor laissa et sa mère plourant : Avoec le mariée, qu’on aloit aournant, Alèrent les ·ij· dames, signour, dont je vous cant. Et Esmerez s’en va, vers le palais courrant ; Né per, né compaingnon ni atendi noiant, Une espée portoit ; moult ot cruel samblant. Il a trouvé Gaufroi, en son palais luisant ; Entre son grant linage saut Esmerez avant : Tout haut dessus le chief li va ·j· cop esmant. Quant Gaufrois vit le cop, si va le chief clinant ; Et Esmeret le fiert par itel couvenant L’oreille li copa, à l’espée tranchant ; </poem> |valign=top| <poem> Zowel te land als ter zee; maar God heeft mij geholpen. Door geen enkele man van vlees en bloed ben ik geschonden; Als u mij anders bevindt, sta ik toe dat men mij doodt. Zorg dat de ziel van je vader spoedig wordt vrijgesproken; Als je zijn lichaam liefhad, span je dan in om de ziel vrij te kopen Die hem destijds door de slang werd ontnomen: Want de goede koning stierf door een stom dier; En Gaufroi verkocht hem aan het ongelovige volk. Hij bracht het bezit mee terug waardoor uw moeder En degenen van uw nageslacht zo lelijk ten val zijn gebracht. » 140 En toen Esmerez de woorden had gehoord, Omhelsde hij de maagd en nam haar bij haar blote hand, En zei: « ik beloof u, bij God die de wolken maakte; Omwille van de liefde voor mijn vader, die u heeft geholpen, Die mij aan u gaf, u die hierheen bent gekomen; Nooit zal ik een vrouw, noch een vriendin, noch een geliefde hebben, Behalve uw lichaam: want door u is het verraad Van Gaufroi bekend, dat duur betaald zal worden. » Hij riep zijn moeder; hij deed zijn best om te spreken: « Zorg voor deze maagd, en kleed haar goed. 150 Ik ga Gaufroi doden, met het zwaard of met de knots; Omdat hij mijn vader heeft gedood, is het rechtvaardig dat ik hem dood. » Esmerez van Nijmegen had een zeer bedroefd hart. Hij liet Eliénor en zijn moeder huilend achter: Samen met de bruid, die men aan het sieren was, Gingen de twee dames, heren, over wie ik voor u zing. En Esmerez gaat weg, rennend naar het paleis; Op vriend noch metgezel wachtte hij, Hij droeg een zwaard; hij had een zeer grimmige blik. Hij trof Gaufroi aan in zijn glanzende paleis; 160 Te midden van zijn grote familie springt Esmerez naar voren: Hoog boven zijn hoofd heft hij een slag. Toen Gaufroi de slag zag, boog hij zijn hoofd; En Esmerez treft hem met zo'n kracht Dat hij zijn oor afsneed met het scherpe zwaard; </poem> |}<noinclude></noinclude> cpqanoo2uajmc0rz01ejfazflfci3bd Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/90 104 87731 224774 2026-08-14T17:55:10Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Puis refiert l’autre cop, que n’i va arrestant, Les baulèvrez li trenche ; Gaufroi va reversant. Et ses félons linagez en est salis avant : Esmerez fu enclos, et dérière et devant ; Jà l’éussent ochis, par le mien essiant, Ne fuissent si doy frère, qui là vinrent courrant ; Alixandres, li jonez, et l’autre Gloriant. Il ont rescous leur frère, au coraige vaillant ; Li linaiges Gaufroi si va tous rasamblant ;… 224774 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Puis refiert l’autre cop, que n’i va arrestant, Les baulèvrez li trenche ; Gaufroi va reversant. Et ses félons linagez en est salis avant : Esmerez fu enclos, et dérière et devant ; Jà l’éussent ochis, par le mien essiant, Ne fuissent si doy frère, qui là vinrent courrant ; Alixandres, li jonez, et l’autre Gloriant. Il ont rescous leur frère, au coraige vaillant ; Li linaiges Gaufroi si va tous rasamblant ; En le sale pavée i ot estour pesant. Mais pour les dons Gaufroi, dont il avoit fait tant, Furent là reculet, par forche, li enfant ; Et i fuissent ochis, che trouvons-nous lisant, S’il n’éussent laissiet le haut palais luisant. Ou vausissent ou non, pour voir le vous créant, Sont vuidiet de Nimaye li damoisel plaisant. Hoir furent de Nimaye et si n’i ont noiant : Pour ce dient aucun, ensi qu’en ramprosnant, C’on fait bien tant au sien c’on s’en claime mesquant. Or s’en vont li enfant ; n’ozent plus demourer. Li noise fu si grande, c’on n’oïst Dieu tonner. A le royne Roze vint-on dire et conter Que si fil sont vuidiet, qui n’ozent arrester. Adont fist la Royne ·j· vaissiel aprester : La dame de Pontieu i fist premier entrer, Et puis Eliénor, qui tant fist à loer ; La Royne i entra, puis prist à apeller Son gentil maronnier, si li dist haut et cler : « Biaus maistrez, je vous pri que nous voelliez mener « Droitement à Boulongne, car g’i voel arriver. « Jammais en che païs je ne vaurai entrer, « Car le félon Gaufroi je ne porroie amer, « Qui mon signour vendi ; che est certain et cler. « Or me laist Diex tant vivre qu’il le puist comparer ! « Menez-moi à Boulongne ; g’i vaurai demourer </poem> |valign=top| <poem> Toen deelt hij nog een slag uit, zonder te stoppen, Hij snijdt zijn lippen af; Gaufroi valt achterover. En zijn snode familie sprong naar voren: Esmerez werd omsingeld, zowel van achteren als van voren; Zij zouden hem al gedood hebben, naar mijn overtuiging, 170 Ware het niet dat zijn twee broers daar kwamen aanrennen; Alexander, de jonge, en de andere, Gloriant. Zij hebben hun broer met de dappere moed gered; De familie van Gaufroi verzamelt zich geheel; In de geplaveide zaal was er een zware strijd. Maar vanwege de gunsten van Gaufroi, die hij zo overvloedig had gegeven, Werden de jongemannen daar door overmacht teruggedrongen; En zij zouden daar gedood zijn, zo lezen wij, Als zij het hoge glanzende paleis niet hadden verlaten. Of ze nu wilden of niet, ik verzeker u dat het waar is, 180 De sympathieke edellieden hebben Nijmegen verlaten. Zij waren de erfgenamen van Nijmegen en toch hebben ze er niets: Daarom zeggen sommigen, bij wijze van spot, Dat men zoveel aan de zijnen geeft dat men er zelf bekaaid van afkomt. Nu vertrekken de jongemannen; zij durven niet langer te blijven. Het lawaai was zo groot dat men God niet zou horen donderen. Bij koningin Roze kwam men vertellen en berichten Dat haar zonen zijn vertrokken en niet durven te blijven. Toen liet de koningin een schip gereedmaken: De dame van Pontieu liet zij er als eerste in gaan, 190 En daarna Eliénor, die zozeer te prijzen was; De koningin ging erin en begon toen haar Edele zeeman te roepen, en zei hem luid en duidelijk: « Mooie meester, ik bid u dat u ons wilt varen Rechtstreeks naar Boulogne, want daar wil ik aankomen. Nooit meer zal ik dit land willen betreden, Want ik zou de snode Gaufroi niet kunnen liefhebben, Die mijn heer verkocht; dat is zeker en duidelijk. Moge God mij nu lang genoeg laten leven zodat hij ervoor moet boeten! Breng mij naar Boulogne; ik wil daar gaan wonen 200 </poem> |}<noinclude></noinclude> 3syo6w6krt73g99s8tfhyhue1o76ayw Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/91 104 87732 224775 2026-08-14T17:57:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224775 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « O ma consine Ydain, qui le doit gouverner. « Hélas ! c’est grans mesquiez de li mal marier ; « Car mauvais mariagez m’a fait deshériter : « On fait bien tant dou sien c’on n’i a que donner. » Or s’en vont, par le mer, les ·iij· damez gentis, Qui ont les cuerz dolans et tristrez et maris : Eliénor ploroit ; si fait Roze toudis ; La dame de Pontieu s’escriot à haus cris : « Certez miex doi plourer que nulz corpz qui soit vis ! « Car navrés est mes sirez, qu’estre doit mes maris ; « Toute joie ai perdue, tous solas, tous délis. » Et dist Eliénor « Diex ! qu’est-che que tu dis ? « Dame, bien est vos corpz aujourd’ui rasotis ! « A Esmeret n’avez que vaille ·ij· espis ; « Car je l’ai fianchie piècha, en main d’amis. « Pour vous à contrebatre vins en cestui païs ; « Quoi que fuissiez plévie de lui, c’est mes amis : « J’éusse esté la dame quant fust venu as lis. » La dame de Pontieu, quant ces mos a oïs, Fu de coer si dolante tous li taindi li vis ; D’ire et de mautalent li est li sans fuïs ; Près ne li desquira les dras qu’elle ot vestis. Et Rose, la royne, li escrie à haus cris : « Or, dame de Pontieu, ne li faitez despis, « Car elle se dist voir, par Dieu de paradis ; « Sachiés que c’est ma fille, mes filz est ses maris. « Riens n’avez à mon fil, li jeus est revertis ; « En une autre manière il est à droit partis. » Quant la duchoise l’ot, si geta ·j· faus ris ; Puis a dit : « n’i aconte le monte d’un parisis ! « Se j’en ai ·j· perdut, tost en r’arai ·j· quis. « Quant ne set c’un seul trou, perdue est li soris. » Les ·iij· dames commenchent l’un à l’autre à tenchier. El cuer de la duchoise n’i ot que courechier, Il s’en falli petit que ne s’ala noïer. </poem> |valign=top| <poem> Bij mijn nicht Ydain, die het moet besturen. Helaas! Het is een groot ongeluk haar slecht te uwen; Want een slecht huwelijk heeft mij onterfd: Men geeft zoveel aan de zijnen dat men niets meer te geven heeft. » Nu gaan zij over de zee, de drie edele dames, Die hun harten bedroefd, treurig en somber hebben: Eliénor huilde; en dat deed Roze ook voortdurend; De dame van Pontieu schreeuwde met luide stem: « Zeker, ik moet harder huilen dan enig levend wezen! Want mijn heer is gewond, hij die mijn echtgenoot zou zijn; 210 Alle vreugde heb ik verloren, alle troost, alle plezier. » En Eliénor zei: « God! Wat is dat wat u zegt? Dame, uw geest is vandaag wel heel erg verward! Aan Esmerez heeft u nog niet de waarde van twee korenaren; Want ik ben al lange tijd met hem verloofd, ten overstaan van vrienden. Om u te bestrijden ben ik naar dit land gekomen; Hoewel u hem beloofd was, is hij mijn geliefde: Ik zou de echtgenote zijn geweest wanneer het op het huwelijksbed aankwam. » Toen de hertogin deze woorden hoorde, Werd zij zo bedroefd van hart dat haar gezicht helemaal betrok; 220 Van woede en misnoegen trok het bloed uit haar weg; Het scheelde weinig of zij verscheurde de kleren die zij droeg. En Rose, de koningin, riep haar met luide stem toe: « Nu, dame van Pontieu, behandel haar niet met minachting, Want zij spreekt de waarheid, bij de God van het paradijs; Weet dat zij mijn dochter is, mijn zoon is haar echtgenoot. U heeft geen enkel recht op mijn zoon, het spel is gekeerd; Op een andere manier is het rechtvaardig verdeeld. » Toen de hertogin het hoorde, liet zij een valse lach horen; Toen zei ze: « ik geef er nog geen penning om! 230 Als ik er één verloren heb, zal ik er snel weer één zoeken. Wanneer de muis slechts één hol kent, is zij verloren. » De drie dames begonnen met elkaar te ruziën. In het hart van de hertogin was er niets dan woede, Het scheelde weinig of zij had zichzelf verdronken. </poem> |}<noinclude></noinclude> axl3da71w1k39obl70mz8cls7mheh9m Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/92 104 87733 224776 2026-08-14T17:59:04Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Eliénor li dist, pour li contrariier : « Douche dame, pour Dieu voelliez vo doel laissier. « Andeus nous passerons moult bien d’un chevalier ; « L’une l’ara l’estet, et li autre l’ivier. « Je sarai bien acroire ; vous sarez bien païer. » Quant la duchoise l’ot, bien cuide marvoïer ; Pour la belle férir, se va bien tost dréchier. Si com férir le volt, ès-vous le maronnier A haute vois escrie : « laissiez vost… 224776 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Eliénor li dist, pour li contrariier : « Douche dame, pour Dieu voelliez vo doel laissier. « Andeus nous passerons moult bien d’un chevalier ; « L’une l’ara l’estet, et li autre l’ivier. « Je sarai bien acroire ; vous sarez bien païer. » Quant la duchoise l’ot, bien cuide marvoïer ; Pour la belle férir, se va bien tost dréchier. Si com férir le volt, ès-vous le maronnier A haute vois escrie : « laissiez vostre tenchier ! « Ou par le foy que doy au père droiturier, « Se vous ne vous volez bonnement appaisier, « Je vous irai tantost en celle mer noïer. « N’aroie pas fianche que Diex me puist aidier, « Quant femmes se courrouchent : par Dieu c’on doit prisier, « Elles ont ens ès corpz le déable d’enfier ! » Moult mainent male vie les damez ou chalant ; Et le mer se tourmente, ·j· grans vens va levant : En une nuit alèrent, parmi le mer nagant, ·iiij·c liewez d’iauwe, dusqu’à nonne sonnant. Li tampz se rapura ; li solaus va luisant. ·viij· jours furent en mer : orage fist si grant, Et eurent si fort vent, au voloir Diu le grant, Que terre de Surie vont les dames passant ; Ne scèvent où il vont, cascune a cuer dolant. Tant alèrent par mer, au voloir Dieu le grant, Qu’il virent ·j· tour si haute, en son estant, De ·c· liewez et plus le furent perchevant ; Et se cuidoient bien n’i ait c’un desrubant. « E ! Diex, » che a dit Roze, « com j’ai le cuer joïant ! « Car je voi le tour d’ordre de Boulongne, le grant ; « A Boulongne venrons, à miedi sonnant. » Et li maronnierz va celle part adréchant. ·j· jour et une nuit va, par le mer nagant, Enchois car il venissent à le tour reluisant. Bien cuident à Boulongne arriver maintenant : </poem> |valign=top| <poem> Eliénor zei tegen haar, om haar te dwarsbomen: « Zoete dame, laat om Gods wil uw verdriet varen. Wij zullen allebei heel goed toekunnen met één ridder; De één zal hem in de zomer hebben, en de ander in de winter. Ik zal goed op krediet kunnen kopen; u zult goed kunnen betalen. » 240 Toen de hertogin het hoorde, dacht ze werkelijk dat ze gek werd; Om de schone te slaan, richtte zij zich snel op. Net toen zij haar wilde slaan, zie, daar riep de zeeman Met luide stem: « houd op met uw geruzie! Of bij de trouw die ik verschuldigd ben aan de rechtvaardige Vader, Als u niet goedschiks tot bedaren wilt komen, Zal ik u dadelijk in deze zee gaan verdrinken. Ik zou er geen vertrouwen in hebben dat God mij zou helpen, Wanneer vrouwen in woede ontsteken: bij God die men moet eren, Zij hebben in hun lichaam de duivel uit de hel! » 250 Een heel slecht leven leiden de dames op de boot; En de zee wordt onstuimig, een grote wind steekt op: In één nacht voeren zij, over de zee varend, Vierhonderd mijl over het water, tot het luiden van de none. Het weer klaarde op; de zon ging schijnen. Acht dagen waren zij op zee: de storm was zo groot, En zij hadden zo'n sterke wind, naar de wil van de grote God, Dat de dames het land van Syrië voorbijvoeren; Zij weten niet waar zij heen gaan, elk heeft een bedroefd hart. Zij voeren zo lang over zee, naar de wil van de grote God, 260 Dat zij een toren zagen die zo hoog oprees, Dat zij hem al van honderd mijlen afstand en meer opmerkten; En zij dachten werkelijk dat het slechts een steile klip was. « Ach! God, » zei Roze, « wat is mijn hart verheugd! Want ik zie de vuurtoren van het grote Boulogne; In Boulogne zullen we aankomen, als het middaguur slaat. » En de zeeman stuurt het schip die kant op. Een dag en een nacht vaart hij, over de zee varend, Voordat zij bij de glanzende toren aankwamen. Zij dachten werkelijk nu in Boulogne aan te komen: 270 </poem> |}<noinclude></noinclude> bco54j9wb7863ttefsapgsrdw884r1k Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/93 104 87734 224777 2026-08-14T18:00:18Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Mais c’estoit Babilone, qu’il virent apparant, Et le grant tour Babel, qui delez va séant. Au port de Babilone va le nef arrestant. Li roys Salehadins, qui l’aloit gouvernant, Repairoit de juer ; o lui mille Persant. Au port, sus le gravier, vont le nef perchevant ; Celle part esporonne cascuns sen auferrant ; Quant perchurent les damez moult s’en vont mervellant. Si tost qu’Eliénor perchiut le Roy-Soudant,… 224777 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Mais c’estoit Babilone, qu’il virent apparant, Et le grant tour Babel, qui delez va séant. Au port de Babilone va le nef arrestant. Li roys Salehadins, qui l’aloit gouvernant, Repairoit de juer ; o lui mille Persant. Au port, sus le gravier, vont le nef perchevant ; Celle part esporonne cascuns sen auferrant ; Quant perchurent les damez moult s’en vont mervellant. Si tost qu’Eliénor perchiut le Roy-Soudant, A le royne Roze alors dit en plourant : « Dame, je sui honnie, par Dieu le tout poissant ! « Car veschi Babilone, dont li mur sont si grant ; « Mes onclez est li roys qui le va gouvernant : « Si tost qu’il me tenra, je vous jure et créant « Qu’il me fera ardoir, dedens ·j· feu bruant. » La dame de Pontieu se va haut escriant : « Par foy, pute mauvaise, de vous m’irai vengant ! « Je vous racuserai, par me foy, maintenant ; « N’arai garde de mort : je crérai Tervagant, « Si renoierai Dieu et le corpz saint Vinchant, « Ou despit d’Esmeret, qu’ensi me va gabant. » Dont vont li Sarrasins dedens le nef entrant, Les dames amenèrent, par devant le Soudant ; Toutez ·iij· les mena, en son palais luisant. Eliénor, sa nièche, va moult bien ravisant : S’escuser ne se puet, mal li est convenant. Mais il n’est créature, en che siècle vivant, Qui péust une femme approuver, tant ne quant, Qu’afaire éust éut, à son loïal amant ; Et le trouvast-on bien, aveuques li gisant, Plus tost s’escuse femme que vens ne voist ventant. Li rois Salehadins forment s’esmerveilla D’Eliénor, sa nièche, qu’ens ou calant trouva ; Bien avoit oï dire com son frère laissa. La dame de Pontieu le Soudant apella : </poem> |valign=top| <poem> Maar het was Babylon dat zij voor zich zagen, En de grote toren van Babel, die er vlak naast stond. In de haven van Babylon komt het schip tot stilstand. Koning Saladin, die het land bestuurde, Kwam net terug van een pleziertocht; met hem duizend Perzen. Aan de haven, op het grind, merken zij het schip op; Die kant op spoort ieder zijn paard aan; Toen zij de dames opmerkten, waren zij zeer verwonderd. Zodra Eliénor de Sultan-Koning opmerkte, Zei zij huilend tegen koningin Roze: 280 « Dame, ik ben verloren, bij de almachtige God! Want zie hier Babylon, waarvan de muren zo hoog zijn; Mijn oom is de koning die het bestuurt: Zodra hij mij te pakken krijgt, zweer en verzeker ik u Dat hij mij zal laten verbranden in een laaiend vuur. » De dame van Pontieu begon luid te schreeuwen: « Mijn trouw, slechte feeks, op u zal ik me wreken! Ik zal u dadelijk aangeven, bij mijn trouw; Ik ben niet bang voor de dood: ik zal in Tervagant geloven, En ik zal God en de heilige Vincent afzweren, 290 In weerwil van Esmerez, die de spot met mij drijft. » Toen gingen de Saracenen het schip binnen, Zij brachten de dames voor de Sultan; Alle drie bracht hij hen naar zijn glanzende paleis. Eliénor, zijn nicht, herkent hij zeer goed: Zij kan zich niet verontschuldigen, het ziet er slecht voor haar uit. Maar er is geen wezen in deze levende wereld, Dat een vrouw zou kunnen bewijzen, in welke mate dan ook, Dat zij een affaire heeft gehad met haar trouwe minnaar; Zelfs al zou men haar aantreffen, terwijl zij bij hem ligt, 300 Een vrouw verontschuldigt zich sneller dan de wind waait. Koning Saladin verwonderde zich ten zeerste Over Eliénor, zijn nicht, die hij op de boot aantrof; Hij had wel horen vertellen hoe haar broer haar had achtergelaten. De dame van Pontieu sprak de Sultan aan: </poem> |}<noinclude></noinclude> r75p4l5a5oy5r2xxqsosd5gwmas21wl Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/341 104 87735 224778 2026-08-14T18:02:46Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224778 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|302|''Schouburgh der''|}}</noinclude><br>{{gap}}Nu rest ’er noch te zeggen dat voor het gemelde stuk op den Berg, driemaal honderd duizent guldens geboden is, zoo het de Capucynen wilden afstaan, en dat voor het beruchte stuk, de Heilige ''Familie'', (thans nog in ’t Kabinet des Konings van Vrankryk) aan ''Rafael'' zelf door Francois den eersten 5000 Ryksdaalders of de waarde daar van betaalt is. Als mede de St. Jan Babtist, ’t geen den Keurvorst van de Palts tot een hoogen prys is aangerekent. Waar uit de Lezer dan licht besluiten kan dat myn agterdenken gegront is, en gevolgelyk hy zig door geen wysmakery moet laten bedriegen.<br>{{gap}}Tot meerder bekrachtiging van ’t geen ik boven verhaalt heb van ’t geen ''Kloosterman'' wedervoer, is my ook voor waarheit verhaalt: dat het vermaarde Konstkabinet van ''Karel Murat'' voor een groote som gelts van een Engels ''Lord'' gekocht dog verboden wierd uit Rome te vervoeren. Zelf wordt den bezitters der Konstwerken van de beste Meesters, of die voor d’eerste in Konst gehouden worden, niet toegelaten dezelve te verkoopen om vervoert te worden. Dit gebeurde den Prins ''Odeschalki''. Dezen was by erve een derde deel van de Kabinetmeubelen en schilderyen van Koningin Kristina te beurt gevallen. ''Aug. Terwesten'' toen te Rome zynde kreeg orde om de zelve te koopen, en zou met den Prins den koop ook wel eens geworden zyn. Dog de zelve mochten niet vloten. ’T gebeurt egter wel dat ’er een enkel stuk van de beruchtste Meesters, ’t geen elders verborgen hangt steelswyze uitgevoert wort, maar dan word het ook (als het spreekwoord zeit) ''zoo wel gezouten, dat het de Kooper wel altyd kan bewaren''. Gevolgelyk zou het dwaasheit wezen te Ro-<noinclude>{{rechts|me}}</noinclude> nu7furjs3nbx54f175xmo8b8z2nvm8r Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/342 104 87736 224779 2026-08-14T18:12:40Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224779 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|303}}</noinclude><section begin="s1"/>me (daar de braave Konst in grooter waarde is dan hier te Lant) Konst te koopen, om elders uit te venten. <section end="s1"/> <section begin="s2"/>{{gap}}Onder die welke in hun jeugt den Leertyd yverig en naarstig waargenomen hebben, word ook getelt de konstige pourtretschilder {{sc|JAN de BAAN}}, geboren tot Haarlem op den 20 van Sprokkelmaand 1633.<br>{{gap}}Zyn Vader was een koopman in Linnen en Vlas: doch deze, en zyn Vrouw werden door de doodseis afgemaait, als hy pas drie jaren oud was. Van welken tyd af zyn Oom ''Piemans'' Hopman en Veertiger tot Emden (die ook de Schilderkonst oeffende, op de wyze van ''Jan Breugel'' gebynaamt den ''Fluweelen''), hem in zyn huis nam, en onderwees in de beginselen der Konst. Hy maakte ook veel werk van hem, aangezien hy vernuftig was, en zyn handen tot alles wist te zetten, zelfs des Winters avonts tot naayen en breyen, en andere Vrouwelyke bezigheden, daar zyn Moey groot behagen in had, en hem tot haar gezelschap ook liet voor haar lezen in de Boeken van Amadis van Gaulen. Doch hy had altyd meer zucht tot het leven der Schilders te lezen door Kar. van Mander beschreven, waar toe zy hem nooit behoefde aan te manen.<br>{{gap}}In ’t jaar 1645 kwam deze Oom te sterven en werd {{sc|de Baan}} het jaar daar aan volgende, zynde toen 13 jaren oud, tot Amsterdam bestelt om de Konst onder opzicht van den Konstschilder ''Bakker'' voort te leeren, daar hy de gansche dagen, en voort de halve nachten aan zyn huis met vlyt de Konst oeffende, zoo dat zyn opzichtster, daar hy by woonde, dikwerf daar over gromde.<section end="s2"/><noinclude>{{rechts|De}}</noinclude> c4dnjsjw0eio05ryfmvlpdxzbdncu17 De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg 0 87737 224780 2026-08-14T18:14:23Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224780 wikitext text/x-wiki <pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=332 to=342 fromsection=s2 tosection=s1 header=2/> [[Categorie:Schouburg]] 65uzo9e9rn7oyqv3gsrf8o1p145sy4p Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Joachim Wtewael 100 87738 224782 2026-08-14T18:35:47Z Vincent Steenberg 280 begin 224782 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Joachim Wtewael | afbeelding = Joachim Wtewael - Self-portrait - Google Art Project.jpg | alt = Zelfportret, 1601 | beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder, tekenaar, handelaar en bestuurder [[w:nl:Joachim Wtewael|Joachim Wtewael]] }} == Inleidingen - Hand- en leerboeken == == Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen == === Verzamelen === ==== Veilingen ==== === Musea === === Tentoonstellingen === ;1934 *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. **Engelman, Jan (25 augustus 1934) ‘Italianiseerende schilders in Nederland’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;1941 *''Tentoonstelling van schilderijen der Utrechtsche School'', Centraal Museum, Utrecht, 21 juni 1941–1 oktober 1941.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (23 juni 1941) [[Het Volk, Socialistisch Dagblad/Jaargang 4/Nummer 833/Utrechtse schildersschool|‘Utrechtse schildersschool’]], ''Het Volk'' (''Socialistisch Dagblad''), p.&nbsp;5. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]] 0wspgjtq5swelugzo5ffnftggtigbpp Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/343 104 87739 224784 2026-08-14T19:11:54Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224784 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|304|''Schouburgh der''|}}</noinclude><br>{{gap}}De noodwendigheit van zyn tyd vroeg en laat in acht te nemen scheen geen wichtige reden by haar te wezen, om nem zulks niet te beletten, of tegen te spreeken. Dus zocht hy zyn oogmerk door list te bereiken. Wat deed hy? Hy stapelde tafel en stoelen op malkander, en maakte zig een stelling in den Schoorsteen van zyn vertrek, op dat men het licht niet zoude ontwaar worden, wanneer men hem kwam bespieden, en zat daar dikwils zoo lang, en zo laat in den nacht te teekenen, dat hy door de kouw welke door den Schoorsteen kwam, zyn Teekenpen door verkleumtheit niet langer kon voeren. (''Al wat men willig doet'', zeit de spreuk, ''is geen last'') en dus genootzaakt werd om na zyn bed te gaan.<br>{{gap}}Door dezen yver nam hy zoodanig in ’t schilderen en teekenen toe, dat zyn meedeleerlingen hem daar om nydig wierden, en hem allen smaat en hindernis aan deden, besmeerende zomwyl zyn schilderwerk en gereedschappen met drek en vuiligheit, ’t welk hy alles opkropte, zonder daar over aan zyn Leermeester klagtig te vallen, tot dat die eens onverwagt in zyn schilder vertrek kwam, en hem krytende vont, ’t welk hy wel zocht te verbergen, maar gevergt, zyn noot klaagde. Bakker dit ongelyk niet willende dulden, nam die kwaadaardige knapen hevig deur, en bestrafte hen niet wynig, zeggende onder andere, dat zy nydige beesten waren, en geen van hun alle zoo veer in de Konst komen zoude, als die jonge borst reeds was. ''Bern. Vaillant'' de ''Crioneerder'' was een van die knapen. ''Bakker'' nam het stukje van zyn Ezel, bracht het in zyn Kamer en sprak hem een hart in ’t lyf zeggende: ''Gy zyt''<noinclude>{{rechts|''reeds''}}</noinclude> mgk5stnl05omw51ojx3tm4yxfcdzb13 Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/344 104 87740 224785 2026-08-14T19:21:20Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224785 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|305}}</noinclude>''reeds een meester in de Konst, en niemant zal u dat'' (’t was een vrouwe Borstbeeld) ''verbeteren''. Hy hielt het te zyner gedachtenis, en vertoonde het tot een wonder aan alle Konstkenners, die hem kwamen bezoeken, die het zelve, vleezig, rond, en krachtig geschildert, prezen.<br>{{gap}}Na dien tyd nam ''Bakker'' hem mee als hy by gezelschap ging, en verzuimde niet zyn Konst, daar ’t pas gaf, te pryzen, om hem bekent te maken, tot dat hy met zyn 18 Jaar zyn onderwyzer plichtig bedankte, om proef te nemen wat hy uit zig zelf zou konnen verrichten.<br>{{gap}}Nu moest hy zig een wyze van schilderen voorstellen die prysselyk was om zig daar aan te houden. De penceelkonst van ''Ant. van Dyk'' was in groote agting, en die van ''Rembrant'' vond ook veel aanhangers. Op dezen tweesprong stond hy lang te dutten, niet wetende wat weg best in te slaan, doch verkoos de handeling van den eersten als van een duurzamer aart, tot zyn voorwerp.<br>{{gap}}In den jare 1660 werd hy door een Konstlievend Heer van Amsterdam naar den Haag gelokt, die hem eens plots op den kruiwagen van zyn geluk beurde; want hy daar van eersten af zoo veel te doen kreeg onder luiden van den eersten rang als hy af konde maken. Onder deze waren de Graaf van Hoorn, de Prins van ''Tarente'', en anderen, waar door de roem van zyn Konst zig verspreidde tot het nabuurig Engelant; zulks dat Koning Karel hem niet alleen liet ontbieden, maar ook door den ''Lord Killegrey'' met het Konings Zeejagt afhalen, om zyn en de Koningins pourtret te schilderen. By welke gelegentheit hy ook verscheiden anderen aan ’t Hof schilderde, waar door<noinclude>{{RH|{{gap}}{{sc|II. Deel}}.|V|''Pie-''}}</noinclude> 77up8cqjf9l8b3ju4oyva33hqq6607h Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/345 104 87741 224786 2026-08-14T19:27:43Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224786 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|306|''Schouburgh der''|}}</noinclude>''Pieter Lely'' niet weinig floes spon, als het spreekwoort zeit, en bly was als hy hem van achteren zag van daar vertrekken naar s’Gravenhage, daar hy welkom was, en straks gelegentheit vond om de Beeltenis des Hartogs van Cel, nevens eenige schoone Hofdames, te schilderen, daar hy acht dagen over bezig was, en voor zyn Konst met duizent Ongersche Ducaten beschonken werd. Ter zelver tyd schilderde hy ook het pourtret van den Groot Hartog van Toskanen, beschonk ook den Hertog met zyn eigen afbeeltzel, daar de Hartog hem 100 Ducaten voor vereerde, welk borstbeeld nu noch in de Vorstelyke Konstgalery, onder de Beeltenissen der deftigste Konstschilders te zien is. Ook schilderde hy ter zelver tyd de afbeeltzels der Heeren Joan, en Kornelis de Wit, en den Ruwaart in ’t byzonder noch eens levensgroot ten voeten uit in een groot stuk, hebbende ten zetel een opgestapelden hoop Oorlogsgereedschappen, en rustende met zyn eenen arm op den tromp van een swaar geschut. In de bovenlucht van ’t stuk zagmen eenige vliegende Kintjes die zyn heldenhoofd laurierden. Nevens de zelve de snel gewiekte Faam bazuinende zynen lof, en nevens hem ter linker zyde een Vrouwenbeeld en eenige Kindertjes, stortende een overvloetshoorn aan zyne voeten uit. Aan den anderen kant in ’t verschiet vertoonde zig de verovering van ''Chattam'', en de Rivier, neffens het verbranden der Schepen, en Zeekasteelen. Andere Schepen zag men daar de Hollantsche vlag op afwimpelde. Dit stuk konstig en kragtig geschildert, werd geplaatst op het Raathuis te Dordrecht, tot gedenkteeken van die Heldendaat. Maar dit stak den Engelanders te byster in ’t oog,<noinclude>{{rechts|waar-}}</noinclude> 0wkfx1cnbs2obztryatrrvjgo78g9rv Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/346 104 87742 224787 2026-08-14T19:51:54Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224787 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|307}}</noinclude>waarom dit ook daar na onder de Redenen van Oorlog (onder voorgeven dat de Kroon van Engelant smaatheit aangedaan was met de zelve onder den voet van den verwinnaar te plaatzen) als een grieve geplaatst wert. Men zeit ook dat het in den beginne dus wel geschildert was, maar op het eerste gezicht van een Heer weder uitgevaagt wierd. Dog D. Vincentius, die met zyn Dochter getrout is, verklaart my in een Brief geschreven den 2 van Sprokkelmaand 1717, dat zulks nooit geschiet is, en hy ook zulks aan ’t stuk niet heeft konnen ontdekken, ’t zy aan den voet, of in de ''Cornu Copiae'', die van eersten af wel met beeltenissen van Rykdom, maar niets met ’t geen naar Kroon of Septer zweemde, bemaalt was, en by gevolge dit maar een uitstrooizel, en gezogte reden tot Oorlog is geweest. My kwam dit volgende vaars, zinspelende op het bovengemelde Konststuk in de hand, en heb het niet onvoeglyk gedagt hier te plaatzen. {{block center|''Dus komt de Konst de'' {{sc|Wit}} ''te maalen'',<br>{{gap}}''En ’t Brittenlant rontom in Zee'',<br>{{gap}}''De Theems en Chattams kromme ree''.<br>''Zoo breektmen ketenen en paalen''.<br>{{gap}}''Hier raakt de Britze Vloot in brant'',<br>{{gap}}''En ’t geen de vlam ontvlucht aan strant''.}} {{c|Nog een ander.}} {{block center/s}}''Dit is het waare beelt van Deugt en Dapperheit'',<br>''Den Borgerheer, op wiens verstant, en goet beleit''<noinclude>{{block center/e}}{{RH||V 2|''De''}}</noinclude> 7bl6uv35qk68x5m3n91gk87p6poxhf6 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/94 104 87743 224793 2026-08-15T07:01:13Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> « Sire, prendez vo nièche ; bien ait qui l’ardera ! « Elle s’est baptisie, en Franche, par delà. » « Par Mahom ! » dist Soudans, « ses corpz le comperra ! « Je manderai son frère qui le chastiëra. « Et vous, dame gentis, or ne me chélez jà, « Estes-vous mariéez ? » le quelle le dira ? La dame de Pontieu, où tant de biautet a, Dist :« je n’ai nul marit ; mais ceste dame l’a. » « Par Mahom ! » dist Soudans, «…' 224793 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Sire, prendez vo nièche ; bien ait qui l’ardera ! « Elle s’est baptisie, en Franche, par delà. » « Par Mahom ! » dist Soudans, « ses corpz le comperra ! « Je manderai son frère qui le chastiëra. « Et vous, dame gentis, or ne me chélez jà, « Estes-vous mariéez ? » le quelle le dira ? La dame de Pontieu, où tant de biautet a, Dist :« je n’ai nul marit ; mais ceste dame l’a. » « Par Mahom ! » dist Soudans, « bèle dame en vous a ; « Onques si belle dame mes corpz ne regarda ! « Le vostre grant biauté si fort déchéut m’a, « Se croire me volez, vostre honnour croistera « De ·xiiij· royaumez, tant en tien-ge piècha, « Et s’arez Babilone et tout che qu’il i a. » « Honnis soit, » dist la dame, « qui le refusera ! « Et je renoië Dieu, et le pooir qu’il a ; « Et Marie, sa mère, qu’on dist qui le porta ; « Mahom voel aourer, aportez-le-moi chà. » Quant Roze l’entendi, tout li sans li mua ; Se tenist ·j· coutel, elle le tuast jà ; De le hide qu’elle ot mille fois se saina. Ne sai c’on vous disist ? li Soudans commanda Qu’on aportast Mahom ; et celle l’aoura. A le loy Sarrasine li Soudan l’espousa ; La nuit jut o la dame. ·ij· enfans engenra : ·j· fil et une fille, à che qu’on me conta ; Salatie ot à nom ichelle fille là, Li fiex Salehadins, qui cristiens greva. Car che que Godefrois de Buillon acquesta, Et Bauduins ses frèrez, ens ou tamps qui régna, Ichius Salehadins trestout regaingna ; Et tous les cristiens desconfi et mata ; Bauduin de Sebourc en bataille tua, Fiex Roze, la royne, de quoi on vous dira La plus belle matère qu’onques nulz recorda, </poem> |valign=top| <poem>« Inderdaad, » zei de Koning, « ik zou u zeer liefhebben, » « Als u de gewoonte hebt de liefde te bewaren. » « Ja, » zei de Koningin, « op zeer goede wijze. » « Maar wie kwaad in de zin heeft, moge de passie hem treffen. » 310 Gaufroi nam afscheid van de dame met het edele lichaam: Samen met koning Arnoul, en samen met zijn volk, Zette hij koers naar de open zee, in de storm en de wind; En de dame bleef achter, die een bedroefd hart had. Daarna duurde het niet lang, maar al zeer snel, Kwam er binnen Nijmegen, de stad die schittert, Wistace (Eustachius) van Boulogne, met de trotse houding, Neef van de Koningin, haar volle neef. In het paleis te Nijmegen, dat met zilver beschilderd was, Trachtte graaf Wistace binnen, die zoveel verstand had. 320 Zijn nicht trof hij aan, terwijl zij zeer teder weande; Wistace groet haar, en zei luid: « Koningin van Nijmegen, huil nu helemaal niet, » « Om de Koning, uw echtgenoot. Hij handelt wijselijk, » « Hij die overzee trekt, tegen het Saraceense volk, » « Om de waardige dood te wreken van de almachtige God. » « Mijn beide broers zijn daar, die uw familieleden zijn; » « Godfried, Boudewijn, die God moge bewaren voor kwelling: » « In Nicea liet ik hen achter, dat zich aan de zee uitstrekt; » « Veroverd hebben zij het door kracht, op Gods bevel: » « Nu gaan zij naar Antiochië om het werkelijk te belegeren. 330 « Mijn broers groeten u, wel meer dan honderd maal: » « Naar Boulogne ga ik, mijn moeder wacht daar op mij, » « Waar ik zal vertellen, als ik spoedig leef, » « Nieuws van mijn broers, die grote dapperheid bezitten; » « Daarna zal ik zeer snel de zee weer oversteken. » En toen de dame het hoorde, nam zij hem in haar beide armen; Liefdevol omhelsde zij hem, en zei luid: « Neef, wees welkom in dit verblijf; » « Bekijk uw nageslacht, hoe groot het groeit. » Haar vier zonen toont zij hem, in wie grote schoonheid schittert. 340 </poem> |}<noinclude></noinclude> paqlremnq4a7v9balpbl5kucgdpm4h8 224795 224793 2026-08-15T07:14:12Z Havang(nl) 4330 224795 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Sire, prendez vo nièche ; bien ait qui l’ardera ! « Elle s’est baptisie, en Franche, par delà. » « Par Mahom ! » dist Soudans, « ses corpz le comperra ! « Je manderai son frère qui le chastiëra. « Et vous, dame gentis, or ne me chélez jà, « Estes-vous mariéez ? » le quelle le dira ? La dame de Pontieu, où tant de biautet a, Dist :« je n’ai nul marit ; mais ceste dame l’a. » « Par Mahom ! » dist Soudans, « bèle dame en vous a ; « Onques si belle dame mes corpz ne regarda ! « Le vostre grant biauté si fort déchéut m’a, « Se croire me volez, vostre honnour croistera « De ·xiiij· royaumez, tant en tien-ge piècha, « Et s’arez Babilone et tout che qu’il i a. » « Honnis soit, » dist la dame, « qui le refusera ! « Et je renoië Dieu, et le pooir qu’il a ; « Et Marie, sa mère, qu’on dist qui le porta ; « Mahom voel aourer, aportez-le-moi chà. » Quant Roze l’entendi, tout li sans li mua ; Se tenist ·j· coutel, elle le tuast jà ; De le hide qu’elle ot mille fois se saina. Ne sai c’on vous disist ? li Soudans commanda Qu’on aportast Mahom ; et celle l’aoura. A le loy Sarrasine li Soudan l’espousa ; La nuit jut o la dame. ·ij· enfans engenra : ·j· fil et une fille, à che qu’on me conta ; Salatie ot à nom ichelle fille là, Li fiex Salehadins, qui cristiens greva. Car che que Godefrois de Buillon acquesta, Et Bauduins ses frèrez, ens ou tamps qui régna, Ichius Salehadins trestout regaingna ; Et tous les cristiens desconfi et mata ; Bauduin de Sebourc en bataille tua, Fiex Roze, la royne, de quoi on vous dira La plus belle matère qu’onques nulz recorda, </poem> |valign=top| <poem> « Heer, neem uw nicht; gezegend zij degene die haar zal verbranden! Zij heeft zich laten dopen, in Frankrijk, daarginds. » « Bij Mahomed! » zei de Sultan, « haar lichaam zal ervoor boeten! Ik zal haar broer ontbieden, die haar zal straffen. En u, edele dame, verzwijg mij nu niets, 310 Bent u getrouwd? » Wie van hen zal het zeggen? De dame van Pontieu, die zoveel schoonheid bezit, Zei: « ik heb geen echtgenoot; maar deze dame wel. » « Bij Mahomed! » zei de Sultan, « wat bent u een schone dame; Nooit heeft mijn oog zo'n schone dame aanschouwd! Uw grote schoonheid heeft mij zozeer bekoord, Als u mij wilt geloven, zal uw eer toenemen Met veertien koninkrijken, die ik al lange tijd bezit, En u zult Babylon hebben en alles wat erin is. » « Schande over hem, » zei de dame, « die dat weigert! 320 En ik zweer God af, en de macht die Hij heeft; En Maria, zijn moeder, van wie men zegt dat zij Hem droeg; Mahomed wil ik aanbidden, breng hem hier bij mij. » Toen Roze dat hoorde, kookte al haar bloed; Als zij een mes had gehad, zou zij haar dadelijk hebben gedood; Van de ontzetting die zij voelde, sloeg zij duizendmaal een kruis. Wat zal ik u nog meer vertellen? De Sultan beval Dat men Mahomed zou brengen; en zij aanbad hem. Naar de wet der Saracenen trouwde de Sultan haar; Die nacht lag hij bij de dame. Twee kinderen verwekte hij: 330 Een zoon en een dochter, naar wat men mij vertelde; Salatie was de naam van die dochter daar, De zoon van Saladin, die de christenen teisterde. Want datgene wat Godfried van Bouillon had veroverd, En Boudewijn zijn broer, in de tijd dat hij regeerde, Dat heroverde deze Saladin allemaal; En hij versloeg en onderwierp alle christenen; Boudewijn van Sebourc doodde hij in de strijd, De zoon van koningin Roze, over wie men u zal vertellen De mooiste geschiedenis die ooit iemand heeft opgetekend, 340 </poem> |}<noinclude></noinclude> lb4wpzagc2q5y8j5c81ughu3c5yrtza Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/95 104 87744 224794 2026-08-15T07:12:54Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Encore est à Sebourc, que bien tost gerpira. Le matère faut dire ensement qu’elle va. Li roys Salehadins point ne s’i atterga : Par dedens Abilant, Rouge-Lion manda Retrouvée est sa soer, et querre le voist là. Quant li Rouges-Lions le parole escouta, Il en fu moult joïans, car se soer moult ama. D’Abilant est issus, et si s’achemina ; Au lès vers Babilone li riches Roys s’en va. Il a tant esploitiet, qu’en… 224794 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Encore est à Sebourc, que bien tost gerpira. Le matère faut dire ensement qu’elle va. Li roys Salehadins point ne s’i atterga : Par dedens Abilant, Rouge-Lion manda Retrouvée est sa soer, et querre le voist là. Quant li Rouges-Lions le parole escouta, Il en fu moult joïans, car se soer moult ama. D’Abilant est issus, et si s’achemina ; Au lès vers Babilone li riches Roys s’en va. Il a tant esploitiet, qu’en le cité entra, Ou palais est venus où le Soudan trouva. Quant li Soudans le voit, contre lui se drécha : « Biaus niés, bien viengniés-vous au païs par dechà ! « Vo soer est retrouvée, que mes frères gaingna, « Li rois Rouge-Lions, que Godefrois tua. » Lors li fu ammenée, et la belle ploura. « Frère, » dist la pucelle, « entendez à moi cha ; « Je vous prie merchi, pour Mahom qui tout a, « Sé j’ai estet en Franche, ·j· déablez m’i porta. « Frèrez, » dist la pucelle, « voelliés moi escouter : « L’autr’ïer, hors d’Abilant m’en aloië jouer, « Par dedens ·j· vergier, qui moult fait à loer ; « Ensi com je cuidoie au palais retourner, « Vinrent doy noir corbaut mon corpz avironner ; « Tout en l’air me levèrent, et m’alèrent porter « Droitement en enfier, où ne fait mie cler. « Là trouvai le mien père, c’on avoit fait bouter « Dedens une caudière de plonc à couveter ; « Et si vi Brohadas, le jone bacheler. « Mes pères vous salue ; par moi vous fait mander, « Sé vous volez jammais l’âme de lui sauver, « Vengiés l’âme de lui sus la gent d’outre-mer, « Que li déable ont fait de chà mer arriver. « Et quant j’alai mon père le congiet demander, « Li corbaut me levèrent : si m’alèrent porter </poem> |valign=top| <poem>Die nog in Sebourc is, dat hij spoedig zal verlaten. De geschiedenis moet verteld worden zoals zij verloopt. Koning Saladin dralde helemaal niet: Vanuit Abilant ontbood hij de Rode Leeuw Dat zijn zuster was teruggevonden, en dat hij haar daar moest komen halen. Toen de Rode Leeuw de woorden hoorde, Was hij er zeer verheugd over, want hij hield zielsveel van zijn zuster. Uit Abilant is hij vertrokken, en zo ging hij op weg; Richting Babylon gaat de machtige koning. Hij heeft zo voortvarend gehandeld dat hij de stad binnentrok, 350 In het paleis is hij gekomen waar hij de Sultan aantrof. Toen de Sultan hem zag, richtte hij zich tot hem: « Mooie neef, wees welkom in het land aan deze kant! Uw zuster is teruggevonden, die mijn broer had gewonnen, De koning Rode Leeuw, die Godfried heeft gedood. » Toen werd zij binnengebracht, en de schone huilde. « Broer, » zei de maagd, « luister hier naar mij; Ik vraag u om genade, bij Mahomed die alles bezit, Hoewel ik in Frankrijk ben geweest, heeft een duivel mij daarheen gebracht. Broer, » zei de maagd, « wilt u naar mij luisteren: 360 Onlangs ging ik buiten Abilant om mij te vermaken, In een boomgaard, die zeer te prijzen is; Net toen ik dacht naar het paleis terug te keren, Kwamen twee zwarte raven mijn lichaam omringen; Zij tilden mij hoog in de lucht en brachten mij Rechtstreeks naar de hel, waar het helemaal niet licht is. Daar trof ik mijn vader aan, die men had laten werpen In een ketel met lood om hem te bedekken; En ook zag ik Brohadas, de jonge schildknaap. Mijn vader groet u; via mij laat hij u weten, 370 Als u ooit zijn ziel wilt redden, Wreek zijn ziel dan op het volk van overzee, Dat de duivels naar deze kant van de zee hebben gebracht. En toen ik mijn vader om verlof ging vragen, Tilden de raven mij weer op: zij brachten mij </poem> |}<noinclude></noinclude> lupo3oh6ndjxvudunys2tflhwgis4mq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/96 104 87745 224796 2026-08-15T07:16:52Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> « Droitement à Nimaye, me laissièrent ester ; « Et là me trouvai seule, si ne sceus que disner : « J’alai, pour Mahommet, l’aumoisne demander. « Quant cristien me oïrent de Mahommet parler, « A celle dame là m’alèrent présenter : « Elle dist que tantost me feroit embraser, « Se tost ne me fasoie baptisier et lever. « Pour le doubte de mort m’alai crestiéner ; « Mais onques, en ma vie, ne peus lor Dieu amer.… 224796 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Droitement à Nimaye, me laissièrent ester ; « Et là me trouvai seule, si ne sceus que disner : « J’alai, pour Mahommet, l’aumoisne demander. « Quant cristien me oïrent de Mahommet parler, « A celle dame là m’alèrent présenter : « Elle dist que tantost me feroit embraser, « Se tost ne me fasoie baptisier et lever. « Pour le doubte de mort m’alai crestiéner ; « Mais onques, en ma vie, ne peus lor Dieu amer. « Or ai tant esploitiet, dont Mahom doy loer, « Par mon engien ai fait ces dames arriver « Ou païs par dechà, si com poez regarder. « Dit vous ai véritet, sans mensoingne conter, « Je ne sui pas taillie de telz bourdez trouver. » Quant li Rouges-Lions sa soer ot et entent, Il le va acoler, si le baise souvent. « Frère, » che dist la belle, « je vous ai en couvent « Que ceste dame chi est de si haute gent, « Cousine, à Godefroi, germaine proprement ; « Et sé li crestien, par leur efforcement, « Vous avoient assis avironnablement, « Par ceste dame-chi ariés délivrement : « Si le faitez garder bien et songneusement. » Dist li Rouges-Lions : « vous parlez saigement. » Adont li pardonna trestout son mautalent. Ensi set faire femme ; de tours scet plus de cent. Il se fait boin fier en ellez vraiëment, Otrestant que sus glache, qui sor une nuit prent. Li rois Rouge-Lions n’i fist arrestement, Au Soudan prist congiet, et à toute sa gent ; Si emmena sa soer bien et paisiblement, Et Roze, la royne, qui le coer ot dolent : Or li sont eslongiet si fil et si parent ; Et s’a perdut Nimaye et quant qu’il i appent, Et trestout son royaume, si lons com il s’estent. </poem> |valign=top| <poem>Rechtstreeks naar Nijmegen en lieten mij daar achter; En daar bevond ik mij alleen, en ik wist niet wat ik moest eten: Ik ging, omwille van Mahomed, om aalmoezen vragen. Toen de christenen mij over Mahomed hoorden spreken, Gingen zij mij aan die dame daar voorstellen: 380 Zij zei dat zij mij dadelijk zou laten verbranden, Als ik mij niet snel liet dopen en over de doopvont houden. Uit angst voor de dood heb ik mij laten christenen; Maar nooit in mijn leven heb ik hun God kunnen liefhebben. Nu heb ik zo voortvarend gehandeld, waarvoor ik Mahomed moet loven, Door mijn list heb ik deze dames laten aankomen In het land aan deze kant, zoals u kunt zien. Ik heb u de waarheid verteld, zonder leugens te spreken, Ik ben er niet de persoon naar om zulke grappen te verzinnen. » 390 Toen de Rode Leeuw zijn zuster hoorde en begreep, Omhelsde hij haar en kuste haar herhaaldelijk. « Broer, » zei de schone, « ik verzeker u Dat deze dame hier van zeer hoge adel is, Een nicht van Godfried, werkelijk een volle nicht; En als de christenen, met hun krijgsmacht, U van alle kanten zouden belegeren, Zou u door deze dame hier uw bevrijding verkrijgen: Zorg er dus voor dat u haar goed en zorgvuldig bewaakt. » De Rode Leeuw zei: « u spreekt verstandig. » Toen vergaf hij haar al zijn misnoegen. 400 Zo weet een vrouw te handelen; zij kent meer dan honderd listen. Men kan werkelijk net zo goed op haar vertrouwen Als op het ijs dat na één nacht bevriezen ontstaat. De koning Rode Leeuw dralde niet, Van de Sultan nam hij afscheid, en van al zijn volk; En hij nam zijn zuster goed en vreedzaam mee, En koningin Roze, die een bedroefd hart had: Nu zijn haar zonen en haar verwanten ver van haar verwijderd; En zij heeft Nijmegen verloren en alles wat eraan toebehoort, En haar hele koninkrijk, zover als het zich uitstrekt. 410 </poem> |}<noinclude></noinclude> j04wrrtdiatnywg3z6pe7abkgif6ez2 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/97 104 87746 224797 2026-08-15T07:21:48Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Par mauvais mariage sont perdut mainte gent. Par dedens Abilant fu Roze, la royne ; Tost fust morte d’annoy, sé ne fust la mesquine Eliénor, la belle, qui fu de franche orine, Qui li dist : « douche dame, n’aïés nulle quorine ; « Car telz est en prison une longe termine, « Qui puis est à baudour et tient noble saizine, « Et tels i muert, par sainte Cateline, « Qu’apriès sa mort ara de paradis l’estrine. » … 224797 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Par mauvais mariage sont perdut mainte gent. Par dedens Abilant fu Roze, la royne ; Tost fust morte d’annoy, sé ne fust la mesquine Eliénor, la belle, qui fu de franche orine, Qui li dist : « douche dame, n’aïés nulle quorine ; « Car telz est en prison une longe termine, « Qui puis est à baudour et tient noble saizine, « Et tels i muert, par sainte Cateline, « Qu’apriès sa mort ara de paradis l’estrine. » Des damez vous lairai, qu’en terre Sarrasine Furent, au gré de Dieu, dont le cuer se démine. Au fil la dame Rose est drois que je décline, Qui estoit à Sebourc, en le tour marberine, Avoec le chevalier qui l’amoit d’amour fine. En la ville à Sebourc n’i ot belle mesquine Qui de che damoisel n’éust fait sa gésine ; ·xxx· fiex à bastars ot-il en che termine. Li chevaliers l’amoit, pour sa noble couvine : Car il estoit tant biaus, et de telle doctrine, Que dame ne le voit qui à li ne s’acline ; Il n’est cuerz de pucelle qui tous n’en renlumine ; Et s’estoit bien hardis de faire amoureus signe, Et demander à ellez le clef de leur huissine. Tant fu biaus Bauduins, et de gente fachon, Leus que dame le voit désire le baron : Li oel li sont, au chief, plus vair que nul faucon ; S’ot le bouche rians, n’ot barbe né grenon ; ·xij· piés ot de haut, sans lever le talon ; Onques plus biaus de lui ne vesti haubregon, Né ne chaindi espée au sénestre giron. Il estoit gens de corpz, apers qu’esmérillon ; S’ot le nez bel et droit, et fourvelut menton ; Et fu tant gracieus, en sa douche raison, Qu’il ne parlot à dame, puis qu’elle éust baron, Qu’au revenir ne fuist batue en sa maison. </poem> |valign=top| <poem>Door een slecht huwelijk gaan veel mensen verloren. In Abilant verbleef koningin Roze; Zij zou al snel gestorven zijn van verdriet, ware het niet de jonge meid Eliénor, de schone, die van edele afkomst was, Die tegen haar zei: « zoete dame, koester geen wrok; Want menigeen zit een lange tijd in de gevangenis, Die daarna in vreugde leeft en een edel bezit houdt, En sommigen sterven er, bij de heilige Catharina, Die na hun dood het paradijs als geschenk zullen krijgen. » 420 Over de dames zal ik u nu laten, die in het land der Saracenen Waren, naar de wil van God, wiens hart zich bekommert. Naar de zoon van dame Rose is het juist dat ik mij wend, Die in Sebourc was, in de marmeren toren, Samen met de ridder die hem met zuivere liefde liefhad. In de stad Sebourc was er geen schone meid Die van deze edelman niet haar kraambed zou hebben gemaakt; Dertig bastaardzonen had hij in die tijd. De ridder hield van hem, vanwege zijn edele karakter: Want hij was zo mooi, en zo goed opgevoed, 430 Dat geen dame hem ziet of zij buigt zich voor hem neer; Er is geen hart van een maagd dat er niet geheel door opvliegt; En hij was zeer koen in het maken van amoureuze gebaren, En hen te vragen naar de sleutel van hun deurtje. Zo mooi was Boudewijn, en van zo'n edele gestalte, Zodra een dame de baron ziet, verlangt zij naar hem: Zijn ogen in zijn hoofd zijn fonkelender dan die van een valk; En hij had een lachende mond, hij had baard noch snor; Twaalf voet was hij hoog, zonder zijn hielen te lichten; Nooit droeg iemand die mooier was dan hij een malienkolder, 440 Noch gordde hij een zwaard aan zijn linkerzijde. Hij was slank van lichaam, vlug als een sperwer; En hij had een mooie en rechte neus, en een gespleten kin; En hij was zo charmant in zijn zachte taal, Dat hij met geen dame sprak, als zij een echtgenoot had, Opdat zij bij terugkeer in haar huis niet werd geslagen. </poem> |}<noinclude></noinclude> mdczgtb7fw6r1zbyn5myq7dj4f0awjn Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/98 104 87747 224798 2026-08-15T07:22:53Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> A Sebourc fu nouris Bauduins ·xiiij· ans, Et ·iij· qu’il en avoit, quant il i fu entrans. Il estoit loncz et drois, et parcréus, et grans : S’avoit ·xxx· bastars, tous haitiez et vivans, Des fillez as villains et à ches païsans ; A fillez et à mèrez estoit-il habitans. Li sirez de Sebourc, qui moult fu souffisans, Amoit tant Bauduin, pour chou qu’il ert sachans, Ne fust ·ij· piez de terre, sans l’enfant, ch… 224798 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> A Sebourc fu nouris Bauduins ·xiiij· ans, Et ·iij· qu’il en avoit, quant il i fu entrans. Il estoit loncz et drois, et parcréus, et grans : S’avoit ·xxx· bastars, tous haitiez et vivans, Des fillez as villains et à ches païsans ; A fillez et à mèrez estoit-il habitans. Li sirez de Sebourc, qui moult fu souffisans, Amoit tant Bauduin, pour chou qu’il ert sachans, Ne fust ·ij· piez de terre, sans l’enfant, cheminans. Si avint, en che terme dont je vous sui contans, Que droit à Valenchiènez, une ville plaisans, Ot ·j· tournoy criet, de chevaliers vaillans. En Hainnau ot un conte, signour, à ichel tampz ; Flandre tint et Hainnau, s’en faisoit ses commans : Contez Robers ot nom, che nous dist li rommans. Si n’avoit c’une soer, qui moult estoit sachans ; N’ot plus belle de lui né si très avenans, En trestoute la terre, là où est Dieu créans : Ains ne le volt donner ses frèrez, li poissans, A conte ni à duc, tant fuist terre tenans. Fait avoit séremens, li contes souffissans, Jà sa soer n’auroit prinches, tant fuist vaillans, S’il ne tenoit royame qui fuist noble et frans. Tels escondist sa fille cellui qu’il est rouvans, Que puissedi en fait li homs ses remananz. Signour, à Valenchiènez fu li tournois criez. Li quens Robers de Flandre va mandant, à tous lès, Chevaliers de sa terre, à esperons dorés : Li sirez de Sebourc i fu par nom mandez, Car chevaliers estoit moult bien enparentez, Et s’estoit riches homs, fondéëment meublez ; Et s’estoit à Sebourc ses bons chastiaus fremez, Mais il fu puis, par terre, abatus et versés, Onques puis, à nul jour, il ne fu relevés. Par mauvais hoirs déchièent maisons et féraietez. </poem> |valign=top| <poem>In Sebourc werd Boudewijn veertien jaar lang opgevoed, En drie jaar die hij al had toen hij er binnenkwam. Hij was lang en recht, volgroeid en groot: En hij had dertig bastaarden, allemaal gezond en levend, 450 Bij de dochters van de schurken en van die boeren; Bij dochters en moeders was hij kind aan huis. De heer van Sebourc, die zeer vermogend was, Hield zoveel van Boudewijn, omdat hij zo verstandig was, Dat hij geen twee voet aarde verplaatste zonder het kind. Toen gebeurde het, in de tijd waarover ik u vertel, Dat er in Valenciennes, een aangename stad, Een toernooi werd uitgeroepen van dappere ridders. In Henegouwen was er een graaf, heren, in die tijd; Vlaanderen hield hij en Henegouwen, en hij voerde er het bevel: Graaf Robrecht was zijn naam, zo vertelt de roman ons. 460 En hij had slechts één zuster, die zeer verstandig was; Er was geen mooiere dan zij noch zo zeer bevallig, In het hele land waar men in God gelooft: Maar haar machtige broer wilde haar niet weggeven, Aan graaf noch aan hertog, hoe groot hun land ook was. De vermogende graaf had eden gezworen, Dat zijn zuster geen prinsen zou krijgen, hoe dapper ook, Als hij geen koninkrijk bezat dat edel en vrij was. De een weigert zijn dochter aan degene die erom vraagt, Zodat later de man er zijn verblijf van maakt. 470 Heren, in Valenciennes werd het toernooi uitgeroepen. Graaf Robrecht van Vlaanderen ontbood van alle kanten Ridders van zijn land, met gouden sporen: De heer van Sebourc werd er met name ontboden, Want hij was een ridder met zeer goede relaties, En hij was een rijk man, uitstekend voorzien van goederen; En in Sebourc was zijn goede kasteel versterkt, Maar het werd later met de grond gelijkgemaakt en omgeworpen, Nooit meer werd het nadien opgebouwd. Door slechte erfgenamen vervallen huizen en burchten. 480 </poem> |}<noinclude></noinclude> 5r2gq7ilhe0i73y6yiuncqqjva5w6xx Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/99 104 87748 224799 2026-08-15T07:25:46Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224799 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Au jour que li tournois fu devisés et mis, Fu li contes de Flandre de chevaliers garnis. De Hainnau et de Flandre en i ot ·c· et dis ; Mais li tournois adont fu tellement partis, Que chil de Hainnau èrent, à che tournoy, empris Contre otant de Flamens. Ensi fu li fais pris : Qui se courechera, ·ij· ans pert son païs ; Toute sa revenue n’en tenra ·ij· espis. Diex ! que sus le marchiet a-on ches hours bastis, En haut sus les fenestres, de grans mariens mastis, Où les puchellez sont blanchez que flour de lis, Vestiez noblement à capiaus d’or polis, A riches escarbouclez et pendant par avis ; Leur cheveus galonnez, gannez et esclarchis, Pendans sus ches espaulez, delez ces nés traitis, A pièrez et à perles gentement agentis. Tantes bellez pucellez, bien fourréez de gris, Couronnéez d’or fin, les bons capiaus d’or mis, Véissiez as fenestres atendans. Les marchis Qui viènent au tournoy, dessus les Arrabis, Si noblement armet, à tourniclez vestis, Que che sambloient angèle venant de paradis, Regardent ches pucellez, qui ont lez corpz polis. Il n’est si dolans coers qui n’en fuist resjoïs ; Mais telz en convoita, à faire ses délis, Qui pour ·m· mars d’or n’en finast d’un seul ris : Car chose qui est quière est amée tout dis. Moult fu noble le feste, et très bien ordenée. Li tournois fu partis droit à la matinée ; Par dessus le marquié fu faite l’assamblée. Li quens Robers de Flandre a sa seur regardée, Qui estoit aussi blanche que serainne né fée. « Hé ! soer, » che dist li contez, « moult estez belle née ! « Par ma foy, sé je vis, bien serez mariée. » Et li chevalier viènent, sans nulle demourée, </poem> |valign=top| <poem>Op de dag dat het toernooi was gepland en vastgesteld, Was de graaf van Vlaanderen voorzien van ridders. Uit Henegouwen en Vlaanderen waren er honderdtien; Maar het toernooi was destijds zo verdeeld, Dat degenen uit Henegouwen bij dit toernooi partij kozen Tegen evenzoveel Vlamingen. Zo werd de afspraak gemaakt: Wie in woede ontsteekt, verliest voor twee jaar zijn land; Van al zijn inkomsten zal hij nog geen twee korenaren behouden. God! Wat heeft men boven de markt die tribunes gebouwd, Hoog boven de vensters, van grote houten balken, 490 Waar de maagden zitten, witter dan de leliebloem, Edel gekleed met hoeden van gepolijst goud, Met rijke karbonkels die er sierlijk aan hangen; Hun haar gevlochten, blond en glanzend, Hangend over de schouders, langs hun fijne neuzen, Met stenen en parels keurig versierd. Zoveel schone maagden, goed in bont gekleed, Gekroond met zuiver goud, de goede gouden hoeden opgezet, Zou u aan de vensters zien wachten. De markiezen Die naar het toernooi komen, gezeten op hun Arabische paarden, 500 Zo edel gewapend, gekleed in hun tunieken, Dat zij leken op engelen die uit het paradijs kwamen, Kijken naar deze maagden, die slanke lichamen hebben. Er is geen hart zo bedroefd dat er niet door verblijd zou worden; Maar menigeen begeerde hen, om zijn plezier te hebben, Die voor duizend mark goud nog geen enkele glimlach zou verkrijgen: Want iets wat kostbaar is, is altijd geliefd. Zeer edel was het feest, en zeer goed geordend. Het toernooi was verdeeld, precies in de ochtend; Boven de markt werd de strijd aangevangen. 510 Graaf Robrecht van Vlaanderen keek naar zijn zuster, Die even blank was als een zeemeermin of een fee. « Ach! Zuster, » zei de graaf, « wat bent u mooi geboren! Bij mijn trouw, als ik leef, zult u goed getrouwd worden. » En de ridders komen eraan, zonder enig uitstel, </poem> |}<noinclude></noinclude> jjl8wbkpjh5xs6icm7ymwtc1sf1xkxm Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/100 104 87749 224800 2026-08-15T07:26:57Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224800 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Sus le camp s’a cascuns son enseigne ordenée ; Li sires de Sebourc i vint, à teste armée, Bauduins le sievoit, qui le brach ot quarrée : N’avoit plus biaus de lui, jusqu’à le mer Béthée ; Deseure tous les autrez fu se hauture passée ·j· piet tout mesuret, c’est véritez provée. Quant ou marchiet entra, droitement à s’entrée, Sus ·j· hourt regarda : si a Blanche avisée, Soer au conte Robert de Hainnau le contrée, Qui estoit si très belle, vermeille et coulourée, Qu’onques mais si très belle n’ot li bers regardée ; Et s’estoit gentement vestie et aournée. « Pucelle, » dist li enfès, « à bien fuissiez-vous née ! « Je croi que de nous ·ij· porroit faire assamblée, « N’aroit si belle paire jusques en Galilée ; « Mais n’aferroit à vous que me fuissiez donnée, « Car fiex sui d’un villain, qui n’ot vaillant riens née : « Si m’a nourri mes sires, pour Diu, plus d’une année ; « Ensi le me dist-on. J’ai le chière irée ! « Car pas ne sui villains de cuer né de pensée, « Et j’ai bien oï dire, il a mainte journée, « Que nulz homs n’est villains, de maise renommée, « Sé de cuer ne li vient ; c’est véritez prouvée. « Ahi ! noble pucelle, très bien enluminée, « Pour vostre amour ferrai anuit tel cop d’espée, « Dont telz le comperra c’ore n’en sot riens née. » Dont broche le cheval ; si a le coife ostée : A le pucelle fist une douche enclinée. Leus que celle le vit, fu toute enamourée ; De l’amour Bauduin esprise et enflambée. Dist à une pucelle qui estoit à l’entrée : « Qui est chius escuierz ? ne me faitez célée. » « Dame, » dist la pucelle, qui bien fu avisée, « Au signour de Sebourc a servi mainte année, « On dist car il li a sa fille présentée ; </poem> |valign=top| <poem>Op het veld heeft ieder zijn banier opgesteld; De heer van Sebourc kwam eraan, met de helm op het hoofd, Boudewijn volgde hem, die een forse arm had: Er was geen mooiere dan hij, tot aan de zee van Bethée; Boven alle anderen stak zijn lengte uit 520 Met een volle, gemeten voet, dat is een bewezen waarheid. Toen hij de markt betrad, precies bij zijn entree, Keek hij omhoog naar een tribune: daar merkte hij Blanche op, De zuster van graaf Robrecht van het land Henegouwen, Die zo buitengewoon mooi was, blozend en kleurrijk, Dat de held nog nooit zo'n buitengewoon schone had aanschouwd; En zij was keurig gekleed en versierd. « Maagd, » zei het kind, « onder een goed gesternte bent u geboren! Ik geloof dat er van ons tweeën een paar gemaakt zou kunnen worden, Er zou geen zo mooi paar zijn tot in Galilea; 530 Maar het zou u niet passen dat u aan mij werd gegeven, Want ik ben de zoon van een schurk, die niets van waarde bezit: Mijn heer heeft mij uit liefdadigheid meer dan een jaar opgevoed; Zo heeft men het mij verteld. Ik heb een toornig gezicht! Want ik ben geen schurk van hart of van gedachte, En ik heb wel horen zeggen, al sinds menige dag, Dat geen mens een schurk is van slechte reputatie, Als het niet uit zijn hart voortkomt; dat is een bewezen waarheid. O! Edele maagd, zo prachtig verlicht, Omwille van uw liefde zal ik vanavond zo'n zwaardslag uitdelen, 540 Waarvan menigeen de gevolgen zal ondervinden die er nu nog niets van weet. » Toen spoort hij het paard aan; en hij heeft zijn helmkap afgezet: Voor de maagd maakte hij een zachte buiging. Zodra zij hem zag, was zij geheel verliefd; Door de liefde voor Boudewijn gegrepen en in vuur en vlam gezet. Zij zei tegen een meisje dat bij de ingang stond: « Wie is deze schildknaap? Verzwijg het niet voor mij. » « Dame, » zei het meisje, dat goed op de hoogte was, « De heer van Sebourc heeft hij menig jaar gediend, Men zegt dat hij hem zijn dochter heeft aangeboden; 550 </poem> |}<noinclude></noinclude> l0ghj86dgaghvyt1ig243hxl4yg0f50 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/101 104 87750 224801 2026-08-15T07:28:11Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224801 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Je n’en sai plus avant, par le Vierge loée. » « Par ma foy, » che dist Blanche, « che fu douche portée. « Sainte Marie, dame royne courronnée, « Comment pooit en ·j· jour tel jouvente estre née ! » Moult fu bien, Bauduins, de la belle prisiés : « Enfès, » dist la pucelle, « bien estez adréchiez ! « Pléust à Jhésu-Crist, qui fu crucéfiés, « Que ce fuist li acors de mes amis prisiés « Que chius dansiaus me fuist donnés et ottroïés. « Moult seroit belle paire ! Or est-ce grans mesquiés « Que je n’oze coisir, où mes cuerz soit loïés, « Ni amer par amours ; c’est pour mi ·j· grans griés ! « Damoisiaus débonairez, sé le mien coer saviez, « Je croi qu’ens ou tournoy moult hardi vous seriez ; « Car vous estes tant biaus et tant bien adréchiez, « Que vo bouche vermeille et vo sourchis déliez « Valent ·j· autre prinche, à mille mars de fiez. » Ensi fu Bauduins de la belle prisiés. Ensement ·j· biaus homs, bien menbrez, bien tailliez, Trouve, par sa biauté, souvent des boins marquiés, Où ·j· autrez n’est jà apellez né huquiés. Bauduins de Sebourc fu biaus et avenans ; O son signour chavauche li damoisiaus sachans : Ou marquiet s’arresta, qui est et biaus et grans, Et bien enclos autour, de grans mariens poissans. A l’un des lès estoit li estandars luisans ; ·ij· enseignez i ot, ce nous dist li romans, Là où on doit mener les destriés auferrant, Ains c’on les ait conquis, car ensi fu li bans. A gaingnir cheval fu li tournoys vallians. Là sont li chevalier, les prinches atendans ; Et cascuns chevaliers ot ·ij· escuierz frans, Pour aidier qu’au tournoi ne leur soit nul nuisans. Li sirez de Sebourc fu ès baillez entrans ; Et Bauduins le sieut, qui gentis fu et frans. </poem> |valign=top| <poem>« Ik weet er niet meer van, bij de geprezen Maagd. » « Bij mijn geloof, » zei Blanche, « dat was een zachte dracht. « Heilige Maria, gekroonde vrouwe koningin, « Hoe kon op één dag zo'n jeugd geboren worden! » Boudewijn werd zeer gewaardeerd door de schone: « Kind, » zei het meisje, « u bent welgemanierd! « Moge het Jezus Christus behagen, die gekruisigd werd, « Dat dit de instemming van mijn gewaardeerde vrienden was « Dat deze jongeman aan mij werd gegeven en geschonken. « Het zou een heel mooi paar zijn! Nu is het een groot verdriet 560 « Dat ik niet durf te kiezen waar mijn hart aan verbonden is, « Noch liefhebben uit liefde; dat is voor mij een grote last! « Wellevende jonker, als u mijn hart zou kennen, « Ik geloof dat u in het toernooi zeer dapper zou zijn; « Want u bent zo mooi en zo welgemanierd, « Dat uw vuurrode mond en uw fijne wenkbrauwen « Een andere prins waard zijn, met duizend marken aan leen. » Zo werd Boudewijn door de schone gewaardeerd. Zo vindt een mooie man, goed gebouwd, goed gevormd, Door zijn schoonheid vaak goede kansen, 570 Waar een ander nooit geroepen of ontboden wordt. Boudewijn van Sebourc was mooi en beminnelijk; Met zijn heer rijdt de verstandige jonker te paard: Op de markt stopte hij, die mooi en groot is, Welomheind met grote, machtige balken. Aan een van de zijden stond de glanzende standaard; Twee vaandels waren er, zo vertelt ons de roman, Waar men de strijdrossen naartoe moet leiden, Voordat men ze heeft veroverd, want zo luidde het verbod. Om een paard te winnen was het toernooi waardevol. 580 Daar zijn de ridders, de wachtende prinsen; En elke ridder had twee edele schildknapen, Om te helpen zodat er in het toernooi geen hinder zou zijn. De heer van Sebourc betrad de barrières; En Boudewijn volgde hem, die edel en vrij was. </poem> |}<noinclude></noinclude> l9gikgwva93ft58mop25y5y7z5lxtst Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/102 104 87751 224802 2026-08-15T07:31:19Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224802 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant li chevalier virent Bauduin, qui fu grans, ·j· piet sour tous les autres fu de hauteur passans : « Diex ! » dist li ·j· à l’autre, « d’ont vient ·j· telz gaians ? « Li sirez de Sebourc n’est mie non sachans « Qui amaine cestui, pour lui à estre aidans ; « Il ne nous demourra destrierz né auferrans. « Or est chelui plus biaus et li miex chevauchans « C’onques fust en tournoy, onques jour nul entrans. » « Voire, » che dist li autrez, « s’il est aussi vaillans, « Hardis et corageus, aussi entreprendans, « Comme il est grans et lons, postiex et souffissans, « Vers cestui ne valut Olivier né Roelans. « Chertez, s’il n’est hardis, il ne vault pas ·ij· gans, « Fors pour faire jalous et nous et nos enfans : « C’est uns mirois à dames pour estre décevans. » Et Bauduins escoute les mos c’on fu disans ; Si dist : « sainte Marie, qui portas en tes flans « Le digne créatour, qui ès chieulz est manans ; « Diex ! puis qu’il t’a pléut que telz est mes samblans, « Donne-moy forche avoec, sé c’est li tiens commans, « Et eur d’avoir grace ; car c’est ·j· dons moult grans. « Tous li mondes m’esgarde, où que je soie alans ; « Sé je n’ai hardement, et soie entreprendans, « On dira que je suis ·j· drois quétis mescant. « Or m’i vaurai prouver à tous les plus vaillans ! « Sé je ne les assomme, je ne vaus ·ij· besans : « Car j’ai ·ij· poins plus durs que ne soit aïmans. « Or me voel gros porter, et estre roys passans, « Et tenir com gentis, noblez ot sosfissans ; « Car il n’est nulz gentis, s’il n’est à bien pensans : « Car trestout venons d’Eve ; nos pères fu Adans. « Si me vaurrai porter comme roys ou soudans : « Car quiconques s’abaisse, et se tient com mesquans, « Diex né trestous li mons ne le prise ·ij· gans. » Bauduins fu au camp, qui belle ot le jovente ; </poem> |valign=top| <poem>Toen de ridders Boudewijn zagen, die groot was, Een voet boven alle anderen stak hij in de hoogte uit: « God! » zei de een tegen de ander, « vanwaar komt zo'n reus? « De heer van Sebourc is zeker niet onverstandig « Dat hij deze meebrengt om hem bij te staan; 590 « Er zal voor ons geen strijdros of paard overblijven. « Nu is deze de mooiste en de best rijdende « Die ooit in een toernooi is binnengekomen. » « Inderdaad, » zei de ander, « als hij even dapper is, « Koen en moedig, even ondernemend, « Als hij groot en lang is, krachtig en bekwaam, « Was noch Olivier noch Roeland iets tegen hem waard. « Zeker, als hij niet dapper is, is hij geen twee handschoenen waard, « Behalve om ons en onze kinderen jaloers te maken: « Het is een spiegel voor dames om misleidend te zijn. » 600 En Boudewijn luistert naar de woorden die men sprak; En zei: « Heilige Maria, die in uw schoot droeg « De waardige Schepper, die in de hemelen woont; « God! aangezien het u behaagd heeft dat dit mijn uiterlijk is, « Geef mij er kracht bij, als dat uw bevel is, « En het geluk om gunst te verwerven; want dat is een grote gave. « Iedereen kijkt naar mij, waar ik ook ga; « Als ik geen moed heb en niet ondernemend ben, « Zal men zeggen dat ik een echte, ellendige stakker ben. « Nu zal ik mij willen bewijzen tegenover alle dappersten! 610 « Als ik hen niet neersla, ben ik geen twee bezanten waard: « Want ik heb twee vuisten die harder zijn dan diamant. « Nu wil ik mij trots gedragen, en een voortreffelijk koning zijn, « En mij gedragen als een edele, nobele en bekwame man; « Want niemand is edel als hij niet het goede denkt: « Want we stammen allemaal af van Eva; onze vader was Adam. « Dus zal ik mij willen gedragen als een koning of sultan: « Want wie zichzelf verlaagt en zich als een stakker gedraagt, « Wordt door God noch de hele wereld voor twee handschoenen gewaardeerd. » Boudewijn was op het veld, gezegend met een schone jeugd;620 </poem> |}<noinclude></noinclude> ab4es7fjx96rfnrhsxty3y9tbiv9r0s Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/103 104 87752 224803 2026-08-15T07:33:04Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224803 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et Blanche fu au hourt, qui moult métoit s’entente A regarder l’enfant, qui le manière ot gente. « E ! Diex, » dist la pucelle, « com bonne amour me tente ! « Tout pour che damoisel me siet li coerz si ente, « Que je vauroie o lui estre, de liewez trente, « Tant qu’éusse des biens d’amours éut le rente. « Chertez de lui amer sui si bien en le sente, « Que je vaurroie bien, par le Vierge exellente, « Que n’éusse, en che mont, né parent né parente « Qui n’éust aujourd’ui le volenté présente « Qu’aveuques Bauduin usasse me jouvente. « Sé nous n’aviems vaillant c’une foeille de mente, « Si seriems plus riche que telz a terre et rente ; « Car plaisanche est ·j· biens ! qui l’a pas ne vit ente : « Car qui aroit tout l’or qui est jusqu’en Tarente, « Sé plaisanche n’avoit, qui les coers ratalente, « Ne vauroit ses avoirs une vièse potente. « Mais sé cestui avoie, pour cui je m’espoënte, « J’aroie otant c’uns roys ; et plus, à mon entente. » ·j· escuïer apelle, fil d’une dame gente ; En l’oreille li dist : « c’est drois qu’à moy t’assente ; « Vois-tu tout le plus bel qu’onques passaist sus sente, « Bauduin de Sebourc, qui trop m’a ratalente ? « Va-le-moy saluer, et n’i fai nulle atente ; « Et che capel d’or fin, qui miex vaut que de mente, « Li donne de par mi, amis, sans faire avente. » « Dame, » dist li escuierz, « vous vous métés à vente ; « Car femme s’abandonne qui riens donne et présente. » Li escuïers s’empart ; s’emporte le capel. De l’ostel est issus, sus ·j· petit grisel ; Es baillez est entrez, où il ot maint dansel, S’a véut Bauduin, le noble damoisel, A lui s’est aparus : jà sara dou nouvel, Dont il ara au coer grant joie et grant rivel. Li escuïerz l’apelle, qui le coer ot loïel ; </poem> |valign=top| <poem>En Blanche was op de tribune, die al haar aandacht richtte Op het kijken naar de jongeman, wiens manieren zo elegant waren. « Ach! God, » zei het meisje, « wat een goede liefde verleidt mij! « Geheel voor deze jonker is mijn hart zo geraakt, « Dat ik wel dertig mijlen met hem mee zou willen gaan, « Om zo het loon van de goederen der liefde te ontvangen. « Zeker, om hem lief te hebben ben ik zo op de goede weg, « Dat ik wel zou willen, bij de uitmuntende Maagd, « Dat ik in deze wereld familie noch verwanten had 630 « Die niet vandaag de wens zouden hebben « Dat ik met Boudewijn mijn jeugd zou doorbrengen. « Al hadden we slechts de waarde van een muntblad, « Dan zouden we rijker zijn dan wie land en rente heeft; « Want behagen is een goed bezit! wie het heeft, leeft niet in verdriet: « Want wie al het goud zou hebben dat tot in Tarente is, « Als hij geen behagen had, dat de harten troost, « Zou zijn bezit nog geen oude kruk waard zijn. « Maar als ik deze had, om wie ik beef, « Zou ik evenveel hebben als een koning; en meer, naar mijn mening. » 640 Ze roept een schildknaap, zoon van een edele dame; In zijn oor zei ze: « het is juist dat je mij gehoorzaamt; « Zie je de allermooiste die ooit op een pad liep, « Boudewijn van Sebourc, die mij zo behaagt? « Ga hem namens mij groeten en aarzel niet; « En deze hoed van fijn goud, die meer waard is dan munt, « Geef die aan hem namens mij, vriend, zonder er ruchtbaarheid aan te geven. » « Dame, » zei de schildknaap, « u biedt uzelf te koop aan; « Want een vrouw geeft zichzelf bloot die zomaar iets geeft en schenkt. » De schildknaap vertrekt; hij neemt de hoed mee. 650 Uit het herberg is hij gegaan, op een klein grijs paard; In de barrières is hij binnengekomen, waar menig jonker was, En hij zag Boudewijn, de nobele jonker, Aan hem is hij verschenen: weldra zal hij het nieuws horen, Waarom hij in zijn hart grote vreugde en groot jolijt zal hebben De schildknaap roept hem, die een trouw hart had; </poem> |}<noinclude></noinclude> 3799zu6s5y9522t689k9auovdvqlo7p Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/104 104 87753 224804 2026-08-15T07:39:12Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224804 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Des autres l’eslonga, si va vers un estel ; Puis li dist : « Bauduin, par le corpz saint Danel, « Bien vous devez amer que avez, sans rapel, « L’amour de le plus noble c’onques vestist mantel. « Regardez, en che hourt, le gent corpz et le bel, « La plus belle qui soit en ville n’en castel ; « Et le plus gentil dame, estrait de sanc royel, « Qui soit en tout le mont, jusqu’à le tour Abel : « Che est le soer au conte, c’est Blanche au cuer loïel. « De par moi vous salue la dame au corpz isnel ; « De par moi vous envoie de fin or ce capiel. » Lors le bailla briement ès mains dou jovenchel. Ne vausist mie avoir d’or fin ·j· plain batel ; Adont regarda Blanche, dréchant le haterel, Douchement l’enclina, par dessus le morel ; Puis a dit coiement : « dame, par saint Martel, « Sé croire me voliés, enchois le quarêmel, « Je vous aprenderoie jouer de men fuisel. » Moult fu lies Bauduins, en sa condition. Quant il vit l’escuïer qui li donna tel don, N’en vausist pas tenir tout l’avoir Salemon ; Le pucelle enclina ·x· fois en un randon : Celle moult gentement li drécha le menton. « Hé ! Diex, » dist Bauduins, « qui souffris passion, « Sé jammais en ma vie, n’en me régnation, « N’avoie plus d’onneur, s’en ai-je à grant foison. « Que porrai-je donner chel escuïer de non, « Qui chi m’a anonchiet si souffissant raison ? « Je n’ai argent sour moi, né keuvre, né laton ; « Affique, né joïel, qui vaille ·j· seul bouton ! » Adonques s’avisa d’une noble fachon ; Bien parut qu’il venoit de haute estracion : Car li enfès avoit ·j· cheval bel et bon, Que ses sirez avoit, droit à l’Ascention, Aquatès ·c· florins, bien près de Besenchon ; </poem> |valign=top| <poem>Van de anderen verwijderde hij hem, en ging naar een plek; Toen zei hij tegen hem: « Boudewijn, bij het heilige lichaam van Daniël, « U moet uzelf wel liefhebben, want u hebt, zonder herroeping, « De liefde van de nobelste die ooit een mantel droeg. 660 « Kijk, op die tribune, naar het gracieuze en schone lichaam, « De mooiste die er is in stad of kasteel; « En de meest edele dame, gesproten uit koninklijk bloed, « Die er is in de hele wereld, tot aan de toren van Abel: « Dat is de zuster van de graaf, het is Blanche met het trouwe hart. « Namens mij groet u de dame met het vlugge lichaam; « Namens mij stuurt zij u deze hoed van fijn goud. » Toen overhandigde hij hem snel in de handen van de jongeling. Hij had er geen boot vol fijn goud voor willen hebben; Toen keek hij naar Blanche, zijn hoofd oprichtend, Boog hij teder voor haar, vanboven op zijn paard;670 Toen zei hij stilletjes: « dame, bij de heilige Martialis, « Als u mij zou willen geloven, nog voor de vastentijd, « Zou ik u leren spelen met mijn spoel. » Boudewijn was zeer verheugd in zijn gemoed. Toen hij de schildknaap zag die hem zo'n geschenk gaf, Had hij niet alle bezittingen van Salomo willen hebben; Voor het meisje boog hij wel tien keer achter elkaar: Zij richtte heel teder haar kin op. « Ach! God, » zei Boudewijn, « die het lijden onderging, « Als ik nooit meer in mijn leven, of in mijn land,680 « Meer eer zou hebben, dan heb ik er nu in grote overvloed. « Wat kan ik deze schildknaap wel niet geven, « Die mij zo'n voortreffelijke boodschap heeft gebracht? « Ik heb geen geld bij me, noch koper, noch messing; « Geen gesp, noch juweel dat één enkele knoop waard is! » Toen bedacht hij een nobele daad; Het bleek wel dat hij van hoge afkomst was: Want de jongeling had een mooi en goed paard, Dat zijn heer, precies met Hemelvaart, Had gekocht voor 100 florijnen, vlakbij Besançon;690 </poem> |}<noinclude></noinclude> tevq23letlcytoz18qlbeymvxdmx3t5 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/105 104 87754 224805 2026-08-15T07:43:37Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224805 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Biaus estoit li destrierz, millour ne véist-on. Li escuierz avoit ·j· bien povre Gascon ; Lors li dist Bauduins : « descendez ou sablon. » Et chius ne savoit mie pour coi dist tel raison : A terre descendi, à sa division ; Et Bauduins sali droitement en l’archon, Et li bailla le sien ou il vausist ou non. Hélas ! pour coi le fist ! car, par cette occoison, Sé perchiut bien li contes, qui Robers ot à non, Dou bel capel d’or fin toute l’establison, Et le présentement, et le devision ; Mais pour bien l’avoit fait li enfès de renon. On fait à le fois bien, qu’il n’en vient sé maus non. Il avient à le fois, chius fais est bien scéus, Que telz fait un grant bien que maus s’en est rendus. Sainte escripture approuve, qu’ains biens ne fu perdus, Ni aumoisne ensement ; car adès scet Jhésus Le pensée des bons et les loïaus argus. Or dirai vous dou conte qui s’est aperchéus Dou capel de fin or qui ot estet rendus Et donnez à l’enfant, qui puis fu tant crémus. Voit l’escuïer partir, leus qu’il en fu venus : Li contes le sievi, que n’i atendi plus, L’escuïer rataindi, qui dut entrer en l’ius, Adonques le hucha, n’i est arrestéus ; Et chieus se retourna, qui tant fu esperdus. Li contes ne li dist biaus parlerz né salus. « Comment ! maistrez, » dist-il, « pour les sains de là sus, « Estes-vous de nouvel cruratierz devenus ? « Or me ditez pour coi, traïtres malostrus, « Donnastez le capel ; né par cui est venus. « Sé tu ne me dis voir, tantost seras pendus ! » Quant li escuïerz ot le conte ensi parler, Devant li s’agenoulle ; le cheval laist aler. « Sire, » fait-il, « merchi, pour Dieu qui fist la mer ! </poem> |valign=top| <poem>Mooi was het strijdros, een betere zag men niet. De schildknaap had een heel armzalig Gascons paard; Toen zei Boudewijn tegen hem: « stijg af op het zand. » En deze wist helemaal niet waarom hij dat zei: Ter aarde steeg hij af, naar zijn bevel; En Boudewijn sprong rechtstreeks in de stijgbeugel, En gaf hem het zijne, of hij nu wilde of niet. Helaas! waarom deed hij het! want door deze aanleiding Bemerkte de graaf, die Robert heette, Helemaal de toedracht van de mooie hoed van fijn goud,700 En de schenking, en de overdracht; Maar de geëerde jongeling had het met goede bedoelingen gedaan. Men doet soms goeds, waaruit slechts kwaad voortkomt. Het gebeurt soms, dit feit is welbekend, Dat iemand iets goeds doet waar kwaad voor wordt teruggegeven. De Heilige Schrift bevestigt dat zo'n goed nooit verloren gaat, Noch de aalmoes evenzo; want Jezus weet immers De gedachten van de goeden en de trouwe bedoelingen. Nu zal ik u vertellen over de graaf die het bemerkte Van de hoed van fijn goud die was overhandigd710 En gegeven aan het kind, dat later zo gevreesd werd. Hij ziet de schildknaap vertrekken zodra hij gekomen was: De graaf volgde hem, hij wachtte niet langer, Hij haalde de schildknaap in, die een deur wilde binnengaan, Toen riep hij hem, hij hield niet in; En deze draaide zich om, die zo ontdaan was. De graaf sprak hem niet toe met mooie woorden of groeten. « Hoezo! meester, » zei hij, « bij de heiligen daarboven, « Bent u sinds kort een koppelaar geworden? « Vertel mij nu waarom, snode verrader,720 « U de hoed hebt gegeven; en door wie hij is gekomen. « Als je me de waarheid niet vertelt, word je terstond opgehangen! » Toen de schildknaap de graaf zo hoorde spreken, Knielde hij voor hem neer; hij liet het paard gaan. « Heer, » zei hij, « genade, voor God die de zee schiep! </poem> |}<noinclude></noinclude> roef2tz8c5868xvcmh5i5c69iamaxj0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/106 104 87755 224806 2026-08-15T07:47:37Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224806 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Chertez je dirai voir, sans mensoingne trouver : « Vo soer m’a envoïet che capel présenter « A cellui Bauduin, che jone bacheler ; « Vostre soer l’ayme tant, qu’elle ne puet durer. « Sé garde n’i prendez, bien vous poés vanter « Que bien vous en porrez véoir deshonnerer. » Quant li contes l’oï, coulour prist à muer. Lors dit à l’escuïer : « or le voelliés céler. « Che que fait en avés vous vaurai pardonner, « Né jà mal n’en arés, tant que puisse durer. » Et dist li escuïerz : « bien le voel créanter, « Sire, le vostre honnour vaurai toudis garder. » « Or tost, » ce dist li quens, « pense du cheminer, « Va-t-ent, à ma serour, les nouvèlez porter ; « Je m’en vois au tournoy, il est tamps d’assambler. » Lors s’emparti li contez, plus ne volt demourrer, Venus est au marquié, qu’il avoit fait fremer ; Le tournoy fist partir, et les conrois sevrer. O les Flamens se tint, pour eulz à conforter ; Et li Hénuïer vont leur hyames fremer ; Et chil hiraut commenchent hautement à crier : « Lachiés apertement, alez grans copz fraper ! « Si essauchiez amours à ces chevaus mener ! « Amours à l’amoreus ! noblèche au bacheler ! » Ensi se resbaudissent cil hiraut à crier, Car c’est leur drois mestiers de largement bourder. Li tournoys commencha, à chascune partie : Qui véist chevalier démener gaië vie, Fraper sus chez hayamez, et férir par maistrie ; Et l’un l’autre enbrachier, si com par félonnie, Pour getter contre terre ; ne se faingnoiënt mie. Li sirez de Sebourc, qui moult ot singnourie, S’embati au tournoy tous seus, sans compaingnie ; Car Bauduins estoit à une autre partie. Es-vous ·ij· chevaliers, de moult grande lignie, </poem> |valign=top| <poem>« Zeker, ik zal de waarheid vertellen, zonder leugens te verzinnen: « Uw zuster heeft mij gestuurd om deze hoed aan te bieden « Aan die Boudewijn, die jonge schildknaap; « Uw zuster heeft hem zo lief dat zij het niet kan uithouden. « Als u er geen acht op slaat, kunt u zich er wel op beroemen730 « Dat u zich daardoor zeker zult zien onteren. » Toen de graaf dit hoorde, veranderde hij van kleur. Toen zei hij tegen de schildknaap: « verzwijg het nu. « Wat u gedaan hebt, zal ik u willen vergeven, « En nooit zult u er kwaad door ondervinden, zolang ik leef. » En de schildknaap zei: « ik wil het zeker beloven, « Heer, uw eer zal ik altijd willen bewaken. » « Nu snel, » zei de graaf, « denk aan de weg, « Ga heen, om aan mijn zuster het nieuws te brengen; « Ik ga naar het toernooi, het is tijd om te verzamelen. »740 Toen vertrok de graaf, hij wilde niet langer blijven, Hij kwam op de markt, die hij had laten afsluiten; Hij liet het toernooi beginnen en de linies scheiden. Bij de Vlamingen hield hij zich om hen aan te moedigen; En de Henegouwers gaan hun helmen vastmaken; En de herauten beginnen luid te roepen: « Sla onbevreesd toe, ga grote klappen uitdelen! « Verhef zo de liefde door deze paarden te mennen! « Liefde aan de minnaar! Adel aan de schildknaap! » Zo moedigden de herauten aan door te roepen,750 Want het is hun ware ambacht om rijkelijk te pochen. Het toernooi begon aan weerszijden: Wie had ridders een vrolijk leven moeten zien leiden, Slaand op die helmen, en rammelend met meesterschap; En elkaar omhelzen, als uit vijandschap, Om tegen de grond te werpen; ze hielden zich niet in. De heer van Sebourc, die veel heerschappij had, Stortte zich alleen in het toernooi, zonder gezelschap; Want Boudewijn was in een ander deel. Zie daar twee ridders van zeer hoog geslacht,760 </poem> |}<noinclude></noinclude> j8h6nx3a57r9k3b0gswpcmss7sui8ei Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/107 104 87756 224807 2026-08-15T07:50:32Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224807 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Au signeur de Sebourc ont leur voie aqueillie, Car d’avoir son cheval avoient grant envie : L’uns le prist par le brach où forment l’essonnie Et li autres le fiert à l’espée fourbie ; Et il se deffendoit comme homs de bonne vie, Mais toute sa défense n’i valut une alie. Sus l’archon de le sèle fu sa char si ploïe Que l’estrier dégerpi, s’a le sèle vuidie ; Il n’ot plus de concoers que, par se grant maistrie, Acolast son cheval, c’on ne l’emmenast mie ; Et on le fiert ès bras et li chevaliers crie. Et Bauduins i vint qui sa vois a oïe. Quant il vit son signeur ensi, ne li plot mie : Il broche le cheval, des esperons l’aigrie ; Tantost l’avoit conquis, si com l’istoire crie. A son signeur s’en vint, qu’ensément on cuivrie, Voit les ·ij· chevaliers dont cascuns l’enssonnie ; Entre iaux ·ij· se bouta par si grande esramie Qu’il a fait en ·j· mont flastrir le compaignie. Et prist lez ·ij· chevaus, s’a se voie aqueillie : Vers l’estandart s’en va, qu’il ne s’esmaie mie, Personne ne trouvast qui l’en tolsist demie ; A l’enseingne est venus, s’a le proie gaingnie. Forment en fu prisiés de la grant baronnie ; Et chil hiraut qui ont le proèche coisie Crioient hautement : « fleur de chevalerie ! « Sebourc au damoisiel ! avoir doit belle amie ! » Li sirez de Sebourc Jhésu-Crist en gracie ; N’en vausist pas tenir une grant manandie. Quant il vit Bauduin de si faite arramie : « Enfes, » che dist li bers, « Jhésus te bénéie ! « Chertez, bien te retrais à ton anchisserie ; « Plus gentil de toy n’a en ceste compaignie. « Quant je ne le te di, pékiet fai et folie : « Mais jà ne le saras, tant que t’aras plévie </poem> |valign=top| <poem>Op de heer van Sebourc hebben zij hun weg gericht, Want om zijn paard te hebben hadden zij grote zin: De een greep hem bij de arm waar hij hem hevig bedroeg En de ander treft hem met het blanke zwaard; En hij verdedigde zich als een man van goeden huize, But al zijn verdediging was nog geen knoflookteen waard. Op de achterboog van het zadel was zijn lichaam zo gebogen 770 Dat hij de stijgbeugel verloor en het zadel verliet; Hij had geen andere hulp dan dat hij, door zijn grote meesterschap, Zijn paard omhelsde, zodat men het niet zou meenemen;770 En men treft hem op de armen en de ridder schreeuwt. En Boudewijn kwam daarheen, die zijn stem had gehoord. Toen hij zijn heer zo zag, beviel het hem geenszins: Hij spoort het paard aan, hitst het op met de sporen; Al gauw had hij het veroverd, zoals het verhaal roept. Naar zijn heer kwam hij toe, die eveneens in het nauw zat, Ziet de twee ridders van wie elk hem bestookte; Tussen hen beiden wierp hij zich met zo'n grote onstuimigheid Dat hij in één hoop de compagnie deed neervallen. En hij nam de twee paarden, en vervolgde zijn weg: Naar de standaard gaat hij, hij vreest niets,780 Niemand zou hij vinden die hem de helft ervan zou afnemen; Bij het vaandel is hij gekomen, en hij heeft de buit gewonnen. Hevig werd hij geprezen door de grote baronnen; En de herauten die de dapperheid hadden opgemerkt Riepen luidkeels: « bloem van de ridderlijkheid! « Sebourc aan de jonker! Hij moet een schone liefste hebben! » De heer van Sebourc dankt Jezus Christus; Hij had geen groot landgoed willen bezitten in ruil hiervoor. Toen hij Boudewijn met zo'n onstuimigheid zag:790 « Kind, » zei de edele heer, « Jezus zegene u! « Zeker, u lijkt sprekend op uw voorvaderen; « Een edelere dan u is er niet in dit gezelschap. « Als ik het u niet zeg, bega ik een zonde en een dwaasheid: « Maar nooit zult u het weten, totdat u verloofd bent met </poem> |}<noinclude></noinclude> 2o1sp3rlvzkqqz3k5o4id5is6ysv1r8 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/108 104 87757 224808 2026-08-15T07:53:57Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224808 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Ma fille, le plaisans, qu’on appelle Marie. » Et Blanche le puchelle a bien l’oevre coisie ; Si a dit : « mère Dieu, je te lo et gracie « Que j’ai donnet m’amour et mon corpz et ma vie « Au plus bel damoisel qui soit en Picardie, « Voire de chà le mer, né jusqu’en Romenie ; « Et s’est as armez preus et plains de vaillandie. « Bien doi estre joïans que je serai s’amie ! « Lasse ! s’il me tenoit toute nue embrachie, « Tantost m’aroit gari de ma grant maladie. » Bauduins fu prisiez de cascun qui le voit, Dont li contes Robers si très dolant estoit Bien le vosist adont avoir tuet tout froit, Pour l’amour de sa soer, car forment s’en doubtoit. Li tournois fu moult fors : Bauduins s’i prouvoit ; Encor ne fu que nonne que ·xx· chevaus avoit Menés à l’estandart, de coi sires estoit. N’i avoit chevalier que si n’el resoingnoit Que la voie li laisse dès-si lons qu’il le voit. Il abat et reverse tous cheulz qu’il encontroit. Dient li chevalier : « nous faisons povre esploit, Qui laissons che déable tournoïer chi endroit. Aveuques les déablez d’enfer tournoïer doit ! S’il est chi longement, nous n’arons palefroit Qui tout ne soient sien, car il les nous tauroit. Et li contes de Flandre, qui ses hommes ooit, A ·iiij· chevaliers maintenant en venoit ; « Signour, » che dist Robers, « faisons ·j· bon esploit : « Alons à che déable pour lui mettre à destroit. « Si l’alons assalir et si fort et si roit « Qu’à terre l’abatons ; et s’abatus estoit, « Sé li ·ij· de vous ·iiij· li lanchoit d’un espoit, « Je vous ai en couvent mes corpz li pardonroit. « Li sirez de Sebourc parler n’en oseroit ; « S’il em parloit ·j· mot, si chier l’aquateroit </poem> |valign=top| <poem>« Mijn dochter, de beminnelijke, die men Marie noemt. » En Blanche het meisje heeft de daad goed opgemerkt; En zij zei: « Moeder Gods, ik loof en dank u « Dat ik mijn liefde en mijn lichaam en mijn leven heb gegeven « Aan de mooiste jonker die er is in Picardië,800 « Ja, aan deze kant van de zee, tot in Roemenië; « En hij is dapper met de wapens en vol moed. « Ik mag wel verheugd zijn dat ik zijn liefste zal zijn! « Helaas! als hij mij geheel naakt omhelsd hield, « Zou hij mij terstond genezen van mijn grote kwaal. » Boudewijn werd geprezen door iedereen die hem zag, Waarover graaf Robert zeer bedroefd was; Hij had hem toen wel dood en koud willen hebben, Vanwege de liefde van zijn zuster, want hij vreesde hem hevig. Het toernooi was zeer zwaar: Boudewijn bewees zich daarin;810 Het was nog geen middag of hij had al twintig paarden Naar de standaard geleid, waarvan hij de meester was. Er was geen ridder die hem niet zo ontzag Dat hij hem de weg vrijliet zodra hij hem zag. Hij slaat neer en werpt omver iedereen die hij tegenkwam. De ridders zeiden: « wij presteren maar pover, Dat wij deze duivel hier zo laten toernooien. Met de duivels van de hel zou hij moeten toernooien! Als hij hier lang blijft, zullen we geen rijpaard overhouden Dat niet het zijne zal zijn, want hij zou ze ons allemaal afnemen. »820 En de graaf van Vlaanderen, die zijn mannen hoorde, Kwam nu met vier ridders aanzetten; « Heren, » zei Robert, « laten we een goede daad verrichten: « Laten we naar die duivel gaan om hem in het nauw te drijven. « Laten we hem aanvallen, zo hard en zo onbuigzaam « Dat we hem tegen de grond slaan; en als hij neergehaald is, « Als twee van u vieren hem met een spies doorboren, « Beloof ik u dat mijn persoon het hem zal vergeven. « De heer van Sebourc zou er niet over durven spreken; « Als hij er één woord over sprak, zou hij het zo duur bekopen 830 </poem> |}<noinclude></noinclude> beqkuckccuoz3r7mon6xsfnfkvazyej Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/109 104 87758 224809 2026-08-15T07:58:56Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224809 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Sa terre li tauroie, jammais n’en joïroit, « Ses castiaus de Sebourc abatus en seroit. » Et chil, quant l’ont oï, cascuns s’i acordoit. A Bauduin s’en vont : garde ne s’en donnoit, Quant li ·v· l’assalirent. Li contez le frapoit ; Li doy sont à cheval, sour coi li bers estoit ; Et li autre doy furent pour faire mieudre esploit. Sus le col de l’enfant cascuns l’essonnioit : Et quand Bauduins vit l’envie qui estoit Tournée dessus lui, point ne s’esbaïssoit ; Du chapel li souvint, car on li présentoit De par le plus très belle qui à che tamps vivoit. Amours de ses vertus si fort le pourvéoit, Qu’il li estoit avis, se ·c· en i avoit, Maugré leur dens devant, bien leur escaperoit. Ch’est grant chose d’amours, qui ensement pourvoit Les siens de noble estat, et tient en noble endroit ! Puis que loyaus coers ayme, en quel lieu que che soit, Il est si bien armés, et de si bel arroit, Qu’il ne doubte gelée, pluève, né caut, né froit. Bauduins de Sebourc, li damoisiaus sachans, Fu dedens le tournoy, isniaus et remuans ; Et li contes de Flandre, qui tant fu souffissans, Lui ·v·e l’assaut ; moult estoit convoitans Que li enfès chéist, qui moult estoit vaillans : Il le fièrent et frapent, cascuns le fu nuisans. Aillours estoit ses sirez, au tournoy tournoïans. Li enfès se deffent, li besoins en fu grans ; S’amours ne li aidast, mal li fu couvenans, Mais amours le soustint, à coi il fu pensans : Il voit Blanche, s’amie, qui fu ossi luisans Que penne de paon, né nulz oisiaus volans ; Lors fu plus embrasés que ne soit fust ardans. D’aquerre los et pris estoit si convoitans Que miex ayme à morir, qu’il soit honnour perdans. </poem> |valign=top| <poem>« Zijn land zou ik hem afnemen, nooit zou hij er meer van genieten, « Zijn kastelen van Sebourc zouden worden afgebroken. » En zij, toen ze het hoorden, stemde elk ermee in. Naar Boudewijn gaan zij: hij was niet op zijn hoede, Toen de vijf hem aanvielen. De graaf trof hem; Twee zijn te paard, waarop de edelman zat; En de andere twee waren er om een betere daad te verrichten. Op de hals van het kind bestookte elk hem; En toen Boudewijn de vijandigheid zag die was Tegen hem gekeerd, raakte hij helemaal niet in verwarring;840 Aan de hoed dacht hij, want die was hem geschonken Namens de allermooiste die in die tijd leefde. De liefde voorzag hem zo sterk van haar deugden, Dat het hem toescheen, al waren er honderd, Dat hij, ondanks hun tanden, wel aan hen zou ontsnappen. Het is een groot ding, de liefde, die aldus voorziet De haren van een adellijke staat, en hen op een nobele plaats houdt! Zodra een trouw hart liefheeft, waar dat ook moge zijn, Is het zo goed gewapend, en in zo'n mooie uitrusting, Dat het vorst, regen, noch hitte, noch koude vreest.850 Boudewijn van Sebourc, de verstandige jonker, Was in het toernooi, vlug en beweeglijk; En de graaf van Vlaanderen, die zo machtig was, Viel hem als vijfde aan; hij was zeer begerig Dat het kind zou vallen, dat zeer dapper was: Zij treffen en slaan hem, elk was hem tot last. Elders was zijn heer, strijdend in het toernooi. Het kind verdedigt zich, de nood was groot; Als de liefde hem niet had geholpen, was het slecht met hem afgelopen, Maar de liefde ondersteunde hem, waaraan hij dacht: 860 Hij ziet Blanche, zijn liefste, die even glanzend was Als de veer van een pauw, of welke vogel dan ook; Toen was hij meer in brand gestoken dan brandend hout. Om lof en prijs te verwerven was hij zo begerig Dat hij liever sterft dan dat hij zijn eer verliest. </poem> |}<noinclude></noinclude> 0emrimwr19dyk5aeyds1y7rmzrwpjrd Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/110 104 87759 224810 2026-08-15T08:03:15Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224810 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Li contes des Flamens fu li bers aherdans ; A une main le boute li damoisiaus plaisans ; Si fort bouta le conte, jà n’en soïez doubtans, Que du cheval l’abat, qui tost s’en fu fuïans : A tel meschief chéi, ce nous di li rommans, Que par bouche et par nés li dégoutoit li sans. Entre ·ij· chevaliers se bouta li gaïans : Des archons lez leva, li prinches souffissans, Sus le conte les geta, puis prist les auferrans ; Parmi les autres ·ij· s’en fu si fort courrans, Que les bras leur rompi, si les abat sanglans. Tous ·v· les mist à terre. Che fist Diex, li poissans, Qui bien le poot faire, voire plus mille tamps : Car qui Diex voelt aidier, nulz ne li est nuisans. A l’estandart emmaine les ·ij· destrierz courrans ; Et li contes de Flandre gist à terre dolans. Bauduin maudissoit, quant il estoit si grans : Si jura Dame-Dieu, qui ès chielz est manans, Que jammais en tournoy ne sera tournoïans, Là où Bauduins soit, né maistres, né sergans. Reporter l’en convint, par costez et par flans. Li quens fu reportez, en sa sale pavée ; Laissir fist le tournoy, près fu de la vesprée, Mais li honnours en est Bauduin demourée. Du champ est issus hors ; après lui grant huée De hiraus qui crioient, à moult haute allenée : « A che noble escuïer, fil de noble espousée, « Li plus hardis qui puist férir de bonne espée ! « Fleur de chevalerie est en son corpz prouvée ! « Amour de noble dame où estez-vous alée ? « Regardez le meillour, de chà le mer salée ! « Dure seroit l’amour, sé dame li dévée ! « Ch’est li miroirs as dames ! c’est li douche rousée ! « Ch’est hautèche et honnour ! proèche esvigourée ! « Hardemens sans paour ! de plaisanche l’entrée ! </poem> |valign=top| <poem>De graaf van de Vlamingen was de edelman die hem vastgreep; Met één hand duwt de beminnelijke jonker hem weg; Zo hard duwde hij de graaf, twijfel er niet aan, Dat hij hem van het paard slaat, dat er snel vandoor ging: Met zo'n letsel viel hij, zo vertelt ons de roman, Dat door mond en neus het bloed hem druppelde. Tussen twee ridders wierp de reus zich: Van de zadels tilde hij hen op, de machtige prins, Op de graaf wierp hij hen, toen nam hij de strijdrossen; Tussen de andere twee door rende hij zo hard weg, 880 Dat hij hun armen brak, en hen zo bloedend neerhaalde. Alle vijf legde hij hen op de grond. Dat deed God, de Almachtige, Die het wel kon doen, ja wel duizend keer meer: Want wie God wil helpen, niemand is hem tot last. Naar de standaard brengt hij de twee rennende strijdrossen; En de graaf van Vlaanderen ligt bedroefd op de grond. Boudewijn vervloekte hij, omdat hij zo groot was: En hij zwoer bij de Here God, die in de hemelen woont, Dat hij nooit meer in een toernooi zal strijden, Daar waar Boudewijn is, noch als meester, noch als knecht. 890 Men moest hem wegdragen, aan zijn lendenen en zijden. De graaf werd teruggebracht naar zijn geplaveide zaal; Men liet het toernooi ophouden, het was dicht bij de avond, Maar de eer ervan is aan Boudewijn gebleven. Uit het veld is hij gegaan; achter hem een groot gejuich Van herauten die riepen, met luide adem: « Aan deze nobele schildknaap, zoon van een nobele echtgenote, « De dapperste die met een goed zwaard kan slaan! « Bloem van de ridderlijkheid is in zijn lichaam bewezen! « Liefde van een nobele dame, waar bent u gebleven? 900 « Kijk naar de beste, aan deze kant van de zoute zee! « Hard zou de liefde zijn als een dame hem die weigerde! « Dit is de spiegel voor de dames! Dit is de zachte dauw! « Dit is hoogheid en eer! Versterkte dapperheid! « Moed zonder vrees! De toegang tot het behagen! </poem> |}<noinclude></noinclude> 18hcujo0uy4x53tefzjt9wt1h9uj7oj Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/111 104 87760 224811 2026-08-15T08:07:35Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224811 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Cambre de souffissanche ! palais de renommée ! « Hoirs de toute poissanche ! amoureuse pensée ! « Le dame qui seroit de tel homme acolée, « En devroit.... tous jours estre bien gros portée ! » Blanche entent le raison, moult très bien li agrée ; Moult volentiers païast as hiraus leur journée. Bonne volenté doit pour oevre estre contée. Onques princes ne fu, je croi, miex convoïés, Tant eut revenuez, né terrez, né grans fiés, Comme fu Bauduins, qui bien estoit tailliés ; Regarde le puchelle, pour cui estoit si liés, N’i oze faire singnes, si s’en est eslongiez : « E ! amie, » dist-il, « hé ! car ne m’oubliez ! « Coi que je soie povres, et mal enlinagiez, « S’ai-je vaillant en moy, sé de vrai le saviez, « ·j· loyal coer d’ami, en loyauté fiquiez. « Chertez c’est tous mes moebles ; de plus ne sui aisiés. « Onques je ne vesti fors que garnemenz viez ; « Quant mes sires les laisse, je m’en sui cointoïez. « Povreté fait souvent faire mauvais markiez. » Droit à son hostel est Bauduins retournés ; Et li contes de Flandre ne si est arrestez, ·x· chevaliers apelle dont il fu moult privés : « Signours, » ce dist Robers, li contes naturez, « Vous en irés à Gant, et me soer emmenrés ; « Je voel que elle i soit, car je me suis doubtez « Par aucuns messagiers.... ore plus n’en sarez. « Faites ce que je di, et tantost en alés. » Et chil ont respondut : « si com vous commandés. » Dessus ·j· noble car, qui bien fu atelés, Et de dras de fin or moult bien acouvetez, Fu mise la pucelle et des autres assés. Au lez devers Tournay ès-les acheminés : Li coers de la pucelle estoit si tourmentez, Qu’ains dame ne fu si, ès jours de ses aés. </poem> |valign=top| <poem>« Kamer van bekwaamheid! Paleis van faam! « Erfgenaam van alle macht! Amoureuze gedachte! « De dame die door zo'n man omhelsd zou worden, « Zou er.... altijd welgezind onder moeten zijn! » Blanche hoort de woorden, het behaagt haar zeer; Heel graag had zij de herauten hun dagloon betaald. Een goede wil moet voor de daad worden gerekend. Nooit werd een prins, geloof ik, beter begeleid, Al had hij nog zo veel inkomsten, landen of grote lenen, Als Boudewijn, die goed gebouwd was;910 Hij kijkt naar het meisje, om wie hij zo blij was, Hij durft daar geen tekens te geven, en is dus verdergegaan: « Ach! liefste, » zei hij, « ach! vergeet mij toch niet! « Hoewel ik arm ben en van lage komaf, « Heb ik toch iets waardevols in mij, als u het werkelijk wist, « Een trouw hart van een minnaar, verankerd in loyaliteit. « Zeker, dat is al mijn bezit; meer heb ik niet. « Nooit droeg ik iets anders dan oude kleding; « Wanneer mijn heer ze achterlaat, heb ik mij ermee getooid. « Armoede doet vaak slechte zaken doen. »920 Recht naar zijn herberg is Boudewijn teruggekeerd; En de graaf van Vlaanderen hield niet in, Tien ridders roept hij met wie hij zeer vertrouwelijk was: « Heren, » zei Robert, de geboren graaf, « U zult naar Gent gaan, en mijn zuster meenemen; « Ik wil dat zij daar is, want ik vrees « Door sommige boodschappers.... nu zult u er niet meer van weten. « Doe wat ik zeg, en ga er terstond vandoor. » En zij antwoordden: « zoals u beveelt. » Op een nobele kar, die goed ingespannen was,930 En met doeken van fijn goud zeer goed bedekt, Werd het meisje gezet en vele anderen met haar. Aan de kant naar Doornik toe zijn zij op weg gegaan: Het hart van het meisje was zo gekweld, Als nooit een dame zo was in de dagen van haar leven. </poem> |}<noinclude></noinclude> 5sh1gc5zjjxtj61tks21dficdnby73q Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/112 104 87761 224812 2026-08-15T08:11:34Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224812 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Hélas ! » dist la pucelle, « or est-ce grant pitez « Quant eslongier me faut, outre mes volentez, « Cellui que j’aimme miex, par Diu qui fu pénés, « Que ne faiche tous cheulz de che siècle mortelz ! « Hé ! Bauduins, amis ! qui nous a accusez ? « Ch’a fait li escuïers, par cui vous fu portés « Li miens capiaus d’or fin, au tournoy présentez ; « Mais pendre l’en ferai, ains c’uns ans soit passez. « Ahi ! fel mesdisant, toudis nuisit avés « Les loyaux amoureus, où que vous les savez ; « Ch’est dammaiges, par Dieu, qu’avés bouche, né nés. « Pis valent mesdisant que li venins assez ! ». Or s’eslonge li corpz et li coers est remés. Dolante fu au coer, la pucelle jolie : Sé Bauduins scéust c’on l’éust eslongie, Au devant li venist, fust ou sens ou folie ; Car amours a fait faire mainte plus grant sotie. Li contes des Flamens, et qui Haynau maistrie, S’est avisés adont d’une grant derveri : Car à guise de femme a-il sa char vestie ; L’abit se soer a pris, qui point ne se détrie. Li escuïerz messagez, par cui sot l’amourrie, L’aide à apareillier, en la cambre jolie ; N’ot fenestre nulle qui ne soit vérouillie. Li contez l’apella, et dist à vois serie : « Amis, alez-vous-ent, et si n’arrestez mie, « A l’hostel Bauduin, qui si très bien tournie ; « Et li ditez que Blanche par vous li mande et prie « Qu’à li viengne parler, en sa chambre voltie ; « Et que pour nulle riens, il ne le laisse mie « Ne viengne à mi parler, car estre voel s’amie. « Ens ou lieu de ma soer sui chi appareillie. « Or le voel esprouver sé chière aroit hardie, « De faire encontre moi si grande villonnie, « Qu’il ozast à ma soer mener sa druérie. </poem> |valign=top| <poem> « Helaas! » zei het meisje, « nu is het een groot medelijden « Dat ik verwijderd moet worden, tegen mijn wil, « Van degene die ik het meeste liefheb, bij God die het lijden droeg, « Meer dan alle anderen van deze sterfelijke eeuw! « Ach! Boudewijn, vriend! wie heeft ons verraden?940 « Dat heeft de schildknaap gedaan, door wie u werd gebracht « Mijn hoed van fijn goud, op het toernooi aangeboden; « Maar ophangen zal ik hem laten, nog voor er een jaar voorbij is. « Ach! boosaardige lasteraar, altijd hebt u schade berokkend « Aan de trouwe geliefden, waar u hen ook weet; « Het is een zonde, bij God, dat u een mond of neus hebt. « Erger zijn lasteraars dan welk gif dan ook! ». Nu verwijdert zich het lichaam en het hart is gebleven. Bedroefd in haar hart was het vrolijke meisje: Als Boudewijn had geweten dat men haar had weggevoerd,950 Zou hij haar tegemoet zijn gekomen, in wijsheid of in waanzin; Want liefde heeft menige grotere dwaasheid doen begaan. De graaf van de Vlamingen, die ook over Henegouwen heerst, Bedacht toen een grote list: 960 Want op de wijze van een vrouw heeft hij zijn lichaam gekleed; Het gewaad van zijn zuster heeft hij genomen, zonder aarzelen. De schildknaap-boodschapper, door wie hij van de liefde wist, Helpt hem zich te kleden, in de mooie kamer; Er was geen enkel venster dat niet was vergrendeld. De graaf riep hem, en zei met zachte stem:960 « Vriend, ga heen, en aarzel niet, « Naar de herberg van Boudewijn, die zo uitmuntend strijdt; « En zeg hem dat Blanche hem via jou ontbiedt en vraagt « Dat hij met haar komt spreken, in haar gewelfde kamer; « En dat hij om geen enkele reden nalaat « Om met mij te komen spreken, want ik wil zijn liefste zijn. « In de plaats van mijn zuster ben ik hier gekleed. « Nu wil ik hem beproeven of hij een stoutmoedig hart heeft, « Om tegenover mij zo'n grote schanddaad te begaan, « Dat hij het zou durven om met mijn zuster de liefde te bedrijven.970 </poem> |}<noinclude></noinclude> 5wyl86hz9bc4fb97a4t3j59gbnvf1ey Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/113 104 87762 224813 2026-08-15T08:16:05Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224813 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Mon affaire chellez, si ne li ditez mie, « Car par le sainte mort, dont Diex revint à vie, « Dont il volt raquater toute humainne lingnie, « Sé vous me racusés, par sens, né par folie, « De si hideuse mort sera vo char jugie, « C’on en sara parler jusquez en Lombardie. » « Sire, » dist l’escuïerz, « par Dieu, le fil Marie, « Je seroie moult folz ; et science arraigie « Aroit ou corps de moy, sé Diex me bénéie, « Sé pour ·j· estrainge homme, que je ne connois mie, « Métoie en aventure et mon corpz et ma vie ! « J’ameroie trop miex que sa char fuist boulie, « Que j’éusse vo court perdue, n’eslongnie ; « De vous me vient l’onneurs que j’ai en me baillie, « Et si vous doy grant foy et je ne li doy mie. « Ne pensés pas, pour Dieu, que tel chose li die : « Je ne sai d’ont il est, né de quelle lignie ; « Je le décheverai miex que je ne vous die. » « Va-t-ent, » ce dist li quens, « que Diex te bénéie ! » Li escuïerz s’en va, s’a se voie aqueillie. En pau d’eure sera sa volenté changie : Car qui à Bauduin éust sa mort jugie, Et il véist l’enfant, seulement une fie, Pour tout l’or de che mont il ne le grevast mie. Chertez, c’est grans eurs pour personne adréchie, Quant avoec sa biauté li est bontés querquie, Au voloir Jhésu-Cris ; mais cascuns ne l’est mie. Tel couvient cascun estre com nature l’otrie. Or s’en va li messagez, sans nul arrestement ; A l’hostel Bauduin est venus vistement : Si tost que Bauduins le vit parfaitement, Le recognut-il bien ; ses bras au col li tent. L’escuïer acola, et li dist douchement : « Sire, bien veingniés-vous, par le mien sérement ! » « Damoisiaus débonnairez, » dist l’escuïerz briement, </poem> |valign=top| <poem>« Verzwijg mijn zaak, en vertel hem er niets van, « Want bij de heilige dood, waarmee God weer tot het leven kwam, « Waarmee Hij de gehele mensheid wilde verlossen, « Als je mij verraadt, in wijsheid of in waanzin, 980 « Tot zo'n afschuwelijke dood zal je lichaam worden veroordeeld, « Dat men erover zal weten te spreken tot in Lombardije. » « Heer, » zei de schildknaap, « bij God, de zoon van Maria, « Ik zou wel heel dwaas zijn; en een waanzinnige wetenschap « Zou er in mijn lichaam zijn, moge God mij zegenen, « Als ik voor een vreemde man, die ik helemaal niet ken,980 « Mijn lichaam en mijn leven op het spel zou zetten! « Ik zou veel liever hebben dat zijn lichaam gekookt werd, « Dan dat ik uw gunst zou verliezen of eruit verbannen zou worden; « Van u komt de eer die ik in mijn macht heb, « En dus ben ik u grote trouw verschuldigd en hem helemaal niet. « Denk niet, om Gods wil, dat ik zo'n ding tegen hem zou zeggen: « Ik weet niet vanwaar hij is, noch van welk geslacht; « Ik zal hem beter misleiden dan ik u kan zeggen. » « Ga heen, » zei de graaf, « moge God je zegenen! » De schildknaap gaat heen, en heeft zijn weg vervolgd. 990 In korte tijd zal zijn wil veranderd zijn: Want wie voor Boudewijn zijn dood zou hebben gevonnist, En het kind zou zien, slechts één enkele keer, Voor al het goud van deze wereld zou hij hem geen kwaad doen. Zeker, het is een groot geluk voor een welgemanierd persoon, Wanneer met zijn schoonheid hem ook goedheid is gegeven, Naar de wil van Jezus Christus; maar dat is niet iedereen gegeven. Het betaamt eenieder te zijn zoals de natuur hem toestaat. Nu gaat de boodschapper heen, zonder enig ophouden; 1010 Bij de herberg van Boudewijn is hij snel aangekomen:1000 Zodra Boudewijn hem volkomen zag, Herkende hij hem heel goed; zijn armen slaat hij om zijn hals. De schildknaap omhelsde hij, en zei teder tegen hem: « Heer, wees welgekomen, bij mijn eed! » « Wellevende jonker, » zei de schildknaap kort, </poem> |}<noinclude></noinclude> ay47s6f6or5e484mu28vgzqjkgnv4zt Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/114 104 87763 224814 2026-08-15T08:20:39Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224814 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Ma dame vous salue, qui de biauté resplent, « Si vous mande par mi que sans arrestement « Venez à li parler ; car elle vous atent, « En sa cambre pavée, qui est painte à argent. » Et quant Bauduins l’ot, de la joye s’estent ; Il dist à l’escuïer : « g’irai moult liëment ! » Mist main à s’aumoisnière, tost et isnelement ; ·xv· saus i trouva, ne fu mie grantment, Il n’avoit plus de fin en tout le firmament : Espargniez les avoit, et gardez longement. Il en fu moult honteus que si poi il em prent ; Si dist à l’escuïer : « sire, chertainnement « Veschi tout men avoir, che vous ai-je en couvent, « Voire que je ai chi ; je ne porte noient « Monnoye aveuques mi : nulz besoins ne m’en prent. « Sé li dons est petis, ne le prendés pas lent, « Car j’amenderai tout, sé je vis longement. » « Sire, » dist l’escuïerz, « n’en prenderai noient. » Et quant Bauduins l’ot, si li dist hautement : « Sé li dons est petis, qu’il ne vaille grantment ; « N’el tenés en vieute, pour Dieu omnipotent ; « Sé je péusse miex, je vous ai en couvent « Que je le vous fesisse, de coer entièrement : « Li homs qui sert à maistre ne fait pas son talent. » Oït le li escuïerz, moult grant pleuté l’emprent ; Si dist à Bauduin : « sire, chertainement « Li dons me pléust bien, je vous di vraiëment ; « Mais nulz homs ne doit prendre, par nul devisement, « D’autrui joyaus, né robes, né or fin, né argent, « Non sé il ne le voelt déservir loyaument. « Sire, » dist l’escuïerz, « entendés ma raison : « De vous ne prenderai, en tant comme ore, don. » « Chertes, » dist Bauduins, « dont i a souspechon ; « Et sé vous ne prendés, en le vostre parchon, « Ches denierz chi endroit, si ait m’âme pardon, </poem> |valign=top| <poem>« Mijn dame groet u, die blinkt van schoonheid, « En zij ontbiedt u via mij dat u zonder ophouden « Met haar komt spreken; want zij wacht op u, « In haar geplaveide kamer, die met zilver is beschilderd. » En toen Boudewijn het hoorde, straalde hij van vreugde;1010 Hij zei tegen de schildknaap: « ik zal er heel graag heen gaan! » Hij stak zijn hand in zijn aalmoesbeurs, snel en vlug; Vijftien stuivers vond hij erin, het was niet veel, Hij had niets meer in het hele firmament: Hij had ze gespaard en lange tijd bewaard. Hij was er erg beschaamd over dat hij zo weinig meenam; En hij zei tegen de schildknaap: « heer, zeker « Zie hier al mijn bezit, dat beloof ik u, « Althans wat ik hier heb; ik draag niets « Aan geld bij me: ik heb er geen behoefte aan.1020 « Als het geschenk klein is, neem het dan niet onwillig aan, « Want ik zal alles goedmaken, als ik lang leef. » « Heer, » zei de schildknaap, « ik zal er niets van aannemen. » Lees toen Boudewijn het hoorde, zei hij luid tegen hem: « Als het geschenk klein is, zodat het niet veel waard is; « Houd het niet voor waardeloos, bij de almachtige God; « Als ik beter kon, beloof ik u « Dat ik het u van ganser harte zou doen: « De man die een meester dient, doet niet wat hij zelf wil. » De schildknaap hoorde het, een groot medelijden beving hem;1030 En hij zei tegen Boudewijn: « heer, zeker « Het geschenk zou mij wel behagen, ik zeg het u werkelijk; « Maar geen mens mag aannemen, op welke wijze dan ook, « Een anders juwelen, noch kleding, noch fijn goud, noch zilver, « Tenzij hij het trouw wil verdienen. « Heer, » zei de schildknaap, « luister naar mijn reden: « Van u zal ik, vooralsnog, geen geschenk aannemen. » « Zeker, » zei Boudewijn, « dan is er argwaan; « En als u niet aanneemt, als uw deel, « Deze munten hier ter plekke, moge mijn ziel dan vergeving vinden,1040 </poem> |}<noinclude></noinclude> j9ov5dtbel6z2phphzpycgiz427mxl3 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/115 104 87764 224815 2026-08-15T08:28:26Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224815 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « En vous n’arai fianche nient plus qu’en ·j· laron ; « Ni aujourd’ui n’irai en le vostre maison. » Quant li escuïerz l’ot, sé li dist à haut ton : « Les denierz prenderai, par tel condition « Qu’il n’i ara denier ne vous vaille ·j· royon ; « La maille vous vaura tout l’avoir Salemon. » « E ! Diex, » dist Bauduins, « veschi bonne raison ; « A bonne eure assamblai l’argent et le billon ! « Ne vint mie d’usure, né de male raison, « Qu’il montepliëroit si bien ceste saison ; « Loyalment les gaingnai, si ait m’âme pardon, « Et pour chou en venra li gaingne à bon quoron. « Miex vaut ·j· seulz deniers, en escript le trouve-on, « Gaigniet en loyauté, sans nulle traïson, « Que de l’avoir d’usure tout plain une maison. » Bauduins fu moult lies quant cellui escoutoit, Qui dist que ses argens bien montepliëroit ; Adont li demanda quel choze li diroit. Li escuïerz li dist comment le cose estoit : Et du conte de Flandre, qui l’abit pris l’avoit. A loy d’une pucelle, en cambrez l’atendoit ; Et pour lui esprouver comment se maintenroit A sa serour germaine, s’a son gré le tenoit, Et le sien puchelaige prendre li ozeroit. Et quant Bauduins l’ot, tous li sans li muoit ; Si dist à l’escuïer que bien li renderoit. Et puis dist que li contes plains d’innocense estoit Qui de si faite espreuve esprouver le voloit, Pour savoir sé sa soer son gré acompliroit, S’ensi avenoit cose que li cas s’i offroit. « Oïl voir, » dist li enfes, « sé ·c· en i avoit ! « Il n’est mie preud’oms qui s’en déporteroit. » Bauduins ot merveillez quant cellui escouta, Il l’en sot moult bon gré, et si l’en merchia ; Et dist que s’auques vit bien li remerira. </poem> |valign=top| <poem> « In u zal ik niet meer vertrouwen hebben dan in een dief; « Noch zal ik vandaag naar uw huis gaan. » Toen de schildknaap het hoorde, zei hij met luide stem: « De munten zal ik aannemen, onder deze voorwaarde « Dat er geen munt zal zijn die u niet een koninkrijk waard zal zijn; « De penning zal u al het bezit van Salomo waard zijn. » « Ach! God, » zei Boudewijn, « zie hier een goede reden; « Op een goed uur heb ik het geld en het kleingeld verzameld! « Het kwam niet voort uit woeker, noch uit een slechte zaak, « Dat het dit seizoen zo goed zou vermenigvuldigen;1050 « Eerlijk heb ik het verdiend, moge mijn ziel vergeving vinden, « En daarom zal de winst een goede bestemming bereiken. « Beter is één enkele penning, zo vindt men geschreven, « Verdiend in eerlijkheid, zonder enig verraad, « Dan een heel huis vol met het bezit van woeker. » Boudewijn was zeer verheugd toen hij naar hem luisterde, Die zei dat zijn geld goed zou vermenigvuldigen; Toen vroeg hij hem wat hij hem zou vertellen. De schildknaap vertelde hem hoe de zaak in elkaar stak: En over de graaf van Vlaanderen, die het gewaad had genomen.1060 Als een meisje wachtte hij op hem in de kamers; En om hem te beproeven hoe hij zich zou gedragen Tegenover zijn eigen zuster, of hij haar naar zijn hand zou zetten, En haar maagdelijkheid zou durven nemen. En toen Boudewijn het hoorde, veranderde al zijn bloed; En hij zei tegen de schildknaap dat hij het hem goed zou betaald zetten. En toen zei hij dat de graaf vol onschuld was 1080 Die hem met zo'n proef wilde beproeven, Om te weten of zijn zuster zijn wil zou inwilligen, Als het zo mocht gebeuren dat de gelegenheid zich aandiende.1070 « Ja, inderdaad, » zei het kind, « al waren er honderd! « Het is geen oprecht man die zich ervan zou onthouden. » Boudewijn was verwonderd toen hij naar hem luisterde, Hij was hem er zeer dankbaar voor, en dankte hem ervoor; En zei dat als hij ooit leefde, hij het hem goed zou vergelden. </poem> |}<noinclude></noinclude> 0ts1odo1m3q2lalg6baxrus8y3ub10s Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/116 104 87765 224816 2026-08-15T08:31:55Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224816 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Aveuques l’escuïer briefment s’achemina. Li escuïerz le mainne ; le chambre li monstra, Où li contes estoit, qui l’enfant attent là. Atant est Bauduins qui en le chambre entra, Et puis isnèlement li bers s’achemina ; Et dist : « chius Jhésu-Cris, qui se mort pardonna, « Il saut et bénéie ceste pucelle là, « Comme le plus gentis c’onques mère porta, « Et toute le plus belle c’onques homs engenra ! « Dame, chi sui venus, en vo cambre de chà ; « Si m’esmerveil pour coi li vos corps mandé m’a. « Je sui apareillies à quan qu’il vous plaira, « Sauve l’onneur de vous, autre cose n’i a. » Et quant li contes l’ot, en estant se drécha ; Puis dist à Bauduin : « dous amis, venez chà, « Séés d’encoste moy, et mes corpz vous dira « Pour coi vous ai mandet ; plus ne chelet sera. « Ne vous souvient-il mie mes corpz vous envoïa « Le biau chapel d’or fin, c’uns escuïerz porta ? » « Oïl, dame, » dist l’enfes, « on le me présenta : « Plus d’onneur me fesistes que je ne vaurai jà ; « Mais chertes de bon coer jammais maus ne venra. « Toudis monstre li bons le bien qu’ens au coer a. « Dame, » dist Bauduins, « je sui à vous venus ; « Si vous lo et gracie, et si pri à Jhésus « Dou bien que m’avez fait et l’onneur toute sus. « Ne puisse jà morir, gentis corps esléus, « Tant que de moy vous soit li gerredons rendus ! « Sauve le vostre honnour ; là ne doit penser nulz. » « Sire, vous dites bien, foy que je doy Jhésus. « Lie sui que chaiens vous estes embatus ; « Jammais n’en isterez tant que serez mes drus, « Tout à vostre voloir, frans damoisiaus menbrus. « Par vostre grant biauté est mes corpz déchéus : « Et est d’un dart d’amours parfaitement férus, </poem> |valign=top| <poem>Met de schildknaap ging hij snel op weg. De schildknaap leidt hem; hij toonde hem de kamer, Waar de graaf was, die daar op het kind wacht. Toen trad Boudewijn binnen in de kamer, En toen ging de edelman snel vooruit;1080 En zei: « Moge Jezus Christus, die zijn dood vergaf, « Deze maagd daar redden en zegenen, « Als de edelste die ooit een moeder droeg, « En de allermooiste die ooit een man verwekte! « Dame, hier ben ik gekomen, in uw kamer hier; « En ik verwonder mij erover waarom uw persoon mij heeft ontboden. « Ik ben bereid tot alles wat u behaagt, « Behalve uw eer, iets anders is er niet. » En toen de graaf het hoorde, richtte hij zich op; Toen zei hij tegen Boudewijn: « lieve vriend, kom hier,1090 « Zit hier naast mij, en mijn persoon zal u vertellen « Waarom ik u ontboden heb; het zal niet langer verborgen blijven. « Herinnert u zich niet meer dat mijn persoon u stuurde « De mooie hoed van fijn goud, die een schildknaap bracht? » « Ja, dame, » zei het kind, « men heeft hem aan mij overhandigd: « Meer eer hebt u mij bewezen dan ik ooit waard zal zijn; « Maar zeker, uit een goed hart zal nooit kwaad voortkomen. « Altijd toont de goede het goede dat hij in zijn hart heeft. « Dame, » zei Boudewijn, « ik ben naar u toe gekomen; « En ik loof en dank u, en ik bid tot Jezus1100 « Voor het goede dat u mij gedaan hebt en alle eer daarboven. « Moge ik nooit sterven, uitverkoren edele persoon, « Voordat u door mij de beloning is teruggegeven! « Behoudens uw eer; daaraan mag niemand denken. » « Heer, u spreekt goed, bij de trouw die ik Jezus verschuldigd ben. « Blij ben ik dat u hierbinnen bent gekomen; « Nooit zult u hier weggaan totdat u mijn minnaar bent, « Geheel naar uw wil, edele, welgebouwde jonker. « Door uw grote schoonheid is mijn persoon bezweken: « En is door een pijler van de liefde volkomen getroffen,1110 </poem> |}<noinclude></noinclude> fyri30cj5bd8jrgmww1f2dcpgc1m7l4 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/117 104 87766 224817 2026-08-15T08:36:16Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224817 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Si que ne sai à dire d’ont chius maus m’est venus ; « Mais jà n’en garirai, pour contes né pour dus, « Fors par vostre gent corps, car telz est mes argus. « L’amour de moi vous doins et ottroi toute sus ; « Et sé vous n’en prendés, vous serez moult bobus, « Car quant li fers est caus, on i doit férir sus. « A ! nobles damoisiaus, ne vous desplaise mie « Sé de dire mes maus sui envers vous hardie ; « Car c’est par vo biauté, douche gorge polie. « Or sai bien que vous n’estes de si haute lignie « Comme il affiert à moy, dont je sui courrecie ; « Jammais n’ariés acort, que m’éussiés plévie. « Sans l’un l’autre espouser ont ami et amie « Soulas et grant déduit et plaisanche à le fie ! « Boin tamps en larechin ch’est plus grant mélodie « Que che n’est de la choze c’on a appareillie ; « Et s’esploitier pooie, en aucune partie, « Que mes frères Robers péust perdre la vie, « Par li envenimer, ou d’autre sorchérie, « Dont nous ariems conseil en menant druérie ; « Volentiers le feroie, je vous jure et afie. « Car sé il estoit mors, à doel et à hasquie, « Je ne sai homme, el monde, pour cui laissasse mie « Vo corps à espouser, par Dieu le fil Marie ; « Car de nous ·ij· seroit moult douche compaingnie. » « Dame, » dist Bauduins, « estez-vous esragie ? « Ne plache à Jhésu-Crist que fache tel folie « Que de penser à vous, douche dame prisie ! « Car je ne le feroie, pour tout l’or de Pavie. « Jà ne serés de tant vraiëment abaissie, « Qu’à si chétif de moy vous soïés jà amie : « J’ameroie trop miex le teste avoir trenchie, « Qu’abiter me fausist à vo corpz une fie ; « Né qu’au conte fesisse si grande villonnie, « Qu’envers sa soer menasse si faite druérie. </poem> |valign=top| <poem>« Zodat ik niet weet te zeggen vanwaar dit kwaad over mij is gekomen; « Maar nooit zal ik ervan genezen, voor graven noch voor hertogen, « Behalve door uw edele lichaam, want zo is mijn betoog. « De liefde voor mij geef en schenk ik u geheel; « En als u die niet aanneemt, zult u erg dwaas zijn, « Want wanneer het ijzer heet is, moet men erop slaan. « Ach! nobele jonker, laat het u niet misnoegen « Als ik stoutmoedig ben om mijn kwalen aan u te vertellen; « Want het komt door uw schoonheid, zachte, blanke hals. « Nu weet ik wel dat u niet van zo'n hoog geslacht bent1120 « Als het mij betaamt, waarom ik bedroefd ben; « Nooit zou u instemming krijgen dat u met mij verloofd was. « Zonder met elkaar te trouwen hebben minnaar en minnares « Troost en groot jolijt en soms behagen! « Een goede tijd in het geheim is een grotere melodie « Dan dat het is van de zaak die men heeft voorbereid; « En als ik succes zou kunnen hebben, in enig opzicht, « Dat mijn broer Robert het leven zou kunnen verliezen, « Door hem te vergiftigen, of door een andere hekserij, « Waarover wij raad zouden hebben terwijl we de liefde bedrijven;1130 « Heel graag zou ik het doen, dat zweer en beloof ik u. « Want als hij dood was, in rouw en in ellende, « Ken ik geen man ter wereld voor wie ik zou nalaten « Uw lichaam te trouwen, bij God de zoon van Maria; « Want van ons tweeën zou het een zeer zacht gezelschap zijn. » « Dame, » zei Boudewijn, « bent u krankzinnig geworden? « Moge het Jezus Christus niet behagen dat ik zo'n dwaasheid bega « Als om aan u te denken, zachte, geprezen dame! « Want ik zou het niet doen, voor al het goud van Pavia. « Nooit zult u werkelijk zo diep verlaagd worden,1140 « Dat u voor zo'n stakker als ik ooit een liefste zult zijn: « Ik zou veel liever mijn hoofd eraf laten hakken, « Dan dat ik één enkele keer met uw lichaam zou moeten samenzijn; « Noch dat ik de graaf zo'n grote schanddaad zou aandoen, « Dat ik met zijn zuster zo'n liefde zou bedrijven. </poem> |}<noinclude></noinclude> d19r3jn5ftvfpb4qzplo8syr8m54h75 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/118 104 87767 224818 2026-08-15T08:39:15Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> « Par me foy, vous seriés bonne en ·j· fu lanchie, « Qui volez vostre honnour soit ensi amenrie ! « Par moy ne serés jà nul jour desconseillie ; « Miex vaurroie boulir, et morir à hasquie, « Que je vous acolaisse seulement une fie. « A ! dame, vraiement mal estes avoiie, « Qui perdre vous volés et faire, à vo lignie, « Blasme et honte si grant ; trop seriés amenrie ! « Pensés à un haut homme, pour Dieu je vo… 224818 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Par me foy, vous seriés bonne en ·j· fu lanchie, « Qui volez vostre honnour soit ensi amenrie ! « Par moy ne serés jà nul jour desconseillie ; « Miex vaurroie boulir, et morir à hasquie, « Que je vous acolaisse seulement une fie. « A ! dame, vraiement mal estes avoiie, « Qui perdre vous volés et faire, à vo lignie, « Blasme et honte si grant ; trop seriés amenrie ! « Pensés à un haut homme, pour Dieu je vous en prie, « De cui vous ne soïés de honte reprochie. « Puis que son puchellaige pert la dame jolie, « Jammais n’ara honnour, né ne sera prisie. » « Taisiez-vous, damoisiaus, tout che ne dites mie. « Car moult de dames sont, je vous achertéfie, « Qui se marient bien, en haute signourrie, « Tout sans leurz puchellages ; mais on ne le seit mie. « Que faut-il une dame quant elle a vin sour lie ; « A boire et à menguier, bien caufée et rostie ? « Nulle riens ne li faut, fors celle estorie. « Sire, frans damoisiaus, or ne tient fors qu’à ti « Que tu n’aies amie telle com vés le chi. » « Dame, » dist Bauduins, « par Dieu qui ne menti, « Qui me donroit tout l’or qui est jusqu’à Brandi, « N’aroie à vous afaire par nul carnel déli. « Je sui ·j· povres homs, fiex d’un villain enqui ; « Et vous estez bien digne d’avoir ·j· roy genti : « Eslisiés ·j· haut prinche, de coi li vostre ami « En soient honneret ; pour Dieu je vous em pri ! « Gardés le vostre honnour, et vo corps signourri ; « Jà ne plache à cellui qui onques ne menti, « Que du conte de Flandre fache mon anemi ; « C’est li plus souffissans k’ains de mère nasqui ! « Tant d’onneur li ferai, par Dieu, à che jour chi, « Que sa serour sera déportée per mi ; « Et ne finerai mais, sé li arai géhi </poem> |valign=top| <poem>« Bij mijn geloof, u zou goed zijn om in een vuur geworpen te worden, 1160 « U die wilt dat uw eer zo verminderd wordt! « Door mij zult u nooit op een dag misleid worden; « Liever zou ik koken, En sterven in ellende, « Dan dat ik u slechts één enkele keer zou omhelzen.1150 « Ach! dame, werkelijk bent u op de verkeerde weg, « U die uzelf wilt verliezen en uw geslacht « Zo'n grote schande en schaamte wilt aandoen; te zeer zou u verminderd zijn! « Denk aan een hooggeplaatst man, om Gods wil bid ik u, « Door wie u niet met schande zult worden berispt. « Zodra de schone dame haar maagdelijkheid verliest, « Zal zij nooit meer eer hebben, noch geprezen worden. » « Zwijg, jonker, zeg dat allemaal niet. « Want er zijn veel dames, dat verzeker ik u, « Die heel goed trouwen, in hoge heerschappij,1160 « Geheel zonder hun maagdelijkheid; maar men weet het helemaal niet. « Wat ontbreekt het een dame als zij wijn op de droesem heeft; « Te drinken en te eten, goed warm en gebraden? « Niets ontbreekt haar, behalve dat verhaal. « Heer, edele jonker, nu hangt het alleen van jou af « Dat je geen liefste hebt zoals je die hier ziet. » « Dame, » zei Boudewijn, « bij God die niet liegt, « Wie mij al het goud zou geven dat tot in Brindisi is, « Zou ik met u geen vleselijk genot willen hebben. « Ik ben een arm man, zoon van een boer hier;1170 « En u bent wel waardig om een edele koning te hebben: « Kies een hoge prins, waarmee uw vrienden « Geëerd zullen worden; om Gods wil bid ik u erom! « Bewaar uw eer, En uw adellijke lichaam; « Moge het nooit behagen aan Hem die nooit liegt, « Dat ik van de graaf van Vlaanderen mijn vijand maak; « Hij is de voortreffelijkste die ooit uit een moeder geboren is! « Zo veel eer zal ik hem bewijzen, bij God, op deze dag, « Dat zijn zuster door mij ongemoeid zal worden gelaten; « En ik zal niet rusten, of ik zal hem hebben bekend1180 </poem> |}<noinclude></noinclude> 6klzjawnksy82e4i9b8dnr33a3ef887 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/119 104 87768 224819 2026-08-15T08:42:33Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224819 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Tous les villains parlers que dit avez de li. » Si com par mautalent, hors de le cambre issi, C’onques ne dist adieu quant il s’en départi. Quant li contez le voit, forment li abéli : Tost et isnèlement son abit desvesti, Et revint en la sale. Bauduins vint à li, Et si s’agenoulla, sans faire nul détri ; Et dist : « contez de Flandre, pour Dieu aïez me vi, « Tant que j’arai à vous ·j· conseil regéhi. » Quant li contes l’entent, par le main le saisi. Or est menez en camp ; on l’a bien endormi. « Sire, » dist Bauduins, « oïés c’on vous dira : « Vostre soer, la puchelle, maintenant me manda. « Sire, j’alai à lui ; ne vous mentirai jà. « Vo soer, par fol argu, chertes me présenta « Plus que dire n’en doi, dont forment m’anoïa. « Si vous prie, pour Dieu qui le monde créa, « Que vous le mariez, car grant besoing en a ; « Et sé vous ne le faites, il vous en mesquerra. » « Bauduin, » dist li contes, « bien ait qui te porta ! « En toi ai ·j· ami, pour che miex t’en sera : « Chevalier te ferai. » Adonques l’adouba, Sénescaut de sa terre adonques l’ordena, Et grande revenue li contes li donna, Et le tint à se court, et forment l’onnera. Mais il fist grant folie, quant tant il s’i fia ; Enchois que lonc tampz passe, il s’en repentira ! Blanche, sa soer germainne, à garder li bailla, Et le mist en sa garde dou tout li otroïa, Jusques à tant c’unz roys requerre li venra ; Mais sé biens li en vient, grans merveillez sera ! Ensément Bauduins en che païs régna, Sénascaus de Hainau, et en grandeur monta. A Sebourc va et vient ; le plus i séjourna. La fille au chevalier en che tamps engroissa, </poem> |valign=top| <poem>Alsof uit misnoegen, ging hij de kamer uit, Zodat hij nooit adieu zei toen hij vertrok. Toen de graaf hem zag, beviel het hem ten zeerste: Snel en vlug trok hij zijn gewaad uit, En keerde terug in de zaal. Boudewijn kwam naar hem toe, En knielde neer, zonder enig uitstel; En zei: « graaf van Vlaanderen, moge God mijn leven beschermen, « Totdat ik aan u een geheim heb bekend. » Toen de graaf het hoorde, greep hij hem bij de hand.1190 Nu is hij in het veld geleid; men heeft hem goed in slaap gesust. « Heer, » zei Boudewijn, « luister naar wat men u zal zeggen: « Uw zuster, het meisje, heeft mij zojuist ontboden. « Heer, ik ging naar haar toe; ik zal nooit tegen u liegen. « Uw zuster heeft mij, door een dwaas betoog, zeker aangeboden « Meer dan ik behoor te zeggen, waarover ik hevig ontstemd was. « Dus bid ik u, om God die de wereld schiep, « Dat u haar uithuwt, want zij heeft er grote nood aan; « En als u het niet doet, zal het slecht voor u aflopen. » « Boudewijn, » zei de graaf, « gezegend zij zij die je droeg!1200 « In jou heb ik een vriend, daarom zal het beter voor je zijn: « Ridder zal ik je maken. » Toen sloeg hij hem tot ridder, Seneschalk van zijn land stelde hij hem toen aan, En grote inkomsten gaf de graaf hem, En hij hield hem aan zijn hof, en eerde hem hevig. 1220 Maar hij beging een grote dwaasheid, toen hij zozeer op hem vertrouwde; Voordat er lange tijd voorbijgaat, zal hij er spijt van krijgen! Blanche, zijn eigen zuster, gaf hij aan hem om te bewaren, En stelde haar geheel onder zijn hoede, dat schonk hij hem, Totdat een koning haar zou komen opeisen;1210 Maar als er goeds uit voortkomt, zal het een groot wonder zijn! Aldus regeerde Boudewijn in dat land, Seneschalk van Henegouwen, en hij steeg in grootheid. Naar Sebourc gaat en komt hij; daar verbleef hij het meeste. De dochter van de ridder werd in die tijd zwanger, </poem> |}<noinclude></noinclude> i8tpmdnksto8hz09ql5p70au5x8hfjc Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/120 104 87769 224820 2026-08-15T08:44:30Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224820 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et en ot ·j· bastart que durement ama ; Car onques si crueus ou siècle ne régna : Si fist mainte proèche c’on vous recordera, Quant liex en ert et poins. Li mère le porta ; Li sirez de Sebourc moult dolans en sera De chou que Bauduins espouser n’el vaurra. De Bauduin larai, et mes corpz vous dira D’Esmeret, le sien frère, qui Gaufroi guerroïa : Il ot assis Nimaye ; car Idain li bailla ·xxm· Boulenois, qu’Esmerez ammena Es prez devant Nimaye. O lui ses frères a ; Gloriant, Alixandre, que durement ama. Li sièges fu moult grans et longement dura, Mais Gaufrois li traïtrez petit i aconta. Qui d’autrui argent joue, s’il a peur grant tort a. {{lijn|6em}} </poem> |valign=top| <poem>En zij kreeg een bastaard van hem die zij vurig liefhad; Want nooit regeerde er zo'n wrede in de wereld: Hij verrichtte menige dapperheid die men u zal overleveren, Wanneer de plaats en de tijd daar zijn. De moeder droeg hem; De heer van Sebourc zal er zeer bedroefd over zijn1220 Dat Boudewijn haar niet zal willen trouwen. Over Boudewijn zal ik ophouden, en mijn persoon zal u vertellen Over Esmeret, zijn broer, die Gaufroi beoorlogde: Hij had Nijmegen belegerd; want Idain gaf hem 20.000 man uit Boulogne, die Esmeret meebracht In de weiden voor Nijmegen. Met hem heeft hij zijn broers; Gloriant, Alexander, die hij vurig liefhad. De belegering was zeer groot en duurde lange tijd, Maar Gaufrois de verrader trok zich er weinig van aan. Wie met andermans geld speelt, heeft, als hij bang is, grote schuld.1230 {{lijn|6em}}</poem> |}<noinclude></noinclude> nj0fjixwi9zpm5510qr4rxpag92zfdz Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/347 104 87770 224821 2026-08-15T08:46:06Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224821 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|308|''Schouburgh der''|}} {{Block center/s}}</noinclude><br>''De'' <ref>{{fine|Dordrecht] De Raadt dezer Stadt op de voorstellinge van den Heere Hugo Repelaar, Borgermeester van ’sHeeren wegen, keurde eenstemmig goet, van dat Heldhaftig bedryf een Konsttafereel te laten schilderen, om tot eeuwige gedachtenis op de groote zaal van het Raathuis op te hangen, tot welke bestellinge ''Gecommitteert'' werden, gemelde Heer Hugo Repelaar neffens de Heeren Roelant de Carpentier, Samuel Trip, en Gerard Brandwyk, op den 30 van Hooimaant 1667.}}</ref> ''Stadt, en Staat hun rust, en welvaart konnen vesten''.<br>''De Faam verbreit zyn lof, van ’t Oosten tot het westen:''<br>{{gap}}''En tuigt hoe Londen schrikt, en hoe dat Chattam beeft'',<br>{{gap}}''Door ’t staal, en ’t vuur benart, dat ons den Vrede geeft''.{{block center/e}} {{c|Nog een.}} {{gedicht|''Die onder deze Faam, zoo blank in ’t harnas zit'', ''Is eeuwig Dordregs roem, de Borgerheer'' {{sc|de Wit}}.}} {{gap}}Hoe onvast de Staat der Grooten is, en hoe licht veranderlyk de begrippen van ’t gemeene volk, daar van zyn menigte van voorbeelden die zulks bevestigen. {{gedicht|''Die op ’t geluk van ’t los geval'' ''Vertrouwen zet, in ’s Waerelds dal''; {{gap}}''Steunt op een Rietstok''. ''Want ’s Waerels goet is enkel wint''.}} {{gap}}Dit begrip is niet nieu, de ouden hebben al gezeit: ''Daar is geen zekerheit in de menschelyke zaken; alles is een geduurige verandering onderworpen''. Titus Vespasianus op een gastmaal ge-<noinclude>{{rechts|noo-}}</noinclude> izipg9f5ueesjl0m1s7764fw1xpqpgm Boudewijn van Sebourg/ZANG III 0 87771 224822 2026-08-15T08:46:14Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224822 wikitext text/x-wiki <pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=85 to=120 header=1 /> 6tlnxjp3n0vtd4jwa1hx0tgimhgzjhu Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/348 104 87772 224824 2026-08-15T11:17:01Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224824 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|309}}</noinclude>noodigt zynde, daar men vrolyk was, ontslipte een zware zucht. Zyn vrienden hem vragende naar de Rede van zyn zuchten, gaf hy tot antwoort: ''Ik kan my daar niet van onthouden, als ik gedenk dat myn eer, en grootheit hangt aan het believen van het wankelbaar geval: dat myn Staten zyn als in de macht van twee Scheitsmannen, en myn leven als in die der huurlingen''. Dit is (om geen breeder omtrek te maken) gebleken aan den Ruwaart, waar van wy de schets zyner verheffing hebben beschreven. Deze die daad te ''Chattam'' op den 21, 22 en 23 van Hooimaand 1667 verricht hebbende werd daar voor met een goude kop van den Staat beschonken, en hy van elk toegejuicht. Naderhant van de Haagsche Borgers, door Eygenbaat opgestookt, is hy nevens zyn Broeder vermoort, en door het verwoede graau deerlyk mishandelt op den 20 van Oogstmaand 1672, ja de verbittertheit was zoo groot tegen deze Heeren dat zy zelfs hunne beeltenissen trachtten te verscheuren. Tot verscheiden malen rotte de vergramde gemeente voor het huis van onzen Schilder, dreygende des zelfs huis om veer te halen indien hy haar de beeltenissen van de Heeren Jan en Kornelis de Wit niet over gaf; want dit was door een leerling van hem (die zig mee onder dien hoop mengde) verkraait: zoo dat de {{sc|Baan}}, om zig voor ongemak, en zyn huis voor schade te hoeden, zyn deur moest open zetten (die schilderyen eerst zeker zynde geborgen) en getroost aan zien dat zy zyn gansche huis, van onder tot boven, en kasten en kisten doorzochten.<br>{{gap}}Dit driftvuur tot Beeldeschennis sloeg voort tot Dordrecht, daar het graau dit pronkstuk van 's mans Konst geplaatst op 't Raathuis (daar wy even van<noinclude>{{RH|V 3|ge-}}</noinclude> o2a7mkyd1iojirrj1j6lo9qqtg73k6w Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/122 104 87773 224825 2026-08-15T11:26:36Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224825 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant Gloriant les vit, ne se tint mie cois ; Il fist l’ost estourmir, et dire à haute vois : « Alarme ! adoubez-vous ! » Esmerez, li courtois, A fait tantost sonner ses cors Sarrazinois ; Vers le noble cité s’enkeurent démanois. Et Glorians chevauche, li damoisiaus adrois ; Les chitoïens assaut, à ·vjm· Boulenois. Là commencha bataille et orriblez tournois ; Ochiant vont l’un l’autre. Là fu grans li dérois : N’i vaut pour raënchon or fins, né gros tournois ; Qui est chéus à terre, enmi le sablonnois, Il n’escapast de mort, pour d’or sen contrepois. Glorians point et broche le bon destrier Norois ; Va férir ·j· Frison, qui ot nom Godefrois : De sa lanche li passe du haubregon les plois ; Les maillez qui sont fortez, et blanche comme nois, Ne durèrent au cop, com che fuist ·j· rois. Ou corpz li mist le fer ; chius kaï mors tous frois. Et Glorians s’escrie : « fel lères maléois, « Vous avés comparé che que nous fait Gaufrois. » Che que li truie fait, compère mainte fois Li petis pourchelez, dont che n’est mie drois. Forte fu la bataille, ès prés devant Nimaie. Glorians, li gentis, nullement ne s’esmaie : Il décope et ochist le gent qui n’est pas vraie ; Quant sa lanche brisa, adont s’espée assaie. Au chastellain Frison fist une grande plaie, Et puis li escria : « foy que je doi ma taie, « Bien avez desservi qu’ensément je vous paie. » Forte fu la bataille, moult rade, et moult plénière : Glorians fist porter bien avant sa banière ; Et quant Gaufrois le voit, si en fist mate chière. Il escrie : « Nimaie et Frise par dérière ! » Dont véissiez estour, enmi une quarrière, Si grant et si orrible que, de la sablonnière </poem> |valign=top| <poem> Toen Gloriant hen zag, bleef hij geenszins stil; Hij liet het leger alarm slaan, en riep met luide stem: « Alarm! Wapen u! » Esmerez, de hoofse, Liet meteen zijn Saraceense hoorns schallen; Naar de adellijke stad snelden zij onmiddellijk. 30 En Gloriant reed te paard, de bekwame jongeman; De burgers valt hij aan, met 6.000 man uit Boulogne. Daar begon een veldslag en een gruwelijk toernooi; Zij doden elkaar. Daar was het tumult groot: Geen fijn goud of zware munt gold als losgeld; Wie op de grond viel, midden in het zand, Ontsnapte niet aan de dood, zelfs niet voor zijn gewicht in goud. Gloriant spoort zijn goede Noorse strijdros aan; Hij gaat een Fries aanvallen, die Godefrois heette: Met zijn lans doorboort hij de plooien van diens maliekolder; 40 De maliën die sterk zijn, en wit als sneeuw, Hielden stand tegen de slag alsof het een koning was. In het lichaam stootte hij het ijzer; deze viel ijskoud dood neer. En Gloriant roept uit: « Vervloekte, boosaardige schurk, « U hebt geboet voor wat Gaufroi ons heeft aangedaan. » Wat de zeug misdoet, boet menigmaal Het kleine biggetje voor, hoewel dat geenszins rechtvaardig is. Heftig was de strijd in de weiden voor Nijmegen. Gloriant, de edele, verliest geenszins de moed: Hij hakt neer en doodt het volk dat niet oprecht is; 50 Toen zijn lans brak, beproefde hij zijn zwaard. De Friese bracht hij een grote wond toe, En toen riep hij hem toe: « Bij de trouw die ik mijn grootmoeder verschuldigd ben, « U hebt wel verdiend dat ik u op deze wijze betaal. » Heftig was de strijd, zeer fel en zeer hevig: Gloriant liet zijn banier ver naar voren dragen; En toen Gaufroi hem zag, kreeg hij een somber gezicht. Hij roept: « Nijmegen en Friesland in de achterhoede! » Toen zag men een strijd, midden in een steengroeve, Zo groot en zo gruwelijk dat, door het opwaaiende zand 60 </poem> |}<noinclude></noinclude> 82o07b964inotmyuivr98z3pbg0yvub Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/349 104 87774 224826 2026-08-15T11:27:49Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224826 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|310|''Schouburgh der''|}}</noinclude>gemelt hebben) van een reet, en aan flarden scheurde, zoodanig dat ik naderhant (wanneer Romein de Hooge ’t zelve in plaat zoude brengen) werk had, om uit vele stukken en brokken, (den beeldeschenners in dien tyd ontfutzelt of voor weinig gelt afgekocht) by een verzamelt, een schets van den zamenhang van dit stuk op te maken. Want in dien tyd was het eerste model van dit stuk nog in een onbekenden hoek verduistert, ’t geen thans te Dordrecht by den Konstlievenden Heere Pompe, Heer van den Oostendam in een kas aan den wand te pronk hangt, en nu wel (die stormbuy over gewaait) ter eeuwiger gedagtenisse in dat Stamhuis zal bewaart worden. ’T is ook by de Dochter van den Ruwaart, getrout geweest aan den Heer Simon Muis van Holy, Raad der Stadt Dordregt.<br>{{gap}}Nog een opmerkelyk voorval is onzen {{sc|de Baan}} ontmoet in het voorgemelde troubeljaar, wanneer de Franse Haan met wyde schreden was genadert tot voor den Hollandschen Leeuwentuin, het geen ons lust aan te merken.<br>{{gap}}Wanneer de Koning van Vrankryk men zyn Krygsmacht tot Uitrecht was gekomen, kwam ’er een Brief aan onzen {{sc|de Baan}} geteekent door den Hartog van Luxenburgh, toen Gouverneur van Uitrecht, beneffens een vrye pas, geteekent door den Kommandeur Stoupa, ten einde hy op Seyst buiten Uitrecht wilde komen om des Konings Beeltenis te malen, met belofte van een grote somme gelts daar voor te zullen genieten, dat hem in den Haag betaalt zoude worden; waar voor twee Heeren borg bleven, als mede dat hy buiten eenig gevaar weder te rug zou geleid worden. {{sc|De Baan}} vond zig hier door wel ver-<noinclude>{{rechts|eert,}}</noinclude> 6nrq1n9qijymtni32g0l0jxayeksvuq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/121 104 87775 224827 2026-08-15T11:31:45Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224827 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| !Brontekst !Vertaling |- |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''CHANT III.'''}}}} {{dhr|1.5em}} <poem> Signour, devant Nimaye furent li ·iij· enfant, Pour destuire Gaufroi, le traïtour puant. Gaufrois fu en Nimaie, le cité reluisant ; Le castellain de Frise en va araisonnant : « Chastellains, » dist Gaufrois, « alez-moi conseillant ; « Isterons-nous là hors, sus le pré verdoïant ? « Sé nous nous tenons chi, sans issir sus le camp, « Chil garchon me tenront comme fol récréant. » Et dist li castellains : « par Dieu, le tout poissant, « Sé croire me volez, droit à l’aube crevant, « Isterons de Nimaye, la chité souffissant ; « Et si menrons o nous le nostre arrière-bant. « S’irons jusques as trés, là où sont li enfant ; « Je les vous renderai, ains le soleil couchant. » Et Gaufrois respondi : « vous alés bien parlant. » Au point du jour a fait bondir son olifant, Et li bourgois s’en vont vistement adoubant ; Hors de Nimaye issirent, que ni vont arrestant. Esmerez de Nimaye faisoit, par Gloriant, Escargaiter son ost ; car moult s’aloit doubtant Que Gaufrois n’en issist, en traïson faisant. On ne croit le larron, quant on scet son samblant. Gaufrois ist de Nimaye, à moult nobles conrois ; Avoec li emmena bien .xxm. bourgois, Et .x{{sup|m}}. Frisons, à grans dars, lons et drois. </poem> |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''ZANG III.'''}}}} {{dhr|1.5em}} <poem> Heren, voor Nijmegen stonden de drie kinderen, Om Gaufroi te vernietigen, de stinkende verrader. Gaufroi was in Nijmegen, de glanzende stad; De van Friesland sprak hij aan: « , » zei Gaufroi, « geef mij raad; « Zullen wij naar buiten trekken, op de groene weide? « Als wij ons hier inhouden, zonder het veld op te gaan, « Zullen die knapen mij voor een laffe dwaas houden. » En de zei: « Bij God, de Alachtige, « Als u mij wilt geloven, recht bij het aanbreken van de dag, 10 « Zullen wij uit Nijmegen trekken, de sterke stad; « En zo zullen wij onze achterban met ons meevoeren. « En we zullen tot aan de tenten gaan, waar de kinderen zijn; « Ik zal ze aan u overleveren, nog voor de zon ondergaat. » En Gaufroi antwoordde: « U spreekt zeer goed. » Bij het aanbreken van de dag liet hij zijn olifantstrompet schallen, En de burgers wapenden zich snel; Buiten Nijmegen trokken zij, zonder te stoppen. Esmerez van Nijmegen liet, door Gloriant, Zijn leger bewaken; want hij vreesde zeer 20 Dat Gaufroi naar buiten zou komen om verraad te plegen. Men gelooft de dief niet, wanneer men zijn ware aard kent. Gaufroi trekt uit Nijmegen, met zeer adellijke troepen; Met zich nam hij wel 20.000 burgers mee, En 10.000 Friezen, met grote, lange en rechte speren. </poem> |}<noinclude></noinclude> 7qnhesrdyogfp5j0xnkd0o4h3zbnsyv Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/123 104 87776 224828 2026-08-15T11:33:55Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224828 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Qui levoit contre mont, sanloit une fumière. Là fu mains saudoïerz ochis, à grant hasquière, Et mains chevaliers fu reportez sans litière. Glorians recula delez une crolière : Jà éust moult perdut de sa maisnie fière, Quant Esmerez i vint, courrant de grant manière ; Alixandre lès lui, qui le pensée ot fière, A ·xm· Boulonnois. N’a chel qui bien n’i fière : Contre le gent Gaufroi levèrent tel pourrière, Et si grande bataille, n’i remest pièce entière Des escus, de leurz copz, pendans à le lanière. Tant crémoient l’un l’autre, devant et à costière, N’i avoit si hardi qui ne baissaist le chière. Signour, devant Nimaie, le cité bien fremée, Ot si grande bataille et si fière mellée Que li istoire dist, et le chanson rimée, Qu’elle dura ·ij· jours, sans faire reposée ; Ensément l’un sour l’autre fu le gent encarnée. Gaufrois fu tant hardis et de fière posnée, Qu’ains plus hardis de lui ne féri ains d’espée ; Mais traïtrez estoit et de fausse pensée, S’en estoit sa jovente mains prisie et loée. Toute nuit ot bataille si grande sus le prée : Plus dru reversent mort, souvin, geule baée, Que ne le vous diroit personne qui soit née ; Toute nuit, à le lune, ont le bataille outrée. Quant che vint au matin, que l’aube fu crevée, Adont recommencha le noise et le criée : Là ot maint poing trenchie, mainte teste copée ; Tante belle jouvente i gist ensanglentée, Dont c’estoit grant meschief et povre destinée ; Car à grant dolour est créature allevée, Qui tout tantost est mors, par ·j· seul cop d’espée. Chiex par cui guère esmoet, en aucune contrée, S’il le commenche à tort, il fait male journée : </poem> |valign=top| <poem> Dat omhoog steeg, het wel een rookpluim leek. Daar werd menig huursoldaat gedood met grote wreedheid, En menig ridder werd weggedragen zonder baar. Gloriant week achteruit tot bij een moeras: Al snel zou hij veel van zijn trotse gevolg hebben verloren, Toen Esmerez eraan kwam, aangerend met grote vaart; Alexander naast hem, die een trotse geest had, Met 10.000 man uit Boulogne. Er was er niet één die niet hard sloeg: Tegen het volk van Gaufroi deden zij zo'n stof opwaaien, En zo'n grote strijd, dat er geen enkel stuk heel bleef 70 Van de schilden, door hun slagen, hangend aan de riem. Zoveel vreesden zij elkaar, van voren en van opzij, Er was niemand zo koen die niet het hoofd boog. Heren, voor Nijmegen, de goed versterkte stad, Was er zo'n grote strijd en zo'n felle mêlee Dat de geschiedenis vertelt, en het gerijmde lied, Dat het twee dagen duurde, zonder rust te houden; Op die wijze was het volk in elkaar vastgegrepen. Gaufroi was zo dapper en van zo'n trotse hoogmoed, Dat nooit een dapperder man dan hij met het zwaard sloeg; 80 Maar hij was een verrader en van valse gedachten, Daarom werd zijn jeugd minder geprezen en geëerd. De hele nacht was er strijd, zo groot op de weide: Dichter vielen de doden neer, ruggelings, met open mond, Dan iemand die geboren is u zou kunnen vertellen; De hele nacht, bij het maanlicht, voerden zij de strijd tot het uiterste. Toen het ochtend werd en de dageraad aanbrak, Toen begon het lawaai en het geroep opnieuw: Daar werd menige hand afgehouwen, menig hoofd afgehakt; 90 Zoor veel schone jeugd ligt daar bebloed, Wat een groot ongeluk en een armzalig lot was; Want met groot verdriet is een schepsel grootgebracht, Dat zo plotseling sterft door een enkele zwaardslag. Degene door wie de oorlog ontbrandt, in welk land dan ook, Als hij die ten onrechte begint, begaat een slechte daad: </poem> |}<noinclude></noinclude> eiryci1pvqvkm9nr8eoiv4ctpriwqfd Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/124 104 87777 224829 2026-08-15T11:36:03Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224829 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Tous les maus c’on en fait che sont sus sa saudée ; Ou escripture ment, qui bien est aprouvée. Onques telle bataille ne fu mais maintenue, Qu’il ot devant Nimaie, par dessus l’erbe drue : Esmerez de Nimaie tenoit une machue, Et fu faite d’achier, le teste avoit cornue ; N’aconsieut chevalier, né cheval, qu’il ne tue. A bourgois de Nimaye de crier s’esvertue : « Ahi ! maloite gent, félonne et mescréue, « Jà sui-je li drois hoirs de ceste revenue ! « S’en déusse estre rois, par le Vierge absolue, « Voire, sé ma besoingne en fuist à bien venue ! « Or le m’a ·j· gloutons robée et tolue, « Et si vendi mon père, dont li corpz me tressue ; « Dont jà ne le vairai, en cemin né en rue, « Que je ne saille à lui, car ma joie a perdue ! « Si ne sai que ma mère aussi est devenue ; « N’Eliénor aussi, qui pour moi fu venue « De chà outre le mer, en le terre absolue ! « Toute ai, par che glotton, ceste mésavenue ! « Contre moi li aidiés, mais c’est paine perdue ! « Bien piert ses violettes, qui devant cieus les rues ! » Esmerez de Nimaie ot au coer grant dolour : D’une mache de fer va férir, sans retour, Un bourgois de Nimaye, qui moult ot de fierour, Et Esmerez le fiert à loi de pongnéour ; Se teste li effondre, com che fuist ·j· tabour, Le chervèle en respent, qui honni herbe et flour ; A terre l’abati : mors fu, sans nul retour. Et puis reva férir le fil de la serour A celui qu’il ot mort, de la maque, ce jour : Entre les ·ij· espaules ataint le traïtour, Contre tière le rue ; n’ot force, né vigour. Alixandre i fiert à loy d’empéréour ; Ossi fist Glorians, qui ot fière vigour. </poem> |valign=top| <poem> Al het kwaad dat men doet, komt op zijn rekening; Of de Schrift liegt, die welbeproefd is. Nooit werd zo'n strijd geleverd, Als die voor Nijmegen plaatsvond op het dichte gras: 100 Esmerez van Nijmegen hield een knots vast, Die was van staal gemaakt, de kop had punten; Geen ridder of paard treft hij, of hij doodt het. Tegen de burgers van Nijmegen roept hij uit alle macht: « Ah! Vervloekt volk, snood en trouweloos, « Ik ben immers de rechtmatige erfgenaam van dit gebied! « Ik had er koning van moeten zijn, bij de reine Maagd, « Ja, als mijn zaak goed was afgelopen! « Nu heeft een schurk het van mij geroofd en ontnomen, « En zo verkocht hij mijn vader, waarvan mijn lichaam zweet; 110 « Zodat ik hem nooit meer zal zien, op weg of op straat, « Of ik zal hem bespringen, want hij heeft mijn vreugde vernietigd! » « En ik weet ook niet wat er van mijn moeder is geworden; » « Noch van Eliénor, die voor mij gekomen was » « Van ginds over de zee, naar het gezegende land! » « Door deze schurk heb ik al dit ongeluk! » « Helpt mij tegen hem, maar het is vergeefse moeite! » « Hij verliest wel zijn violen, die ze voor de varkens gooit! » Esmerez van Nijmegen had groot verdriet in het hart: Met een ijzeren knots gaat hij slaan, zonder aarzelen, 120 Een burger van Nijmegen, die zeer trots was, En Esmerez slaat hem als een ware strijder; Zijn hoofd verbrijzelt hij, alsof het een trommel was, De hersens spatten eruit, wat het gras en de bloemen besmeurde; Naar de grond sloeg hij hem: hij was dood, zonder herstel. En toen ging hij de zoon van de zus slaan Van degene die hij gedood had, met de knots, die dag: Tussen de twee schouders raakt hij de verrader, Tegen de grond slaat hij hem; hij had kracht noch macht. Alexander slaat daar als een keizer; Evenzo deed Gloriant, die een trotse kracht had.130 </poem> |}<noinclude></noinclude> kr9qfrkmd3j276n3y9xvhat4vmy7hpo Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/125 104 87778 224830 2026-08-15T11:39:13Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224830 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Hé ! Diex, que li ·iij· frère furent bon vavassour ! Jone damoisel furent, mais il ont grant valour ; Et s’avoient grant coer de conquerre l’estour. Et li bons coerz fait l’oevre, non mie le lonc jour. Toute jour à journée fu grans li ferréis : Tant en i ot, che jour, et de mors et d’ochis Que desseure les mors couvient passer lez vis. Chius qui est abatus i est mors et honnis ; Ne li vault raënchons né terre né païs. Par les campz s’enfuïoit mains destriers Arrabis, Les resnez traiënant, de signour desgarnis. Et plenté de furans i avoit-il toudis ; L’uns a perdut le main, ou jambe, s’il n’a pis. Glorians, li dansiaus qui moult estoit hardis, Se maintient en l’estour ensi c’uns anemis ! Ne fuissent li Frison, Gaufrois fuist desconfis : Mais ·xm· en i ot, à lons dars postéis, De ·xv· piés de lonc et li fer en ont siis ; Ichil ont les ·iij· frères arrière ressortis. Ceste gent conduissoit li chastellains Henris, Qu’Eliénor, la belle, amena ou pourpris ; Cousins germains Gaufroi, c’estoit moult ses amis. Quant Esmerez le voit, envers lui s’est vertis, Pour les dars des Frisons ne fu mie esbahis, En le presse se boute, com li leus ès brebis : En milieu des Frisons, des grans et des petis, Féri le chastellain, li chevalier gentis. De le mache de fer le féri, li marchis, Par dessus le hiaume qui bien estoit burnis ; Tous li fu embarrez, ni vaut ·j· parésis. Le chervelle évist hors, li sans li est salis ; Mort le tresbuche à terre, qu’onques ni fu oïs. Dont véissiez Frisons durement esbahis ! Là se sont reculé, mais che fu moult envis : Car forche paist le pré, et li leus le brebis. </poem> |valign=top| <poem> Ach! God, wat waren de drie broers goede vazallen! Jonge edellieden waren zij, maar zij hadden grote waarde; En zij hadden een groot hart om de strijd te winnen. En het goede hart doet het werk, niet de lange dag. De hele dag door was het strijdgewoel groot: Er waren er zoveel die dag, zowel doden als gevallenen, Dat de levenden over de doden heen moesten gaan. Wie neergeslagen is, is daar dood en te schande gemaakt; Geen losgeld, land of streek baatte hem. 140 Door de velden vluchtte menig Arabisch strijdhengst, De teugels voortslepend, van hun heer ontdaan. En er was daar voortdurend een menigte verminkten; De een heeft zijn hand verloren, of een been, zo niet erger. Gloriant, de jongeman die zeer dapper was, Gedraagt zich in de strijd als een duivel! Waren de Friezen er niet geweest, dan was Gaufroi verslagen: Maar er waren er 10.000, met machtige lange speren, Van vijftien voet lang en de ijzers waren scherp; 150 Dezen lieten de drie broers achteruit wijken. Dit volk werd geleid door de Henri, Die de schone Eliénor naar het verblijf had meegebracht; Een volle neef van Gaufroi, hij was zeer zijn vriend. Toen Esmerez hem zag, keerde hij zich naar him toe, Voor de speren van de Friezen was hij geenszins ontzet, In het gedrang werpt hij zich, als de wolf tussen de schapen: In het midden van de Friezen, van de groten en de kleinen, Sloeg de edele ridder de . Met de ijzeren knots sloeg de markies hem, 160 Bovenop de helm die goed gepolijst was; Alles werd ingedeukt, geen penning was het waard. De hersens vlogen eruit, het bloed spatte op; Dood stort hij hem ter aarde, zonder dat hij nog gehoord werd. Toen had u de Friezen hevig ontzet moeten zien! Daar weken zij achteruit, maar dat deden zij zeer ongaarne: Want kracht weidt de weide, en de wolf het schaap. </poem> |}<noinclude></noinclude> ndeq67nif0rpmrd915evujj27kw1p5l 224831 224830 2026-08-15T11:46:54Z Havang(nl) 4330 224831 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Hé ! Diex, que li ·iij· frère furent bon vavassour ! Jone damoisel furent, mais il ont grant valour ; Et s’avoient grant coer de conquerre l’estour. Et li bons coerz fait l’oevre, non mie le lonc jour. Toute jour à journée fu grans li ferréis : Tant en i ot, che jour, et de mors et d’ochis Que desseure les mors couvient passer lez vis. Chius qui est abatus i est mors et honnis ; Ne li vault raënchons né terre né païs. Par les campz s’enfuïoit mains destriers Arrabis, Les resnez traiënant, de signour desgarnis. Et plenté de furans i avoit-il toudis ; L’uns a perdut le main, ou jambe, s’il n’a pis. Glorians, li dansiaus qui moult estoit hardis, Se maintient en l’estour ensi c’uns anemis ! Ne fuissent li Frison, Gaufrois fuist desconfis : Mais ·xm· en i ot, à lons dars postéis, De ·xv· piés de lonc et li fer en ont siis ; Ichil ont les ·iij· frères arrière ressortis. Ceste gent conduissoit li chastellains Henris, Qu’Eliénor, la belle, amena ou pourpris ; Cousins germains Gaufroi, c’estoit moult ses amis. Quant Esmerez le voit, envers lui s’est vertis, Pour les dars des Frisons ne fu mie esbahis, En le presse se boute, com li leus ès brebis : En milieu des Frisons, des grans et des petis, Féri le chastellain, li chevalier gentis. De le mache de fer le féri, li marchis, Par dessus le hiaume qui bien estoit burnis ; Tous li fu embarrez, ni vaut ·j· parésis. Le chervelle évist hors, li sans li est salis ; Mort le tresbuche à terre, qu’onques ni fu oïs. Dont véissiez Frisons durement esbahis ! Là se sont reculé, mais che fu moult envis : Car forche paist le pré, et li leus le brebis. </poem> |valign=top| <poem> Ach! God, wat waren de drie broers goede vazallen! Jonge edellieden waren zij, maar zij hadden grote waarde; En zij hadden een groot hart om de strijd te winnen. En het goede hart doet het werk, niet de lange dag. De hele dag door was het strijdgewoel groot: Er waren er zoveel die dag, zowel doden als gevallenen, Dat de levenden over de doden heen moesten gaan. Wie neergeslagen is, is daar dood en te schande gemaakt; Geen losgeld, land of streek baatte hem. 140 Door de velden vluchtte menig Arabisch strijdhengst, De teugels voortslepend, van hun heer ontdaan. En er was daar voortdurend een menigte verminkten; De een heeft zijn hand verloren, of een been, zo niet erger. Gloriant, de jongeman die zeer dapper was, Gedraagt zich in de strijd als een duivel! Waren de Friezen er niet geweest, dan was Gaufroi verslagen: Maar er waren er 10.000, met machtige lange speren, Van vijftien voet lang en de ijzers waren scherp; 150 Dezen lieten de drie broers achteruit wijken. Dit volk werd geleid door de Henri, Die de schone Eliénor naar het verblijf had meegebracht; Een volle neef van Gaufroi, hij was zeer zijn vriend. Toen Esmerez hem zag, keerde hij zich naar him toe, Voor de speren van de Friezen was hij geenszins ontzet, In het gedrang werpt hij zich, als de wolf tussen de schapen: In het midden van de Friezen, van de groten en de kleinen, Sloeg de edele ridder de . Met de ijzeren knots sloeg de markies hem, 160 Bovenop de helm die goed gepolijst was; Alles werd ingedeukt, geen penning was het waard. De hersens vlogen eruit, het bloed spatte op; Dood stort hij hem ter aarde, zonder dat hij nog gehoord werd. Toen had u de Friezen hevig ontzet moeten zien! Daar weken zij achteruit, maar dat deden zij zeer ongaarne: Want de hooivork eet het weiland, en de wolf het schaap. </poem> |}<noinclude></noinclude> jk95g3qxm9pbxve1txn83bqm8n2qxm5 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/126 104 87779 224832 2026-08-15T11:50:39Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224832 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant Frison reculèrent, Gaufrois fu moult dolans : Il crie as chitoïens : « car me soïés aidans ! » Et Gaufrois tient l’espée dont bien trenche li brans ; Où qu’il voit Esmeret, si le fu approchans. Esmerez, quant le vit, n’en fu mie dolans. L’un l’autre ont aprochiet, sus les destriers courrans. Gaufrois féri devant, li traïtrez puans : Esmerez voit le cop que li glous fu esmans, Son blaison retourna qui d’or fu reluisans ; Et Gaufrois i féri qui estoit si poissans. Par tel devision fu le cop desquerquans Que dedens le blason entra ·ij· piés li brans. Au resaquier qu’il fist acourut Glorians ; Et quant Gaufrois le voit, si li mua li sans : Il ne l’atendist mie pour ·cm· besans. Il a laissiet s’espée qu’au blaison fu tenans ; En le presse se fiert tous de ses miex voellans. Et Esmerez s’escrie : « traïtres ! soudoïans ! « Car vendistes mon père en le terre as Persans ; « Je vous en ochirai, ains que passe li ans ! « E ! bourgois de Nimaye, moult estez nonsachans « Qui laissiez vo signour et lui estez nuisans, « Pour le plus fel traïtre qu’ou siècle soit vivans ! » Là ot mille bourgois, tous ensamble alloïans, Qu’à lui se retournèrent, dont Gaufrois fu dolans. Adont a fait sonner, li glous, ses olifans : Vers Nimaye repaire ; n’oze estre demourans, Que ne le relenquisse li autres remanans ; En le chité entra li traïtres puans. Et Esmeret assaut les murs fors et poissans. Descliquent cel engien qui gètent caillos grans ; Ars à tour, espringalez, des hautez tours luissans. Adont fu li assaus orribles et poissans. Li bourgois qui là furent ont les coerz repentans Qu’avec Esmeret furent, qui tant fu avenans, </poem> |valign=top| <poem> Toen de Friezen weken, was Gaufroi zeer bedroefd: Hij roept naar de burgers: « Kom mij te hulp! » En Gaufroi houdt het zwaard vast waarvan de kling goed snijdt; 170 Waar hij Esmerez ziet, nadert hij hem. Esmerez, toen hij hem zag, was geenszins bedroefd. Zij naderden elkaar op hun rennende strijdrossen. Gaufroi sloeg eerst toe, de stinkende verrader: Esmerez ziet de slag die de schurk toebedeelde, Zijn schild keerde hij om, dat van goud glanzend was; En Gaufroi sloeg daarin, hij die zo machtig was. Met zo'n kracht werd de slag toegebracht Dat de kling twee voet diep in het schild drong. Toen hij zijn zwaard probeerde terug te trekken, snelde Gloriant toe; 180 En toen Gaufroi hem zag, veranderde zijn bloed: Hij zou hem niet afwachten, zelfs niet voor 100.000 bezanten. Hij liet zijn zwaard achter, dat in het schild vastzat; In het gedrang werpt hij zich te midden van zijn trouwste volgelingen. En Esmerez roept: « Verrader! Huursoldaat! « U hebt mijn vader immers verkocht in het land van de Perzen; « Ik zal u erom doden, nog voor het jaar voorbij is! « E! Burgers van Nijmegen, u bent zeer onwetend « Dat u uw heer verlaat en hem schade toebrengt, « Voor de meest snode verrader die op de wereld leeft! » Daar waren duizend burgers, allen tezamen verbonden, 190 Die zich naar hem toekeerden, waarover Gaufroi bedroefd was. Toen liet de schurk zijn olifantstrompetten schallen: Naar Nijmegen keert hij terug; hij durft niet te blijven, Opdat de overgeblevenen hem niet zouden achterlaten; In de stad trok de stinkende verrader binnen. En Esmerez valt de sterke en machtige muren aan. Zij lossen die machines die grote keien werpen; Kruisbogen, werpmachines, vanaf de hoge glanzende torens. Toen was de aanval gruwelijk en machtig. De burgers die daar waren, hadden berouw in hun hart Dat zij met Esmerez waren, die zo beminnelijk was,200 </poem> |}<noinclude></noinclude> h3db7wwv6axfo9vz0rovxewewxzexm5 224833 224832 2026-08-15T11:51:52Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224833 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant Frison reculèrent, Gaufrois fu moult dolans : Il crie as chitoïens : « car me soïés aidans ! » Et Gaufrois tient l’espée dont bien trenche li brans ; Où qu’il voit Esmeret, si le fu approchans. Esmerez, quant le vit, n’en fu mie dolans. L’un l’autre ont aprochiet, sus les destriers courrans. Gaufrois féri devant, li traïtrez puans : Esmerez voit le cop que li glous fu esmans, Son blaison retourna qui d’or fu reluisans ; Et Gaufrois i féri qui estoit si poissans. Par tel devision fu le cop desquerquans Que dedens le blason entra ·ij· piés li brans. Au resaquier qu’il fist acourut Glorians ; Et quant Gaufrois le voit, si li mua li sans : Il ne l’atendist mie pour ·cm· besans. Il a laissiet s’espée qu’au blaison fu tenans ; En le presse se fiert tous de ses miex voellans. Et Esmerez s’escrie : « traïtres ! soudoïans ! « Car vendistes mon père en le terre as Persans ; « Je vous en ochirai, ains que passe li ans ! « E ! bourgois de Nimaye, moult estez nonsachans « Qui laissiez vo signour et lui estez nuisans, « Pour le plus fel traïtre qu’ou siècle soit vivans ! » Là ot mille bourgois, tous ensamble alloïans, Qu’à lui se retournèrent, dont Gaufrois fu dolans. Adont a fait sonner, li glous, ses olifans : Vers Nimaye repaire ; n’oze estre demourans, Que ne le relenquisse li autres remanans ; En le chité entra li traïtres puans. Et Esmeret assaut les murs fors et poissans. Descliquent cel engien qui gètent caillos grans ; Ars à tour, espringalez, des hautez tours luissans. Adont fu li assaus orribles et poissans. Li bourgois qui là furent ont les coerz repentans Qu’avec Esmeret furent, qui tant fu avenans, </poem> |valign=top| <poem> Toen de Friezen weken, was Gaufroi zeer bedroefd: Hij roept naar de burgers: « Kom mij te hulp! » En Gaufroi houdt het zwaard vast waarvan de kling goed snijdt; Waar hij Esmerez ziet, nadert hij hem. Esmerez, toen hij hem zag, was geenszins bedroefd.170 Zij naderden elkaar op hun rennende strijdrossen. Gaufroi sloeg eerst toe, de stinkende verrader: Esmerez ziet de slag die de schurk toebedeelde, Zijn schild keerde hij om, dat van goud glanzend was; En Gaufroi sloeg daarin, hij die zo machtig was. Met zo'n kracht werd de slag toegebracht Dat de kling twee voet diep in het schild drong. Toen hij zijn zwaard probeerde terug te trekken, snelde Gloriant toe; 180 En toen Gaufroi hem zag, veranderde zijn bloed: Hij zou hem niet afwachten, zelfs niet voor 100.000 bezanten. Hij liet zijn zwaard achter, dat in het schild vastzat; In het gedrang werpt hij zich te midden van zijn trouwste volgelingen. En Esmerez roept: « Verrader! Huursoldaat! « U hebt mijn vader immers verkocht in het land van de Perzen; « Ik zal u erom doden, nog voor het jaar voorbij is! « E! Burgers van Nijmegen, u bent zeer onwetend « Dat u uw heer verlaat en hem schade toebrengt, « Voor de meest snode verrader die op de wereld leeft! » Daar waren duizend burgers, allen tezamen verbonden, 190 Die zich naar hem toekeerden, waarover Gaufroi bedroefd was. Toen liet de schurk zijn olifantstrompetten schallen: Naar Nijmegen keert hij terug; hij durft niet te blijven, Opdat de overgeblevenen hem niet zouden achterlaten; In de stad trok de stinkende verrader binnen. En Esmerez valt de sterke en machtige muren aan. Zij lossen die machines die grote keien werpen; Kruisbogen, werpmachines, vanaf de hoge glanzende torens. Toen was de aanval gruwelijk en machtig. De burgers die daar waren, hadden berouw in hun hart Dat zij met Esmerez waren, die zo beminnelijk was,200 </poem> |}<noinclude></noinclude> 18v8saxlntfg441k5lar6w12rfoe3xh