Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.15
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/121
104
87775
224869
224827
2026-08-15T17:36:59Z
Havang(nl)
4330
224869
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT IV.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Signour, devant Nimaye furent li ·iij· enfant,
Pour destuire Gaufroi, le traïtour puant.
Gaufrois fu en Nimaie, le cité reluisant ;
Le castellain de Frise en va araisonnant :
« Chastellains, » dist Gaufrois, « alez-moi conseillant ;
« Isterons-nous là hors, sus le pré verdoïant ?
« Sé nous nous tenons chi, sans issir sus le camp,
« Chil garchon me tenront comme fol récréant. »
Et dist li castellains : « par Dieu, le tout poissant,
« Sé croire me volez, droit à l’aube crevant,
« Isterons de Nimaye, la chité souffissant ;
« Et si menrons o nous le nostre arrière-bant.
« S’irons jusques as trés, là où sont li enfant ;
« Je les vous renderai, ains le soleil couchant. »
Et Gaufrois respondi : « vous alés bien parlant. »
Au point du jour a fait bondir son olifant,
Et li bourgois s’en vont vistement adoubant ;
Hors de Nimaye issirent, que ni vont arrestant.
Esmerez de Nimaye faisoit, par Gloriant,
Escargaiter son ost ; car moult s’aloit doubtant
Que Gaufrois n’en issist, en traïson faisant.
On ne croit le larron, quant on scet son samblant.
Gaufrois ist de Nimaye, à moult nobles conrois ;
Avoec li emmena bien .xxm. bourgois,
Et .x{{sup|m}}. Frisons, à grans dars, lons et drois.
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG IV.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Heren, voor Nijmegen stonden de drie kinderen,
Om Gaufroi te vernietigen, de stinkende verrader.
Gaufroi was in Nijmegen, de glanzende stad;
De van Friesland sprak hij aan:
« , » zei Gaufroi, « geef mij raad;
« Zullen wij naar buiten trekken, op de groene weide?
« Als wij ons hier inhouden, zonder het veld op te gaan,
« Zullen die knapen mij voor een laffe dwaas houden. »
En de zei: « Bij God, de Alachtige,
« Als u mij wilt geloven, recht bij het aanbreken van de dag, 10
« Zullen wij uit Nijmegen trekken, de sterke stad;
« En zo zullen wij onze achterban met ons meevoeren.
« En we zullen tot aan de tenten gaan, waar de kinderen zijn;
« Ik zal ze aan u overleveren, nog voor de zon ondergaat. »
En Gaufroi antwoordde: « U spreekt zeer goed. »
Bij het aanbreken van de dag liet hij zijn olifantstrompet schallen,
En de burgers wapenden zich snel;
Buiten Nijmegen trokken zij, zonder te stoppen.
Esmerez van Nijmegen liet, door Gloriant,
Zijn leger bewaken; want hij vreesde zeer 20
Dat Gaufroi naar buiten zou komen om verraad te plegen.
Men gelooft de dief niet, wanneer men zijn ware aard kent.
Gaufroi trekt uit Nijmegen, met zeer adellijke troepen;
Met zich nam hij wel 20.000 burgers mee,
En 10.000 Friezen, met grote, lange en rechte speren.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
f3mb9abu5gee8t6w6ka2hcyx8lkug6g
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/350
104
87780
224835
2026-08-15T12:06:20Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224835
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|311}}</noinclude>eert, maar konde in opzicht van dien tyd, hier toe niet besluiten, overwegende het gevaar, van by ’t gemeen, kwaad agterdenken te zullen geven. Zyn Vrouw riedt het hem ook sterk af, en niet zonder rede: want het konde hem gegaan hebben, als de fabel melt van den Vos en den Ezel. Deze ging naar ’t Hof van den Leeu, daar hem de Vos tegen kwam, dien hy vraagde waar hy zoo schichtig na toe liep? ''weet gy niet'' (zeide de Vos) ''dat de Koning der Dieren een gebod heeft laten uitgaan'', waar by alle gehoornde dieren zyn Hof (op lyfstraffe) ontzeit wort? wel Vosneef (zey de Ezel) gy hebt immers geen Hoornen, maar ooren. ''Dat ’s waar'', zeide de Vos: ''maar als hy nu eens zeide dat myn ooren Horens waren, dan waar ik ’er immers mee gebruit?''<br>{{gap}}De bevinding had hem in dien tyd doen zien dat een kwade naam, of kwaad vermoeden alleen genoeg was om een man van kant te helpen; des ging hy te rade met verstandige luiden, onder andere met den Vorst van Waldeck, die hem wel verzekerde van goed onthaal, en betaling, maar gaf hem in bedenken, ’t geen hier boven gemelt is, van hier door in kwaad vermoeden te zullen vallen by ’t onbezonnen graau, in aanmerking van dien tyd. Te meer wyl hy Hopman van de Borgery in zyn wyk was. Hy liet dan den Hertog van Luxenburg bedanken, en bleef t’huis. Egter is hy naderhant by den Koning van Vrankryk in gedachtenis gebleven, als de voornaamste pourtretschilder in Nederlant; ja de Koning heeft naderhant gewilt dat zyn Ambassadeur ''d’Avaux'', die order had om Konst voor hem te koopen, zig van zynen raad, en oordeel zoude bedienen.<br>{{gap}}Hy heeft ook veel eer en voordeel genoten van<noinclude>{{RH||V 4|den}}</noinclude>
h0g19hbea7527fa1r90a3x84hscfnv8
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/351
104
87781
224836
2026-08-15T12:35:11Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224836
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|312|''Schouburgh der''|}}</noinclude>den Keurvorst van Brandenburg Frederik Wilhelm, wiens beeltenis hy verscheiden malen heeft geschildert, als ook vele Vorstelyke Perzoonen.<br>{{gap}}Eyndelyk heeft gemelde Keurvorst by een verzegelde ''Acte'' geteekent den 23 van Hooymaand 1676, hem verkozen tot zyn Opperhofschilder en ''Surintendant'' van zyn Konst, en Konstacademie, en toe geleit een Jaar gelt van zes duizent guldens. Doch zyn Vrou, zedig en borgerlyk van aard, had geen geniegtheit om te Berlyn aan ’t Hof te wonen; zulks hy zyn Keurvorstelyke Doorluchtigheid moest bedanken, die dan verzocht een van zyn beste Leerlingen, waar toe hy uitkeurde ''Jan van Sweel'' welke veer in de Konst gevorderd was, en de handeling van zyn Oom na by kwam. Deze ging daar heen, en kreeg Jaarlyks twee duizent gulden, de vrye tafel, en een eygen paard op stal.<br>{{gap}}Vier of vyf malen heeft hy den Prins van Oranje (naderhant Koning van Engelant) op verscheyden tyden, ook met zyn Princes, als ook den Hartog van Jork (als hy hier te land was) geschildert, neffens een groot getal van minder Heeren, en Borgerlyke Persoonen te lang om te verhalen. Waar onder het pourtret van myn Schoonvader Jakob Sasbout Souburg, ''Operateur'', mee op de lyst komt.<br>{{gap}}Onder zyn grooter penceelwerken, waar in hy inzonderheit zyn konst getoont heeft, word getelt, het stuk van de Regenten van ’t Tugthuis t’Amsterdam. Tot Leyden op de Lakenhal de vier Staalmeesters in een stuk, gejaarmerkt 1675, op den nieuwen Doele in den Haag, de Borgermeesters, Schepenen, Geheimschryver enz. waar voor hy duizent Ducatons heeft gehad. Nog tot Hoorn<noinclude>{{rechts|twee}}</noinclude>
ryqz8j3frhxxqxafmx5klnd0ael7kwq
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/352
104
87782
224837
2026-08-15T13:00:12Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224837
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|313}}</noinclude>twee groote stukken, in ’t eene waar in de Heeren Bewinthebbers van de Oostindische Maatschappy, en in ’t ander de Hopman, neffens de mindere bestierders der Borgery geschildert staan. Maar ’t geen waar aan hy zonderling zyn Konst getoont heeft, is de Beeltenis van Prins Maurits van Nassou Ziegen, de welke zelf behagen nam zoo lang, en zoo dikwils te zitten als hy ’t begeerde, die zig daar ook van bediende, en het ten uitersten naar de Konst uitgevoert heeft tot groot genoegen van den Vorst en alle Konstkenners. Dikwils heeft hy te Kleef, en elders den Vorst tot gezelschap geweest, welke veel werks van hem maakte. Ook maakte de Vorst dit bovengemelde konstig geschilderde pourtret voor zyn overlyden weder aan hem, die het om die waardige gedachtenis, door ’t dagelyks zien, te vernieuwen, als ook om dat dit het proefstuk van zyn penceelkonst was, ’t zelve zoo lang hy leefde (hoe dikwils daar om aan gezocht) niet wilde verkoopen, en ook aan zyne Kinderen (op zyn ziekbed leggende) met nadruk belastte ’t zelve niet te verkoopen, dan alleen aan ’t Hof van Brandenburg, gelyk dit stuk dan ook eerst in den jare 1702 (wanneer de Koning van Pruissen in den Haag was, {{sc|de Baan}} dat zelve jaar gestorven zynde) door zyn Dochter aan den Koning werd geprezenteert, en verkocht voor vier hondert Ryksdaelders.<br>{{gap}}Hy heeft in zyn tyd door de Konstoeffening veel gelt gewonnen, maar heeft ook rykelyk daar van geleeft en al die hem kwamen bezoeken waren hem welkom. ''Een nieuwen Hoed'', (dit was zyn spreuk) ''en een Oxhoofd wyn op een jaar meer, daar maak ik veel goede vrinden mee''. Hy kreeg ’er ook vrienden door, maar wel meest panlikkers,<noinclude>{{RH||V 5|of}}</noinclude>
6vazbny2czmmeoucvorfkxn8js878im
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/353
104
87783
224838
2026-08-15T13:30:51Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224838
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|314|''Schouburgh der''|}}</noinclude>of tafelbezems, waar onder was de lantschapschilder ''B. Appelman'', die weeken lang gewoon was op vreemde bodems te oorlogen.<br>{{gap}}Men leest by Livius, hoe ''Menenius Agrippa'' van den Roomschen Raad tot de afgevallen Borgers gezonden, om hen tot wederkeeren te bewegen, deze Fabel, of gelykenis voorstelde: ''Dat de leden des menschen lichaams op een tyd met malkander in twist raakten, en klaagden over de maag. Hoe de voeten ’t geheele lichaam droegen. Hoe de handen arbeyden, en streden. Hoe het hoofd altyd met bedenkingen en overleggingen bezig was, en dat al wat zy daar mee wonnen of verkregen, altemaal door de maag verteert wierd, die niet arbeydde''. Maar wy mogen wel zeggen (zinspelende op de schuimloopers waar van wy even melden) dat onze {{sc|de Baan}} veel magen had, die ’t geen hy door zyn vernuft en handen gewonnen hadde, hielpen verteeren. Hier by had hy zes Kinderen en nog drie van zyn Zuster, en vyf van zyn Vrouws Zuster, zoo in als buitenshuis tot zyn last, die niet als de Steur, van den wind konden leven; dat hy aan zyn kas in later tyd best gewaar wierd; want zyn gelukstar was al eenige jaren voor zyn sterven onder gegaan.<br>{{gap}}Zyn Zoon {{sc|JAKOBUS de BAAN}} oeffende mee de Schilderkonst, dog zyn levenslamp werd door de dood op zyn 27 Jaar gedompt, daar zyn Vader grooten rouw over droeg, in die twee jaren die hy na hem leefde. Wy zullen aan hem op zyn geboortejaar gedenken.<br>{{gap}}Nu heb ik noch een opmerkelyk en zeltsaam geval te verhalen, ’t geen onzen Konstenaar ontmoet is. Laat het u niet verdrieten Lezer zoo het<noinclude>{{rechts|wat}}</noinclude>
dwfv0z7om2aojlcnjioxpdp5v9lmgdj
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/354
104
87784
224839
2026-08-15T13:37:13Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224839
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilederessen''.|315}}</noinclude>wat lang valt. Waren ’t beuzelingen ik zou my schamen u dien last aan te doen.<br>{{gap}}''Alle dingen'' (zeit het spreekwoort) ''hebben twee handvatzels''.<br>{{gap}}Dit ziet op de tweederhande of verschillige opvattingen, waar door de voorkomende zaken op het gemoet der menschen verschillige aandoeningen schynen te bewerken.<br>{{gap}}Schynen te bewerken (zeg ik) om dat alle voorkomingen eenvoudig enkel bespiegelend zyn, en de werkingen, die ’t zelve veroorzaaken, van de gestalte des gemoets afhangen, en de meerder, of minder aandoeningen, ten kwade of ten goede, van de goede of kwade geaartheit haar oorzaak hebben.<br>{{gap}}De gaven der Konst zyn ongelyk gedeelt, en de eene steekt in hoogte uit boven de andere als een Ceder by het lage kruid. De hoogste zyn de laagste (op de Schilderkonst toegepast) als het doel, waar naar elk mikt met den pyl van zyn gewiekt vernuft, en zal die, welke zig ’t yverigst daar in oeffent, ’t wit digtst by beschieten. Dit veroorzaakt in de genen die in ’t treffen te kort schieten (zoo de zelve een edelmoedigen geest bezitten) naayver en voelen zig gespoort om in die oeffening niet op te houden. Dus moeten de Konstoeffenaars zich ook onderling gedragen. Maar zoo haast ’er in dit opzicht afgunst ryst, is ’t een bewys van ’t kwaat gemoet, het welk in anderen benyd, ’t geen het behoorde te pryzen.<br>{{gap}}Dit ontdekt zig meest in lafhartigen, en die een lagen geest bezitten, die liever aflaten van zich voort te oeffenen; om hun werk te maken van het doen der bovenstrevers te verguyzen, en hun roem met scheef gezicht te begluuren.<noinclude>{{rechts|’T}}</noinclude>
eiqngwm79kqjnb9q7885i987c2spc0b
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/355
104
87785
224840
2026-08-15T13:47:34Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224840
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|316|''Schouburgh der''|}}</noinclude><br>{{gap}}’T lust ons door loflyke voorbeelden aan te wyzen hoe de Konstschilders zig onderling onder malkander behoorden te gedragen, om de Konst aan te kweken, te bouwen, en haar agting op te beuren. Waar na wy de kwade gevolgen die uit afgunst spruiten, (wanneer men die drift den toom los geeft) met een zwarte kool (ten spiegel) zullen afschetzen.<br>{{gap}}De drie ''Gratien'' door ''Rafael'' van ''Urbyn'' geschildert te Rome in ’t Paleis ''Petit'', of kleen ''Gegy'' genaamt zyn berugt voor een van zyne beste werken, en versieren het voorportaal van gemelde ''Gegy'', of ''Chisi''. Nu verspreyde het gerugt dat de Galathe, die hy in een der zaalen schilderde, noch ongelyk schooner en konstiger zoude wezen. ''Michiel Angelo'' belust om het stuk te zien wyl het nog onderhanden was, dog geen gelegentheit daar toe hebbende, zoo om dat niemant toegang daar toe gelaten wierd, als om dat zy geen goede vrinden waren, bedacht hier toe een list; hy verkleedde zig in boeregewaat, en waarde om de deur, tot hy gelegentheit vont van een huisdienaar die de deur opende aan te treffen, dien hy dan op een boersche wyze dus aansprak: ''Ik heb gehoort dat Rafael in een der zalen van dit Paleis een Zeegodin schildert, ik heb zulks nooit gezien, en over zulks verzoek ik dat eens te mogen zien'', daar by voegende: ''Dan kan ik thuis komende aan myn Kinderen vertellen dat ik wat vreemts gezien heb''. De Dienaar wees hem af, dog door lang aanhouden, en hem wat in de vuist te stoppen, werd hy in gelaten, en de zaal aan gewezen. ''Michiel Angelo'' zig alleen in de zaal bevindende (want hy had dit waar genomen op dien tyd als ''Rafael'' met zyn leerlingen, die meê aan die zaal schilderden, mid-<noinclude>{{rechts|dag-}}</noinclude>
3o5mms7zgbdfjno6d7colrts8y2opd1
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/356
104
87786
224841
2026-08-15T14:01:23Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224841
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|317}}</noinclude>dagmaalde) en alles besnuffelt hebbende, vind een houdskool, klimt op een stoel of bank, en teekent daar mee, in een ronde Nis boven de deur een menschen hoofd eens zoo groot als ’t leven agter over in de verkorting te zien, en gaat uit de kamer stil zyn weg.<br>{{gap}}''Rafael'' gespyst hebbende, en in de zaal gekomen om weer aan ’t werk te gaan, krygt dit in ’t oog, en vraagt aan elk wie ’er in zyn afwezen in het vertrek geweest was. De deurbewaarder zeide niemant, dan alleen een Boer, en dat die daar zoo lang om aangehouden had dat hy hem in liet, maar vorders niet wist wie hy was. ''Dan zal ik het u wel zeggen'' (zeide Rafael) ''wie die Boer geweest is. ’T is Michiel Angelo geweest; want niemant anders kan zulks doen, als gy hier ziet, en wees op het geteekende opziende Hoofd'', en maakte voorts den Heer van ’t huis bekent wat ’er gebeurt was.<br>{{gap}}Het werk van de zaal tot dus veer voltooit, zoo wilde de patroon dat dit vak ook beschildert zoude worden: maar ''Rafael'' weygerde zulks te doen, zeggende: ''dat die omtrek zoo konstig was dat niemant de zelve zoude konnen verbeteren, dat hy de hant daar aan niet wilde leggen, maar dat zulks tot een waardig gedenkstuk van Konst, zoo blyven moest''. Gelyk ’t heden nog zoo staat.<br>{{gap}}Op gelyke wyze wort verhaalt van den Konstschilder ''Carats'', dat hy in de kleene Kerk van St. Gregorius by het ''Colloze'' een Altaarstuk had geschildert, en twee van zyne beste Leerlingen, ''Dominicyn'' en ''Guidureni'', ook elk een stuk zoude maken, en dat de Paters bedongen hadden dat hy (deze twee stukken voltooit zynde) de laatste hand daar aan leggen moest, ’t welk ''Carats'' hun had toe-<noinclude>{{rechts|ge-}}</noinclude>
p9rrce1ma23zx6v81if1m6zyaty6r0g
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/357
104
87787
224842
2026-08-15T14:35:37Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224842
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|318|''Schouburgh der''|}}</noinclude>gestaan. D’eerst gemelde had de Geesseling, d’ander de Kruisdraging van St. Andreas verbeeld. Als nu deze stukken afgeschildert waren en geplaatst zouden worden, drongen de Kloosterlingen uit hoofde van hun verding ''Carats'' aan, om ’t met zyn konstig penceel daar ’t gebrekkig was te verbeteren. Dog hy weigerde zulks, zeggende: ''dat hy die stukken heerlyk naar de Konst geschildert vont, en dat die de zelve wilde verbeteren, een grooter Meester dan hy in de Konst wezen moest''.<br>{{gap}}De groote ''Rubbens'' ook, wanneer de Kloosterlingen aan ''van Dyk'' de waarde van zyn Konst niet wilden betalen (gelyk wy op zyn plaats breedwydig hebben aangemerkt) nam die naar zig en betaalde ''van Dyk''; om de Konst haar waarde te doen houden, en op te beuren. En zoo nam ook de Konstschilder ''Bakker, Jan de Baan'' (even te voren in desselfs levensbeschryving vermelt) dezen zyn Leerling nog jong zynde, aldus in gezelschap met hem, en prees des zelfs Penceelwerk boven zyn eigen; en hebben dus deze kunstenaars voorbeelden nagelaten, hoe men de Konst opbouwen, en de Konstenaars opbeuren moet uit de verdrukking.<br>{{gap}}Zoo wy nu de welmeenenden, en de kwaad meenenden tegens elkander over in den evenaar stelden, de laatste zouden de balans merkelyk overhalen.<br>{{gap}}Die de schaamte ontwassen zyn steken met hunnen nydigen angel dat men het ziet: De Konstschilder {{sp|....}} ''Le Ceur'' kreeg in zyn tyd order om voor de Koningin van Vrankryk een Koepel te schilderen, waar van hy een teekening maakte die hy de Koningin in handen gaf, daar zy groot genoegen in nam. Maar ''C. le Brun'' (aan wien zy<noinclude>{{rechts|die}}</noinclude>
97r33z03r6qapdfo8bcbdm6jqbznqwg
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/127
104
87788
224843
2026-08-15T15:02:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224843
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Pour l’amour de leur femmes et de leurz biaus enfans.
S’en i avoit de telz qui les coerz ont dolans
Plus pour leur grant richèce, qu’il estoient tenans,
Qu’il ne sont pour leur femmes ; jà n’en soïez doubtant.
Miex reçoevr’-on de femmes, biau signour, tous lez ans,
C’on ne fache d’avoir, né de florins luisans :
A l’avoir le monnoie est li fais trop pesans.
Or sont devant Nimaye li prinche et li baron.
Li rebelle bourgois s’escrient à haut ton :
« Ahi ! sire Esmeret, pour Dieu nous te prion !
« Ne laissiez pas l’assaut, gentis fiex à baron ;
« Ains faitez assalir, à forche et à bandon,
« Par coi aïons le ville à no devision :
« Car li bourgois dedens nous feront garison ;
« A nous feront confort, par aucune ocoison.
« Car sé n’avons la ville, n’avons lieu né maison
« Que Gaufrois, li traïtrez, n’ait tost mis en carbon ;
« Et femmes, et enfans, métera en prison. »
« Signour, » dist Esmerez, « à vo devision. »
Adont a fait sonner maint grant cor de laton.
Le moitiet de son ost, mise en droite parchon,
Fist reposer, li bers, as campz sus le sablon :
Et fist tantost crier en l’ost, par ·j· garchon,
C’on fache vistement apporter garison
A boire et à menguier, assez et à foison
Des vins et des viandes, illuec, à quarion ;
Pour desjuner le poeple, qui en ot grant beson.
Et li autre assaloient le chité environ.
Quant virent le viande, en leur propre fachon,
Tout s’i sont acourut, chevalier et garchon :
Li ·j· hape ·j· poulet ; li autrez ·j· capon ;
S’effondrent les tonniaus, à forche et à bandon ;
Car il avoient soif. N’est-se merveille non :
Li tamps fu biaus et chaus, si qu’à l’Ascention.
Quant il eurent béut, à leur devision,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Omwille van hun vrouwen en hun mooie kinderen.
En er waren er bij wier harten treurden
Meer om hun grote rijkdom, die zij bezaten,
Dan zij deden om hun vrouwen; twijfel daar beslist niet aan.
Beter ontvangt men elk jaar vrouwen, schone heren,
Dan men doet aan bezit of glanzende florijnen:
Bij bezit is de last van het geld te zwaar.
Nu staan de prins en de baronnen voor Nijmegen.
De rebelse burgers schreeuwen met luide stem:
« Ach! heer Esmeret, om Gods wil smeken wij u!210
« Staak de aanval niet, edele zoon van een baron;
« Maar laat stormen, met man en macht en onstuimig,
« Opdat wij de stad naar onze hand zetten:
« Want de burgers daarbinnen zullen ons beschutting bieden;
« Zij zullen ons steunen, zodra de kans zich voordoet.
« Want als wij de stad niet hebben, hebben wij plek noch huis
« Dat Gaufrois, de verrader, niet spoedig in de as heeft gelegd;
« En vrouwen en kinderen zal hij in de gevangenis werpen. »
« Heren, » zei Esmerez, « zoals u het wenst. »
Toen liet hij menige grote hoorn van brons schallen.220
De helft van zijn leger, in een eerlijk deel verdeeld,
Liet hij rusten, de dappere, in de velden op het zand:
En hij liet dadelijk in het leger roepen, door een schildknaap,
Dat men snel versterkingen moest brengen
Aan drank en voedsel, in grote overvloed
Van wijnen en spijzen, aldaar, bij karrenvrachten;
Om het volk te spijzigen, dat daar grote behoefte aan had.
Andere legereenheden bestormden de stad rondom.
Toen zij het voedsel zagen, geheel op hun eigen wijze,
Kwamen zij allemaal aanrennen, ridders en schildknapen:230
De een griste een kip mee; de ander een kapoen;
De vaten werden opengebroken, met man en macht en onstuimig;
Want zij hadden dorst. Het is werkelijk geen wonder:
Het weer was mooi en warm, net zoals met Hemelvaart.
Toen zij gedronken hadden, naar eigen believen,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
qt44m913nwk8lvte46aohxx83ylvo6a
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/128
104
87789
224844
2026-08-15T15:04:24Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224844
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
A l’assaut vont courrant, ensi que campion ;
Mais as crestiaus lassus estoient chil Frison :
Li ·j· getoit ·j· bauch, li autres ·j· perron.
Ains ne fu telz assaus, à ville n’a dongon,
Comme il ot à Nimaye, à ychelle saison !
Gaufrois ot si grant doubte, et si grant marrisson,
Onques n’ot tel paour, en se régnation :
Perdut éust Nimaye, sé ne fuist ·j· glouton
Qui li aprist à faire une grant traïson.
Tout adès qui fait mal le mal li enort-on.
Gaufrois fu en Nimaye, en son palais luisant ;
Environ lui estoient tout si appertenant :
« Signour, » che dist Gaufrois, « forment me vois doubtant
« Que perdons Nimaye, ains le soleil couchant ;
« Car il sont d’assalir si aspre et si engrant,
« Qu’il ne doubtent la mort ·j· denier valissant ;
« Cop d’engien, d’espringale, né de pière pesant.
« Che me font li bourgois qu’ont esté récréant.
« Sé nous n’avons conseil, mal nous est couvenant ! »
Dont parla ·j· traïtrez, qui coer ot soudoïant,
Conseillerrez Gaufroi, et son appertenant :
« Sire Gaufrois, » dist-il, « par Dieu, le roi amant !
« Né vous, né vostre ville, n’i ara nul garant ;
« S’une cose ne faitez, dont me vois avisant. »
« Or tost, » che dist Gaufrois, « alez-moi conseillant. »
« Sire, » dist li traïtrez, « faites que maintenant
« Soient, lez les crestiaus ; et femmes, et enfant,
« Onclez, cousins germains, et antains, en sievant,
« A cheus qui relenquis se sont, com mescréant.
« Puis les faites geter, des crestiaus par devant,
« A val ens ès fossés ; et je vous récréant
« Que si li bourgois voient cestui fait apparant,
« A Esmeret tantost en iront priier tant,
« Qu’il laisseront l’assaut et iront repairant.
« Ensi serez sauvet ; chieus fait est aparant. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Renden zij naar de aanval, net als kampioenen;
Maar op de kantelen daarboven stonden de Friezen:
De een wierp een balk, de ander een rotsblok.
Nooit was er zo'n aanval, op stad noch op burcht,
Als er was te Nijmegen, in dat seizoen!240
Gaufrois had zo'n grote angst, en zo'n groot verdriet,
Nooit had hij zo'n vrees gehad in zijn hele regeerperiode:
Verloren had hij Nijmegen, ware het niet voor een schurk
Die hem leerde hoe hij een groot verraad moest plegen.
Telkens wanneer men kwaad doet, spoort men hem aan tot het kwaad.
Gaufrois was in Nijmegen, in zijn glanzende paleis;
Om hem heen stonden al zijn volgelingen:
« Heren, » zo sprak Gaufrois, « ik ben erg bang
« Dat wij Nijmegen verliezen, nog voor de zon ondergaat;
« Want zij zijn zo fel en zo gretig in het aanvallen,250
« Dat zij de dood niet vrezen voor de waarde van een cent;
« Noch de inslag van een krijgsmachine, een springaal of een zware steen.
« Dit doen mij de burgers aan die laf zijn geweest.
« Als wij geen raad krijgen, loopt het slecht met ons af! »
Toen sprak een verrader, die een vals hart had,
Een raadsman van Gaufrois, en zijn vertrouweling:
« Heer Gaufrois, » zei hij, « bij God, de minnende koning!
« Noch voor u, noch voor uw stad zal er enige bescherming zijn;
« Tenzij u één ding doet, dat ik nu bedenk. »
« Snel dan, » zo sprak Gaufrois, « geef mij raad. »260
« Heer, » zei de verrader, « zorg dat nu meteen
« Bij de kantelen worden gezet; zowel vrouwen als kinderen,
« Ooms, volle neven en tantes, in het spoor
« Van hen die zich hebben overgegeven, als ongelovigen.
« Laat hen vervolgens van de kantelen afwerpen,
« Naar beneden, midden in de grachten; en ik verzeker u
« Dat als de burgers deze daad met eigen ogen zien,
« Zij dadelijk zo hard smeken bij Esmeret,
« Dat zij de aanval staken en zullen terugtrekken.
« Zo zult u gered zijn; deze daad zal effect hebben. »270
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
cfzokcudo8mjhicgyzmd1dpsa4p0e1p
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/129
104
87790
224845
2026-08-15T15:06:22Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224845
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Par ma foy, » dist Gaufrois, « chil mot sont avenant.
« Jammais ne vous faurrai, ès jours de mon vivant. »
Dont se vont li Frison, par le ville, espandant ;
As hosteus des bourgois sont alet maintenant :
Les dames, les enfans, et cheus en bierch gisant,
Ont pris et acouplez ; et lez vont conduisant
A mont sus les cristiaus, où on va assalant.
Lors commanda Gaufrois qu’on les voist balanchant,
A val ens ès fossez, qu’on n’i voist arrestant.
Et chil pleurent et crient, et vont grant doel menant ;
Car le mort redoutoient li petit et li grant.
C’est drois qu’on le redoubte, je le vous acréant,
Car puis c’uns homs est mort au sien n’a ·j· seul gant.
Ensi li traïtour prisent entr’iaus l’avis.
Par les crestiaus getoient femmes, enfans petit ;
Li fosset sont profont, li mur sont haut assis ;
Je croy que de ·cm· n’en escapast ·j· vis.
Là oïssiés grant doel et crier à haus cris :
« Douche Vierge-Marie, ouvrés-nous paradis !
« Gaufrois nous t’apellons, par devant Jhésu-Cris,
« Au jour qu’il avera son jugement assis ! »
Et Gaufrois leur respont : « jà n’i serai oïs !
« Pensés de l’appeller ; n’en donne ·j· parésis :
« Car je n’ai nient plus d’âme comme a ·j· soris. »
Nient plus que fuissent kien, n’avoit Gaufrois pité
De geter les enfans à val ens ou fossé ;
Et dames et pucellez, plaines de grant biauté.
Là crioient en haut : « vrais Rois de majesté,
« Aïés de nous merchi, par ta sainte bonté ! »
Et s’il estoit aucuns qui en éust plouré,
Gaufrois le fait saisir ; si l’ont après geté.
Et quant li bourgois virent le grant desloyauté
Que Gaufrois leur faisoit, de leur carnalité ;
Tost et isnèlement vinrent à Esmeré.
« Ahi ! sire, » font-il, « pour Dieu de trinité,
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Bij mijn geloof, » zei Gaufrois, « deze woorden zijn passend.
« Nooit zal ik u in de steek laten, zolang ik leef. »
Toen gingen de Friezen zich door de stad verspreiden;
Naar de huizen van de burgers gingen zij nu meteen:
De dames, de kinderen, en hen die in de wieg lagen,
Hebben zij gegrepen en vastgebonden; en zij voerden hen mee
Omhoog naar de kantelen, waar men aan het aanvallen is.
Toen beval Gaufrois dat men hen eraf moest slingeren,
Naar beneden, midden in de grachten, zonder ermee op te houden.
En zij huilen en schreeuwen, en maken groot misbaar;280
Want de dood vreesden zij, de kleinen en de groten.
Het is recht dat men die vreest, dat verzeker ik u,
Want zodra een mens dood is, heeft hij aan het zijne geen enkele handschoen meer.
Zo beraamden de verraders onder elkaar het plan.
Vanaf de kantelen wierpen zij vrouwen en kleine kinderen;
De grachten zijn diep, de muren zijn hoog opgetrokken;
Ik geloof dat er van de honderdduizend niet één levend ontsnapte.
Daar hoorde men groot verdriet en luid geschreeuw:
« Lieve Maagd Maria, open voor ons het paradijs!
« Gaufrois, wij dagen u voor Jezus Christus,290
« Op de dag dat Hij Zijn oordeel zal vellen! »
En Gaufrois antwoordt hen: « daar zal ik nooit gehoord worden!
« Denk er maar aan om Hem aan te roepen; ik geef er geen cent om:
« Want ik heb net zoveel ziel als een muis. »
Niet meer dan alsof het honden waren, had Gaufrois medelijden
Om de kinderen naar beneden, midden in de gracht te werpen;
En dames en maagden, vol van grote schoonheid.
Daar riepen zij luid: « ware Koning der majesteit,
« Heb erbarmen met ons, door Uw heilige goedheid! »
En als er iemand was die erom gehuild had,300
Liet Gaufrois hem grijpen; en men wierp hem er achterna.
En toen de burgers de grote trouweloosheid zagen
Die Gaufrois hun aandeed, aan hun eigen vlees en bloed;
Kwamen zij snel en ijlings naar Esmeré.
« Ach! heer, » zeiden zij, « bij de God van de Drie-eenheid,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
5933vvngkza2vcu4w23yhmudc8u4utd
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/130
104
87791
224846
2026-08-15T15:08:28Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224846
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Faites laissier l’assaut : tout sommes désolé,
« Par Gaufroi, le traïtre, qu’est plains de cruauté !
« Nos femmes, nos enfans l’ont trop chier comparé,
« Car il sont des crestiaus contre terre rué ;
« De ·c· n’en i aroit ·j· tout soel rescapé. »
Quant Esmerez l’oï, s’a grant doel démené :
L’assaut a fait laissir ; si se sont retourné.
Et Gaufrois fist laissier che qu’il ot en pensé ;
Et femmes et enfant en furent remené :
Mais sachiés qu’ès prisons furent trestout bouté.
Et li troi frère sont, en l’ost, moult aïré ;
Si ne scèvent comment il aront la cité.
Là furent maint engien, et fait, et carpenté,
Et dréchiet à le ville par devant, ens ou pré ;
Et getoient as murs pières, à grant plenté.
Mais bien sont pourvéut et de pain et de blé,
Et de char, et de vins, de maint bacon lardé ;
Il ne doubtent le siège ·j· denier monnoé.
Et s’a li glous Gaufrois si le monde aveulé,
Qu’il n’i ot si petit, dedens la fremeté,
Mais qu’il péust porter ·j· grant baston quarré,
Que ne donnast saudées, cascun jour à journée :
Cascun, lonc son estat, avoit denier plenté.
Par avoir sont souvent maint preud’omme aveulé.
Or sont devant Nimaie li ·iij· enfant royal,
Pour le cité conquerre, dont haut sont li mural ;
Mais Gaufrois ne les doubte le monte d’un hestal.
·j· dus de Danemarche, c’on clamoit Percheval,
Vint par le haute mer, et o lui maint vassal,
Pour conforter Gaufroi, qui régna en grant mal ;
Car chius duc si amoit, de bonne amour loyal,
Une serour Gaufroi, plus blanche que cristal,
Qui estoit à Nimaye, très le tampz juvénal.
Dont Gaufrois li manda, par mos espécial,
Qu’il le venist secourre, o son poeple, à cheval ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Laat de aanval staken: wij zijn allemaal wanhopig,
« Door Gaufroi, de verrader, dat vol wreedheid is!
« Onze vrouwen, onze kinderen hebben het te duur betaald,
« Want zij zijn vanaf de kantelen tegen de grond gesmeten;
« Van de honderd zou er niet één enkele gered worden. »310
Toen Esmerez dit hoorde, maakte hij groot misbaar:
Hij liet de aanval staken; en zij hebben zich omgedraaid.
En Gaufrois liet datgene staken wat hij in gedachten had;
En vrouwen en kinderen werden weer mee teruggevoerd:
Maar weet dat zij allemaal in de gevangenissen werden gegooid.
En de drie broers zijn, in het leger, zeer ontdaan;
Zij weten niet hoe zij de stad in handen zullen krijgen.
Daar werden menige krijgsmachines gemaakt en getimmerd,
En recht voor de stad opgesteld, daar in de weide;
En zij wierpen stenen naar de muren, in grote menigte.320
Maar zij zijn goed voorzien van zowel brood als graan,
En van vlees, en van wijnen, en van menig stuk spek;
Zij vrezen het beleg voor geen enkele geslagen munt.
En zo heeft de schurk Gaufrois de mensen misleid,
Dat er niemand zo klein was, binnen de vesting,
Mits hij maar een grote vierkante knuppel kon dragen,
Of hij kreeg soldij, elke dag opnieuw:
Ieder had, naar zijn stand, geld in overvloed.
Door bezit wordt menig braaf man dikwijls verblind.
Nu staan voor Nijmegen de drie koningskinderen,330
Om de stad te veroveren, waarvan de muren hoog zijn;
Maar Gaufrois vreest hen nog niet ter waarde van een stalknecht.
Een hertog van Denemarken, die men Percheval noemde,
Kwam over de hoge zee, en met hem menige vazal,
Om Gaufroi te steunen, die in grote boosheid regeerde;
Want deze hertog hield, met goede en loyale liefde,
Van een zuster van Gaufroi, witter dan kristal,
Die in Nijmegen was, al sinds haar vroege jeugd.
Daarom stuurde Gaufrois hem een bericht, met uitdrukkelijke woorden,
Dat hij hem moest komen helpen, met zijn volk te paard;340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gj0v7w29ks8ulp1of7tydikb242wudp
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/131
104
87792
224847
2026-08-15T15:13:11Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224847
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et il aroit sa soer, la belle Principal.
Dont chius dux amena vitaillez et bissal,
·xl· nés querquiés, tout parmi le canal.
Quant Boulenois les virent, si lor en fist moult mal :
S’ont fait en l’ost sonner maint grant cor de métal,
Busines et arainnes ; et droit ou fons d’un val,
S’alèrent adouber, li Boulenois royal.
En leur vaissiaus entrèrent, dont haut furent li mal,
Encontre les Danois alèrent rendre estal.
Onques si grant bataille n’i ot en Raincheval,
Qu’il i ot en le mer, à icestui journal ;
Li mort et li navré rechurent grant traval.
Signour, dedens le mer s’en vont li Boulenois ;
Glorians les conduist, li damoisiaus courtois :
N’ont gaires lonc alet, quant virent les Danois.
E ! Dieux, qu’à l’aprocier i fu grans li effrois ;
Traïoient d’abalestres, et de leurs ars Turcois,
Et vinrent main à main. Là fu grans li tournois :
Il ochient l’un l’autre, à bons brans Viénois ;
Et détrenchent oreillez, testes, bras, à esplois.
Li dux de Danemarche, qui estoit lons et drois,
I fiert d’une grant hache, d’achier Poitevinois ;
N’aconsieut homme nul qui ne soit mors tous frois.
Et Glorians réclaimme Jhésu-Crist, et sa crois.
Le bataille dura ne sai ·ij· jours ou trois ;
Là furent desconfi trestout li Boulenois.
Boulenois furent mort ; n’escapa que ·ij· nés :
En l’une est Glorians arrière retournés ;
Au haule descendi, dolans et aïrés.
Contre Gloriant vint ses frères Esmerés ;
A haute vois escrie : « ahi ! frère carnés,
« A esté vostres poeplez desconfis et matés ? »
« Oïl, » dist Glorians, « si sui ente navrés. »
Dont s’estourmi li os environ de tous lès.
Quant li Boulenois sceurent c’on a leur gens tués,
</poem>
|valign=top|
<poem>
En hij zou zijn zuster krijgen, de schone Principal.
Daarom bracht deze hertog proviand en levensmiddelen mee,
Veertig schepen geladen, helemaal door het kanaal.
Toen de inwoners van Boulogne hen zagen, deed hen dat veel pijn:
En zij lieten in het leger menige grote hoorn van metaal schallen,
Bazuinen en koperblazers; en recht op de bodem van een dal,
Gingen de koninklijke inwoners van Boulogne zich wapenen.
Zij gingen hun schepen in, waarvan de masten hoog waren,
Tegen de Denen gingen zij de strijd aan.
Nooit was er zo'n grote strijd in Roncesvalles,350
Als er was op de zee, op deze dag;
De doden en de gewonden moesten zware ontberingen doorstaan.
Heren, de zee op gaan de inwoners van Boulogne;
Glorians leidde hen, de hoofse jonge edelman:
Zij waren nog niet ver gegaan, toen zij de Denen zagen.
O! God, wat was de angst groot bij het naderen;
Zij schoten met kruisbogen, en met hun Turkse bogen,
En kwamen handgemeen. Daar was het gevecht groot:
Zij doden elkaar, met goede zwaarden uit Wenen;
En zij hakken oren, hoofden en armen af met vaart.360
De hertog van Denemarken, die groot en recht van gestalte was,
Slaat daar om zich heen met een grote strijdbijl, van staal uit Poitou;
Hij treft geen enkele man die niet terstond lijkkoud sterft.
En Glorians roept Jezus Christus aan, en Zijn kruis.
De strijd duurde ik weet niet of het twee of drie dagen was;
Daar werden de inwoners van Boulogne volledig verslagen.
De inwoners van Boulogne waren dood; er ontsnapten slechts twee schepen:
In de ene is Glorians teruggekeerd;
In de haven ging hij aan land, bedroefd en ontdaan.
Gloriant werd tegemoetgekomen door zijn broer Esmerés;370
Met luide stem roept hij uit: « ach! eigen broeder,
« Is uw volk verslagen?
« Ja, » zei Glorians, « ik ben zwaargewond. »
Toen raakte het leger rondom aan alle kanten in rep en roer.
Toen de bewoners van Boulogne vernamen dat men hun volk had gedood,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
hsekjhroe5v9xbgj3nbjphix8flppls
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/132
104
87793
224848
2026-08-15T15:17:06Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224848
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Lendemain descendirent et paveillos et trés ;
S’ont laissie Nimaye, dont bonne est la citez,
Ne vaurent demourer : cascuns s’en est r’alés.
Et sé là fuist Wistaces, de Boulongne fiévés,
Jà ne l’éussent fait, che est la véritez ;
Nais gens sans nul signour ne valent ·iiij· dés :
Puis que terre est à dame, li païs est gastés.
Wistaces ne fu mie dedens ches hérités ;
Ains estoit en Surie à ses frères alés,
Droit à Jhérusalem, là où Diex fu pénés,
Dont Godefrois, ses frères, estoit rois couronnez.
Et Boulenois s’en vont, qui les coers ont irés.
Quant li ·iij· frère virent leur barons destrués ;
Vers Boulongne s’en vont, les frains abandonnés.
Quant la comtesse Ydain coisi les bachelers,
Adont leur demanda sé Gaufrois est tués ?
« Dame, » dist Esmerez, « bien nous a atrapés,
« Qui ensément nous a, du no, déshirités !
« S’avons perdut no père, dont c’est doelz et pités ;
« Et s’ai perdut m’amie aussi, à l’autre lès,
« Eliénor, la belle, où grande est li biautez.
« Si malement nous a, Gaufrois, à fin menés ;
« Vaillant n’ai, dechà mer, deus deniers monnaez.
« Jammais en cest païs ne voel estre arrestez,
« Ains irai en Surie, où est mes parentés ;
« Godefrois, Bauduins, Wistacez, li membrés :
« Et si les aiderai contre les deffaés.
« S’irai conquerre terre, chastiaus, ou fremetez ;
« Trop seroie mescans d’estre chi demourez. »
Dient li autre frère : « chertes, bien dit avés ;
« Nous irons avoec vous, si tost que vous irés. »
« Lasse ! » dist le comtesse, « com mes coers est irés ;
« N’ai enfant ne parent, qui soit de chà remés,
« Que trestout ne s’en voisent dessus les deffaez.
« De tous mes boins amis est mes corps esseulez ! »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Braken ze de volgende ochtend de tenten en paviljoens af;
Ze hebben Nijmegen verlaten, wat een goede stad is,
Ze wilden niet blijven: iedereen is teruggekeerd.
En als Eustachius daar was geweest, leenman van Boulogne,
Hadden ze dat nooit gedaan, dat is de waarheid;380
Want volk zonder heer is nog geen vier dobbelstenen waard:
Zodra het land aan een vrouw toebehoort, is het land verwoest.
Eustachius was helemaal niet binnen deze erflanden;
Maar hij was naar Syrië gegaan, naar zijn broers,
Rechtstreeks naar Jeruzalem, waar God werd gepijnigd,
Waarvan Godfried, zijn broer, tot koning was gekroond.
En de bewoners van Boulogne vertrekken, met een bedroefd hart.
Toen de drie broers hun baronnen vernietigd zagen,
Gingen ze richting Boulogne, met losse teugels.
Toen gravin Ida de jonge ridders luidkeels riep,390
Vroeg ze hun terstond of Godfried was gedood?
« Vrouwe, » zei Esmerez, « hij heeft ons goed te pakken gehad,
Hij die ons zo van het onze heeft onterfd!
Zo hebben we onze vader verloren, wat een smart en deernis is;
En zo heb ik ook mijn geliefde verloren, aan de andere kant,
Eleonora, de schone, in wie grote schoonheid is.
Zo slecht heeft Godfried ons aan ons einde gebracht;
Ik heb aan deze kant van de zee geen twee gemunte penningen aan waarde.
Nooit meer wil ik in dit land blijven,
Maar ik zal naar Syrië gaan, waar mijn familie is;400
Godfried, Boudewijn, Eustachius, de sterke:
En zo zal ik hen helpen tegen de ongelovigen.
Zo zal ik land veroveren, kastelen of vestingen;
Ik zou wel heel laf zijn om hier te blijven. »
De andere broers zeiden: « Voorwaar, u heeft goed gesproken;
Wij zullen met u gaan, zodra u vertrekt. »
« Helaas! » zei de gravin, « hoe bedroefd is mijn hart;
Ik heb geen kind of familielid dat hier is achtergebleven,
Of ze gaan allemaal heen tegen de ongelovigen.
Mijn persoon is van al mijn goede vrienden verlaten! »410
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
huode55z80x3an7pdrm7imluphdcqrq
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/133
104
87794
224849
2026-08-15T15:25:47Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224849
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Ensi disoit Ydain, que vous oï avés.
Puis ne demourra gaires que ses niés ; Esmerez,
Glorians, Alixandre, et tous leurz parentez,
Entrèrent en la mer, à chalans et à nés,
Pour aler au Sépulcre, où Jhésus fu pozés.
Signour, à ichel tamps, que vous dire m’oés,
I estoit li passaiges et fais, et aquitez,
Sans païer de tréwage qui vausist ·iiij· dés :
Par les hoirs de Buillon i estoit ordenez.
Che fu belle portée ; Jhésus en soit loez !
Par toute Païénie fu leur genres doubtez.
Signour, li ·iij· enfant, dont je vous sénéfie,
Entrèrent en la mer, avoec grant compaignie,
Dolant et courrechiet, et à chière abaubie ;
Pour Gaufroi qui leur ot tolut leur signourrie.
La kanne est tant portée que depuis est brisie :
Je le di pour Gaufroi, qui régnoit par maistrie ;
Enchor venra li jours qu’il toura à folie.
Or dirai des enfans qui ont fait départie
De Boulongne, le grant, qui sor mer est bastie ;
Et le comtesse Ydain les sainne et bénéie,
Et leur a dit : « signour, par amour je vous prie,
« Salués-me mes fiex, el nom sainte Marie ;
« Et le roy Godefroi, qui justiche Surie. »
Adont au départir moult tenrement larmie.
Et li enfant s’en vont, s’ont leur voile dréchie ;
En mer vont esquipant, en la plus ressongnie.
N’est drois de leurs journéez que le conte vous die :
De leur mère dirai, la Royne essauchie,
Qui fu, en Abilant, dolante et courrechie,
O le Rouge-Lion, qui en Dieu ne croit mie.
Eliénor, la belle, li tenoit compaignie ;
Mais le puchelle estoit, nuit et jour, si gaitie,
Que pour mille mars d’or ne fuist point eslongie.
Dont moult dolante estoit, et soir et anuitie,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zo sprak Ida, zoals u heeft gehoord.
Toen duurde het niet lang of haar neven; Esmerez,
Glorians, Alexander en al hun verwanten,
gingen de zee op, in schuiten en schepen,
Om naar het Graf te gaan, waar Jezus werd neergelegd.
Heren, in die tijd, waarvan u mij hoort vertellen,
Was de overtocht daar geregeld en vrijgesteld,
Zonder tol te betalen die vier dobbelstenen waard was:
Het was zo geordend door de erfgenamen van Bouillon.420
Dat was een mooie daad; Jezus zij erom geprezen!
Door heel het heidendom werd hun geslacht gevreesd.
Heren, de drie kinderen, op wie ik u wijs,
Gingen de zee op, met een groot gezelschap,
Bedroefd en vertoornd, en met een verslagen gezicht;
Vanwege Godfried die hun hun heerschappij had ontnomen.
De kruik gaat zo lang te water tot zij barst:
Ik zeg dit voor Godfried, die met overmacht regeerde;
Er zal nog een dag komen dat het in waanzin omslaat.
Nu zal ik vertellen over de kinderen die vertrokken zijn
Uit Boulogne, de grote stad, die aan de zee is gebouwd;430
En gravin Ida tekent hen met het kruis en zegent hen,
En zij heeft hun gezegd: « Heren, uit liefde smeek ik u,
Groet mijn zonen voor mij, in de naam van de heilige Maria;
En koning Godfried, die over Syrië rechtspreekt. »
Toen weende zij bij het vertrek zeer teder.
En de kinderen gaan heen en hebben hun zeil gehesen;
Op zee varen ze weg, op de meest geduchte.
Het is niet juist dat de vertelling u over hun dagreizen spreekt:
Over hun moeder zal ik vertellen, de geëerde koningin,
Die in Abilant was, bedroefd en vertoornd,440
Met de Rode Leeuw, die helemaal niet in God gelooft.
Eleonora, de schone, hield haar gezelschap;
Maar het meisje werd, nacht en dag, zo bewaakt,
Dat zij voor duizend mark goud niet kon ontsnappen.
Waarom zij zeer bedroefd was, zowel 's avonds als 's nachts,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
hadmk2g09igc1q6k8ljwl9djdvef66b
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/134
104
87795
224850
2026-08-15T15:30:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224850
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Pour l’amour d’Esmeret, qu’elle ne haoit mie ;
Ains l’amoit de bon coer, sans nulle villonnie :
Car d’amer lons de lui c’est amour esragie.
La dame de Nimaye, qui Roze avoit à non,
Fu dedens Abilant une longe saison.
S’avint une journée, que roys Rouge-Lyon
Estoit en son palais ; o lui si esclavon.
Là li vint ·j· messaigez, qu’on clamoit Publion ;
Le roy a saluet, à le loy de Mahon.
Et quant li Roys le voit, sé le crie à haut ton :
« Amis, d’ont venez-vous et de quel région ? »
« Sire, droit de Surie, par mon Dieu Baraton,
« Où Sarrazins ont fait grande perdition :
« Jhérusalem est prise ; et Acre et Escalon.
« Corbadas, Lucabians, et li rois Luxion,
« Et rois Cornumarans, et li rois d’Escalon
« Sont mort et mis à fin, sans nulle raënchon.
« Dessus le plains de Ramez i ot tel tuïson,
« Que tout li Sarrazins, jusqu’en Cafarnaon,
« Aront grant vitupère de la destruction
« Car il est avenu sus la geste Noiron.
« Or ont li cristien, à leur maléïchon,
« Dedens Jhérusalem, en consolation,
« Couronné comme roy Godefroi de Buillon,
« ·j· chevalier de Franche, de haute estration ;
« Et s’est chieus proprement de che meisme non
« Que Calabre sorti, la dame de renon,
« Droit à Mièkes, le grant, à le feste Mahon.
« Tout ensi qu’elle dist en véons le fachon :
« Les ·iij· oisiaus tua, à un cop de bougon,
« Dessus le tour David, si que bien le vit-on.
« Roys, j’ai pour ta cité grande confusion !
« Car manechié l’ont li cristien félon ;
« Et s’est au sort Calabre mise en maléïchon. »
Quant li Rouges-Lions ot Publion parler,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Vanwege de liefde voor Esmerez, die zij allerminst haatte;
Integendeel, zij hield van hem met een goed hart, zonder enige valsheid:
Want liefhebben ver van hem, dat is een uitzinnige liefde.
De vrouwe van Nijmegen, die Rosa heette,
Verbleef een lange tijd binnen Abilant.450
Het gebeurde op een dag, dat koning Rode Leeuw
In zijn paleis was; met hem zijn slaven.
Daar kwam een boodschapper tot hem, die men Publion noemde;
Hij heeft de koning gegroet, volgens de wet van Mahon.
En toen de koning hem ziet, roept hij hem met luide stem toe:
« Vriend, waar komt u vandaan en uit welke streek? »
« Heer, rechtstreeks uit Syrië, bij mijn God Baraton,
Waar de Saracenen een groot verlies hebben geleden:
Jeruzalem is ingenomen; en Akko en Asjkelon.
Corbadas, Lucabians en koning Luxion,460
En koning Cornumarans en de koning van Asjkelon
Zijn dood en aan hun einde gekomen, zonder enig losgeld.
Op de vlakten van Ramla was er zo'n slachting,
Dat alle Saracenen, tot in Kapernaüm toe,
Grote schande zullen hebben van de vernietiging,
Want het is geschied volgens de kroniek van Nero.
Nu hebben de christenen, tot hun vervloeking,
Binnen Jeruzalem, tot hun troost,
Godfried van Bouillon tot koning gekroond,470
Een ridder uit Frankrijk, van hoge afkomst;
En deze is precies van dezelfde naam
Als degene die Calabre voorspelde, de dame van naam,
Rechtstreeks te Mekka, de grote, op het feest van Mahon.
Precies zoals zij zei, zien we de uitvoering:
De drie vogels doodde hij, met één slag van een werppijl,
Bovenop de toren van David, zodat men het goed zag.
Koning, ik heb vanwege jouw stad grote schaamte!
Want de snode christenen hebben haar bedreigd;
En door het lot van Calabre is zij vervloekt. »
Toen de Rode Leeuw Publion hoorde spreken,480
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
4herzm9ic5r98alo462g4tl6ev3jzzz
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/135
104
87796
224851
2026-08-15T15:32:06Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224851
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Adont fu si dolans qu’il ne pot mot sonner :
« Ahi ! Jhérusalem, com il me doit peser
« Que li cristien t’ont ensi à gouverner !
« E ! royne Calabre, bien i véistez cler !
« Mes pères vous oï bien vo sort déclarer ;
« Et sé li sceustes bien et dire et deviser
« Qu’il en seroit ochis, ne s’en porroit garder.
« Godefrois le tua, que je doi poi amer ! »
Voit le royne Roze ; sé li prist à crier :
« Dame, je vous devroie en ·j· fu embraser ;
« Car li vostrez linagues nous fait déshonnerer. »
« Sire, » dist la royne, « car m’en laissiés ester !
« Que par cellui signour qui se laissa péner,
« Je vauroie ore, sire, sé Diex me puist sauver,
« Que devant Abilant, que devés gouverner,
« Eust fait Godefrois ses paveillons lever :
« Devant chou ne porrai de vos mains escaper. »
Dist li Rouges-Lions : « sé vous saviez viser
« Tour, pour vo délivranche, bien vous devriés amer. »
« Sire, » dist la royne, « n’i saroie viser
« Fors seulement ·j· tour, que vous vaurrai conter :
« Car sé vous me voliés de vo prison geter ;
« Sus la loy Jhésu-Crist, vous vauroie jurer
« Qu’à Godefroi iroie, au Sépulcre, parler.
« Et tant feroie à lui, enchois mon dessevrer,
« Qu’il m’aroit en couvent, en chertain, sans fausser,
« Et il, et si doi frère, qui sont biau bacheler
« Que jà, en che païs qu’avez à gouverner,
« Ne venront gerroïer ; né vo proie eslever ;
« Né vo ville asségier ; né vous déshériter.
« Ne vous irés aussi, par terre né par mer,
« En lieu où vous voelliez les cristiens grever.
« Ensi, par bonnes trièwes, porriés en pais rengner. »
Dist li Rouges-Lions : « che fait à créanter ;
« Tout ensi le ferai, s’el volez acorder. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen was hij zo bedroefd dat hij geen woord kon uitbrengen:
« Ach! Jeruzalem, wat moet het mij zwaar vallen
« Dat de christenen jou zo moeten besturen!
« En! Koningin Calabre, u zag het helder in!
« Mijn vader hoorde u uw voorspelling goed verklaren;
« En u wist het hem goed te zeggen en te beschrijven
« Dat hij erdoor gedood zou worden, hij kon zich er niet tegen beschermen.
« Godfried doodde hem, die ik maar weinig liefheb! »
Koningin Roze ziet hem; en zij begon te roepen:
« Dame, ik zou u in een vuur moeten verbranden;490
« Want uw geslacht doet ons te schande worden. »
« Heer, » zei de koningin, « laat mij toch met rust!
« Want bij die heer die zich liet pijnigen,
« Zou ik nu willen, heer, zo waar God mij moge redden,
« Dat voor Abilant, dat u moet besturen,
« Godfried zijn tenten had opgeslagen:
« Vóór die tijd zal ik niet uit uw handen kunnen ontsnappen. »
De Rode Leeuw zei: « als u een list wist te bedenken
« Voor uw bevrijding, zou u uzelf wel moeten liefhebben. »
« Heer, » zei de koningin, « ik zou geen list weten500
« Behalve slechts één list, die ik u wil vertellen:
« Want als u mij uit uw gevangenis wilde werpen;
« Op het geloof van Jezus Christus, zou ik u willen zweren
« Dat ik naar Godfried zou gaan, bij het Graf, om te spreken.
« En ik zou zoveel bij hem gedaan krijgen, vóór mijn vertrek,
« Dat hij mij de belofte zou doen, voorzeker, zonder bedrog,
« En hij, en zijn twee broers, die mooie jonge ridders zijn,
« Dat zij nooit, in dit land dat u moet besturen,
« Zullen komen oorlog voeren; noch uw buit wegroven;
« Noch uw stad belegeren; noch u onterven.510
« U zult zelf ook niet gaan, over land noch over zee,
« Naar een plaats waar u de christenen zou willen schaden.
« Zo zou u, door een goede wapenstilstand, in vrede kunnen regeren. »
De Rode Leeuw zei: « dat moet worden toegezegd;
« Precies zo zal ik het doen, als u ermee instemt. »</poem>
|}<noinclude></noinclude>
2t3t0nr0034uc2gks141in6br8p801v
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/136
104
87797
224852
2026-08-15T15:34:18Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224852
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Oïl, » dist la royne, qui le viaire ot cler.
Dont l’afia li roys ; et li ala donner
Congiet de che messaige et faire et ordener.
·j· chalant li a fait noblement aprester
A ·xxx· Sarrazins : mist la dame en le mer,
Pour aler, au Sépulcre, les trièwez afier.
Ensément sot la dame che soutil tour trouver.
Ossi font pluseurs femmes, de che n’estoet doubter ;
Femme fait, tous les caus, son baron aveuler.
Ensi ceste royne, d’Abilant se sevra.
Eliénor, la belle, au partir l’acola ;
« Dame, » dist la puchelle, « chi endroit demourra
« Le plus dolante dame, c’onques de pain mengua !
« Voir, je morrai de doel, s’Esmerés ne vient chà. »
« Belle, » dist la royne, « le miens corpz li dira.
« Et de quanques j’ai dit, li miens corpz n’en tenra
« Riens ; mais s’esploitier puis, par Dieu qui tout créa,
« J’amenrai Godefroi de Buillon par de chà,
« A toutes ses grans os : si vous assiègera.
« Par che point vous arai à Nimaie, de là ;
« Et mes fiex Esmerez, quant il le savera,
« Sachiés que volentiers, o lui, il i venra. »
Ensi dist la royne, et atant s’en sevra :
Elle entra ou chalant, qui en mer s’esquipa.
Or oïés l’aventure car il li avenra :
Ensi que par le mer la royne naga,
Regarde enmi la mer, ·iij· calantz avisa ;
Et crois et confanons, à bors par devant, a.
Quant la dame les vit, nostre Signour loa,
Le roy de sainte glore, qui sa mort pardonna.
« E ! Diex, » dist la royne, « et quel gent sont-che là ?
« Sé che sont cristien, par me foi, bien me va. »
A icheste parole les calans aprocha.
Esmerez fu devant, qui de lonc s’escria :
« Par foi, félon païen, morir vous couvenra !
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Ja, » zei de koningin, die een helder gelaat had.
Toen zwoer de koning het haar; en hij gaf haar
Verlof om deze boodschap te gaan doen en te regelen.
Een schip heeft hij voor haar adellijk laten gereedmaken
Met dertig Saracenen: hij stuurde de dame de zee op,520
Om, bij het Graf, de wapenstilstand te gaan bezweren.
Zodoende wist de dame deze slimme list te vinden.
Zo doen vele vrouwen, daaraan hoeft men niet te twijfelen;
Een vrouw slaat, in alle gevallen, haar man met blindheid.
Zo scheidde deze koningin zich af van Abilant.
Eleonora, de schone, omhelsde haar bij het vertrek;
« Dame, » zei het meisje, « hier op deze plek zal achterblijven
« De meest bedroefde dame, die ooit van brood heeft gegeten!
« Waarlijk, ik zal sterven van verdriet, als Esmerés niet hierheen komt. »
« Schone, » zei de koningin, « mijn eigen persoon zal het hem zeggen.530
« En van alles wat ik heb gezegd, zal mijn eigen persoon niets
« Onthouden; maar als ik succes kan hebben, bij God die alles schiep,
« Zal ik Godfried van Bouillon hierheen brengen,
« Met heel zijn grote leger: en hij zal u belegeren.
« Door dit punt zal ik u naar Nijmegen hebben, daarginds;
« En mijn zoon Esmerés, wanneer hij het zal weten,
« Weet dat hij vrijwillig, met hem, hierheen zal komen. »
Zo sprak de koningin, en luid scheidde zij zich toen af:
Zij ging aan boord van het schip, dat overzee wegvoer.
Hoor nu het avontuur, want het zal haar overkomen:540
Terwijl de koningin over de zee voer,
Keek zij uit over de zee en nam drie schepen waar;
En zij hadden kruisen en vaandels aan de boeg van voren.
Toen de dame hen zag, loofde zij onze Heer,
De Koning van de heilige glorie, die haar de dood vergaf.
« O! God, » zei de koningin, « en wat voor volk is dat daar?
« Als dat christenen zijn, bij mijn geloof, dan gaat het mij goed. »
Bij deze woorden naderden de schepen.
Esmerés was vooraan, die van verre riep:
« Bij mijn geloof, laffe heidenen, u zult moeten sterven!550
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
5gcgbxm585ifrudumt6t6ux57695bvz
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/137
104
87798
224853
2026-08-15T15:37:20Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224853
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Vous estez Sarrazins, puis qu’enseingne n’i a. »
La nés ont assalie, point ne leur escapa ;
Païen l’ont deffendue, jusqu’à ·xxx· en i a ;
Mais toute leur défense moult petit leur vaura,
Car bien sont assali des cristiens de chà.
Esmerez tient le mache, dont moult grans copz frapa ;
Le bort de la navie tellement despécha,
Que petit s’en falli que l’iauwe n’i entra.
Glorians, Alixandre, furent au lez de là,
A grans havés de fer, où grans kainnes i a ;
Getèrent à le nef, si que point n’eslonga,
Puis vinrent main à main ; nulz ne faindi là :
No gent crient saint Jorge, qui le jour leur aida.
Chieus qui se fie en Dieu, et qui le servira,
En toute le journée, jà maus ne li venra.
Chius qui se fie en Dieu, de parfaite créanche,
Ne poet en le journée, avoir maus né gravanche.
Li ·xxx· Sarrazins n’eurent nulle poissanche
De grever les enfans, qui en Dieu ont fianche.
Alixandre, li bers, tint une roide lanche ;
·j· Sarrazin bouta si fort, dedens le panche,
Le haubert li percha, dont le maille fu blanche ;
Mort l’abat en le nefz : à ·j· autre s’avanche.
Et Glorians i fiert, par bonne contenanche ;
Ossi fait Esmerez, qui tant ot de poissanche.
En mi le nef estoit Roze, la dame franche,
Et prioit Jhésu-Crist, qui pour nous ot soffranche,
Que des Sarrazins puist véoir telle venganche,
Que n’en puist escaper piet, né ventre, né manche !
Ensi prie la dame, qui tant ot de vaillanche.
Et li troi damoisiel ne font nulle arrestanche ;
A ·xxx· Sarrazins ont fait tant de nuisanche,
Qu’en leur nef sont entré : là eurent grant souffranche.
La dame voit ses fiex ; de haut crier s’avanche :
« Enfant, je reconnois vo corpz et vo samblance !
</poem>
|valign=top|
<poem>
« U bent Saracenen, aangezien er geen herkenningsteken is. »
Zij hebben het schip aangevallen, het ontsnapte hen helemaal niet;
De heidenen hebben het verdedigd, tot wel dertig man sterk;
Maar heel hun verdediging zou hen maar heel weinig baten,
Want zij worden goed aangevallen door de christenen van hier.
Esmerés houdt de strijdknuppel vast, waarmee hij zeer grote klappen uitdeelde;
De boeg van het schip vernielde hij zodanig,
Dat er maar weinig aan ontbrak of het water stroomde erin.
Glorians en Alexander waren aan die zijde,
Met grote ijzeren enterhaken, waaraan grote kettingen zaten;560
Zij wierpen die naar het schip, zodat het helemaal niet kon wegvaren,
Toen kwamen zij in een handgemeen; niemand hield zich daar in:
Onze mensen roepen Sint-Joris aan, die hen die dag hielp.
Degene die op God vertrouwt, en die Hem zal dienen,
Gedurende de hele dag zal hem nooit enig kwaad overkomen.
Degene die op God vertrouwt, met een volmaakt geloof,
Kan gedurende de dag geen kwaad of kwelling ondervinden.
De dertig Saracenen hadden geen enkele macht
Om de kinderen te schaden, die hun vertrouwen in God hebben.
Alexander, de dappere, hield een stevige lans;570
Een Saraceni stootte hij zo hard in de buik,
Dat hij het harnas doorboorde, waarvan de maliën wit waren;
Dood werpt hij hem neer in het schip: naar een ander gaat hij toe.
En Glorians slaat er op los, met een goede houding;
Zo doet ook Esmerés, die zoveel macht bezat.
In het midden van het schip was Roze, de edele dame,
En zij bad tot Jezus Christus, die voor ons heeft geleden,
Dat zij op de Saracenen zo'n wraak mocht zien,
Dat er geen voet, noch buik, noch mouw van kon ontsnappen!
Zo bidt de dame, die zoveel dapperheid bezat.580
En de drie jongelingen maken geen einde aan de strijd;
Aan de dertig Saracenen hebben zij zoveel schade toegebracht,
Dat zij hun schip zijn binnengegaan: daar werd zwaar geleden.
De dame ziet haar zonen; zij haast zich om luid te roepen:
« Kinderen, ik herken uw lichaam en uw gelijkenis!
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
aicfu3apdxp3fn3k05ifepznxpjwz4q
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/138
104
87799
224854
2026-08-15T15:42:42Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224854
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Veschi le vostre mère, où tant a de pesanche ;
« Venez, si m’acolés, sans nulle demourranche.
« De chou que je vous voi en telle contenanche,
« Ne fuisse point si lie pour tout l’avoir de Franche. »
Quant li enfant oïrent la dame d’ounerance,
Dont le vont acoler, sans démener bubanche :
Grande fu la pitiés à le recongnissanche.
Grande fu la pitiés des fiex et de le mère :
« Enfant, » dist la royne, « com pour vous je me père !
« Encore vengerez-vous le mort de vo chier père,
« A Gaufroi, le félon ; drois est qu’il le compère.
« Car c’est ·j· faus traïtrez, de mal faire se mère ;
« De traïson furnir scet toute le mistère.
« Par le glouton perdi Bauduin, vo chier frère :
« Jammais ne le verrons, dont souvent me despère,
« Car je croi qu’il soit mors ; et c’est bien coze clère !
« Gaufrois le fist murdrir ; bien en scet la matère.
« Je pri à Jhésu-Crist, et à sa douche mère,
« Que j’en puisse véoir une venganche amère ;
« Car, par Dieu, qui fait mal c’est drois qu’il le compère. »
« Dame, » dist Esmerez, « or a passet lonc tampz
« Que nous ne vous véismes, royne souffissans.
« Pour Dieu d’ont venez-vous, ne le soïés chélans ?
« Où est Eliénor, le pucelle avenans,
« Qui pour mon corpz laissa le terre des Persans ;
« Et aporta l’istoire dont Gaufroi, li puans,
« Ot trenchie l’oreille, voïant ses atenans ? »
« Biau fiex, » dist la royne, « ne le serai chélans :
« Le jour que li mesquiés fu pour vous aparans,
« Ou palais à Nimaie, où li débas fu grans,
« Je me mis en le mer, jà n’en soïés doubtans ;
« O moy Eliénor, qui tant est souffissans.
Le dame de Ponthieu fu avoec nous nagans.
« Et le mer se troubla, de coi li nos calans
« Naga parmi le mer, che sachiés, bien lonc tamps ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Zie hier uw moeder, die zoveel verdriet heeft;
« Kom, en omhels mij, zonder enig uitstel.
« Nu ik u in zo'n toestand zie,
« Zou ik niet zo blij zijn geweest met alle bezittingen van Frankrijk. »
Toen de kinderen de geëerde dame hoorden,590
Gingen zij haar omhelzen, zonder uiterlijk vertoon:
Groot was het mededogen bij de herkenning.
Groot was het mededogen van de zonen en van de moeder:
« Kinderen, » zei de koningin, « hoezeer ik om u lijd!
« Nog zult u de dood van uw dierbare vader wreken,
« Op Godfried, de schurk; het is recht dat hij ervoor boet.
« Want het is een valse verrader, die kwaad doet aan zijn moeder;
« Om verraad te plegen kent hij de hele kunst.
« Door de schurk verloor ik Boudewijn, uw dierbare broer:
« Nooit zullen wij hem weerzien, waarover ik vaak wanhop,600
« Want ik geloof dat hij dood is; en dat is wel een duidelijke zaak!
« Godfried heeft hem laten vermoorden; hij weet er alles van.
« Ik bid tot Jezus Christus, en tot zijn milde moeder,
« Dat ik er een bittere wraak van mag zien;
« Want, bij God, wie kwaad doet, het is recht dat hij ervoor boet. »
« Dame, » zei Esmerés, « er is nu een lange tijd voorbijgegaan
« Dat wij u niet hebben gezien, voortreffelijke koningin.
« In Godsnaam, waar komt u vandaan, houd het niet verborgen?
« Waar is Eleonora, het aantrekkelijke meisje,
« Die voor mijn persoon het land van de Perzen verliet;610
« En de geschiedenis meebracht waarvan Godfried, de stinkerd,
« Het oor had afgesneden, in het bijzijn van zijn metgezellen? »
« Mooie zoon, » zei de koningin, « ik zal het niet verbergen:
« De dag dat de rampspoed voor u zichtbaar werd,
« In het paleis te Nijmegen, waar het debat groot was,
« Ging ik de zee op, twijfel daar overhaupt niet aan;
« Met mij Eleonora, die zo voortreffelijk is.
De dame van Ponthieu was met ons aan het varen.
« En de zee werd onstuimig, waardoor ons schip
« Door de zee voer, weet dat wel, een heel lange tijd;620
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
g3up8l5dyai4jpj4ooin4bmgfl50317
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/139
104
87800
224855
2026-08-15T15:44:56Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224855
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Et nous mena li vens, qui fu piesmez et grans,
« Tout droit à Babilone : là nous trouva Soudans.
« La dame de Ponthieu i devint mescréans ;
« Elle renoia Dieu, dont elle fu mescans :
« Li Soudans l’espousa, à le loy des Persans.
« Moy et Eliénor, la pucelle rians,
« Avons en Abilant esté moult très lonc tamps,
« Aveuques le sien frère, ·j· riches amirans.
« Or ai tant fait à lui, par Dieu qui est poissans,
« Qu’escaper me laissa, sainne, sauve, et vivans :
« Convoïer me faisoit, par ches félons tirans,
« Droit à Jhérusalem, à nos apertenans.
« En couvent je li oy, quant de lui fu partans,
« Que sa pais li feroie avoir contre les Frans ;
« Afin que crestien n’el fuissent asségans.
« Plus doubtent cristiens, et eulz, et leur bubans,
« Que l’aloë faucon, quant le cache à plainz campz.
« Eliénor i est, la pucelle rians,
« Dolante et courrechie qu’elle i est demourrans ;
« Car Jhésu-Crist de gloire est la belle servans :
« Et si vous ayme si, la pucelle plaisans,
« Que toute nuit vous est durement regrétans.
« Elle ne voelt avoir né rois, né ammirans,
« Né prinche nul, ou monde, c’on li soit présentans.
« Il n’a mie grantment que li rois Briguedans,
« Qui est sires d’Aufrique et des Sarragonchans,
« Et s’a ·v· frères rois, tous couronne portans ;
« Vint pour la damoisielle, as nés et as calans,
« Par dedens Abilant, où j’ai esté lonc tampz :
« Mais elle n’en volt prendre ; dont forment fu dolans
« Li rois Rouges-Lions, ses frèrez, li gaïans.
« Tout adès vous atent ; et est à Dieu prians
« Qu’encore puist vir l’eure que soïés ses amans. »
Quant Esmerez l’oï, sé li mua li sans ;
·j· dars d’amours li fu parmi le corpz lanchans :
</poem>
|valign=top|
<poem>
« En de wind voerde ons mee, die vreselijk en groot was,
« Rechtstreeks naar Babylon: daar vond de Sultan ons.
« De dame van Ponthieu werd daar ongelovig;
« Zij verloochende God, waardoor zij onfortuinlijk werd:
« De Sultan trouwde met haar, volgens de wet van de Perzen.
« Ik en Eleonora, het lachende meisje,
« Zijn in Abilant zeer lange tijd geweest,
« Samen met haar broer, een rijke emir.
« Nu heb ik zoveel bij hem gedaan gekregen, bij God die machtig is,630
« Dat hij mij liet ontsnappen, gezond, behouden en levend:
« Hij liet mij begeleiden, door deze snode tirannen,
« Rechtstreeks naar Jeruzalem, naar onze bezittingen.
« In een belofte stemde ik ermee in, toen ik van hem vertrok,
« Dat ik zijn vrede voor hem zou bewerkstelligen tegen de Franken;
« Opdat de christenen hem niet zouden belegeren.
« Meer vrezen zij de christenen, en hen, en hun praal,
« Dan de boomvalk, wanneer die jaagt in het open veld.
« Eleonora is daar, het lachende meisje,
« Bedroefd en boos dat zij daar achterblijft;640
« Want zij is de schone dienares van Jezus Christus van de glorie:
« En zij heeft u zo lief, het behaaglijke meisje,
« Dat zij de hele nacht hevig om u treurt.
« Zij wil geen koning, noch emir hebben,
« Noch enige prins ter wereld die men haar aanbiedt.
« Het is nog niet lang geleden dat koning Briguedans,
« Die heer is van Afrika en van de Saragossanen,
« En vijf koningsbroeders heeft, die allen een kroon dragen;
« Kwam voor de jonkvrouw, met schepen en boten,
« Tot in Abilant, waar ik lange tijd ben geweest:650
« Maar zij wilde hem niet nemen; waarover de reusachtige
« Koning Rode-Leeuw, haar broer, hevig bedroefd was.
« Zij wacht op u onophoudelijk; en zij bidt tot God
« Dat zij nog de ure mag aanschouwen dat u zijn geliefde zult zijn. »
Toen Esmerez dit hoorde, keerde zijn bloed geheel om;
Een liefdespijl werd door zijn lichaam heen geschoten:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
oe48abis4eq5of527kkap8u52mdx1m5
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/144
104
87801
224856
2026-08-15T15:47:39Z
Havang(nl)
4330
/* Zonder tekst */
224856
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="0" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude></noinclude>
6fy8ix6czju8r0lz5ain22z7t1pjvxr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/140
104
87802
224857
2026-08-15T15:51:49Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224857
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Pour l’amour de la belle le fu au coer navrans.
« Ahi ! gente pucelle, honneste et souffissans,
« Jammais n’arai moullier, si m’aït sains Vinchans,
« Fors que le corpz de vous, qui si est avenans ! »
Ensi dist Esmerez, li noblez et li frans.
Mais che fu une dame que trop fu aquatans ;
Car o li fu en chartre, l’espace de ·vij· ans,
Ensi com vous orrez, sé m’estes escoutans.
Mais pluiseur gens sont bien un lonc tierme mescans,
Que puissedi ont cose qui lor est pourfitans :
Car li sens acatés vaut d’avoir maint besans.
Quant Esmerez oï sa mère, la royne,
Qui d’Eliénor va recordant l’amour fine ;
Amour, d’autre costé, si le destruist et mine
Que mais joie n’ara, s’avera le mesquine :
Car coulourrée fu, com roze d’aubespine ;
Et comme fleur de lis, ot blanche le poitrine.
« Belle, » dist Esmerez, qui fu de bonne orine,
« Le grant biauté de vous, et li bontés, m’afine.
« Jammais joie n’arai, par sainte Katerine,
« Si vous arai osté de la gent Sarrasine ;
« Et puis g’irai o vous, desous bielle gourdine ! »
Ensément vont nagant li ·iij· enfant Rozine,
Qui estoient estrait du linaige le Chisne :
Vers Surie s’en va nagant leur officine.
A ·j· regort de mer, vers terre Béduïne,
Perchurent grant navie, venant par le marine ;
Mais sus le bort des nés y avoit mis, par signe,
Et crois et confanons, de chendaus et d’ermine.
Quant Esmerez perchiut leur nefz et leur couvine,
Bien sot que che sont gent servans la vertu digne ;
Dont pour iaus assalir ne fist faire aatine.
Il ot droit ; car c’estoit li fiex de sa cousine,
Wistaces de Boulongne, fiex de la palasine
Ydain, qui le portée fist si bonne et si digne.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Door de liefde voor de schone was hij in het hart gewond.
« Ach! edele jonkvrouw, eerbaar en volmaakt,
« Nooit zal ik een echtgenote hebben, zo helpe mij de heilige Vincentius,
« Behalve uw eigen lichaam, dat zo bekoorlijk is! »
Aldus sprak Esmerez, de edele en de vrijgevige.660
Maar het betrof een dame die zeer welvarend was;
Want met haar was hij in de kerker, voor de duur van ·vij· jaar,
Zoals u zult horen, als u mij wilt aanhoren.
Maar menig mens is voor een lange termijn ongelukkig,
Die naderhand een zaak verkrijgen die hen voordelig is:
Want gekochte wijsheid is vele bezanten waard.
Toen Esmerez zijn moeder hoorde, de koningin,
Die de zuivere liefde van Eliénor bleef gedenken;
De liefde, van de andere kant, vernietigt en ondermijnt hem zo
Dat hij nooit meer vreugde zal hebben, tenzij hij het meisje bezit:670
Want zij was blozend, als de roos van de meidoorn;
En als de leliebloem, zo wit was haar borst.
« Schone, » sprak Esmerez, die van goede afkomst was,
« De grote schoonheid van u, en de goedheid, loutert mij.
« Nooit zal ik vreugde hebben, bij de heilige Katharina,
« Voordat ik u zal hebben weggehaald bij het Saraceense volk;
« En daarna zal ik met u gaan, onder een schone hemelgordijn! »
Zo varen de ·iij· kinderen van Rozine al roeiend voort,
Die voortgekomen waren uit het geslacht van de Zwaan:
Richting Syrië vaart hun gezelschap al roeiend weg.680
Bij een draaikolk van de zee, richting het Bedoeïenenland,
Opmerkten zij een grote vloot, komend over de zee;
Maar op de rand van de schepen had men, als teken,
Zowel kruizen als vaandels geplaatst, van zijde en hermalijn.
Toen Esmerez hun schepen en hun gezelschap opmerkte,
Wist hij wel dat dit mensen zijn die de waardige deugd dienen;
Waarom hij, om hen aan te vallen, geen strijdkreet liet aanheffen.
Hij had gelijk; want het was de zoon van zijn nicht,
Wistaces van Boulongne, zoon van de adellijke
Ydain, die haar zwangerschap zo goed en zo waardig droeg.690
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
psspw4hv0skp9bkniw76lkchargtnre
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/141
104
87803
224858
2026-08-15T15:54:06Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224858
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
C’est drois que de bonne ente ·j· boins fruis se décline.
Quant Esmerez perchiut les vaissiaus aprochier,
Pour che qu’il vit les crois as bors des nés dréchier,
Est alez encontre iaus ; si commenche à huchier :
« Et à cui estez-vous, nobile chevalier ? »
Adonques respondi ·j· gentis maronnier :
« Alés séurement ! ne vous caut d’esmaïer.
« Nous sommes crestien, pélerin, princhoïer ;
« No sires est Wistaces, qui tant fait à prisier,
« Li frères Godefroi et Bauduin, le fier ;
« A Boulongne r’alons arriver au gravier. »
Et Esmerez s’escrie : « car faites abaissier
« Vo voiles et vo mâs, laissiés vostre nagier ;
« Car chi sommes troy frère, tout jone saudoïer,
« Cousin au comte Wistace, d’espousée moullier.
« Hoir sommes de Nimaie ; laissiezme à lui plaidier.
Quant Wistacez oï Esmerez desraisnier,
Aussi bien le connut comme il fait ·j· denier ;
Les voilez fist cliner pour lui à festoïer :
Lors getèrent lor ancre, et les grans cros d’achier,
Dont il fisent ensamble leur vaissiaus atachier.
Grant joie démenèrent, quant vint à l’aprochier :
Roze, la gentis dame, va Wistace baisier ;
« Cousins, » dist la royne, « il nous faut eslongnier
« No terre, et no royaume, pour ·j· fel pautonnier.
« Che est Gaufrois de Frise, qui nous fait destourbier,
« Qui vendi mon signour à le gent lanressier ;
« Au roy Rouge-Lion en rechiut maint denier,
« Une nefz de fin or, tant li en fist querquier.
« Puis revint, en ma terre, menant ·j· doel plénier ;
« Et fist tant, par ses dons, c’on me fist conseiller
« De lui à espouser, en mon palais plénier.
« Dont, vint une puchelle parmi le mer nagier,
« Soer le Rouge-Lion, pour lui à baptisier ;
« Et si nous vint retraire le mortel encombrier.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Het is rechtvaardig dat uit een goede ent een goede vrucht voortkomt.
Toen Esmerez de vaartuigen zag naderen,
Omdat hij de kruizen op de randen van de schepen opgericht zag,
Is hij hen tegemoet gegaan; en begon te roepen:
« En van wie bent u, edele ridders? »
Toen antwoordde een edele zeeman:
« Vaar gerust! u hoeft niet te schrikken.
« Wij zijn christenen, pelgrims, vorstelijk gezelschap;
« Onze heer is Wistaces, die zozeer te prijzen valt,
« De broer van Godefroi en Bauduin, de trotse;700
« Naar Boulongne keren wij terug om op het strand te landen. »
En Esmerez roept uit: « laat toch zakken
« Uw zeilen en uw masten, staak uw roeien;
« Want hier zijn wij drie broers, allen jonge soldaten,
« Neven van graaf Wistace, uit een wettig huwelijk.
« Erfgenamen zijn wij van Nijmegen; laat mij met hem spreken. »
Toen Wistacez Esmerez hoorde argumenteren,
Herkende hij hem even goed als hij een denier herkent;
De zeilen liet hij strijken om hem feestelijk te onthalen:
Toen wierpen zij hun anker uit, en de grote stalen haken,710
Waarmee zij hun vaartuigen aan elkaar vastmaakten.
Grote vreugde bedreven zij, toen het tot de nadering kwam:
Roze, de edele dame, gaat Wistace kussen;
« Neef, » sprak de koningin, « wij moesten ontvluchten
« Ons land, en ons koninkrijk, vanwege ·j· trouweloze schurk.
« Dat is Gaufrois van Frise, die ons rampspoed brengt,
« Die mijn heer verkocht aan het lafhartige volk;
« Van de koning Rouge-Lion ontving hij menige denier hiervoor,
« Een schip van fijn goud liet hij voor hem laden.
« Daarna keerde hij terug, in mijn land, een groot rouwbeklag voerend;720
« En hij maakte het zo bont, door zijn gaven, dat men mij adviseerde
« Met hem te trouwen, in mijn volle paleis.
« Toen kwam er een meisje over de zee gevaren,
« De zuster van de Rouge-Lion, om zich te laten dopen;
« En zij kwam ons de dodelijke hinderlaag onthullen.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
kb1ihyjsurd1pf77ylgpz9i46jh5vaw
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/142
104
87804
224859
2026-08-15T15:57:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224859
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Esmerez devoit prendre une noble moullier,
« La dame de Ponthieu, che nobile héritier.
« Quant Esmerez oï le pucelle plaidier,
« Adont sacha tantost une espée d’achier ;
« Puis ala à Gaufroi une oreille trenchier.
« Bien le cuida férir parmi le hanepier,
« Mais li lères cria ; et on le vint aidier.
« Là convint mes enfans nostre cité vuidier,
« Qui puissedi le vinrent longement asségier ;
« Mais chil de Boulenois n’i vaurent plus joquier :
« Ensi a mon royaume Gaufrois, au coer lanier,
« Que nous n’i ariens mie le montant d’un denier. »
« Par me foy, » dist Wistaces, « sé je puis esploitier,
« Ains lonc terme passé, le comperra moult chier,
« Si très mar a volut, par mortel encombrier,
« Le linaige du Chisne tellement abaissier.
« Mal pert outre le mer que che soient bregier ;
« Quant Godefrois mes frères i fait tant à prisier,
« Qu’il a toute Surie sous lui à justichier :
« Et est rois de la ville, dont li mur sont plénier,
« Où Jhésus se laissa péner et traveillier,
« Et férir, au costé, de la lanche d’achier.
« Encore ai-je du sanc car on li fist raïer,
« Que Godefrois mes frères fait, no mère, envoïer. »
Adont a fait Wistaces deffremer ·j· forgier ;
S’en trait une fiole, qui toute fu d’ormier,
Et dist à le royne : « chi poés regaitier
« Le sanc nostre Signour, qui nous geta d’infer. »
Dont se va le royne tantost agenoullier,
Et si troy fil aussi, et tout li chevalier ;
Et puis vont le fiole acoler et baisier,
Que Godefrois faisoit à Boulongne envoïer,
Dont puis rechiut le mort, d’Aracle, le lanier.
Qui d’un serf fait signour, il a mauvais loïer.
Quant Wistaces oï le royne jolie,
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Esmerez zou een edele vrouw trouwen,
« De dame van Ponthieu, die edele erfgename.
« Toen Esmerez het meisje hoorde pleiten,
« Trok hij toen terstond een stalen zwaard;
« Vervolgens ging hij bij Gaufroi een oor afsnijden.730
« Goed dacht hij hem te raken midden op de schedel,
« Maar de dief schreeuwde; en men kwam hem te hulp.
« Toen moesten mijn kinderen onze stad verlaten,
« Die zij naderhand lange tijd kwamen heroveren;
« Maar de lieden van Boulenois wilden daar niet langer dralen:
« Zo bezit Gaufrois, met het laffe hart, mijn koninkrijk,
« Zodat wij er nog niet de waarde van een denier van hebben. »
« Bij mijn geloof, » sprak Wistaces, « als ik kan toeslaan,
« Voordat er een lange termijn verstreken is, zal hij dit zeer duur betalen,
« Dat hij zo noodlottig, door een dodelijke hinderlaag,740
« Het geslacht van de Zwaan zozeer heeft willen vernederen.
« Slecht blijkt over de zee dat dit herders zouden zijn;
« Wanneer Godefrois mijn broer ginds zozeer te prijzen valt,
« Dat hij heel Syrië onder zijn gezag heeft te stellen:
« En hij is koning van de stad, waarvan de muren volmaakt zijn,
« Waar Jezus zich liet pijnigen en kwellen,
« En steken, in de zij, met de stalen lans.
« Zelfs heb ik nog van het bloed dat men hem liet vergieten,
« Dat Godefrois mijn broer naar onze moeder laat sturen. »
Toen heeft Wistaces een schrijn laten openen;750
Daaruit haalt hij een flacon, die geheel van zuiver goud was,
En sprak tot de koningin: « hier kunt u aanschouwen
« Het bloed van onze Heer, die ons verloste uit de hel. »
Toen ging de koningin terstond knielen,
En haar drie zonen ook, en alle ridders;
En daarna gaan zij de flacon omhelzen en kussen,
Die Godefrois naar Boulongne liet sturen,
Waarmee hij naderhand de dood ontving van Aracle, de lafaard.
Wie van een knecht een heer maakt, die krijgt een slechte beloning.
Toen Wistaces de lieflijke koningin hoorde,760
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
l7w9p7nxym8fjrq4s9o55osqejwnjo0
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/143
104
87805
224860
2026-08-15T15:59:53Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224860
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Si li dist : « ma cousine, ne vous esmaïez mie ;
« Car jà ne vous faurai, ni à mort, ni à vie.
« Et s’a Boulongne vieng, qui sus mer est bastie,
« Et que j’aie à ma mère donné, en sa baillie,
« Le sanc nostre Signour, que je pris en Surie,
« A l’encontre Gaufroi vous ferai grant aïe. »
Ensi disoit Wistaces ; mais il ne savoit mie
Que li avenra, ains le année acomplie :
Car le sainte fiole, qui du sanc fu emplie,
Li fu par larrechin et robée et ravie,
Et fu ·vij· ans perdus, en terre païénie.
Et puis le reconquist, par sa noble maistrie,
Bauduins de Sebourc, à le chière hardie ;
Qui depuis mist le sanc en plus d’une partie :
A Boulongne en i ot, si com l’istoire crie ;
S’en fu li sans à Bruges ; et à Fescamp-l’abbie.
{{lijn|6em}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Sprak hij tot haar: « mijn nicht, wees geenszins bevreesd;
« Want nimmer zal ik u in de steek laten, noch in de dood, noch in het leven.
« En als ik in Boulongne aankom, dat aan zee gebouwd is,
« En ik aan mijn moeder in haar hoede heb gegeven
« Het bloed van onze Heer, dat ik meenam uit Syrië,
« Tegen Gaufroi zal ik u grote hulp bieden. »
Aldus sprak Wistaces; maar hij wist geenszins
Wat hem zal overkomen, nog voordat het jaar is volbracht:
Want de heilige flacon, die met het bloed gevuld was,
Werd hem door diefstal zowel ontstolen als ontrukt,770
En was zeven jaar verloren, in het heidense land.
En daarna heroverde het, door zijn edele meesterschap,
Bauduins van Sebourc, met het moedige gelaat;
Die sindsdien het bloed in meer dan één deel splitste:
In Boulongne was er een deel van, zoals de kroniek roept;
En zo kwam het bloed in Brugge; en in de abdij van Fécamp.
{{lijn|6em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
47oavlbvvsngh1us4wcyemsqw5x1nlg
Boudewijn van Sebourg/ZANG IV
0
87806
224861
2026-08-15T16:01:05Z
Havang(nl)
4330
Nieuwe pagina aangemaakt met '<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=121 to=143 header=1 />'
224861
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=121 to=143 header=1 />
kn3lq7oppt1l2blas7aupc23sls4akg
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/358
104
87807
224862
2026-08-15T16:31:42Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224862
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|319}}</noinclude>die schets vertoonde) door wangunst gedreven zeide alleen: ''Dat dat geen werk was voor zoo een man'', en daar mee was de voortgang verydelt, en ''le Ceur'' van de hand gewezen. Zulke Hovelingen leeren dit van hunne Vorsten, ''die'' (naar ’t zeggen van Salustius) ''alles wat hun dienstig is, en voordeel geven kan, eerlyk agten te wezen''. Maar die kwansuis daar noch niet voor gaan willen, of zig daar voor bloot stellen, doen het zelve bedekt.<br>{{gap}}''Dominikyn'' schilderde te Rome de Historie van den Heiligen Hieronimus voor de Paters van die order om boven ’t groot Autaar van hun Kerk geplaatst te worden: maar deze door Konstbenyders bedektelyk opgestookt, zetten dat Konststuk, als zulk een plaats niet waardig, elders in een hoek weg; niettegenstaande dat de Schilder menigwerf daar om aanhielt dat het mocht geplaatst worden daar elk het zien konde. Dit kwam een der Kardinalen, die byzonder Konstminnende was, ter ooren: Des zond hy een onpartydig Schilder uit zyn naam by de Paters, om het stuk te zien, en de Deugt desselfs t’onderzoeken, die het zelve tot in den hoogsten graat prees; des zig de Kardinaal aan dees verongelyking tot drukking van Dominikyn liet gelegen zyn, en ontbood die kwaadsprekers (onderzocht hebbende wie zy waren) by zich, en dwong de zelve reden te geven waarom zy dit gemelde stuk misprezen hadden.<br>{{gap}}Als deze dan zich met ernst gedwongen zagen opregt daar ontrent te biechten, beleden zy, dat, by aldien zy dit stuk naar zyn waarde prezen, de maker voor den grootsten Meester in Rome geroemt, en boven hen alle geprezen zou worden.<br>{{gap}}Zie wat de Nyd en Laster niet al vermag. Na-<noinclude>{{rechts|der-}}</noinclude>
mlctkozn3hk1cmpp7m1zq6g8607yj1h
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/359
104
87808
224863
2026-08-15T16:37:43Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224863
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|320|''Schouburgh der''|}}</noinclude>derhand hielt, en houd men nu nog dit stuk voor een der konstigste geschilderde Tafereelen die te Roome te zien zyn.<br>{{gap}}Ik heb ’er gekent, die, als hun eenig Konstwerk van anderen wierd voorgestelt, om te konnen zeggen dat zy geen woort tot nadeel daar in gesproken hadden, de schouders (als hun over de waarde daar van gevraagt wierd) zoodanig wisten op te trekken, en den bek te ploojen, dat de veragting daar uit duidelyk genoeg te verstaan was. En zommigen die voor Konstkwekers gegroet willen wezen, hebben mee een rol in ’t Spel. Deze, als hun naar eenig konstwerk gevraagt wort, zwygen of spreken, na dat het voordeel hun dryft, aangezien zy de regelen van ’t welleeven vergeten en alleen het Artykel van eigen voordeel onthouden hebben, en ’t zelve behartigen. Van deze die zwegen, daar zy spreken moesten, zeiden de Atheniensers. ''Hy heeft den Os in de keel, of heeft den Uil gezien''; om dat in dien tyd hun gelt met de beeltenis van een Os, of Uil bezet was.<br>{{gap}}Ongelukkigen, die baatzuchtigen tot hun helpers aantreffen, dezen moeten de handen voor af gevoelig gekust worden, of zy moeten op ’t end de winst met hun deelen.<br>{{gap}}’T beurt elk niet een Kristoffel aan te treffen, die hem door de Wateren der verdrukking torst: of een machtigen ''Mecenas'' die hem zoo hoog opbeurt, dat de nyd hem niet bereiken kan, om heur gespitste nagels in zyn huit te hegten.<br>{{gap}}De Werelt is bedorven, en de bewoonders voor ’t grootste deel verbastaart. De Spinnen groejen sterk aan, en de Byen verminderen. Voorbeelden hebben ons doen zien, dat de een Konstenaar des anders werken lastert en schent.<noinclude>{{rechts|''Le''}}</noinclude>
l7f5pv5nbtpwwo1v5vc0mtvyq0uix67
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/360
104
87809
224864
2026-08-15T16:46:54Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224864
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|321}}</noinclude><br>{{gap}}''Le Ceur'', een der braafste Konstschilders in zyn tyd te Rome, schilderde het leeven van den Heiligen Bruno, voor de Paters van die order in een Gaandery van hun Klooster. De vervloekte Afgonst, die zulk een fraay konstwerk in haar kwaad gezigt niet dulden konde, nog ongeschonden laten, heeft de schoonste en konstigst geschilderde wezens met heur schenzieke nagels uit gekrabt. Ja wat de verfoeylyke Afgunst uitwerkt als zy zig den toom los geeft, zullen wy in een opmerkelyk voorval den Konstschilder ''Jan de Baan'' wedervaren, zien: ’t welk wy van zyne levensbeschryving hebben afgeknepen, om het in deze redenvoering te pas te brengen.<br>{{gap}}''De Baan'' berucht voor den besten pourtretschilder van Nederlant, en reeds vele Princen, en Vorsten met veel roem hebbende geschildert, werd ook ontboden aan ’t Hof van Frieslant om den Prins en zyn Gemaalin te schilderen. Dit stak byster in ’t oog van hem (wy zullen zyn naam niet melden) die lang als Schilder aan ’t Hof gewoont had. Hy vatte daar over een haat tegens de ''Baan'' op, doch deed daar van niet het minste blyken, maar veinsde egter zyn vrint te wezen, ’t geen ook van ''de Baan'', die van een goeden inborst was, gelooft werd, waarom hy hem veel vrintschap bewees; doch deze kropte dien haat op tot dat dezelve eindelyk tot een vervloekt voornemen uitbarste, en toeleg maakte om hem te vermoorden. Hy kwam tot dien einde in den Haag, maar vond geen gelegenheit dit by avond of ontyde te verrichten, aangezien hy altyd met zyn Hont verzelt ging, daar hy zig op vertroude.<br>{{gap}}Deze moordlustige nam dan voor hem dit on-<noinclude>{{RH|{{gap}}{{sc|II. Deel}}.|X|der}}</noinclude>
hdcnqp5rq4vq99d5cjffjd43aspov8r
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/361
104
87810
224865
2026-08-15T16:55:10Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224865
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|322|''Schouburgh der''|}}</noinclude>der schyn van vrientschap, in zyn eigen huis te doen, ging hem bezoeken, en verzocht zyn Konst te mogen zien. ''De Baan'', geen kwaad vreezende, ontfangt hem beleeft, en leit hem op zyn ruime Schilderzaal: want hy woonde toen in het Groothuis naast aan de Schevelingze Brugh in ’t Noordende van den Haag.<br>{{gap}}Hier scheen de moorder de baan klaar te zien om zyn gruwelstuk uit te voeren, nu hy zig met hem alleen bevont.<br>{{gap}}Terwyl nu ''de Baan'' ’t eene stuk voor, en ’t ander na voor dien schoft op den Ezel zette, op dat hy de zelve best zoude konnen zien, trekt de godvergete mensch zyn moortpriem, dien hy tot dien einde onder zyn rok verborgen had, uit de schee, om agter hem staande, hem dien verraderlyk in de ribben te stooten. Wat gebeurt ’er? De Heer Bruyninks, een van de Baans vrinden, die hem dagelyks kwam bezoeken, en zonder te vragen maar stil de trappen op naar zyn Schilderkamer gewoon was te komen, komt juist in dat oogenblik, zonder gehoort te worden, den trap op tot op de ''Bordes'', en ziende den moortpriem opgeheven, geeft een luiden schreeu, waar door het gansche Huisgezin in bewegen raakte. De Verrader hier door verzet, en zyn toeleg verydelt vindende, neemt in alleryl de vlucht, de Zaal af langs een anderen trap, ten huis uit, en ’t Nachtegaals Pad op, agter de Kloosterkerk, heen. Zyne Leerlingen en zommige Wagenaars die aan de Schevelingze Brug stonden, snelden hem wel na, maar hy was hun ontsnapt, en kwam ook naderhand niet te voorschyn.<br>{{gap}}Nog eens is hy van Nydigaarts aangevallen, waar by hy den middelsten vinger van zyn regter hand verloor.<noinclude>{{rechts|De}}</noinclude>
awdtkikw3bpw0kfu0p8u95scc7iib6j
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/362
104
87811
224866
2026-08-15T17:17:19Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224866
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|323}}</noinclude><br>{{gap}}De Laster en Leugen speelden mee hun Rol, tot zyn nadeel. Zy strooiden uit aan verscheiden buitenlantsche Hoven dat ''de Baan'' niet meer schilderen kon, maar blind wierd. Zelf werd dit door den Haag alzins verspreit, ’t welk de Prins van Anspach Brandenburg (wiens afbeeldzel hy voor heen geschildert had) niet konnende geloven, liet zyn Koets inspannen, reed naar hem toe, en liet zig andermaal schilderen tot schaamte van die Addertongen. Dit is geweest in ’t jaar 1692. De Nyd bedient zig op alle wyze van snoode vonden.<br>{{gap}}Ik ben heel niet van dien aart dien de oude Tobias had, en ga niet graag ter begravenis: maar zoo de Nyd eens ter aarde gedragen wierd, zou ik vreugdig die Lykstatie volgen, en ’t Graf helpen toedelven.<br>{{gap}}De Schilderkonstoeffenaars, inzonderheit de Leerjeugt, moeten yder groot Meester aanmerken als een <ref>{{fine|''Antenos'' was de Zoon van Venus. De gelegentheit of oorzaak dat deze van haar gebaard wierd verhaald Porfirio aldus: ''Venus had Kupido gebaart, maar als die Jongen even kleen bleef en niet groeide, vraagd zy daar over raad aan het Orakel, dat haar antwoordde, zoo lang Kupido alleen was zou hy even kleen blyven. Antenos geboren groeide op, en werd groot. Kupido dit ziende, dulde niet dat hy hem boven ’t hooft groeide. Stapte Antenos hem voor, hy klapte zyn wieken en stapte hem kloekmoedig na, enz.''}}</ref> ''Antenos'' die door brandende liefde tot de Konst opgegroeyt, tot nayver verwekt, en aanspoort om mee groot te worden.<br>{{gap}}Diogenes, door den roem welke de Veelweters kroonde, wordende de geleertheit toen zo hoog geschat, als nu het gelt; werd door nayver geprikkeld; en deze nayver spoorde hem voort tot begeerte en wakkerheit aan. En wanneer de spreuk:<noinclude>{{RH||X 2|''’T''}}</noinclude>
j9ubjchwjbp01gfbb6oqq5zly42klxe
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/363
104
87812
224867
2026-08-15T17:24:04Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224867
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|324|''Schouburgh der''|}}</noinclude><section begin="s1"/>{{gedicht|''’T beurt zelden dat een geest den hoek te boven raakt''.
''Die in zyn arremoe naar wetenschappen haakt'';}}
hem zyn toeleg scheen af te raden, greep hy egter moet, en zeide tot zig zelven: ''de spreuk zeit niet nooit, maar zelden, en wie weet of ik niet een van die ben, welke de Goden die gunst bewyzen willen. Lucas van Leyden'', (als hem gezegt wierd dat Albert Duurer, door zyn Konst grooten opgang maakte en de zelve zeer hoog geroemt wierd) vraagde: ''Of hy geen Mens was?'' en als zy ja zeiden vervolgde hy: ''Waarom zou ik hem dan door yver niet konnen inhalen''? Zulk zeggen is grootmoedig en pryslyk, en past een edle ziel. Maar laat nooit de Nyd in uw boezem huisvesten, maar elders begraven blyven.
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}De gelegentheit is een groot behulp voor de genen die zig tot de Schilderkonst of andere wetenschappen geneigt vinden. Waarom al van ouds deze spreuk: ''Elk heeft het geluk niet van Korinten te mogen bezoeken''; onder de Grieken in gebruik was. Velen welke Ouders hadden die zig des verstonden, werden de konsten en wetenschappen als met de pap (gelyk het spreekwoord zeit) ingegeven, en zy vonden de voetsporen daar toe gebaant, om met wyde schreden tot hun geluk en roem te stappen, ’t geen anderen door akelige omwegen hebben moeten opzoeken. Dit geluk is den Fenix der Scheepschilderen,<br>{{gap}}{{sc|WILLEM vanden VELDE}},'' Willemsz.'' toegevallen. Hy werd geboren te Amsterdam in ’t jaar 1633, en van der jeugt aan tot de Konst geneigt, werd daar in aangespoort, en met geneigt-<section end="s2"/><noinclude>{{rechts|heit}}</noinclude>
dapec5mp6himksboevxguwbr33noo6k
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Baan
0
87813
224868
2026-08-15T17:26:33Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
224868
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=342 to=363 fromsection=s2 tosection=s1 header=2/>
[[Categorie:Schouburg]]
qxd3tqitrpoaei4nj7sckiav2rpscow
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/145
104
87814
224870
2026-08-15T17:38:41Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224870
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT V.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
este canchon, signour, doit bien estre prisie ;
Car translatez fu en divine clergie,
Du Latin en Romans, n’el tenez à folie.
A Saint-Amant, à Brugez, en la liberarie,
En sont li fait escript ; et proprement la vie
Du bon roy Bauduin de Sebourc, le jolie.
Si est de saint Brandon le matère furnie ;
Qui fu si près d’enfer, à nef et à galie,
Que déable d’enfer issirent, par maistrie,
Getans brandons de feu, pour lui faire hasquie ;
Et parla à Judas, sus le pière naïe.
Bauduins de Sebourc fu en sa compaignie,
Qui conquist saint Brandon, en terre païénie ;
Polibans ot à nom, Falise ot en baillie.
Ceste matère doit bien estre auctorisie :
De saintes et de sains est ma chanson furnie,
Et d’armes, et d’amours, et de chevalerie,
Et de griez traïsons, et de grant estourmie.
Or vous traïez en chà, signour, je vous en prie :
Et qui n’a point d’argent, si ne s’asièche mie ;
Car chil qui n’en ont point ne sont de ma partie.
Signour, or entendez ; franc nobile bourgois,
Nulle mieudre chanchon n’oïstez-vous des mois :
Or sont nagant par mer li chevalier courtois.
Si eurent à conseil qu’ou païs Boulenois
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG V.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Dit lied, heren, moet zeer gewaardeerd worden;
Want het werd door goddelijke geleerdheid vertaald,
Van het Latijn naar de volkstaal (Romans), zie het niet als dwaasheid.
In Sint-Amand, in Brugge, in de bibliotheek,
Staan de daden opgeschreven; en specifiek het leven
Van de goede en vrolijke koning Boudewijn van Sebourc.
Ook de materie van Sint-Brandaan is erin verwerkt;
Die zo dicht bij de hel was, met schip en galei,
Dat de duivels uit de hel tevoorschijn kwamen, met list,
En brandende fakkels wierpen om hem te roosteren; 10
En hij sprak met Judas op de naakte steen.
Boudewijn van Sebourc was in zijn gezelschap,
Hij die Sint-Brandaan veroverde in het heidense land;
Polibans was zijn naam, Falise had hij in zijn bezit.
Deze materie verdient het om gezaghebbend te zijn:
Van heilige vrouwen en mannen is mijn lied voorzien,
En van wapens, en van liefde, en van ridderlijkheid,
En van zwaar verraad, en van grote opschudding.
Kom nu hierheen, heren, ik bid u:
En wie geen geld heeft, ga niet zitten; 20
Want zij die er geen hebben, horen niet bij mijn gezelschap.
Heren, luister nu; edele, vrije burgers,
Een beter lied heeft u in maanden niet gehoord:
Nu varen de hoofse ridders over de zee.
Zij besloten in hun raad dat zij naar het land van Boulogne
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
j0h1byj31nptixcudze35rg8p2g0vp3
224900
224870
2026-08-16T09:24:11Z
Havang(nl)
4330
224900
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT V.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Ceste canchon, signour, doit bien estre prisie ;
Car translatez fu en divine clergie,
Du Latin en Romans, n’el tenez à folie.
A Saint-Amant, à Brugez, en la liberarie,
En sont li fait escript ; et proprement la vie
Du bon roy Bauduin de Sebourc, le jolie.
Si est de saint Brandon le matère furnie ;
Qui fu si près d’enfer, à nef et à galie,
Que déable d’enfer issirent, par maistrie,
Getans brandons de feu, pour lui faire hasquie ;
Et parla à Judas, sus le pière naïe.
Bauduins de Sebourc fu en sa compaignie,
Qui conquist saint Brandon, en terre païénie ;
Polibans ot à nom, Falise ot en baillie.
Ceste matère doit bien estre auctorisie :
De saintes et de sains est ma chanson furnie,
Et d’armes, et d’amours, et de chevalerie,
Et de griez traïsons, et de grant estourmie.
Or vous traïez en chà, signour, je vous en prie :
Et qui n’a point d’argent, si ne s’asièche mie ;
Car chil qui n’en ont point ne sont de ma partie.
Signour, or entendez ; franc nobile bourgois,
Nulle mieudre chanchon n’oïstez-vous des mois :
Or sont nagant par mer li chevalier courtois.
Si eurent à conseil qu’ou païs Boulenois
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG V.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Dit lied, heren, moet zeer gewaardeerd worden;
Want het werd door goddelijke geleerdheid vertaald,
Van het Latijn naar de volkstaal (Romans), zie het niet als dwaasheid.
In Sint-Amand, in Brugge, in de bibliotheek,
Staan de daden opgeschreven; en specifiek het leven
Van de goede en vrolijke koning Boudewijn van Sebourc.
Ook de materie van Sint-Brandaan is erin verwerkt;
Die zo dicht bij de hel was, met schip en galei,
Dat de duivels uit de hel tevoorschijn kwamen, met list,
En brandende fakkels wierpen om hem te roosteren; 10
En hij sprak met Judas op de naakte steen.
Boudewijn van Sebourc was in zijn gezelschap,
Hij die Sint-Brandaan veroverde in het heidense land;
Polibans was zijn naam, Falise had hij in zijn bezit.
Deze materie verdient het om gezaghebbend te zijn:
Van heilige vrouwen en mannen is mijn lied voorzien,
En van wapens, en van liefde, en van ridderlijkheid,
En van zwaar verraad, en van grote opschudding.
Kom nu hierheen, heren, ik bid u:
En wie geen geld heeft, ga niet zitten; 20
Want zij die er geen hebben, horen niet bij mijn gezelschap.
Heren, luister nu; edele, vrije burgers,
Een beter lied heeft u in maanden niet gehoord:
Nu varen de hoofse ridders over de zee.
Zij besloten in hun raad dat zij naar het land van Boulogne
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
dwewtbpt0bee78eiiuspc20a9afihtv
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/146
104
87815
224871
2026-08-16T07:31:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224871
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Seroient repairant, briement à ceste fois,
Avoec le conte Wistace, qui lor dist que Gaufrois
Sera par lui destruis ; car trop est maléois.
Mais ensi qu’il nagoient, à pales et à crois,
Virent parmi le mer, nagans par grans esplois,
Bargez et grans dromons, plus de ·lx· et trois :
Et s’avoient banièrez, et pignons à orfrois.
Et quant Wistaces vit des enseingnez les plois,
Dont sot bien que c’estoit poeplez Sarrasinois.
Si dist à ses cousins : « chil ne sont pas Franchois,
« Enchois sont Sarrasins, qui poi prisent no loys ;
« Chi nous poons sauver, trestout à ceste fois. »
Dont fist appareillier, Wistaces, ses conrois :
·iiijc· archierz ot, qui traient dars Turcois ;
Et ·c· arbalestriers, qui furent Genevois ;
Car bailliet li avoit ses frèrez Godefrois,
Pour lui à convoïer, che fu raisons et drois.
Car homs qui entre en mer n’a pas tous ses voloirz.
·j· sages homs si doit pourvir en tous endrois.
Wistaces n’iert pas folz, li contez Boulenois ;
Car poi vaut sens repus, et avoirs enfouois.
Wistacez de Boulongne quant se va perchevant
Que li Sarrasins viènent, parmi le mer nagant,
Plus tost que nulz oisiaus ne voist en l’air volant ;
Esmeret apella, le damoisel sachant,
Et son frère Alixandre, et le ber Gloriant :
« Signour cousin, » dist-il, « ichi viènent Persant ;
« Monstrons-leur bonne chière, et ·j· hardi samblant.
« Qui, son anemi, est bonne chière monstrant,
« On le fait à moitiet tout mat et récréant. »
Et chil ont respondu : « ne vous alez doubtant ;
« Car appareilliet sommes, en l’onneur Dieu le grant,
« Pour vivre et pour mourir, sé lui vient en commant. »
A icheste parole, ès li roy Briguedant
Qui estoit roys d’Aufrike, et d’Erope tenant ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zouden terugkeren, ditmaal voor korte tijd,
Samen met graaf Eustaas, die hun vertelde dat Godfried
Door hem vernietigd zal worden; want hij is te kwaadaardig.
Maar terwijl zij voeren, met riemen en zeilen,
Zagen zij op de zee, varend met grote spoed, 30
Barken en grote dromons, meer dan drieënzestig:
En zij hadden vaandels en wimpels met goudborduursel.
En toen Eustaas de plooien van de vlaggen zag,
Wist hij wel dat het een Saraceens volk was.
Hij zei tegen zijn neven: "Dat zijn geen Fransen,
Het zijn juist Saracenen, die onze wetten weinig achten;
Hier kunnen we onszelf redden, ditmaal allemaal samen."
Toen liet Eustaas zijn troepen klaarmaken:
Vierhonderd boogschutters had hij, die Turkse pijlen schoten;
En honderd kruisboogschutters, die Genuezen waren; 40
Want zijn broer Godfried had hen aan hem toevertrouwd,
Om hem te begeleiden, wat juist en rechtvaardig was.
Want een man die de zee opgaat, krijgt niet altijd zijn wil.
Een wijs man moet zich aan alle kanten voorzien.
Eustaas was niet gek, de graaf van Boulogne;
Want verborgen wijsheid en begraven rijkdom zijn weinig waard.
Toen Eustaas van Boulogne merkte
Dat de Saracenen eraan kwamen, varend over de zee,
Sneller dan welke vogel dan ook door de lucht vliegt;
Riep hij Esmeret, de wijze jongeling, 50
En zijn broer Alexander, en de nobele Gloriant:
"Heren neven," zei hij, "hier komen de Perzen;
Laten we hen een goed gezicht en een koen uiterlijk tonen.
Wie zijn vijand een goed gezicht toont,
Maakt hem al voor de helft mat en verslagen."
En zij antwoordden: "Wees niet bang;
Want wij zijn bereid, ter ere van de grote God,
Om te leven en te sterven, als Hij dat beveelt."
Bij deze woorden verscheen koning Briguedant,
Die koning van Afrika was en heerser over Europa; 60
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
iidlvk4q3rqhloou2n5thmnw8qkzbm5
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/147
104
87816
224872
2026-08-16T07:34:03Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224872
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
N’avoit plus félon roy ou païs mescréant.
·xiiij· frères ot, qui tout sont amirant,
Qui tenoient les terrez par devers Oriant.
Chius Briguedans d’Aufrike, signour, dont je vous cant,
Venoit de gerroïer le poeple en Dieu créant :
Escoche avoit destruite, ·j· royaume moult grant ;
S’avoit le roy ochis, à l’espée trenchant ;
S’amenoit la royne, par dedens ·j· chalant.
En Chipre avoit destruit maint cristien vaillant,
Et s’avoit pris le roi Julien, li vaillant ;
Et une siène fille, courtoise et avenant,
Le plus belle puchelle, et du plus dous samblant,
Qui fuist en son royame, si lons com il s’espant.
Diex ! que li prisonnier furent de coer dolant
Qu’il estoient ensi en le main du Persant ;
De coer réclaimment Dieu, le père tout-poissant.
Il ont droit qu’il le vont de bon coer réclamant ;
Car qui se fie en li, tout dis a-il garant.
Et s’aucune personne, de loïal ensiant,
A, en che siècle-chi, anoy né doel pesant ;
Croire doit et penser et savoir tout avant
Que, pour lui esprouver, le va Diex envoïant
Ou dammaige ou annoy dont sen coer a dolant.
Mais il sont pluseurs gens, en che siècle régnant,
Qui ne croient en Dieu, le père roy amant,
Sé che n’est sus bon gaige qu’avoir voelent devant ;
Bonne fin en taverne che vont-il désirant.
Signour, on ne se poet trop haster de bien faire :
Telz est ore haitiez, veschi bel exemplaire,
Qui demain ne verra que li solaus esclaire.
Chil qui aront bien fait averont bon solaire,
Li mauvais prenderont en infer leur repaire ;
Si que trestous li mons se doit au bien retraire.
Prendez exemple chi prévoist, baillu et maire !
Sé faussement jugiez, ch’est pour vous grant contraire ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Er was geen trouwelozere koning in het ongelovige land.
Veertien broers had hij, die allemaal emirs waren,
En de landen in het oosten regeerden.
Deze Briguedant van Afrika, heren, over wie ik zing,
Kwam net terug van het oorlog voeren tegen het volk dat in God gelooft:
Schotland had hij verwoest, een zeer groot koninkrijk;
Hij had de koning gedood met het scherpe zwaard;
En nam de koningin mee in een schip.
In Cyprus had hij menig dapper christen gedood,
En hij had koning Julien gevangengenomen, de dappere; 70
En een van zijn dochters, hoofs en aantrekkelijk,
Het mooiste meisje en met de zachtste blik
Die er in zijn koninkrijk was, hoe ver het zich ook uitstrekte.
God! Wat waren de gevangenen bedroefd in hun hart
Dat zij zo in de hand van de Pers waren;
Vanuit hun hart riepen zij God aan, de almachtige Vader.
Zij hadden gelijk dat zij Hem vanuit een goed hart aanriepen;
Want wie op Hem vertrouwt, heeft altijd een beschermer.
En als een persoon, met een oprecht bewustzijn,
In deze wereld een zware beproeving of verdriet heeft; 80
Moet hij geloven en denken en allereerst weten
Dat God dit stuurt om hem op de proef te stellen,
Hetzij schade of verdriet waar zijn hart bedroefd om is.
Maar er zijn veel mensen die in deze wereld leven,
Die niet in God geloven, de liefhebbende Vader en Koning,
Tenzij ze eerst een goed onderpand hebben dat ze willen zien;
Een goed einde in de taveerne is wat zij wensen.
Heren, men kan zich niet snel genoeg haasten om het goede te doen:
De een is nu nog gezond en wel, hier is een mooi voorbeeld,
Die morgen de zon niet meer zal zien schijnen. 90
Zij die het goede hebben gedaan, zullen een goed loon krijgen,
De slechten zullen in de hel hun verblijf nemen;
Dus de hele wereld moet zich tot het goede keren.
Neem hier een voorbeeld aan, proost, baljuw en burgemeester!
Als u vals oordeelt, is dat een groot nadeel voor u;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
69q158b5rxzv84ty7u2p35cnp4ndwmj
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/148
104
87817
224873
2026-08-16T07:34:57Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224873
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Vous n’arez jugement de Dieu qui vous puist plaire.
A ma droite matère, signour, me voel retraire :
Quant Briquedans d’Aufrique, qui fier ot le viaire,
Vit que sont cristien, dont commencha à braire ;
Et dist : « or, assalez et si pensez du traire !
« A ces félons quétis donrai si mal douaire
« La terre ahanneront mon frère roy Islaire,
« Et si seront batu comme asne de Chésaire. »
Et no bon cristien, qui tant sont debonnaire,
Aloient réclamant le Vierge secrétaire.
De li priier merchi ne se doit bons coerz taire.
A l’assambler les nefz, en mi le mer salée,
Fu fière la bataille et grande la mellée :
Là, ot mainte buisine graisloïe et sonnée ;
Maint cor, maint olifant, mainte trompe dorée.
Dessus les bors des nefz, là fu no gent montée,
Chascuns a devant lui une targe pozée ;
Li archier vont traiant de grande randonnée.
Et li Sarrasin traient ossi à le volée.
Mais li istoire dist que la gent deffaée
Furent ·xx· encontre ·j·, à celle matinée :
Che fu une parchon masement ordenée.
Signour, ens ès dromons de la gent deffaée,
Y avoit grans chastiaus establis à l’entrée,
Bien fais et batailliez ; et à tour eslevée,
De crestiaus environ noblement garitée.
Là, furent li païen, dont je fai devisée,
Qui d’espringalez vont traïant de randonnée ;
Et oile, et plonc boulant, mainte grant caudrelée
Getoient sus no gent, qui de Dieu soit sauvée ;
De vive chaus getèrent mainte grant pochonnée.
Onques telle bataille ne fu mais assamblée ;
Et s’estoit nostre gent trestout avironnée
De la gent Sarrasine, en mi le mer salée.
Là, eurent cristien une pesme journée ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
U zult geen oordeel van dat God behagen krijgen.
Tot mijn eigenlijke materie, heren, wil ik terugkeren:
Toen Briguedant van Afrika, die een trots gezicht had,
Zag dat het christenen waren, begon hij te brullen;
En zei: "Voorwaarts, val aan en denk aan het schieten! 100
Aan deze laffe ellendelingen zal ik zo'n slechte bruidsschat geven:
Het land zullen zij bewerken van mijn broer, koning Islaire,
En zij zullen geslagen worden als de ezels van Caesarea."
En onze goede christenen, die zo goedhartig zijn,
Riepen de Maagd, de vertrouwelinge, aan.
Om haar om genade te smeken, mag een goed hart niet zwijgen.
Toen de schepen elkaar troffen, te midden van de zoute zee,
Was het gevecht fel en de strijd groot:
Daar werd menige hoorn en klaroen geblazen en geklonken;
Menige hoorn, menige olifantstrompet, menige vergulde trompet. 110
Op de boorden van de schepen klom ons volk omhoog,
Ieder had een schild voor zich geplaatst;
De boogschutters schoten met grote vaart.
En de Saracenen schoten ook in het rond.
Maar de geschiedenis zegt dat het ongelovige volk
Met twintig tegen één was, die ochtend:
Dat was een zeer ongelijk verdeeld aandeel.
Heren, op de dromons van het ongelovige volk
Waren grote kastelen gebouwd bij de ingang,
Goed gemaakt en voorzien van kantelen; en met een verhoogde toren, 120
Rondom nobel beschermd met borstweringsgaten.
Daar stonden de heidenen, over wie ik vertel,
Die met reuzenkruisbogen (espringalen) met kracht schoten;
En kokende olie en kokend lood, menige grote ketel vol
Wierpen zij op ons volk, dat door God gered moge worden;
Van bijtende kalk wierpen zij menige grote zak vol.
Nooit was er zo'n veldslag samengekomen;
En ons volk was helemaal omsingeld
Door het Saraceense volk, te midden van de zoute zee.
Daar hadden de christenen een vreselijke dag; 130
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
cfr9uwjg5oen2m6cfvkhfm1nea7vlf8
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/149
104
87818
224874
2026-08-16T07:36:27Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224874
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Bien cuidièrent morir, ains que fust la vesprée.
Et la royne Roze fu si espoentée,
Que, de le grant dolour, est chéue pasmée ;
Et a dit : « mère Dieu, royne courronnée !
« Dame, si vraiëment que vous fuistez craée
« Et saintie, à une eure enchois que fuissiez née,
« Et que la prophésie fu sus toi contournée,
« D’Ysaïe, qui dist une raison senée ;
« Par ·j· popliquant, cui geta sa visée,
« Qui se béquoit au coer, pour sa douche nicée,
« Qu’il voloit de son sanc saouler le journée ;
« Si dist une raison, qui fu en voir trouvée :
« C’une ente vierge et digne, nourissans par rozée,
« Porteroit, vierge, fruit qui par humle pensée
« Aroit en une crois, pour nous, sa char navrée,
« Et respanderoit sanc, à grande randonnée,
« Et par che sanc seroit no vie recouvrée ;
« Vierge, tu fus li arbrez, et l’ente consacrée,
« Qui portas le saint fruit, par miracle ordenée,
« Qui pour nous ot, en crois, sa teste couronnée
« D’aubespine poingnans, et si but la fiellée !
« Vierge, tu fus le cambre roïaus engourdinée,
« Qui du Saint-Esperit fu toute enluminée !
« Vierge, tu fus le sale, de toute honnour parée ;
« Tu fus li haus palais, tu fus le douche entrée ;
« Tu es, en escripture, combles de foy clamée ;
« Tu fus temple luisans ; tu es arche apellée ;
« En toy naga li Rois qui t’avoit carpentée !
« Hélas ! il arriva ensi du rencontrée,
« Que sa char fu à mort jugie et pourmenée.
« Arche, tu remanus dolante et esgarée.
« Je te pri, sains vaissiaus, pure digne approvée,
« Que nostre arche ne soit des païens violée. »
A icheste parole est chéue pasmée.
Belle fu l’orisons que la dame disoit,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zij dachten werkelijk te sterven voordat het avond werd.
En koningin Rose was zo doodsbang,
Dat zij van het grote verdriet flauwgevallen is;
En zij zei: "Moeder van God, gekroonde koningin!
Dame, zo waarlijk als u geschapen bent
En geheiligd, een uur voordat u geboren werd,
En dat de profetie op u was gericht,
Van Jesaja, die een wijze uitspraak deed;
Over een pelikaan, die zijn blik wierp,
Die zichzelf in het hart pikte, voor zijn zachte kroost, 140
Omdat hij met zijn bloed de dag wilde verzadigen;
Hij deed een uitspraak die de waarheid bleek te zijn:
Dat een maagdelijke en waardige loot, gevoed door dauw,
Als maagd vrucht zou dragen, die door een nederige gedachte
Aan een kruis, voor ons, zijn vlees zou laten verwonden,
En bloed zou vergieten, met grote stromen,
En door dat bloed zou ons leven herwonnen worden;
Maagd, u was de boom, en de gewijde loot,
Die de heilige vrucht droeg, door een wonder beschikt,
Die voor ons, aan het kruis, zijn hoofd gekroond had 150
Met stekelige meidoorn, en zo de gal dronk!
Maagd, u was de koninklijke kamer, zacht gemaakt,
Die door de Heilige Geest geheel verlicht werd!
Maagd, u was de zaal, met alle eer versierd;
U was het hoge paleis, u was de zachte ingang;
U bent, in de schrift, het toppunt van geloof genoemd;
U was een glanzende tempel; u bent de ark genoemd;
In u voer de Koning die u had getimmerd!
Helaas! Het gebeurde zo bij de ontmoeting,
Dat zijn vlees ter dood veroordeeld en weggevoerd werd. 160
Ark, u blijft bedroefd en verloren achter.
Ik bid u, heilig vat, puur en waardig bevonden,
Dat onze ark niet door de heidenen geschonden wordt."
Bij deze woorden is zij flauwgevallen.
Mooi was het gebed dat de dame uitsprak,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
nce5iq0gm1p9q9r8i6t3ljgt6v6rf0t
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/150
104
87819
224875
2026-08-16T07:37:42Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224875
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et Diex l’oï très bien, que sa mère prisoit.
Otant ayme celli, qui ·j· bien en diroit,
Et qui de loyal coer fermement l’aourroit,
Comme son propre corps. Qui renoiet l’aroit,
Et à le mère Dieu merchi en priieroit,
Le Vierge, pure et digne, bien le rapaiseroit :
Li fiex fait pour le mère che qu’elle priëroit.
Pour che démonstra Diex, et sa mère honneroit,
Quant il estoit chà-jus, comment qu’encore i soit ;
Qu’il voelt que tout enfant soient de tel arroit,
Qu’à père et mère fachent honneur, en tout endroit :
Car qui les déshonneure pis faire ne porroit,
Et alast en ·j· bois murdrir gens, à esploit.
Honneure père et mère, et si leur porte foit ;
Et sé tu ne le fais, escripture amentoit
Qu’au jour du jugement t’en donra Diex ton droit.
Si tost que la royne s’orison défina,
Jhésus, qui bien l’oy, ses bons amis aida ;
Car en péril estoient, et cascuns s’esmaïa,
Car de ·xx· encontre ·j· laide parture i a.
Avironnet estoient. Brighedans leur cria :
« Car vous rendés keitis, ou morir vous faura !
« En le terre d’Aufrique li miens corpz vous menra ;
« S’ahanerez le terre, au païs par de là. »
Quant Wistacez l’oï, tous li sans li mua ;
Il a dit à ses hommes : « signourz, or i parra !
« Chertez, miex voult mourir, puis que Diex le vaura,
« Qu’estre pris des païens, car chius qui pris sera,
« Rois Brighedanz nous dist qu’ahanner les fera.
« Che seroit dure vie ! malis soit qui vaura
« Rendre le corpz de lui ! jà il ne m’avenra !
« Car en soufrir griés paine trop de despérance a.
« Signour, » che dist Wistaces, « du défendre pensons ;
« Car sachiez vraiëment, s’à païens nous rendons,
« Ahaner nous feront, dedens leurz régions.
</poem>
|valign=top|
<poem>
En God hoorde het zeer goed, Hij die zijn moeder eerde.
Hij houdt evenveel van degene die iets goeds over haar zegt,
En die haar met een oprecht hart standvastig aanbidt,
Als van zijn eigen lichaam. Wie haar verloochend had,
En de Moeder van God om genade zou smeken, 170
De Maagd, puur en waardig, zou hem wel weer verzoenen:
De Zoon doet voor de moeder wat zij vraagt.
Daarom toonde God het, en eerde Hij zijn moeder,
Toen Hij hier beneden was, zoals Hij dat nog steeds wil;
Dat Hij wil dat elk kind zo is ingesteld,
Dat het vader en moeder eer bewijst, overal:
Want wie hen onteert, zou niets ergers kunnen doen,
Zelfs al zou hij in een bos mensen gaan vermoorden, met spoed.
Eer uw vader en moeder, en wees hen trouw;
En als u dat niet doet, herinnert de schrift eraan 180
Dat God u op de dag des oordeels uw recht zal geven.
Zodra de koningin haar gebed beëindigde,
Hielp Jezus, die het goed hoorde, zijn goede vrienden;
Want zij verkeerden in gevaar, en iedereen was angstig,
Want twintig tegen één is een lelijke verhouding.
Zij waren omsingeld. Briguedant riep hen toe:
"Geef jullie over als gevangenen, of jullie moeten sterven!
Naar het land van Afrika zal mijn lichaam u voeren;
Dan zult u het land bewerken, in het land daarginds."
Toen Eustaas dat hoorde, veranderde al zijn bloed; 190
Hij zei tegen zijn mannen: "Heren, nu zal het blijken!
Voorwaar, ik sterf liever, als God het wil,
Dan gevangen te worden door de heidenen, want wie gevangen wordt,
Koning Briguedant zegt ons dat hij hen het land zal laten bewerken.
Dat zou een hard leven zijn! Vervloekt zij degene die
Zijn lichaam wil overgeven! Het zal mij nooit overkomen!
Want in het lijden van zware pijn is te veel wanhoop.
Heren," zei Eustaas, "laten we aan verdedigen denken;
Want weet wel, als we ons aan de heidenen overgeven,
Zullen ze ons het land laten bewerken, in hun regio's. 200
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
3l61oqkj2zm87wzep1y1hb3hs8j93bt
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/151
104
87820
224876
2026-08-16T07:39:19Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224876
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Chertes, au coer me vient si bonne opinions
« Qu’encore arons victoire, sé bien nous deffendons. »
« Diex ! » dient cristien, « volentiers le verrons !
« Hé ! Diex, si vraiëment que tu es Diex et homs,
« Otroie-nous ta gloire, sé chi endroit morons. »
Lors assalent païens : chil qui ont lons bastons
Les frapoient d’estoc, parmi les haubregons ;
Mais Brighedans d’Aufrique ot ·iijm· esclavons,
Traiant, as ars Turcois, sajettez et bougons ;
Si querquiet en avoient, cristien, leur blaisons210
Que che sambloient foeillez, qui croissent ès buissons.
Enclos sont cristien, laide fu li parchons ;
·iiijm· en gisoit ochis, ens ès dromons,
Dont Wistaces estoit moult dolans et embrons :
Et si croi, sé n’éust esté li orisons,
Et le priière Roze, dont ichi vous disons,
Jà véist desconfis Wistace et les barons.
Mais Roze fu loïaus en ses conditions ;
Elle est sainte : à Nimaye s’en fait-on les sermons
Des miraclez que fist, pour li, li rois Jhésons.220
Pour che fait bon bien faire, et devenir prud’ons ;
Car le fins est mouvaise de murdréourz larons.
Grande fu la bataille en le mer d’Abilant :
Sonnoient ches buisinez, et chil cor d’olifant ;
Et li navret aloient villainement criant.
Qui là véist Wistace, le hardi combatant,
Esmeré, Alixandre, et le ber Gloriant ;
Comment adont aloient les païens chastiant,
A lor riches espéez, les testez détrenchant,
Bien désist que che fust Olivier ou Roelant.230
Esmerez tient le hache, de fin achier luisant,
Sus le bort de le nef estoit en son estant :
·j· ammachour féri, cousin roy Brighedant ;
Ou hiaume le va tellement assenant,
Qu’ens ou chief li embarre ; le chervèle en respant.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Voorwaar, in mijn hart komt de vaste overtuiging
Dat we nog de overwinning zullen behalen, als we ons goed verdedigen."
"God!" zeiden de christenen, "graag willen we dat zien!
Heer! God, zo waarlijk als U God en mens bent,
Schenk ons uw glorie, als we hier ter plekke sterven."
Toen vielen de heidenen aan: zij die lange staven hadden
Sloegen hen met de punt, door de maliënkolders;
Maar Briguedant van Afrika had drieduizend Slaven (huurlingen),
Die met Turkse bogen pijlen en bouten schoten;
Zij hadden de schilden van de christenen zo volgeschoten 210
Dat het wel bladeren leken die in de struiken groeien.
De christenen zijn ingesloten, lelijk was de verdeling;
Vierduizend lagen er gedood op de dromons,
Waarom Eustaas zeer bedroefd en somber was:
En ik geloof, als het gebed er niet was geweest,
En de herhaalde bede van Rose, waarover we u hier vertellen,
Dat men al snel Eustaas en de baronnen verslagen had gezien.
Maar Rose was trouw in haar beloften;
Zij is een heilige: in Nijmegen houdt men preken
Over de wonderen die koning Jezus voor haar deed. 220
Daarom is het goed om het goede te doen en een oprecht man te worden;
Want het einde van moordenaars en dieven is slecht.
Groot was de veldslag in de zee van Abilant:
De klaroenen klonken, en de hoorns van olifantstand;
En de gewonden schreeuwden vreselijk.
Wie daar Eustaas had gezien, de dappere strijder,
Esmeret, Alexander, en de nobele Gloriant;
Hoe zij toen de heidenen gingen straffen,
Met hun rijke zwaarden hun hoofden afslaand,
Zou wel zeggen dat het Olivier of Roeland was. 230
Esmeret houdt de bijl vast, van glanzend fijn staal,
Op de rand van het schip stond hij rechtop:
Een admiraal sloeg hij, een neef van koning Briguedant;
Op de helm raakte hij hem zo,
Dat hij zijn schedel insloeg; de hersenen spatten eruit.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
tj3fnre2t0de1no7jy0o2qcn3g0xrl0
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/152
104
87821
224877
2026-08-16T07:41:21Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224877
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Les costes et les bras leur aloit desrompant.
Ne fuissent li archier, dont là i avoit tant,
Bien éussent païen fait mas et récréant ;
Mais li Sarrasins traient, qui ne s’i vont faignant :
Par chou sont, cristien, mort et ochis sanglant.
Né jà n’en escapast homme sain, né vivant,
Quant Diex i fist, pour iaus, miracle si très grant
Que tout bon cristien, qui en Dieu sont créant,
L’en doivent gratiier ; et estre désirant
De maintenir droiture, tout jour en leur vivant.
Or oïés le miracle, franc cristien vaillant :
Car li Turc qui aloient de sajettez traiant,
Plus dru que pluève en may, n’en genvier négant ;
Les sajettez, de coi li fer furent trenchant,
Retournèrent sour iaus, che que dérier devant.
Li fer viènent sour iaus, arrière retournant,
Qui droit à leur poitrines se venoient fiquant ;
Et les coerz de leurz ventrez tout parmi pourfendant ;
Et reversoient mort, tout en mi leur calant.
Trestout chil qui traioient furent mort maintenant :
Puis venoient nouvel ; mais ne valoit noiant.
·xm· en i morut, ains le soleil couchant.
Grans merveillez en ot li fors rois Brighedant :
Car en poi d’eure vit son poeple récréant ;
Li jeus est rotournez, che que dérier devant.
Dont li rois ot tel doel, près ne va marvoïant.
Quant li rois Brigedant vit le desconfituré
Qui sur lui retournoit ; Mahon, son Dieu, en jure
C’onques si grant mesquief n’avint à créature.
« Mahon, » ce dist li rois, « je fonc ensi que bure !
« Orains oc dou plus biel ; or est à moi l’injure.
« François sont encanteur ! c’est bien lor noréture ! »
Adont ahiert l’espée, parmi l’endentéure ;
Et jà s’en fust férus, parmi sen arméure,
Quant uns paiiens li dist : « vo pensée est trop sure,
</poem>
|valign=top|
<poem>
De ribben en de armen brak hij hen achter elkaar.
Als de boogschutters er niet waren geweest, van wie er daar zoveel waren,
Hadden de christenen de heidenen zeker mat en verslagen gemaakt;
Maar de Saracenen schoten, en zij lieten zich niet onbetuigd:
Daardoor zijn de christenen dood en bloedig gesneuveld. 240
En er zou geen man gezond of levend zijn ontsnapt,
Ware het niet dat God daar, voor hen, een heel groot wonder deed
Waarvoor alle goede christenen, die in God geloven,
Hem moeten danken; en verlangend moeten zijn
Om het recht te handhaven, alle dagen van hun leven.
Luister nu naar het wonder, vrome, dappere christenen:
Want de Turken die pijlen stonden te schieten,
Dichter dan de regen in mei, of sneeuw in januari;
De pijlen, waarvan de ijzers scherp waren,
Keerden zich tegen henzelf, achterstevoren. 250
De ijzers kwamen op hen af, achteruit terugkerend,
En boorden zich recht in hun borst;
En de harten in hun buiken geheel doorborend;
En zij vielen dood neer, midden in hun schepen.
Iedereen die schoot, was direct dood:
Toen kwamen er nieuwe; maar het hielp niets.
Tienduizend stierven er, voor de zon onderging.
Grote bewondering had de sterke koning Briguedant hiervoor:
Want in korte tijd zag hij zijn volk opgeven;
Het spel is gekeerd, achterstevoren. 260
Waarom de koning zo'n verdriet had dat hij bijna gek werd.
Toen koning Briguedant de nederlaag zag
Die zich tegen hem keerde; zwoor hij bij Mahon, zijn God,
Dat zo'n groot onheil nog nooit een schepsel was overkomen.
"Mahon," zei de koning, "ik smelt weg als boter!
Daarnet doodde ik de mooiste; nu is de schande aan mij.
De Fransen zijn tovenaars! Dat is echt hun aard!"
Toen greep hij het zwaard, bij het gevest;
En hij zou zichzelf al door zijn harnas hebben gestoken,
Toen een heiden tegen hem zei: "Uw gedachte is te boud, 270
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
824ok9ibm59u2uvson9suwiwtbloovb
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/153
104
87822
224878
2026-08-16T07:43:45Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224878
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Qui vous volés tuer ; ce n’est mie droiture.
Vengons le vostre gent, de grant volenté pure ;
Car, puis c’uns hons est mors, nus n’en a jamais cure.
Brighedans fu dolans quant vit la retournée ;
Que sa gent s’ochiot, au traire à le volée.
Le traire deffendi, à moult haute allenée,
Car ·xm· archierz ot ochis, en le journée,
Qui jamais ne vairont leur moulier espousée.
Wistacez de Boulongne refforche le mellée ;
Venu sont main à main, si tint chascuns l’espée ;
Et Esmerez tenoit une mache férée.
Là ont as Sarrasins telle chière monstrée,
Que le gent Sarrasine fu toute espoentée ;
Et li rois Brighedans n’i a fait arrestée.
Ou moilon de sa nef, à l’estace levée,
Trouva le roi de Cypre, à le barbe mellée ;
De cordes fu loïés à l’estache quarrée.
Quant Brighedans le voit, si li fist escriée :
« Par Mahon ! rois de Cipre, le teste arés copée ;
« Sé véritez ne m’est, de par vous, recordée. »
Et dist li rois de Chipre : « par le Vierge sauvée !
« Vérité vous dirai ; sé l’avés demandée. »
Dist li rois Brighedans : « or ne me chélez mie.
« Je m’esmerveil forment d’une grant mancolie :
« J’avoie maintenant celle gent baptizie,
« Tout à ma volenté, matée et desconfie ;
« Mais une aventure est sus me gent revertie
« Que trestout mi archier i ont perdu le vie ;
« Car cascune sajette, qu’il avoient lanchie,
« Retournoient sour iaus, droit entre coer et fie ;
« Ensément ai perdus mes gens et ma maisnie.
« Or me dites sé ch’est par leur enchanterie ? »
Et dist li rois de Chipre : « nennil, je vous afie.
« Ains est par leur Signour, dont il ont bonne aïe ;
« Car il ont à Signour, je vous achertéfie,
</poem>
|valign=top|
<poem>
U die uzelf wilt doden; dat is geenszins rechtvaardig.
Laten we ons volk wreken, met zuivere en grote wil;
Want zodra een man dood is, maalt er nooit meer iemand om hem."
Briguedant was bedroefd toen hij de ommekeer zag;
Dat zijn eigen volk zichzelf doodde bij het in het rond schieten.
Het schieten verbood hij, met zeer luide adem,
Want tienduizend boogschutters had hij verloren die dag,
Die nooit meer hun getrouwde vrouw zullen zien.
Eustaas van Boulogne versterkt het gevecht;
Zij zijn handgemeen geworden, en ieder hield het zwaard vast; 280
En Esmeret hield een ijzeren knots vast.
Daar hebben zij de Saracenen zo'n gezicht getoond,
Dat het Saraceense volk geheel doodsbang was;
En koning Briguedant hield daar geen stand.
In het midden van zijn schip, bij de opgerichte mast,
Vond hij de koning van Cyprus, met de grijze baard;
Met touwen was hij vastgebonden aan de vierkante mast.
Toen Briguedant hem zag, riep hij hem toe:
"Bij Mahon! Koning van Cyprus, uw hoofd zal eraf gehakt worden;
Tenzij de waarheid mij door u verteld wordt." 290
En de koning van Cyprus zei: "Bij de behouden Maagd!
De waarheid zal ik u vertellen, als u erom gevraagd heeft."
Koning Briguedant zei: "Verberg nu niets voor mij.
Ik verbaas me enorm over een grote kwelling:
Ik had zojuist dat gedoopte volk,
Geheel naar mijn wil, mat en verslagen gemaakt;
Maar er is een voorval op mijn volk teruggekeerd
Waardoor al mijn boogschutters het leven hebben verloren;
Want elke pijl die zij hadden afgeschoten,
Keerde terug op henzelf, recht tussen hart en lever; 300
Zodoende heb ik mijn manschappen en mijn gevolg verloren.
Vertel me nu of dit door hun tovenarij komt?"
En de koning van Cyprus zei: "Nee, dat verzeker ik u.
Het is juist door hun Heer, van wie zij goede hulp krijgen;
Want zij hebben als Heer, ik verzeker het u,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
h0rs39mzyj5e8xhio24bofm36etlon4
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/154
104
87823
224879
2026-08-16T07:44:48Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224879
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Tout le plus souffissant que trouver on puist mie. »
« Et comment l’apelle-on ? » dist chius, « je vous en prie. »
Et dist li rois de Chipre : « par ma chevalerie,
« On l’apelle Jhésu, le fil sainte Marie,
« Qui est sires et maistres de toute trônisie ;
« Sires des cristiens, et de gent baptizie.
« Chius lor a fait garant ; dont vous arez hasquie :
« Car maintenant verrés vostre gent desconfie,
« Sé vous ne créés Dieu, qui de mort vint à vie. »
« Comment ! » dist Brighedans, « vous dites grant folie.
« Quant je vous asségai, par dedens Nichotie,
« Onques ne vous aida, vers cheulz de ma baillie. »
Et dist li rois de Chipre : « car foys estoit fallie,
« En moy, et en ma gent, et en ma baronnie ;
« Si ne volt onques Diex estre de no partie.
« Cha, » dist li rois de Chipre, « rois Brighedans, entent :
« Chil de là sont preud’omme, et de bon essient ;
« S’a aucune personne, en leur assamblement,
« Que Jhésus voelt garder de mal et de tourment.
« Chertes, sé tu ne crois Dieu, et le sacrement,
« Et rechois de vrai coer le saint baptizement,
« Tu seras jà bien tost desconfis laidement. »
Quant Brighedans l’oï parler si faitement,
Diex l’enlumina si, qu’il li donna talent
De lui à recognoistre, et croire fermement.
Si dist au roy de Chipre : « je vous ai en couvent
« Je me baptizerai, sans nul arrestement,
« Et vaurai Jhésu-Crist croire parfaitement. »
Lors délivra le roy et sa fille, au corpz gent ;
Le royne d’Escoche, et trestoute leur gent.
Sus le bort d’une nef monta isnellement,
A sa vois, qu’il ot clère, s’escria hautement :
« Franc cristien, » dist-il, « n’assalez nullement ;
« Car je me rens à vous, pour faire vo talent. »
Wistace de Boulongne tantost s’espée rent :
</poem>
|valign=top|
<poem>
De aller-machtigtste die men maar kan vinden."
"En hoe noemt men Hem?" zei deze, "ik bid u."
En de koning van Cyprus zei: "Bij mijn ridderschap,
Men noemt Hem Jezus, de zoon van de heilige Maria,
Die de heer en meester is van de hele schepping; 310
Heer van de christenen, en van het gedoopte volk.
Deze heeft hen beschermd; waardoor u zult boeten:
Want nu zult u uw volk verslagen zien,
Tenzij u in God gelooft, die van de dood tot het leven kwam."
"Wat!" zei Briguedant, "u spreekt grote dwaasheid.
Toen ik u belegerde, binnen Nicosia,
Heeft Hij u nooit geholpen tegen degenen onder mijn gezag."
En de koning van Cyprus zei: "Omdat het geloof ontbrak,
In mij, en in mijn volk, en in mijn baronnen;
Daarom wilde God nooit aan onze zijde staan. 320
Hier," zei de koning van Cyprus, "koning Briguedant, luister:
Zij daarginds zijn rechtschapen mannen, en van goed begrip;
En er is een persoon in hun gezelschap
Die Jezus wil behoeden voor kwaad en voor kwelling.
Voorwaar, als u niet in God gelooft, en het sacrament,
En met een oprecht hart het heilige doopsel ontvangt,
Zult u al heel snel lelijk verslagen zijn."
Toen Briguedant hem zo hoorde spreken,
Verlichtte God hem zo, dat Hij hem het verlangen gaf
Om Hem te erkennen, en standvastig te geloven. 330
Hij zei tegen de koning van Cyprus: "Ik beloof u
Dat ik me zal laten dopen, zonder enig uitstel,
En dat ik volkomen in Jezus Christus wil geloven."
Toen liet hij de koning vrij en zijn dochter, met het schone lichaam;
De koningin van Schotland, en al hun mensen.
Op de rand van een schip klom hij snel omhoog,
Met zijn stem, die helder was, riep hij luid:
"Vrome christenen," zei hij, "val geenszins aan;
Want ik geef me aan u over, om uw wil te doen."
Eustaas van Boulogne geeft direct zijn zwaard over: 340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
jdgskk07nl6umbzh75dnpf8qgqldm2h
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/155
104
87824
224880
2026-08-16T07:45:49Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224880
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et Wistacez le prist, de bon coer, humblement.
Le bataille remest ; lasset furent forment.
Brighedans fist ·j· ban crier appertement :
Qui se voelt baptizier des siens, hastéëment
Si oste son hiaume, qui reluist clèrement ;
Par coi il verra cheulz de son aloiëment.
Le plus grande plenté s’i acorda briefment.
Qui croire ne volt Dieu, la teste on li pourfent.
Ses maistres conseillierz, c’on clamoit Madarent,
Prist le loy Jhésu-Crist ; mais che fu faussement :
Le sanc Jhésu embla larrechineusement ;
Mais Diex l’en envoïa ·j· cruel vengement,
Ensi com vous orrez recorder vistement.
Or vous traïés en chà, pour Dieu, très douche gent ;
Et vous orrez matère, dont li ver sont moult gent :
Li fors rois Briquedans, dont j’ai fait parlement,
Se baptiza le jour, moult amistablement,
Contre le roy de Chipre, qui outre mer s’estent :
Ot à nom Juliens, sé l’istoire ne ment.
Parins sains Juliiens fu-il ciertainement ;
Non pas saint Juliien, n’el créés nulement,
Qui ocist père et mère, par grant encombrement.
·ij· sains Juliiens sont, où on croit fermement ;
Ce tiesmoigne escriture, qui ces biens nous aprent.
Or fu rois Brighedans baptiziez et levez ;
Ossi fu Madarans, ses conseillierz privez ;
Et de la gent au roy se baptiza assez ;
Qui ne se baptiza le chief li fu copés.
Nobles fu li menguierz, qui là fu aprestez.
Li riches rois de Chipre est, à Wistace, alés ;
« E ! sires de Boulonge, » dist-il, « or m’entendés :
« Je sui, par vostre corpz, de le mort escapez.
« Si vous més, en vo main, toutez mes héritez,
« Et ma fille ensément, que vous ichi vaez ;
« Mes corpz et mes avoirs vous est abandonnez ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
En Eustaas ontving hem, met een goed hart, nederig.
De veldslag hield op; zij waren zeer vermoeid.
Briguedant liet openlijk een bevel omroepen:
Wie van de zijnen zich snel wilde laten dopen,
Moest zijn helm afzetten, die helder glansde;
Waardoor hij degenen van zijn gezindheid zou zien.
Het grootste deel stemde er al snel mee in.
Wie niet in God wilde geloven, diens hoofd werd doorkliefd.
Zijn meester-raadsman, die men Madarent noemde,
Nam het geloof van Jezus Christus aan; maar dat was valselijk: 350
Het bloed van Jezus stal hij diefachtig;
Maar God stuurde hem een wrede wraak daarvoor,
Zoals u spoedig snel verteld zult horen.
Kom nu hierheen, om Gods wil, zeer zachte mensen;
En u zult materie horen waarvan de verzen zeer mooi zijn:
De sterke koning Briguedant, over wie ik gesproken heb,
Liet zich die dag dopen, zeer vriendschappelijk,
Tegenover de koning van Cyprus, die zich overzee uitstrekt:
Hij heette Julien, als de geschiedenis niet liegt.
Zijn peetoom was zeker de heilige Juliaan; 360
Niet de heilige Juliaan, geloof dat geenszins,
Die zijn vader en moeder doodde, door een groot ongeluk.
Er zijn twee heilige Julianen, in wie men vast gelooft;
Dit getuigt de schrift, die ons deze goede dingen leert.
Nu was koning Briguedant gedoopt en ten doop geheven;
Evenzo was Madarans, zijn naaste raadsman;
En van het volk van de koning lieten velen zich dopen;
Wie zich niet liet dopen, diens hoofd werd afgehakt.
Nobel was de maaltijd die daar werd klaargemaakt.
De rijke koning van Cyprus is naar Eustaas gegaan; 370
"O! Heer van Boulogne," zei hij, "luister nu naar mij:
Ik ben dankzij uw persoon aan de dood ontsnapt.
Dus leg ik in uw hand al mijn erfgoederen,
En mijn dochter evenzo, die u hier ziet;
Mijn lichaam en mijn bezittingen zijn aan u overgelaten;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
8jvf07gdfbgd71k9avza2xji1pfn9hw
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/156
104
87825
224881
2026-08-16T07:47:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224881
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Mes païs est tous vostrez, car conquesté l’avez. »
Quant Wistaces l’entent, li sans li est muez.
Regarde le pucelle, où grande est li biautez,
Moult le vit belle et gente ; adont s’est avisez
Glorians, ses neveus, en sera estrinés :
Si sera rois de Chipre, quant li rois ert finez.
Roy Julien appelle, si li dist : « entendés ;
« Jà n’averai du vostre né chastiaus, né chités.
« Mais je ai un cousin, qui prochain m’est carnez,
« Il avera vo fille, sé vous le commandez ;
« Si tenra, après vous, toutez vos hérités. »
Et dist li rois de Chipre : « Diex en soit aourez ! »
« Gloriant, » dist Wistaces, « la pucelle prendez.
« Vous fustes fiex de roy, et encor le serez. »
Quant le voit, le puchelle, li coerz li est levez ;
Elle le vit très bel, et s’estoit bien molez :
Ja vausist que ses corpz fust à lui espousez.
Wistaces li dist : « belle, che vassal le volez ? »
« Sire, » dist la pucelle, « qu’est-che que dit avez !
« Je vous prie, pour Dieu, que vous nous assamblez ;
« Fiancher, espouser, en ·j· jour, c’est mes grez. »
Les noches furent faitez du dansel Gloriant,
Et de le fille au roi de Chipre, le poissant.
La royne d’Escoche se va en piés dréchant ;
A Wistace est venue, si li dist en oïant :
« Sire, » dist la royne, « vous m’avez fait garant,
« De la gent Sarrazine, et du roy Brighedant ;
« Fait l’avez baptisier, dont j’ai mon coer joïant ;
« Délivrée m’avez, de mort dure et pesant ;
« Si vous en rens ma terre, pour faire vo commant. »
« Dame, » che dist Wistaces, « or oïés mon samblant :
« Jà n’averai dou vostre un denier valisant !
« Point de mari n’avés, che dient li auquant,
« Et pour chou vous donrai ·j· mien appertenant ;
« C’est frères à cestui que je vois mariant :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Mijn land is geheel van u, want u heeft het veroverd."
Toen Eustaas het hoorde, veranderde zijn bloed.
Hij kijkt naar het meisje, in wie de schoonheid groot is,
Hij zag haar zeer mooi en teder; toen heeft hij bedacht
Dat Gloriant, zijn neef, hiermee begiftigd zal worden: 380
Zo zal hij koning van Cyprus zijn, wanneer de koning sterft.
Koning Julien roept hij, en hij zei tegen hem: "Luister;
Nooit zal ik van het uwe kastelen of steden hebben.
Maar ik heb een neef, die mij naverwant is in het vlees,
Hij zal uw dochter hebben, als u dat beveelt;
Zo zal hij, na u, al uw erfgoederen bezitten."
En de koning van Cyprus zei: "God zij erom geprezen!"
"Gloriant," zei Eustaas, "neem het meisje.
U was de zoon van een koning, en u zult het weer zijn."
Toen zij hem zag, het meisje, leefde haar hart op; 390
Zij zag hem zeer mooi, en hij was goed gebouwd:
Zij wilde al dat haar lichaam aan hem getrouwd was.
Eustaas zei tegen haar: "Schone, wilt u deze vazal?"
"Heer," zei het meisje, "wat heeft u daar gezegd!
Ik bid u, om Gods wil, dat u ons samenbrengt;
Verloven en trouwen op één dag, dat is mijn wens."
De bruiloft werd gevierd voor de jongeling Gloriant,
En voor de dochter van de koning van Cyprus, de machtige.
De koningin van Schotland ging rechtop staan;
Naar Eustaas is zij gekomen, en zij zei in ieders gehoor: 400
"Heer," zei de koningin, "u heeft mij bescherming geboden,
Tegen het Saraceense volk en tegen koning Briguedant;
U heeft hem laten dopen, waarvoor ik mijn hart verheug;
U heeft mij bevrijd van een harde en zware dood;
Daarom geef ik u mijn land, om uw bevelen mee te doen."
"Dame," zei Eustaas, "hoor nu mijn mening:
Nooit zal ik van het uwe één penning waard hebben!
U heeft geen echtgenoot, zo zeggen sommigen,
En daarom zal ik u een bloedverwant van mij geven;
Dat is de broer van degene die ik zojuist zie trouwen: 410
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
1s7w141pxkndy2l61021js8b516wnux
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/157
104
87826
224882
2026-08-16T07:49:40Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224882
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Or l’arez à signour, s’il vous plaist, maintenant. »
« Oïl, » dist la royne, « car je le vous demant. »
Adont vont li doy frère lez dames espousant :
Grandez furent les nochez, en mi le mer bruïant ;
Li enfant font leur nochez, par dedens ·j· calant,
Noblez fu li menguierz, et li més souffissant.
Esmerez, li ainsnés, en est salis avant ;
Il a dist à Wistace, le conte combatant,
« Sire cousins, » dist-il, « or oïés mon samblant :
« Vous avés mariet mon frère Gloriant ;
« Et Alixandre aussi donnet dame plaisant ;
« Je vous demande femme, en l’onnour Dieu le grant.
« Aussi bien me devez marier maintenant,
« Comme avés fait mes frères, selonc mon essiant ;
« Or me donnés moullier, car je le vous demant. »
« Cousin, » che dist Wistaces, « par Dieu le roy amant,
« Et je le vous donrai, je le vous acréant,
« Sé je le puis trouver, en che siècle vivant. »
« Oïl, » dist Esmerez, « elle est en Abilant ;
« Soer au Rouge-Lion, le neveu roy-soudant. »
« Ceste est forte à avoir, » dist li quens en riant,
« Car il me faut conquerre une chité devant !
« Cousins, » che dist Wistaces, li preus et li gentis,
« Par le foy que je doy les sains de paradis,
« Et Godefroi, mon frère, qui est roys postéis ;
« Jammais ne retourai en Franche le païs,
« Si arés le pucelle, à cui estes amis.
« A Abilant irons, le chité de haut pris :
« Le siège i méterai, pour voir le vous plévis,
« Et si le conquerrons as riches brans fourbis ;
« Puis arés le puchelle, blanche com flour de lis. »
« Hélas ! » dist Esmerez, li damoisiaus gentis,
« N’arai-ge la pucielle tant qu’arai le lieu pris ?
« Il me samble, par Dieu, que c’est un lons respis !
« Ne porrai tant attendre, car d’amourz sui souspris. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nu zult u hem als echtgenoot hebben, als het u behaagt, onmiddellijk."
"Ja," zei de koningin, "want ik vraag het u."
Toen gingen de twee broers met de dames trouwen:
Groot was de bruiloft te midden van de bruisende zee;
De jongelingen vierden hun bruiloft in een schip,
Nobel was de maaltijd en de gerechten ruimschoots voldoende.
Esmeret, de oudste, is naar voren gesprongen;
Hij zei tegen Eustaas, de strijdbare graaf,
"Heer neef," zei he, "hoor nu mijn mening:
U heeft mijn broer Gloriant getrouwd; 420
En Alexander ook een behagelijke dame gegeven;
Ik vraag u om een vrouw, ter ere van de grote God.
U moet mij nu net zo goed trouwen,
Als u met mijn broers heeft gedaan, naar mijn mening;
Geef mij nu een echtgenote, want ik vraag het u."
"Neef," zei Eustaas, "bij God de liefhebbende Koning,
Ik zal haar u geven, ik beloof het u,
Als ik haar kan vinden, levend in deze wereld."
"Ja," zei Esmeret, "zij is in Abilant;
De zuster van de Rode Leeuw, de neef van de koning-sultan." 430
"Die is moeilijk te krijgen," zei de graaf lachend,
"Want ik moet eerst een stad veroveren!
Neef," zei Eustaas, de dappere en de edele,
"Bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan de heiligen van het paradijs,
En aan Godfried, mijn broer, die een machtig koning is;
Nooit zal ik terugkeren naar het land Frankrijk,
Voordat u het meisje heeft, van wie u de vriend bent.
Naar Abilant zullen we gaan, de stad van hoge waarde:
De belegering zal ik daar opslaan, ik beloof het u naar waarheid,
En zo zullen we haar veroveren met de rijke, gepoetste zwaarden;440
Dan zult u het meisje hebben, wit als de leliebloem."
"Helaas!" zei Esmeret, de edele jongeling,
"Zal ik het meisje pas hebben als ik de plaats heb ingenomen?
Het lijkt mij, bij God, dat dit een lang uitstel is!
Ik zal niet zo lang kunnen wachten, want ik ben door de liefde bevangen."
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
1bgd3t3unpwdtl4loiknsz7tvlcg9rd
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/158
104
87827
224883
2026-08-16T07:50:39Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224883
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Quant li bons roys d’Aufrike a si fais mos oïs,
Pour iceste raison a geté ·iiij· ris ;
Si dist à Esmeret : « ne soiiés esbahis.
« Car, par le foy que doy au père Jhésu-Cris,
« Je cuis si esploiter, pour voir le vous plévis ;
« Ains que jammais voïés ches ·viij· jourz acomplis,
« Verrez Eliénor, la puchelle gentis,
« Et girés en sa chambre, nut à nut, vis à vis.
« Sé Diex sauve ma vie, qui est pères et fis,
« De cheste cose faire sui-je très bien carnis.
« Cha, » dist li roys d’Aufrique, qui Juliens ot nom,
« Ne vous esmaïés mie, damoisiaus de renon :
« Quant nous venrons à terre, as champs sus le sablon,
« Par dedens Abilant, qui est Rouge-Lion,
« Venrez avoeques moy, sé il vous vient à bon ;
« Et si menrons ·j· prestre. Nous troi, sans compaignon,
« Irons en Abilant, cascuns sour ·j· Gascon.
« Quant li roys me verra, en me propre faichon,
« Grant feste me fera ; il n’aimme sé moi non.
« Je li ferai entendre, par soutive raison,
« Que j’arai par dehors tendu mon paveillon ;
« Et qu’avoec moy n’arai amenet nul baron,
« Pour che que je ne voeil que li sien esclavon
« Fachent, contre ma gent, mouvoir nulle tenchon.
« Sa soer li rouverai, qui clère a le faichon ;
« Et il le me donra, à ma devision,
« Car promise le m’a, il a longe saison :
« Illuec l’espouserai, à le loy de Mahon.
« Quant che venra au vespre, que dormir s’en va-on,
« En la chambre la dame, dont je fai mention,
« Vous i ferai entrer, coiëment à laron ;
« Li prestez i sera qui, en propre fachon,
« T’espousera la belle à ta devision ;
« Et si gerras o lui, et en feras ton bon.
« Par foy, » dist Esmerez, « veschi bonne raison !
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen de goede koning van Afrika zulke woorden hoorde,
Heeft hij om deze reden vier keer gelachen;
En hij zei tegen Esmeret: "Wees niet onthutst.
Want, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan de Vader Jezus Christus,
Ik denk zo te handelen, ik beloof het u naar waarheid;450
Voordat u deze acht dagen voltooid ziet,
Zult u Eléonore zien, het edele meisje,
En zult u in haar kamer liggen, naakt aan naakt, oog in oog.
Als God mijn leven spaart, die vader en zoon is,
Om deze zaak te doen ben ik zeer goed uitgerust.
Hier," zei de koning van Afrika, die Julien als naam had,
"Wees geenszins angstig, jongeling van roem:
Wanneer we aan land komen, op de velden op het zand,
Binnen Abilant, dat van de Rode Leeuw is,
Zult u met mij meekomen, als het u goeddunkt;460
En we zullen een priester meenemen. Wij drieën, zonder gezelschap,
Zullen Abilant binnengaan, ieder op een Gascogner paard.
Wanneer de koning mij ziet, in mijn eigen gedaante,
Zal hij een groot feest voor mij vieren; hij houdt van niemand behalve van mij.
Ik zal hem doen begrijpen, met een scherpzinnige reden,
Dat ik daarbuiten mijn tent heb opgeslagen;
En dat ik geen enkele baron met mij mee heb gebracht,
Omdat ik niet wil dat zijn Slaven (huurlingen),
Tegen mijn volk, enige strijd aangaan.
Zijn zuster zal ik van hem vragen, die een helder gezicht heeft; 470
En hij zal haar aan mij geven, naar mijn wens,
Want hij heeft haar mij beloofd, al een lange tijd geleden:
Daar zal ik met haar trouwen, volgens de wet van Mahon.
Wanneer het avond wordt, dat men gaat slapen,
In de kamer van de dame, over wie ik spreek,
Zal ik u daar doen binnengaan, stilletjes als een dief;
De priester zal er zijn die, op gepaste wijze,
U met de schone zal trouwen naar uw wens;
En dan zult u bij haar liggen, en uw genoegen met haar hebben."
"Bij mijn geloof," zei Esmeret, "dat is een goede reden! 480
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
tjbqba3zs5hx9j2tr9a2odsnq2fxqrf
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/159
104
87828
224884
2026-08-16T07:54:21Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224884
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Onques n’oï parler de mièdre traïson,
« S’ensi poet estre fait bien esploitié aron. »
« Cha, » dit li roys d’Aufrique, Juliens au vis cler,
« Sé vous me volez croire, chi vous voel créanter
« Abilant vous ferai avoir et conquester ;
« En une seule nuit, sans vous déhonnerer. »
Et Esmerez respont : « che fait à créanter. »
Adont vers Abilant font leur vaissiaus sigler.
Ne sai c’on vous vaussist longement deviser ;
Tant vont nagant par l’iawe, no gentil bacheler,
Qu’il virent Abilant, qui tant fait à loer.
A une liewe près font leur nefz arriver :
Dessus la terre vont leur paveillons lever ;
Paveillons, et aucubez, et loges carpenter.
Esmeret de Nimaie en prist à appeller
Roy Julien d’Aufrike ; si li dist haut et cler :
« Biau sire, en irons-nous à m’amie parler ? »
« Oïl, » che dist li rois, « faites o nous monter
« ·j· prestre souffissant, où on se puist fier. »
Esmerez en a pris ·j· prestre à apeller ;
Sé li a dît : « biau sire, voelliés moi escouter :
« O moy, en Abilant, vous en vaurrai mener ;
« Et sé Jhésus nous laisse arrière retourner,
« Chanonne de Nimaye vous ferai ordener. »
Quant li prestrez l’entent, coulour prist à muer ;
Dieu et trestous les sains en prist à maugréer.
Quant li prestrez entent c’on le requiert et prie
D’aler en la chité, tous li sans li fourmie.
Et Esmerez li dist tantost, à vois serie :
« Prestres, alés monter, pour Dieu je vous en prie ;
« Car vous m’espouserez Eliénor, m’amie. »
Li prestrez est montez, mais n’a talent que rie ;
En son coer maudissoit toute le compaignie ;
Et disoit : « Esmeret, li corps Dieu te maudie,
« Et qui te conseilla à faire tel folie !
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nooit hoorde ik spreken van een betere list,
Als het zo gedaan kan worden, zullen we goed gehandeld hebben."
"Hier," zei de koning van Afrika, Julien met het heldere gezicht,
"Als u mij wilt geloven, wil ik u hier beloven
Dat ik u Abilant zal doen hebben en veroveren;
In één enkele nacht, zonder u te onteren."
En Esmeret antwoordt: "Dat is aan te nemen."
Toen lieten zij hun schepen naar Abilant zeilen.
Ik weet niet of men het u langdurig zou willen beschrijven;
Zolang voeren onze edele jongelingen over het water, 490
Dat zij Abilant zagen, dat zozeer te prijzen valt.
Op een afstand van één competitie (liewe) laten zij hun schepen aankomen:
Op de aarde gaan zij hun tenten oprichten;
Tenten, en koepeltenten, en hutten timmeren.
Esmeret van Nijmegen begon te roepen
Naar koning Julien van Afrika; en hij zei luid en duidelijk tegen hem:
"Mooie heer, zullen we daarheen gaan om met mijn liefste te spreken?"
"Ja," zei de koning, "laat met ons meepletten
Een geschikte priester, op wie men kan vertrouwen." 500
Esmeret heeft een priester geroepen;
En hij zei tegen hem: "Mooie heer, wilt u naar mij luisteren:
Met mij, naar Abilant, zal ik u willen meenemen;
En als Jezus ons toestaat terug te keren,
Zal ik u tot kanunnik van Nijmegen laten wijden."
Toen de priester dat hoorde, begon zijn kleur te veranderen;
God en al de heiligen begon hij te vervloeken.
Toen de priester hoorde dat men hem vroeg en smeekte
Om naar de stad te gaan, kriebelde al zijn bloed.
En Esmeret zei direct tegen hem, met een ernstige stem: 510
"Priester, ga opstijgen, om Gods wil bid ik u;
Want u zult mij trouwen met Eléonore, mijn liefste."
De priester is opgestegen, maar hij heeft geen zin om te lachen;
In zijn hart vervloekte hij het hele gezelschap;
En zei: "Esmeret, moge God u het lichaam vervloeken,
En degene die u raadde om zo'n dwaasheid te doen!</poem>
|}<noinclude></noinclude>
bjc4851spilorr88bg5vssbeo2ricim
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/160
104
87829
224885
2026-08-16T07:56:55Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224885
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Par Dieu, si fera-il ! je ne m’en doubte mie,
« Car g’i vois si envis que biens n’en venra mie. »
Juliens va devant, par les plains de Surie ;
Et Esmeret le sieut, sour ·j· coul d’Orcanie ;
Li prestrez est derrière, toudis demi archie,
Barbetant plus menut que singes c’on tarie.
Quant Juliens le voit, à Esmeret s’escrie :
« Chius-là se débarbette ; je croi qu’il nous maudie. »
« Non fait, » dist Esmerés, « il dist le létanie.
« C’est manière de prestre, en le nostre partie,
« Que leur orisons dist, piétiant le chaucie. »
Li prestrez les ot bien, mais n’a talent qu’il rie,
Ains disoit coiëment : « orisons n’est-che mie,
« Ains est une priière de la Vierge-Marie,
« Que Diex otroit meschance, c’est ce que je déprie,
« Cellui par cui je vieng en ceste compaignie. »
Or s’en va Esmerez, et Juliens aussi ;
Li prestres va dérière, qui envis les siévi :
Il vont tant chevauchant le grant chemin anti,
Qu’en Abilant entrèrent, par le porte Flouri.
Li prestrez à l’entrée se sainna et béni.
Quant Juliens le voit si est venus à lui :
« Dams prestrez, » dist li rois, « de Dieu soïés maudi !
« Laissiés vostre sainnier, on ne le fait mie chi ;
« Sé longement le faitez, vous nous arés honni. »
« Je ne m’en puis tenir, » li prestrez respondi,
« Je m’en déusse r’aler ; je n’ai que faire chi. »
Or sont en Abilant entret li chevalier ;
Vers le palais s’en vont. Adont sist au mengier
Li rois Rouge-Lions, et o lui si princhier :
Delez lui fu sa soer, qu’il ama et tint chier.
A iceste parole, atant est ·j· portier
Devant Rouge-Lion se vint agenoullier ;
Et dist : « chius Mahommez, qui tant fait à prisier,
« Qui se laissa des truies mengier, sus le fumier.</poem>
|valign=top|
<poem>
Bij God, zo zal het gaan! Ik twijfel er geenszins aan,
Want ik ga er zo met tegenzin heen dat er niets goeds van zal komen."
Julien gaat voorop, door de vlakten van Syrië;
En Esmeret volgt hem, op een paard uit Orcanië; 520
De priester is achteraan, steeds op een halve boogschots afstand,
Prevelend, vlugger dan een aap die men plaagt.
Toen Julien hem zag, riep hij naar Esmeret:
"Die daar prevelt in zijn baard; ik geloof dat hij ons vervloekt."
"Dat doet hij niet," zei Esmeret, "he bidt de litanie.
Dat is de gewoonte van een priester, in onze streken,
Dat hij zijn gebeden opzegt, stappend over de weg."
De priester hoorde hen goed, maar hij heeft geen zin om te lachen,
Integendeel, hij zei stilletjes: "Een gebed is het geenszins,
Maar het is een bede aan de Maagd Maria, 530
Dat God ongeluk schenkt, dat is wat ik afsmeek,
Aan hem door wie ik in dit gezelschap kom."
Nu gaat Esmeret, en Julien ook;
De priester gaat achteraan, die hen met tegenzin volgde:
Zij reden zo lang over de grote oude weg,
Dat zij Abilant binnengingen, door de Poort van de Bloemen.
De priester sloeg bij de ingang een kruis en zegende zichzelf.
Toen Julien hem zag, is hij naar hem toe gekomen:
"Heer priester," zei de koning, "moge u door God vervloekt zijn!
Houd op met uw kruistekens, dat doet men hier niet; 540
Als u dat nog lang doet, heeft u ons te schande gemaakt."
"Ik kan me er niet in houden," antwoordde de priester,
"Ik had moeten teruggaan; ik heb hier niets te zoeken."
Nu zijn de ridders in Abilant binnengegaan;
Naar het paleis gaan zij. Op dat moment zat aan de maaltijd
Koning Rode Leeuw, en met hem zijn vorsten:
Naast hem zat zijn zuster, van wie hij hield en die hij dierbaar achtte.
Bij deze woorden kwam er toen een poortwachter
Voor de Rode Leeuw op zijn knieën vallen;
En zei: "Moge die Mahomet, die zozeer te prijzen valt,
Die zich liet opeten door de varkens op de mestvaalt,550
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
29j7wxqlj8ylp9ffgldmy9ijlx5fu0n
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/161
104
87830
224886
2026-08-16T07:59:54Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224886
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
U behoeden, heer koning, voor kwelling en ongeluk!
Heer, hier komt een zeer trotse emir aan;
In het geheim komt hij hier binnenshuis genieten:
Het is Briguedant van Afrika, met de wispelturige moed."
Toen de Rode Leeuw het hoorde, was er niets dan grote vreugde.
Toen ging hij koning Briguedant omhelzen en kussen;
En Esmeret daarna, de nobele vorst:
An En d de priester was er, helemaal achteraan,
Die totaal geen zin had om zijn psalter te lezen. 560
De koning Rode Leeuw onthaalde de baronnen;
Koning Briguedant van Afrika riep hij snel toe:
"Wees welkom, mooie heer, hierheen!
Waar is uw volk, dat uw lichaam meenam
Naar het christelijke land, in Cyprus daarginds?"
Koning Briguedant zei: "Mijn lichaam heeft hen achtergelaten
Gelegerd op de open velden; want er is een afstand van één competitie
Van hier tot aan mijn leger: mijn lichaam liet hen daar achter
Omdat ik geenszins wil dat er in uw stad hier,
Enige ruzie ontstaat door de mijnen die daarginds zijn." 570
Toen nam hij plaats aan zijn tafel, Briguedant, van wie hij hield;
Voor hem plaatste hij zijn zuster, van wie hij zielsveel hield.
Esmeret van Nijmegen at met de heidenen:
Maar weet dat de priester geen brock doorslikte;
Integendeel, hij at geen brock, en proefde geen wijn;
Maar luistert en spitst zijn oren of men hem zal ophangen.
In het paleis van Abilant, dat goed geplaveid was,
Daar werd Briguedant bediend en geëerd:
Eléonore was aan zijn zijde;
De koning sneed voor haar de goede, met spek gelardeerde kapoenen, 580
En bedient haar nobel, hij was daarin goed onderwezen.
De Rode Leeuw zei: "Heer, verberg het niet voor mij;
Hoe heeft u, heer, de christenen neergehaald?"
Briguedant van Afrika zei: "Heer, u zult het weten.
Ik heb Schotland verwoest, en de grote erfgoederen,
En ik heb de koning gedood, die er de beschermer van was,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
f7e493fybsca97zbaazc9o62efmmirm
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/172
104
87831
224887
2026-08-16T08:01:00Z
Havang(nl)
4330
/* Zonder tekst */
224887
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="0" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude></noinclude>
6fy8ix6czju8r0lz5ain22z7t1pjvxr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/162
104
87832
224888
2026-08-16T08:03:38Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224888
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Et puis prist la royne dont li corpz est senez ;
« Puis m’en revins en Chipre conquerre ·v· citez,
« J’ai pris le roy as mains, et se fille delez.
« Puis que je me parti de vous, jà n’en doubtez,
« J’ai conquis ·ij· royames, que j’ai tous dégastez. »
Dist li Rouges-Lions : « preus estez et membrez.
« Loés en soit Mahons, qui est mes avoés ! »
Esmeret apella, et le prestre delez :
« Signour, » che dist li rois, « menguiés, et si buvez,
« Pour l’amour de che roy qui vous a amenės ;
« Mes corpz et mes avoirs vous est abandonnez ;
« Sé nulz vous meffaisoit, il seroit encrués.
« Le plus hardi signour qui soit vivans avez ! »
Eliénor, la belle, a les sourchieus levés :
Elle n’ot c’une fois véut, en ses aés,
Son ami par amours, qui ot nom Esmerés ;
S’elle n’el recognut, merveillier n’en devez,
Car ne pensast jammais qu’il fuist laiens entrez.
Li prestrez voit le belle, li sans li est muez ;
De la biauté de lui fu tous enluminés.
« A ! pucelle gentis, » dist li prestrez senés,
« Pléust à Jhésu-Crist, qui en crois fu pénez,
« Que dedens mon moustier fuisse o vous enfremez !
« Mais je vous rassorroie à genoulz dénuez. »
Moult fu noble le court, en le sale pavée.
Rois Brighedans d’Aufrique n’i a fait arrestée ;
Rouge-Lion apelle, sans nulle demourrée :
« Sire, » dist Brighedans, « or oïés ma pensée ;
« Une chose dirai, s’il vous plaist et agrée,
« Pour coi je sui venus, en icheste contrée.
« Vous avés une soer, vermeille et coulourée,
« Douche, vaire, et rians, et très bien doctrinée ;
« Il a passet lonc tampz que je l’ai enamée,
« Or vous pri et requier que le m’aïés donnée.
« S’elle m’a à mari bien sera assenée,
</poem>
|valign=top|
<poem>
En toen nam ik de koningin gevangen, wier lichaam wijs is;
Toen keerde ik terug naar Cyprus om vijf steden te veroveren,
Ik heb de koning met eigen handen gevangen, en zijn dochter erbij.
Sinds ik van u vertrokken ben, twijfel er niet aan, 590
Heb ik twee koninkrijken veroverd, die ik helemaal verwoest heb."
De Rode Leeuw zei: "Dapper bent u en krachtig.
Geprezen zij Mahon, die mijn beschermer is!"
Esmeret riep hij, en de priester ernaast:
"Heren," zei de koning, "eet en drink,
Omwille van deze koning die u gebracht heeft;
Mijn lichaam en mijn bezittingen zijn aan u overgelaten;
Als iemand u onrecht zou aandoen, zou hij opgehangen worden.
De hardste heer die er leeft, heeft u!"
Eléonore, de schone, heeft haar wenkbrauwen opgetrokken: 600
Zij had slechts één keer in haar leven gezien,
Haar minnaar door de liefde, die Esmeret heette;
Als zij hem niet herkende, moet u zich niet verbazen,
Want zij zou nooit gedacht hebben dat hij hier was binnengekomen.
De priester ziet de schone, zijn bloed verandert;
Door haar schoonheid werd hij helemaal verlicht.
"Ah! Edele jonkvrouw," zei de wijze priester,
"Mocht het Jezus Christus behagen, die aan het kruis leed,
Dat ik met u in mijn kerk opgesloten zat!
Maar ik zou u op blote knieën troosten." 610
Zeer nobel was het hof, in de geplaveide zaal.
Koning Briguedant van Afrika hield daar geen stand;
De Rode Leeuw roept hij, zonder enig uitstel:
"Heer," zei Briguedant, "hoor nu mijn gedachte;
Eén ding zal ik zeggen, als het u behaagt en schikt,
Waarvoor ik gekomen ben, naar deze streek.
U heeft een zuster, rood en gekleurd,
Zacht, met stralende ogen, en lachend, en zeer goed onderwezen;
Het is al een lange tijd geleden dat ik op haar verliefd werd,
Nu bid en vraag ik u dat zij aan mij gegeven wordt. 620
Als zij mij als echtgenoot heeft, zal zij goed bedeeld zijn,</poem>
|}<noinclude></noinclude>
7ojurhs0spd8gawdcisnirx4nowype9
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/163
104
87833
224889
2026-08-16T08:05:37Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224889
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car d’Aufrique sera royne couronnée. »
Dist li Rouges-Lions : « à bonne eure fu née !
« Eureuse seroit sé l’aviés espousée.
« Ma soer, » che dist li rois, « or estez-vous dodoée
« De ·iiij· grans royammes, à ceste matinée. »
« Sire, » dist la puchelle, qui fu blanche que fée,
« Je n’ai mie voloir d’estre or mariée ;
« Car une maladie m’est ens ou corpz entrée,
« Et sachiés qu’elle m’a tenut plus d’une année,
« Si qu’à homme ne doy jammais estre livrée. »
« Belle, » dist Brighedans, « ne soïés esgarée.
« Je vous garirai bien, ains demain la journée,
« Car j’ai le médicine dont vous serez sanée. »
« Sire, » dist la pucelle, « nom avez foxibée ;
« Venus estez trop tart, li heure est jà passée ;
« Bien sai que vous avés fallit à le donnée. »
Moult par fu le pucelle dolante et courrouchie,
Quant son frère entendi qu’au Sarrasin l’otrie ;
Assés le refusa voïant le baronnie.
Bien l’oï Esmerez, qui la chière en ot lie ;
« E ! pucelle, » dist-il, « loyaus et ensignie,
« Vous estez li plus vraie de ceste mortel vie !
« Vivre me laist tant Diex vo paine soit mérie :
« Car à che que je voi, douche dame jolie,
« Falir ne me volés, ni à mort, ni à vie.
« Et sé mes corpz vous faut, li corpz Dieu me maudie !
« Esprouvée vous ai, et si n’en savez mie. »
Et li rois d’Abilant à Brighedant escrie :
« Sire, ma soer vous est donnée et otroïe ;
« Espouser le poés, tout à vo commandie. »
« Frère, » dist la pucelle, « vous m’ariés bien honnie !
« Sé mariée sui, je ne viverai mie ;
« Car sachiés que je mainne mauvaise maladie :
« Et sé je conçoi fruit ; quant je serai coucie,
« Saciés que j’en morai, et s’en serai tallie. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Want van Afrika zal zij tot koningin gekroond worden."
De Rode Leeuw zei: "Op een goed uur werd zij geboren!
Gelukkig zou zij zijn als u met haar getrouwd was.
Mijn zuster," zei de koning, "nu bent u begiftigd
Met vier grote koninkrijken, deze ochtend."
"Heer," zei het meisje, dat zo wit was als een fee,
"Ik heb helemaal geen verlangen om nu getrouwd te zijn;
Want een ziekte is in mijn lichaam gekomen,
En weet dat zij mij al meer dan een jaar vasthoudt, 630
Zodat ik aan geen enkele man ooit overgeleverd mag worden."
"Schone," zei Briguedant, "wees niet verloren.
Ik zal u goed genezen, nog voor morgen de dag aanbreekt,
Want ik heb het medicijn waarmee u genezen zult worden."
"Heer," zei het meisje, "u heeft me gek gemaakt;
U bent te laat gekomen, het uur is al voorbij;
Ik weet wel dat u de gift misgelopen bent."
Zeer bedroefd en boos was het meisje,
Toen zij haar broer hoorde die haar aan de Saraceen schenkt;
Hevig weigerde zij hem ten overstaan van de baronnen. 640
Esmeret hoorde het goed, die er een blij gezicht van kreeg;
"O! Meisje," zei hij, "trouw en welopgevoed,
U bent de meest oprechte van dit sterfelijke leven!
Moge God mij zo lang laten leven dat uw moeite beloond wordt:
Want naar wat ik zie, zachte en vrolijke dame,
Wilt u mij niet in de steek laten, noch in de dood, noch in het leven.
En als mijn lichaam u in de steek laat, moge het lichaam van God mij vervloeken!
Ik heb u op de proef gesteld, en u weet er niets van."
En de koning van Abilant roept naar Briguedant:
"Heer, mijn zuster is aan u gegeven en geschonken; 650
U kunt met haar trouwen, geheel onder uw gezag."
"Broer," zei het meisje, "u zou mij goed te schande maken!
Als ik getrouwd ben, zal ik niet leven;
Want weet dat ik een slechte ziekte met me meedraag:
En als ik vrucht concipieer; wanneer ik zal liggen,
Weet dat ik eraan zal sterven, en erdoor opengsneden zal worden."</poem>
|}<noinclude></noinclude>
fwl9empr496wygp4y1a3nr1mizuxd42
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/164
104
87834
224890
2026-08-16T08:07:15Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224890
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Taisiés-vous, » dist li rois, « vous pensez grant folie.
« Quant le roy refusez, moi faites vilonnie :
« Vous poés honnerer tous cheus de vo lignie. »
« Frère, » dist la puchelle, « pour aïestre bruïe,
« Jammais n’arai mari, tant ait grant signourrie ;
« J’ameroie trop miex que je fuisse esragie. »
Li Rouges-Lions l’ot ; s’a la table gerpie ;
Et si a sa serour laidement laidengnie.
Dist li rois Brighedans : « ne le laidengiés mie.
« L’amour d’une pucelle n’est pas si tost gaingnie !
« Au premier cop li kaisnez, che dist-on, ne kiet mie.
« G’irai parler à lui, par amoureuse vie,
« Espoir qu’amours l’ara assez tost conseillie :
« Car chi jure une femme qu’elle n’en fera mie,
« Plus tost est retournée que li vens ne toupie ;
« ·xxx· pensées a femme, je vous affie,
« Enchois que puist avoir sa chemise vestie. »
Li Rouges-Lions fu courrechiés et dolans,
Quant il oï sa soer qui fu escondissans
Le riche roy d’Aufrique, qui ot nom Brighedans.
Les tables ont ostéez, qui furent reluisans.
Droit à une fenestre fu li rois apoïans,
Iriés et abaubis, et durement pensans
Que sa soer ne voloit estre à lui assentans,
Pour une maladie, qu’au corpz estoit sentans ;
Elle ne s’en fu plainte onques mais en son tampz.
Si dist une parole : que li homs est mesquans,
Qui trop se fie en femmes ; car leurz engiens est grans.
E ! Diex, qu’Esmerez fu baus, lies et joïans,
Qu’ensi s’escondissoit la puchelle plaisans !
Au prestre l’esconseille ; en bas lui fu disans :
« Par foi, sire, » dist-il, « ceste dame avenans
« Est envers moi loyaus, et a esté tous tampz. »
Et li prestrez respont : « si m’aït sains Vinchans,
« Je vauroie o lui estre, outre le mer bruïans ! »
</poem>
|valign=top|
<poem>
"Zwijg," zei de koning, "u denkt grote dwaasheid.
Wanneer u de koning weigert, doet u mij schande aan:
U kunt hiermee iedereen van uw geslacht eren."
"Broer," zei het meisje, "om geruis te voorkomen, 660
Nooit zal ik een echtgenoot hebben, hoe groot zijn heerschappij ook is;
Ik zou er veel liever de voorkeur aan geven gek te worden."
De Rode Leeuw hoorde het; hij heeft de tafel verlaten;
En hij heeft zijn zuster lelijk uitgescholden.
Koning Briguedant zei: "Scheld haar geenszins uit.
De liefde van een meisje is niet zo snel gewonnen!
Bij de eerste slag valt de eik, zo zegt men, niet om.
Ik zal met haar gaan spreken, op liefdevolle wijze,
Hopelijk zal de liefde haar snel genoeg raad hebben gegeven:
Want hier zweert een vrouw dat zij het geenszins zal doen, 670
Maar zij is sneller omgekeerd dan de wind draait;
Dertig gedachten heeft een vrouw, dat verzeker ik u,
Voordat zij haar hemd heeft aangetrokken."
De Rode Leeuw was boos en bedroefd,
Toen hij zijn zuster hoorde die weigerde
De rijke koning van Afrika, die Briguedant heette.
De tafels heeft men weggenomen, die glanzend waren.
Recht bij een venster stond de koning geleund,
Toornig en verbijsterd, en hevig denkend
Dat zijn zuster niet aan hem toe wilden stemmen, 680
Vanwege een ziekte, die zij in het lichaam voelde;
Zij had er in haar tijd nog nooit over geklaagd.
Toen zei hij een woord: dat de man ongelukkig is,
Die te veel op vrouwen vertrouwt; want hun listen zijn groot.
O! God, wat was Esmeret vrolijk, blij en verheugd,
Dat het aantrekkelijke meisje zich zo weigerde!
Aan de priester geeft hij advies; zachtjes zei hij tegen hem:
"Bij mijn geloof, heer," zei hij, "deze aantrekkelijke dame
Is mij trouw, en is dat altijd geweest."
En de priester antwoordt: "Zo helpe mij de heilige Vincent, 690
Ik zou wel met haar willen zijn, voorbij de bruisende zee!"</poem>
|}<noinclude></noinclude>
rtorqhe5s0g13ijbzwhc1yanj5n24o5
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/165
104
87835
224891
2026-08-16T08:51:39Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224891
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
De Rode Leeuw had een boos gezicht:
"Wat is dit! Mijn zuster," zei hij, "wilt u mij niet geloven?"
"Jawel," zei het meisje, "als men mij maar niet trouwt;
Ik heb een kwaal, in het lichaam, waarvan nog nooit een moeder genezen is."
Bij deze woorden heeft Briguedant haar vastgegrepen;
Op een bank heeft hij haar neergezet, strak heeft hij haar omhelst;
In haar oor zei hij: "Zwijg, zachte vriendin,
U weet niet hoe onze zaak is geregeld.
Uw eer zal ik bewaken, in de dood en in het leven. 700
Ik weet wel dat u, in Frankrijk, de dappere liefheeft,
Esmeret van Nijmegen, met het koene gezicht.
Hij is niet te ver van hier, ik verzeker het u:
Zie hem daar, zachte dame, in deze geplaveide zaal;
Kijk nu eens goed naar hem, zachte en gewaardeerde dame.
Als ik de waarheid spreek, wees dan niet verbijsterd,
Want dat is mijn goede kameraad, en in mij vertrouwt hij;
En omwille van uw liefde, die hem zo hevig kwelt,
Is hij hierheen gekomen om zijn leven te wagen.
U moet hem wel liefhebben als hij u die hoofsheid bewijst." 710
Toen Eléonore deze reden gehoord had,
Toen kijkt zij naar Esmeret, en zij bestudeerde hem;
Zo goed bekeek zij hem, dat zij gerustgesteld was,
En dat zij herkende, aan het gladde gezicht,
Esmeret, de vazal, van wie zij de vriendin was.
Toen zei zij tegen Briguedant: "Laat het u geenszins mishagen,
Als ik u vandaag enige schande heb gezegd.
Want als u een vriendin had, in een vreemde streek,
En zij zou zichzelf met grote hoofsheid bewaren,
Zodat zij geen vriend zou maken, hoe groot zijn heerschappij ook was; 720
U zou haar er de helft meer om moeten liefhebben,
En haar goed behandelen, alle dagen van uw leven;
En ik had Esmeret lief, met oprechte minne.
Als ik u weigerde die mij trouw beloofd had,
Dan deed dat de oprechte liefde, die de geliefden beheerst;
Want ik zou veel liever verbannen willen worden,</poem>
|}<noinclude></noinclude>
dcxq9o86noj2bq0zjhupafe4xq094nn
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/166
104
87836
224892
2026-08-16T08:53:25Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224892
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Que j’éusse Esmeret fait nulle vilonnie.
« Or vous prie, pour Dieu, le fil Sainte Marie,
« Ne nous racusés pas ; je seroie honnie.
« Mais voeilliez conseillier, sire, je vous en prie,
« Comment nous maintenrons ; car trop sui resjoïe,
« Quant je voi mon ami, à cui je sui amie. »
« Dame, » dist Brighedans, « le rose avons koellie,
« Pour che que vous vivés tout doi à grant hasquie,
« Pour médecine faire à vostre maladie.
« Anuit m’espouserez, voïant vo baronnie :
« Si en sera le feste moult grande, et essauchie ;
« Quant che venra au nuit, que vous serez couchie,
« Esmerés, vos amis, qui la chière ot hardie,
« En vo chambre sera, sé Diex me bénéie ;
« Car nous avons ·j· prestre, qui moult scet de clergie,
« Qui vous espousera, droit à le nuit serie ;
« Et puis, avoeques li, serez nue couchie.
« La sera vo dolour presque toute alégie,
« Et la soie ensément sera rasouagie.
« Lonc tamps avez amé ; c’onques jour de vo vie
« N’éustes jour de bien, né nulle compaignie :
« Or aproche li tampz qu’en serez resléchie.
« Prendez-moi à baron, par coi li rois s’i fie. »
Et celle respondi : « sire, mes corpz l’otrie. »
Adont isnèlement est contre mont salie ;
A son frère est venue, hautement li escrie :
« Frère, par Mahommet, je me sui conseillie ;
« Je me voeil marier, je sui toute haitie. »
Quant li Rouges-Lions oï sa soer parler,
Qui dist qu’elle se voelt volentiers marier,
Si dist à Brighedant : « bien savez alourder ;
« Dames et damoisellez, à vo dueur, mener !
« Voirement disiés-vous, légier est à prover,
« Que dames tout tantost se voelent raviser.
« Puis qu’il plaist à ma soer de vous à espouser,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Dan dat ik Esmeret enige schande had aangedaan.
Nu bid ik u, om de wil van God, de zoon van de heilige Maria,
Verraad ons niet; ik zou te schande gemaakt worden.
Maar wilt u raad geven, heer, ik bid u, 730
Hoe we ons zullen gedragen; want ik ben te zeer verheugd,
Wanneer ik mijn vriend zie, van wie ik de vriendin ben."
"Dame," zei Briguedant, "de roos hebben we geplukt,
Opdat u beiden met groot genoegen leeft,
Om medicijn te maken voor uw ziekte.
Vanavond zult u met mij trouwen, ten overstaan van uw baronnen:
Zo zal het feest zeer groot en verheven zijn;
Wanneer het nacht wordt, dat u te bed ligt,
Zal Esmeret, uw vriend, die het koene gezicht had,
In uw kamer zijn, zo zegene God mij; 740
Want we hebben een priester, die veel weet van geleerdheid,
Die u zal trouwen, recht in de stille nacht;
En daarna, samen met hem, zult u naakt liggen.
Daar zal uw pijn bijna geheel verlicht worden,
En de zijne evenzo zal gesust worden.
Lange tijd heeft u liefgehad; zonder dat u ooit in uw leven
Een dag van geluk had, of enig gezelschap:
Nu nadert de tijd dat u erdoor verblijd zult worden.
Neem mij als echtgenoot, zodat de koning erop vertrouwt."
En zij antwoordde: "Heer, mijn lichaam staat het toe." 750
Toen is zij snel overeind gesprongen;
Naar haar broer is zij gekomen, luid roept zij hem toe:
"Broer, bij Mahomet, ik heb me bedacht;
Ik wil me trouwen, ik ben er helemaal klaar voor."
Toen de Rode Leeuw zijn zuster hoorde spreken,
Die zei dat zij dolgraag wilde trouwen,
Zei hij tegen Briguedant: "U weet goed te overtuigen;
Dames en jonkvrouwen, naar uw hand, te leiden!
Waarlijk zei u, het is gemakkelijk te bewijzen,
Dat dames zich heel snel willen bedenken. 760
Aangezien het mijn zuster behaagt om met u te trouwen,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
klbd83qypybodtfbu05q9yy4w9benfc
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/167
104
87837
224893
2026-08-16T08:55:55Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224893
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Sachiés que j’en sui lies, ne le kier dévaer. »
« Sire, » dist Brighedans, « je ne voeil séjourner ;
« Tout maintenant vaurai ceste coze affermer.
« Faites chi Mahommet vistement apporter,
« Et tous les ·iiij· Diex que devons aourer :
« Si vaurrai vostre soer espouser et doer. »
Dist li Rougez-Lions : « che fait à créanter. »
Les ·iiij· Diex a fait en le sale ammener.
Puis a fait sa serour noblement achesmer :
De riches dras de soie vestier et aourner ;
D’un mantel, de fin or, le fist-on afubler ;
Li atake devant fu escarboucle cler,
Qui par nuit reluisoit, comme chierge en candeler ;
Ses cheveus li fist-on par espaulez couler,
Gannés sont que fin or, quant on l’a fait ouvrer ;
Li chainture de perles, à carnièrez fremer ;
La bourse fu ouvrée en ·j· isle de mer,
Une païenne i mist ·ij· ans au deviser.
Quant elle fu parée, bien vous puis recorder
C’on ne péust plus belle, en che monde, trouver.
« Mahon ! » dient païen, « com chius se doit amer,
« Qui porra celle dame baisir et acoler !
« Mahommés l’a craée pour hommes enchanter :
« Qui n’aroit en ·iij· jours éut de coi disner,
« A véoir ceste dame se porroit consoler. »
Belle fu la pucelle, et de gente manière.
Doy roy si l’adestroient, de le gent lozengière ;
Ou palais l’amenèrent, qui estoit fais de pière.
Quant Esmerez, li bers, vît sa maisnie chière,
Au coer fu si souspris, pour la douche lumière,
Qui dist : « ahi ! amours, com tu ies droiturière,
« Quant tu m’as pourvéut de telle trézorière !
« Si je l’ainc par amours, bien sai qu’elle m’a cière.
« Or ne sai-je comment, par le baron saint Pierre,
« Je l’arai eslongie de celle gent lasnière. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Weet dat ik er blij om ben, ik wil het niet weigeren."
"Heer," zei Briguedant, "ik wil niet wachten;
Nu meteen zal ik deze zaak willen bevestigen.
Laat hier Mahomet snel brengen,
En al de vier Goden die we moeten aanbidden:
Zo zal ik met uw zuster willen trouwen en haar begiftigen."
De Rode Leeuw zei: "Dat is aan te nemen."
De vier Goden heeft hij in de zaal laten brengen.
Toen liet hij zijn zuster nobel opsmukken: 770
Met rijke zijden stoffen kleden en versieren;
Met een mantel, van fijn goud, liet men haar omhangen;
De sluiting aan de voorkant was van heldere karbonkelsteen,
Die 's nachts glansde, als een kaars in een kandelaar;
Haar haren liet men over haar schouders stromen,
Blond zijn ze als fijn goud, wanneer men het bewerkt heeft;
De gordel van parels, met sluitingen vast te maken;
De tas was bewerkt op een eiland in de zee,
Een heidense vrouw deed er twee jaar over om het te ontwerpen.
Toen zij opgemaakt was, kan ik u wel berichten 780
Dat men geen mooiere, in deze wereld, zou kunnen vinden.
"Mahon!" zeiden de heidenen, "wat moet hij van zichzelf houden,
Die deze dame zal mogen kussen en omhelzen!
Mahomet heeft haar geschapen om mannen te betoveren:
Wie in drie dagen niets te eten had gehad,
Zou zich bij het zien van deze dame kunnen troosten."
Mooi was het meisje, en van edele manieren.
Twee koningen begeleidden haar, van het vleiende volk;
Naar het paleis brachten zij haar, dat van steen gebouwd was.
Toen Esmeret, de dappere, zijn dierbare gezelschap zag, 790
Was hij in het hart zo bevangen door het zachte licht,
Dat hij zei: "Ach! Liefde, wat bent u rechtvaardig,
Wanneer u mij heeft voorzien van zo'n schatbewaarster!
Als ik haar liefheb door de liefde, weet ik wel dat zij mij dierbaar is.
Nu weet ik niet hoe, bij de baron Sint Pieter,
Ik haar verwijderd zal hebben van dit sluwe volk." </poem>
|}<noinclude></noinclude>
5t7iiadq35vkz6e3aonikk5jogqyhuj
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/168
104
87838
224894
2026-08-16T08:57:40Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224894
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Li prestrez le regarde, qui se tenoit derrière,
Si a dit : « mère Dieu, qui fus chambre et portière,
« Getés-moi à honnour de celle gent bregière,
« Car g’i vins si envis, parmi le grant bruïère,
« Que tout adès me samble c’uns Sarrasins me fière. »
Or fu Eliénor ou palais amenée,
Par devant Mahommet, en le sale pavée :
Li fors roys Brighedans l’a briefment espousée.
Riche fu li ofrande qui là fu présentée.
Onques si grande feste ne fu nul jour menée,
Comme il ot à che jour, de la gent deffaée ;
Noblez fu li souperz, et de grant renommée,
Et quant eurent soupet, si fu le nape ostée.
En une riche cambre, très bien engourdinée,
Fu la dame tantost des païens adestrée ;
En un biau lit, paret d’une sarge dorée,
Fu couchie esroment, quant fu désachesméc.
Brighedans, li fors rois, n’i a fait arestée ;
Esmeret, et le prestre, dont j’ai fait devisée,
Mist par dérière ·j· drap, coiëment à chelée,
Et puis s’est escriés à moult haute allenée :
« Or vuidiez ceste chambre, sans nulle demourée,
« Car je me voeil couchir aveuc le mariée. »
La chambre fu vuidie, que nulz n’i demourra.
Dont sali Esmerez, qui sa mie baisa
·x· fois en un tenant, car moult le désira.
Et li prestrez tantost andeus les espousa ;
Mais onques de paour orison n’i conta,
Il n’i pot adréchier quant il le commencha ;
Puis dist à Esmeret : « j’ai fait. Or i parra
« Comment vous le ferés. Mal ait qui s’en faindra !
« S’ossi grant peur aviés, par Dieu, que mes corpz a,
« Ne vous desvestériés, pour tout l’or c’uns roys a !
« Je vaurroie estre en Franche, outre mer par de là. »
« Taisiez, » dist Esmerez, « mal ait qui vous porta !
</poem>
|valign=top|
<poem>
De priester bekijkt haar, die zich achteraan hield,
En hij zei: "Moeder van God, die kamer en poortwachter was,
Red mij met eer van dit twistzieke volk,
Want ik kwam er zo met tegenzin heen, door de grote heide, 800
Dat het mij steeds toeschijnt dat een Saraceen mij slaat."
Nu was Eléonore in het paleis gebracht,
Voor Mahomet, in de geplaveide zaal:
De sterke koning Briguedant heeft haar kort daarna getrouwd.
Rijk was de offerande die daar werd gepresenteerd.
Nooit werd er zo'n groot feest op enige dag gevierd,
Als er op die dag was, van het ongelovige volk;
Nobel was het avondmaal, en van grote faam,
En toen zij gegeten hadden, werd het tafellaken weggenomen.
Naar een rijke kamer, zeer goed van gordijnen voorzien, 810
Werd de dame direct door de heidenen begeleid;
In een mooi bed, versierd met een gouden sprei,
Werd zij snel te bed gelegd, toen zij was uitgekleed.
Briguedant, de sterke koning, hield daar geen stand;
Esmeret, en de priester, over wie ik verteld heb,
Plaatste hij achter een doek, stilletjes in het geheim,
En toen riep hij met zeer luide adem:
"Verlaat nu deze kamer, zonder enig uitstel,
Want ik wil gaan liggen met de getrouwde vrouw."
De kamer werd verlaten, zodat niemand er achterbleef. 820
Toen sprong Esmeret tevoorschijn, die zijn liefste kuste,
Tien keer achter elkaar, want hij verlangde vurig naar haar.
En de priester trouwde hen beiden direct;
Maar nooit heeft hij uit angst daar een gebed geteld,
Hij kon er niet wijs uit worden toen hij het begon;
Toen zei hij tegen Esmeret: "Ik heb mijn werk gedaan. Nu zal het blijken
Hoe u het zult doen. Wee degene die zich zal inhouden!
Als u even grote angst had, bij God, als mijn lichaam heeft,
Zou u zich niet uitkleden, voor al het goud dat een koning heeft!
Ik zou willen dat ik in Frankrijk was, voorbij de zee daarginds."
"Zwijg," zei Esmeret, "wee degene die u gedragen heeft!830
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
4r4ag36sfy7852zzf0ntn78m0wu16ru
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/169
104
87839
224895
2026-08-16T08:59:58Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224895
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Prestre ne valent riens, on le dist grant piècha,
« Sé che n’est pour atraire che c’uns bons prud’oms a ;
« Et se femme rassorre, là où nulz ne sera. »
Ensi que je vous di, espousa Esmerez
Eliénor, la belle, puis en fist tous ses grés.
Il engenra le nuit, che dist l’auctoritez,
·j· fil dont Jhésu-Cris fu servis et loés ;
Car puis fu, ens ès chieulx, devant Dieu couronnez.
D’Esmeret vous lairai, qui tant fu redoubtez ;
Dirai d’une aventure, s’entendre me volez,
Qu’en celle nuit avint, si voir que Diex fu nés.
En le nuit que chius enfes, signour, fu engenrés,
Fu li sans Jhésu-Cris par un larron emblez.
Vous avés bien oï qu’Wistaces fu remés
Par de chà Abilant, logiés dedens ses trez :
O lui ·j· renoiés, Madarans fu clamés ;
Conseillierz estoit, maistres, et avoués,
A Brighedant d’Aufrike, qui en fons fu levez.
Ossi fu Madarans, mais che fu faussetez ;
Car il ne créot Dieu, né ses saintes bontez.
Avoec Wistace fu li lerrez parjurez.
Or avoit de coustume Wistaces, li senés,
Quant il s’aloit couchir, li contes naturés,
Il prendoit le fiole, où li sans ert plantez,
A ses iex le mettoit, à le bouche, et au nés ;
Douchement le baisoit. Telz estoit ses pensés :
Puis qu’il l’éust baisiet, que jà ne fuist temptez ;
De l’anemi d’enfer souspris, né encantez.
Madarans li demande : « sire, ne me chélés ;
« Qu’est-che, en le fiole, qu’à telle honnour tenés ? »
« Amis, c’est li sains sans qui nous a raquatés,
« Que Jhésus respandi, quant en crois fu pénez ;
« C’est ·j· dignes joïaus, qui bien doit estre amés.
« Et tant qu’en la bataille sera par nous portez,
« Ne poet estre nos poeplez desconfis né matés ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Priesters zijn niets waard, men zegt het al een hele tijd,
Tenzij het is om te incasseren wat een goed, rechtschapen man heeft;
En om een vrouw te troosten, daar waar niemand zal zijn."
Zoals ik u vertel, trouwde Esmeret
Eléonore, de schone, en deed toen geheel zijn zin met haar.
Hij verwekte die nacht, zo zegt de autoriteit,
Een zoon door wie Jezus Christus gediend en geprezen werd;
Want hij werd later, in de hemel, voor God gekroond.
Over Esmeret zal ik u verlaten, die zozeer gevreesd werd; 840
Ik zal vertellen over een voorval, als u naar mij wilt luisteren,
Dat in die nacht gebeurde, zo waar als God geboren werd.
In de nacht dat dit kind, heren, werd verwekt,
Werd het bloed van Jezus Christus door een dief gestolen.
U heeft wel gehoord dat Eustaas achtergebleven was
Aan deze zijde van Abilant, gelegerd in zijn tenten:
Bij hem was een renegaat, Madarans werd hij genoemd;
Raadsman was hij, meester, en beschermer,
Van Briguedant van Afrika, die uit de doopvont geheven was.
Evenzo was Madarans, maar dat was valsheid; 850
Want hij geloofde niet in God, noch in zijn heilige goedheid.
Bij Eustaas was de meinedige dief.
Nu had Eustaas de gewoonte, de wijze,
Wanneer hij ging slapen, de edele graaf,
Dat hij de ampul nam, waarin het bloed geplaatst was,
Aan zijn ogen zette hij het, aan de mond, en aan de neus;
Zachtjes kuste hij het. Zo was zijn gedachte:
Als hij het gekust had, dat hij nooit in verzoeking zou worden gebracht;
Door de vijand uit de hel verrast, noch betoverd.
Madarans vraagt hem: "Heer, verberg het niet voor mij; 860
Wat is dat, in de ampul, dat u met zulke eer vasthoudt?"
"Vriend, het is het heilige bloed dat ons heeft vrijgekocht,
Dat Jezus vergoot, toen Hij aan het kruis leed;
Het is een waardevol juweel, dat zeer geliefd moet zijn.
En zolang het in de strijd door ons gedragen zal worden,
Kan ons volk niet verslagen noch mat gemaakt worden;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
nq0fnt0rz4d8agwspoxl31hdy9pnkl2
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/170
104
87840
224896
2026-08-16T09:01:40Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224896
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Adès ara victoire li poeplez cristiénés,
« Puis c’on a là le sanc ; car c’est grans dignitez.
« S’en sommes plus hardi et plus asséurez. »
Quant Madarans l’oï, adont s’est avisés
La fiole emblera, où li sans est entés ;
Et laira cristiens, ne les ayme ·ij· dés ;
En Abilant ira, qui est bonne chités,
Et au Rouge-Lion vorra estre acordés,
Et rendera le sanc, et dira les secrés
De Brighedant d’Aufrique, qui est laiens alés,
Pour déchevoir sa soer ; et si est Esmerez.
Cristiens traïra, de chou s’est avisés.
Ou paveillon Wistace est la nuit demourrés :
Quant li contes dormi, au forgier est alés,
Il le leva en l’air ; et puis s’en est tournés.
Vers le chité s’enfuit, li traïtres prouvés ;
Si emporte le sanc, qui doit estre loés,
Car Diex le respandi ; dont il nous a sauvez,
Sé par nous ne perdons ses grandes amistés.
Chieus qui perdra s’amour en sera condempnez,
Car de nous sauver tient, nostrez sirez, le clés.
Or s’en va Madarans : s’emporte le forgier,
Là où li sans estoit, au père droiturier ;
Vers Abilant la ville s’est-il mis au frapier.
Dame-Diex le confonde, qui tout a à jugier,
Qui pour nous se laissa péner et traveillier !
Wistaces se dormoit, dessus sen oreillier ;
Garde ne se donnoit du mortel encombrier.
Et Madarans s’en va, au coraige lanier.
Pour eskiever le voie, et droit chemin laissier,
S’en tourna vers le mer, sans chemin, né sentier :
Selonc le mer s’en va, assez près du gravier ;
Durement se pénoit d’Abilant approchier,
Si qu’à demie liewe, lès ·j· desrubant fier,
Li sali ·j· lions, qui fist à ressongier ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Altijd zal het christelijke volk de overwinning behalen,
Aangezien men daar het bloed heeft; want het is een grote waardigheid.
Daardoor zijn we dapperder en meer verzekerd."
Toen Madarans het hoorde, heeft hij toen bedacht 870
Dat hij de ampul zal stelen, waarin het bloed is ingevoegd;
En hij zal de christenen verlaten, hij houdt geen twee cent van hen;
Naar Abilant zal hij gaan, wat een goede stad is,
En met de Rode Leeuw zal hij zich willen verzoenen,
En hij zal het bloed overhandigen, en de geheimen vertellen
Van Briguedant van Afrika, die daarheen is gegaan,
Om zijn zuster te bedriegen; en zo is Esmeret daar.
De christenen zal hij verraden, dat heeft hij bedacht.
In de tent van Eustaas is hij de nacht gebleven:
Toen de graaf sliep, is hij naar de kist gegaan, 880
Hij tilde hem op in de lucht; en toen is hij omgekeerd.
Naar de stad vlucht hij, de bewezen verrader;
Zo neemt hij het bloed mee, dat geprezen moet worden,
Want God vergoot het; waarmee Hij ons gered heeft,
Tenzij wij door onszelf zijn grote vriendschap verliezen.
Wie zijn liefde verliest, zal erom veroordeeld worden,
Want om ons te redden houdt, onze Heer, de sleutels vast.
Nu gaat Madarans: hij neemt de kist mee,
Waar het bloed in was, van de rechtvaardige Vader;
Naar Abilant de stad heeft hij zich op een lopen gezet. 890
Moge de Heer God hem te schande maken, die alles moet oordelen,
Die voor ons liet lijden en zwoegen!
Eustaas sliep, op zijn kussen;
Hij paste niet op voor het dodelijke ongeluk.
En Madarans gaat heen, met de laffe moed.
Om de weg te ontwijken, en de rechte weg te verlaten,
Keerde hij zich naar de zee, zonder weg of pad:
Langs de zee gaat hij heen, vrij dicht bij het grind;
Hevig deed hij zijn best om Abilant te naderen,
Zodat op een halve competitie afstand, bij een trotse afgrond,
Er een leeuw op hem afsprong, die angst inboezemde;900
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
4awez5o9etmhm0wnjuga5jfh6g3igtf
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/171
104
87841
224897
2026-08-16T09:03:09Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224897
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Il estoit ossi blans que roze de rozier.
A Madarant s’en vint : si l’assaut par dérier ;
Par les gambes le hert, si le fist tresbuscier ;
Puis li va esroment les ·ij· bras esrachier ;
Par force, et par vertu, li osta le forgier ;
Le nés et les baulèvres li ala méhaingnier,
Et dedens le sablon, fist le glout toueillier.
A dens saisi le coffre, sans point de l’atargier,
Deseure une montaingne ala moult tost puier ;
Par dessous ·j· buisson va le coffre muchier.910
Et Diex fist, par d’encoste, naistre ·j· dous olivier,
Qui onques ne séqua, né esté, né ivier ;
Et là fu ordenet, du père droiturier,
Que li lions très dignez, c’on doit glorifier,
Garderoit son saint sanc, que pour nous volt raïer ;
Tant que par là venroit li mieudre chevalier
Qui onques portast armes, né monta sour coursier,
Li plus preus de che monde, sans faute et sans trichier,
Et de condition loïaus, sans fourvoïer.
Or en donna l’eur, le grace, et le douchier,920
Bauduin de Sebourc, le nobile princhier ;
Car il fu tant prud’oms, ch’ai oï retraitier,
Que pour lui fist miracles Diex, qui tout doit jugier,
Ensi com vous orrez, ou livre retraitier.
{{lijn|6em}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Hij was even wit als een roos van de rozenstruik.
Naar Madarant kwam hij: en hij valt hem van achteren aan;
Bij de benen grijpt hij hem, en zo liet hij hem struikelen;
Toen gaat hij hem snel de twee armen uittrekken;
Met kracht, en met deugd, nam hij hem de kist af;
De neus en de lippen ging hij hem verminken,
En in het zand liet hij de schurk wentelen.
Met de tanden greep hij de kist, zonder enig uitstel,
Op een berg ging hij zeer snel omhoog; 910
Onder een struik gaat hij de kist verbergen.
En God liet, vlak daarnaast, een zachte olijfboom geboren worden,
Die nooit verdroogde, noch in de zomer, noch in de winter;
En daar werd verordend, door de rechtvaardige Vader,
Dat de zeer waardige leeuw, die men moet verheerlijken,
Zijn heilige bloed zou bewaken, dat Hij voor ons wilde laten stromen;
Totdat daar de beste ridder langs zou komen
Die ooit wapens droeg, of op een strijdros steeg,
De meest dappere van deze wereld, zonder fout en zonder bedrog,
En van trouwe gesteldheid, zonder af te dwalen. 920
Toen schonk Hij het geluk, de genade, en de zachtheid,
Aan Boudewijn van Sebourc, de nobele vorst;
Want hij was zo'n rechtschapen man, zo heb ik horen vertellen,
Dat voor hem God wonderen deed, Hij die alles moet oordelen,
Zoals u zult horen, in het boek verteld.
{{lijn|6em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
l011kusvq6u2j2mfmqxv9s5z072yvbx
Boudewijn van Sebourg/ZANG V
0
87842
224898
2026-08-16T09:04:36Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224898
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=145 to=171 header=1 />
or3jgzwm63tlhs3cn7ooq3x11h06sjl
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/173
104
87843
224899
2026-08-16T09:14:20Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224899
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT VI.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Or commenche matère c’on doit auctorisier ;
Otant vaut à oïr com sermon de moustier :
Bien i poet-on aprendre à vivre sans péchier,
Et à loyauté faire et le mal à laissier.
Mais aucunes gens sont, bien le puis tesmoingnier,
Qui n’aimment pas tant Dieu qu’il font le tavrenier.
Signour, oï avés de che noble lion
Qui tolli Madarant le joïel de renon,
Et s’ala amaser par dessous un buisson ;
Et là fu-il ·vij· ans, si com lisant trouv’-on.
Signour, c’estoit ·j· angles, mis en propre fachon
Du lion gracieus dont je fai mention.
Et Madarans s’enfuit ; si réclaimme Mahon,
Margot et Apolin, Jupin et Baraton.
Vers Abilant s’enkeurt le pas et le troton.
De ses ·ij· poins avoit, Jhésus, pris vengison :
Car à cascune espaule il n’avoit c’un mongnon ;
Le baulèvre ot menguié, par dessus le menton.
En che point s’enfuïot, en grant confusion,
Jusques en Abilant ne fist arrestison.
Au portier de le porte escria, à haut ton :
« Amis, oevre le porte, il en est grant beson.
« Sé tu ne me laisse ens, par mon Dieu Apollon,
« La chité sera mise à grant confusion ;
« Car Brighedans d’Aufrique cache grant traïson. »
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG VI.'''}}}}
{{dhr|1.7em}}
<poem>
Nu begint een geschiedenis die men gezag moet verlenen;
Het is evenveel waard om te horen als een preek in de kerk:
Men kan er goed leren leven zonder te zondigen,
En loyaliteit te betrachten en het kwaad achterwege te laten.
Maar er zijn sommige mensen, ik kan het getuigen,
Die niet zozeer van God houden als van de waard in de herberg.
Heren, u heeft gehoord van die edele leeuw
Die Madarant het vermaarde juweel afnam,
En zich ging verschuilen onder een struik;
En daar verbleef hij zeven jaar, zo leest men geschreven.
Heren, het was een engel, die de gedaante had aangenomen
Van de gracieuze leeuw waarvan ik gewag maak.
En Madarant vluchtte; hij roept Mahon aan,
Margot en Apolin, Jupin en Baraton.
Richting Abilant rent hij in draf en galop.
Op zijn twee vuisten had Jezus wraak genomen:
Want aan elke schouder had hij slechts een stomp;
Zijn bovenlip was weggevreten tot boven de kin.
In deze toestand vluchtte hij, in grote verwarring,
Totdat hij in Abilant halt hield.
Tegen de poortwachter riep hij met luide stem:
«Vriend, open de poort, de nood is hoog.
Als je me niet binnenlaat, bij mijn god Apollon,
Zal de stad in grote verwarring worden gebracht;
Want Brighedans van Afrika smeedt groot verraad.»
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
cqyghsmqhtb7lex06pea28zx68sc8gu
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/174
104
87844
224901
2026-08-16T09:42:26Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
224901
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Quant païen li oïrent conter celle lechon,
Le wisket li ouvrirent qui fu ens ou moilon ;
Et Madarant i entre, qui ait maléïchon.
Vers le palais s’enkuert à loy d’esmérillon ;
Tant fist qu’il entra ens, à sa devision.
En le chambre au soudant l’emmainne Lution :
Et quant Madarans vit le roy Rouge-Lion,
Par devant lui se mist tantost à genoullon.
« Sire, pour Mahommet, oïés m’entention :
« Miex me devez amer qu’Apolin et Mahon !
« Car par iaus iriés-vous à grant perdition.
« Mieux désiervit aroient no ·iiij· Dieu glouton
« Qu’il fusent défroisiet, tout quatre, d’un baston. »
Quant li soudans l’entent, si fronchi le grenon ;
Puis dist à Madarant : « ne me fai chélizon ;
« Sont Sarrasin si fait, ens ou vostre roïon ?
« Amis, » dist li fors rois qui tenoit Abilant,
« Viens-tu de la bataille, que je te voi sanglant ?
« Sé nouvellez m’aportez, ne le me va chélant.
« A-che esté Godefrois et si frère vaillant
« Qui t’ont tes bras copés et ton nés par devant ?
« Sont-il chi arrivet, à nef et à calant ? »
« Nénil, sire, par foy ! » che a dit Madarant,
« Mais, sé Mahons ne fuist et nos Diex Tervogant,
« Vo chites fuist perdue, enchois l’aube crevant ;
« Car, en vostre ostel, sont ·iij· traïtour puant
« Qui vous ont encantet : li un est Brighedant ;
« Et si est Esmerés, de Nimaie le grant ;
« Avoec ·j· félon prestre, de leur loy préechant.
« En le chambre vo soer, là sont li soudoïant.
« Or me trenchiés la teste, sire, tout maintenant,
« S’en le chambre vo soer ne sont-il troy gisant.
« Brighedans ne croit mie Mahon né Tervagant :
« L’autr’ier, quant nous alâmez de Chipre repairant,
« Trouvâmes cristiens, enmi le mer bruïant,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen de heidenen hem deze lezing hoorden geven,
Openden zij voor hem het kleine poortje in het midden;
En Madarant treedt binnen, moge hij vervloekt zijn.
Naar het paleis rent hij zo snel als een smelleken [klein valkje];
Hij deed zoveel dat hij binnenkwam, geheel naar zijn wens.
In de kamer van de sultan brengt Lution hem:
En toen Madarant de koning Rode-Leeuw zag,
Viel hij terstond voor hem op zijn knieën.
«Heer, bij Mohammed, luister naar mijn bedoeling:
U moet meer van mij houden dan van Apolin en Mahon!
Want door hen zou u in groot verderf storten.
Beter hadden onze vier vraatzuchtige goden verdiend
Dat zij alle vier met een stok waren verbrijzeld.»
Toen de sultan dit hoorde, fronste hij zijn wenkbrauwen;
Toen zei hij tegen Madarant: «Houd niets voor mij verborgen;
Zijn de Saracenen werkelijk zo, in uw rijk?
Vriend,» zei de sterke koning die heerste over Abilant,
«Kom je uit de strijd, aangezien ik je zo bebloed zie?
Als je me nieuws brengt, verzwijg het dan niet voor mij.
Is het Godfried geweest en zijn dappere broeders
Die je armen hebben afgehakt en je neus aan de voorkant?
Zijn zij hier aangekomen, met schip en binnenschip?»
«Neen, heer, bij mijn geloof!» dat heeft Madarant gezegd,
«Maar als Mahon er niet was geweest en onze god Tervogant,
Zou uw stad verloren zijn geweest voor het aanbreken van de dag;
Want in uw verblijf zijn drie stinkende verraders
Die u hebben betoverd: de een is Brighedant;
En ook is er Esmerés, van het grote Nijmegen;
Samen met een snode priester, die hun wet predikt.
In de kamer van uw zuster, daar bevinden zich de huurlingen.
Hakt nu mijn hoofd af, heer, onmiddellijk,
Als er in de kamer van uw zuster geen drie liggen te slapen.
Brighedant gelooft helemaal niet in Mahon of Tervagant:
Onlangs, toen wij terugkeerden van Cyprus,
Troffen wij christenen aan, midden op de woeste zee,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
lphpgv42594vzk4ad012tsx7ej9gtpj
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/175
104
87845
224902
2026-08-16T09:45:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224902
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Mais nous fûmes par eulz matet et récréant ;
« Brighedans prist baptesme, dont j’oi le coer dolant.
« Sé je me baptizai, che fu par ensiant
« Qu’au plus tost que porroie chi venir à garant,
« Vous venroie retraire le fait dou soudoïant.
« Or alez en le chambre vostre soer maintenant,
« Et s’o lui ne trouvez un cristien gisant,
« Si me trenchiez le teste, à l’espée trenchant. »
Quant li Rouges-Lions va cellui escoutant,
Onques n’ot tel merveille, ès jours de son vivant.
Adonques s’adouba d’un haubert jaserant ;
Et lacha, en son chief, ·j· vert elme luisant ;
Puis a chainte l’espée, de le forge Galant.
·c· Sarrasins apelle, qui sont si atenant ;
Armet, de toutes armes, furent li mescréant.
Dist li Rouges-Lions : « or me sievés esrant ;
« Car je voeil esprouver le raison Maderant. »
Vers le chambre s’en va, li rois, acheminant.
Jammais n’ara soulas amie, ni amant,
Car tout adès les nuisent li félon mesdisant.
Esmerés de Nimaye gisoit avoec sa mie,
En joie et en soulas, et en grant druérie.
·j· poi fu endormie la douche compaignie.
Mais ·j· songe songa Esmerez, la nuitie,
Merveilleus et hideus, plain de mirancolie :
Car avis li estoit, si com l’istoire crie,
C’une fosse véoit, grande et aprofondie,
Obscure, ténébreuse, machonnée, effortie,
Et s’avoit ens ou fons ·j· lit de mainte ortie,
Poingnans très durement, acouvers de foellie ;
Et là endroit s’estoit sa moullier acouchie
D’un coulon, aussi blanc com la roze espanie.
Tout ·iij· en ·j· dur lit estoit lor char couchie,
·vij· ans entièrement, en grande maladie ;
Pain et iauwe menguant, sans boire vin sour lie ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Maar wij werden door hen verslagen en tot overgave gedwongen;
Brighedant ontving het doopsel, waar mijn hart treurig om is.
Als ik mij liet dopen, was dat met de opzet
Dat ik, zodra ik hier in veiligheid kon komen,
U het dadenverloop van de huurling zou komen vertellen.
Ga nu meteen naar de kamer van uw zuster,
En als u bij haar geen christen vindt liggen,
Hakt dan mijn hoofd af met het scherpe zwaard.»
Toen de Rode-Leeuw naar hem luisterde,
Had hij nog nooit zo'n wonder meegemaakt in alle dagen van zijn leven.
Toen trok hij een maliënkolder aan;
En bond op zijn hoofd een glanzende groene helm;
Vervolgens gordde hij het zwaard om, gesmeed door Galant.
Honderd Saracenen roept hij, die zo getrouw zijn;
Gewapend met alle wapens waren de ongelovigen.
De Rode-Leeuw zei: «Volg mij nu snel;
Want ik wil de woorden van Madarant beproeven.»
Richting de kamer begeeft de koning zich op weg.
Nooit meer zullen een vriend of geliefde troost vinden,
Want voortdurend schaden de snode lasteraars hen.
Esmerés van Nijmegen lag bij zijn geliefde,
In vreugde en troost, en in grote minne.
Een korte tijd was het zachte gezelschap in slaap gevallen.
Maar een droom droomde Esmerés die nacht,
Wonderlijk en afschuwelijk, vol melancholie:
Want het kwam hem voor, zo roept de geschiedenis uit,
Dat hij een gracht zag, groot en diep,
Duister, schimmig, gemetseld en versterkt,
En op de bodem was er een bed van vele brandnetels,
Die zeer pijnlijk staken, bedekt met bladeren;
En precies op die plek was zijn vrouw bevallen
Van een duif, zo wit als de ontluikende roos.
Alle drie op een hard bed was hun vlees neergelegd,
Zeven volle jaren, in grote ziekte;
Brood en water etend, zonder wijn op de droesem te drinken;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
i2d9eoqgy2l08rlm128n9h8w5apvczl
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/176
104
87846
224903
2026-08-16T09:47:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224903
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et s’avoit cascun jour batu, d’un escorgie,
Le blanche char de lui, que toute l’ot sillie ;
Né jammais n’en issoit, par nésune maistrie,
Fors que par ·j· lion qui li faisoit aïe.
A che mot, sali sus et en dormant s’escrie :
« Car me voeilliés aidier, sainte Vierge-Marie ! »
La puchelle l’acole, qui bien fu ensingnie ;
Et dist : « sire loyaus, hons de grant signourrie,
« Pour coi vous effraés ? ne le me chélés mie. »
Et li bers Esmerez, cui âme soit saintie,
La vision dou songe li a toute nonchie.
Si com le recordoit, ont le chambre brisie,
Li Sarrasins Persant, cui li corpz Dieu maudie :
L’uis tresbuschent à terre celle gent renoïe ;
Esmeret ont trouvé, avoecques son amie.
Quant li Rouges-Lions a sa serour coisie,
Avoec le cristien, le chière en ot irie ;
A sa vois, qu’il ot clère, moult hautement s’escrie :
« Par foy, pute mauvaise, vous en serez bruie !
« Et si en ferai pendre toute la compaingnie. »
Quant li prestrez l’oï, ne li agréa mie :
« Hélas ! mesquans ! » dist-il, « m’entente est avérie ;
« Je pensoie moult bien, sé Diex me bénéie,
« Que j’aroie, en le fin, ma part de l’amourrie,
« Que maugrez en ait Diex, et le Vierge-Marie ! »
Li prestrez fu dolans ; aussi fu Esmerés,
Car il fu, en son lit, des païens atrapez.
Es-vous le roy d’Aufrique, qui pas n’ert desnués,
Il saisi ·j· baston, qui de fer fu férez :
·j· Sarrasin féri, qui ot nom Josués,
Le chervèle en respant, chius est mors reversés ;
Et puis reféri l’autre ; si en a ·iij· tués.
Là fu li prestrez pris, s’ot batu ses costez ;
Li rois d’Aufrique i fu et pris, et atrapés ;
Esmerés, et sa femme, sont pris à l’autre lés.
</poem>
|valign=top|
<poem>
En hij werd elke dag geslagen met een zweep,
Zijn blanke vlees, dat er helemaal door getekend was;
En nooit kwam hij eruit, door geen enkele list,
Behalve door een leeuw die hem te hulp schoot.
Bij dit woord sprong hij op en schreeuwde in zijn slaap:
«Wilt u mij toch helpen, heilige Maagd Maria!»
Het meisje omhelst hem, zij die welgemanierd was;
En zei: «Trouwe heer, man van grote heerschappij,
Waarom bent u zo ontsteld? Verzwijg het mij niet.»
En de edele Esmerés, wiens ziel gezegend moge zijn,
Heeft haar het hele visioen van de droom verteld.
Terwijl hij het vertelde, braken zij de kamer open,
De Perzische Saracenen, wiens lichaam door God vervloekt moge zijn:
Zij wierpen de deur tegen de grond, dat verloochende volk;
Esmerés hebben zij gevonden, samen met zijn geliefde.
Toen de Rode-Leeuw zijn zuster in het oog kreeg,
Samen met de christen, was zijn gezicht toornig;
Met zijn stem, die helder was, riep hij zeer luid:
«Bij mijn geloof, slechte ontuchtige vrouw, u zult erom berucht worden!
En ik zal het hele gezelschap laten ophangen.»
Toen de priester het hoorde, beviel het hem geenszins:
«Helaas! Ongelukkige!» zei hij, «mijn vermoeden is uitgekomen;
Ik dacht werkelijk, zo zegene God mij,
Dat ik uiteindelijk mijn deel van de liefde zou krijgen,
Moge God er misnoegd over zijn, en de Maagd Maria!»
De priester was bedroefd; evenzo was Esmerés,
Want hij werd in zijn bed door de heidenen verrast.
Daar is de koning van Afrika, die geenszins ongewapend was,
Hij greep een stok die met ijzer beslagen was:
Een Saraceen sloeg hij, die Josués heette,
Zijn hersens spatten uiteen, hij viel dood achterover;
En toen sloeg hij de ander; zo heeft hij er drie gedood.
Daar werd de priester gevangengenomen, en zijn flanken werden geslagen;
De koning van Afrika werd er ook gevangen en overmeesterd;
Esmerés en zijn vrouw zijn aan de andere kant gevangengenomen.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
qre6cvm3dsc7zcyfohyz27nzku3aha1
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/177
104
87847
224904
2026-08-16T09:52:02Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224904
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Or tost, » dist li soudans, « et si les me getés,
« Ens ou fons de ma chartre, et si les enfermez ;
« Et me soer, avoec eulz, voeil que vous me métez. »
Et Sarrasins respondent : « si com vous commandez. »
Dont les a-on tous ·iiij· en le chartre boutez.
« Hélas ! » che dist li prestres, « je sui mal hostelez !
« Esmeret, biau dous sire, très bien païet m’avez !
« Or sui-je, par vous, fais ·j· channonnes rieulés !
« Maudite soit li heure que de mère fui nés ! »
Or sont mis en le chartre, à doel et à tourment.
Rois Juliens d’Aufrique ot au coer marrement ;
Et Eliénor pleure, de ses iex, tenrement.
« Hélas ! » dist Esmerez, « il me va malement !
« Diex, voeilliez nous aidier, s’il vous vient à talent.
« En aventure sommes de morir à tourment. »
Et li Rouges-Lions n’i fist arrestement.
Par toute sa chité a fait armer sa gent ;
Ses barons apella, si leur dist hautement :
« Signour, issons là-hors, tost et apertement,
« Enchois que cristien sachent l’encombrement
« Qui est chi avenut, des leur, si faitement. »
Et Sarrasins respondent : « à vo commandement. »
Li rois a commandé à tous généralment
C’on n’i sonne taburs, cors, né trompez d’argent ;
Par coi cristien ne sachent nullement
Qu’il soient hors issant, pour leur destourbement.
Hors d’Abilant issirent trestout secréëment ;
Li piéton vont devant, les banièrez au vent.
Jusques au desrubant alèrent franchement,
Où li lions estoit, au Dieu commandement :
Mais quant le desrubant passèrent seulement,
Li lions leur sali si esragiément,
Qu’en che jour en a mort, qu’afolez, plus de cent,
Qui jammais ne verront né frère, né parent.
Païen mainnent grant noise, pour che dévourement.
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Snel nu,» zei de sultan, «en werp ze voor mij
Op de bodem van mijn kerker, en sluit ze daar op;
En mijn zuster, ik wil dat u haar bij hen zet.»
En de Saracenen antwoordden: «Zoals u beveelt.»
Toen heeft men hen alle vier in de kerker geduwd.
«Helaas!» zei de priester, «ik ben slecht gehuisvest!
Esmerés, mooie lieve heer, u heeft mij heel goed betaald!
Nu ben ik door u veranderd in een reguliere kanunnik!
Vervloekt zij het uur dat ik uit mijn moeder geboren ben!»
Nu zijn zij in de kerker gezet, in rouw en in kwelling.
Koning Juliaan van Afrika had verdriet in het hart;
En Eliénor weent bitter met haar ogen.
«Helaas!» zei Esmerez, «het gaat slecht met mij!
God, wil ons helpen als het U behaagt.
In een hachelijk avontuur verkeren wij om in kwelling te sterven.»
En de Rode-Leeuw hield daar niet halt.
Door zijn hele stad liet hij zijn volk de wapens opnemen;
Zijn baronnen riep hij bijeen, en hij zei hun luid:
«Heren, laten we naar buiten gaan, snel en openlijk,
Voordat de christenen weet hebben van de rampspoed
Die hier aldus hun lieden is overkomen.»
En de Saracenen antwoordden: «Tot uw bevel.»
De koning beval aan iedereen in het algemeen
Dat men daar geen trommen, hoorns of zilveren trompetten mocht luiden;
Opdat de christenen er op geen enkele wijze achter zouden komen
Dat zij naar buiten trokken om hen te overvallen.
In het diepste geheim trokken zij Abilant uit;
De voetvolk gaat voorop, de banieren in de wind.
Tot aan de afgrond trokken zij onbevreesd,
Waar de leeuw zich bevond, op bevel van God:
Maar zodra zij de afgrond passeerden,
Sprong de leeuw zo razend op hen af,
Dat hij er op die dag meer dan honderd doodde of verwondde,
Die nooit meer broer of familielid zullen zien.
De heidenen maken groot lawaai vanwege deze verscheuring.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
hv16m9xmi7094b6kbp06juihd0a2qfy
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/178
104
87848
224905
2026-08-16T09:55:05Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224905
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Traït cuidirent estre ; li un l’autre n’atent.
Et cristien s’armèrent, quant virent le content,
Encontre Sarrasins alèrent fièrement :
Entr’iaus se sont féru, moult esragiément ;
Plus de mil en ont pris ; s’en ont ochis grantment.
Et par ches Sarrasins, qu’il prisent ensément,
Ont scéut d’Esmeret tout le démainement ;
De Julien d’Aufrike trestout le combrement ;
Comment il ont esté souspris, par Maderent.
Et dient li païen : « mort sont ciertainement. »
Wistaces de Boulongne avoit le coer dolent,
C’on li avoit emblé le sanc mauvaisement :
Or a de son cousin grant doel, et grant tourment.
Et le royne Roze plouroit si tenrement :
« A ! Esmeret, » dist-elle, « or me va malement,
« Puis que je t’ai perdut, si très villainnement !
« Jammais joye n’arai ; ains morrai temprement. »
Adont chéi pasmée assez hideusement.
Si doi fil le dréchèrent, qui ont dit douchement :
« Mère, » font li enfant, « laissiés, vo plourement ;
« Car pour doel démener, et menu, et souvent,
« Ne r’ariés-vous, dame, le vostre encombrement.
« En mal an nous a mis, Gaufrois, chiertainnement :
« Et quant à le personne mesquiet si faitement,
« Il ne scet tour tourner qu’il ne voist contre vent. »
Signour, grans fu li doelz, pour l’amour d’Esmeré ;
Bien cuidièrent qu’on l’ait à male mort livré,
Car ensi l’eurent dit ichil de la chité,
Qui, au matin, avoient là esté atrapé.
Wistaces ot son coer courrechié et iré
Du sanc nostre Signour, c’on li avoit emblé :
« Ahi ! mère, » dist-il, « com veschi grant pité !
« Godefrois, vo bons fiex, où tant a poesté,
« Roy de Jhérusalem, et de le royauté,
« Vous avoit envoïet le sanc, par amisté ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zij dachten verraden te zijn; de een wachtte niet op de ander.
En de christenen wapenden zich toen zij het tumult zagen,
Zij trokken de Saracenen trots tegemoet:
Zij stortten zich woedend op elkaar;
Meer dan duizend hebben zij er gevangengenomen; en er velen gedood.
En door deze Saracenen die zij aldus gevangennamen,
Kwamen zij alles te weten over het lot van Esmerés;
Over de hele rampspoed van Juliaan van Afrika;
Hoe zij verrast waren door Madarant.
En de heidenen zeiden: «Zij zijn zeker dood.»
Wistace van Boulogne had een bedroefd hart,
Omdat men het bloed op schandelijke wijze van hem had gestolen:
Nu heeft hij om zijn neef groot verdriet en grote kwelling.
En koningin Roze weende zo teder:
«Ach! Esmerés,» zei zij, «nu gaat het slecht met mij,
Aangezien ik je zo schandelijk heb verloren!
Nooit meer zal ik vreugde kennen; in plaats daarvan zal ik spoedig sterven.»
Toen viel zij op tamelijk afschuwelijke wijze in zwijm.
Haar twee zonen richtten haar op, en zeiden zacht:
«Moeder,» zeiden de kinderen, «stunt uw weinen;
Want door zo dikwijls en aanhoudend verdriet te tonen,
Zult u, vrouwe, uw tegenspoed niet ongedaan maken.
In een slecht jaar heeft Godfried ons zeker gebracht:
En wanneer het de persoon zozeer tegenzit,
Weet hij geen weg in te slaan die niet tegen de wind in gaat.»
Heren, groot was het verdriet om de liefde voor Esmerés;
Zij dachten werkelijk dat men hem een bittere dood had doen sterven,
Want zo hadden degenen uit de stad het verteld,
Die die ochtend daar waren gevangengenomen.
Wistace had zijn hart diep bedroefd en toornig
Om het bloed van onze Heer, dat men van hem had gestolen:
«Ach! Moeder,» zei hij, «wat een groot deernis zien we hier!
Godfried, uw goede zoon, die zoveel macht heeft,
Koning van Jeruzalem en van het koninkrijk,
Had u het bloed gezonden uit vriendschap;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
binp74ja1u8mrtab3dss2gldur1hju3
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/179
104
87849
224906
2026-08-16T09:57:01Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224906
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Or m’en truis malement déchiut et encanté,
« Par ·j· fel renoiet, félon et parjuré,
« Où j’avoie grantment fianche et amisté. »
Adont a, li bons contes, tenrement souspiré,
Car miex amast à perdre toute sen hérité ;
Et de sen cousin a moult grant doel démené.
Tout li baron de l’ost sont à conseil alé.
Wistaces si leur a leur conseil demandé ?
Et chil li ont dit : « sire, par sainte Karité,
Sé vous demourrés chi, en che païs gasté,
Petit i conquerrons, né iver né esté.
Ne sommes pourvéut d’avaine né de blé ;
Et li Sarrasin sont en si forte chité,
Que jammais ne seroient né pris né conquesté. »
« Signour, » che dist Wistaces, « puis qu’il vous vient à gré,
« Plus ne demourrai chi, quant le m’avés loé. »
Dont furent descendut et paveillon et tré ;
Et puis isnèlement sont en le mer entré.
Et li prisonnier sont en chartre demourré,
Dolant et courrechiet et forment abosmé.
Roys Juliens d’Aufrique apella Esmeré :
« Sire compains, » dist-il, « n’aïés doel démené ;
« Car fianche ai en Dieu, le roy de majesté,
« Que nous serons encore de chaiens délivré. »
« Par foy, » che dist li prestrez, « vous estes rassotté !
« Qui jammais cuidiés estre nul jour à sauveté.
« Je n’ai nulle fianche, fors d’avoir maus plenté. »
« Par vous seus l’aïés-vous, sire, » dist Esmeré,
« Vous nous avés adès trop mal réconforté. »
« Chertes, » che dit li prestrez, « or ai bien esprouvé
« Que li coerz, à le fois, dist l’omme se griété. »
Or furent, en le chartre, en grande ténébrour.
Eliénor, la belle, ot au coer grant dolour ;
Elle pleure et souspire, et par nuit et par jour.
Et li Rouges-Lions n’i a fait nul retour :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nu vind ik mijzelf er slecht door bedrogen en betoverd,
Door een boosaardige afvallige, snood en meinedig,
In wie ik groot vertrouwen en vriendschap stelde.»
Toen slaakte de goede graaf een diepe zucht,
Want hij had liever zijn hele erfgoed verloren;
En om zijn neef heeft hij zeer groot verdriet getoond.
Alle baronnen van het leger zijn in beraad gegaan.
Wistace heeft hun om hun advies gevraagd.
En zij zeiden hem: «Heer, bij de heilige Liefde,
Als u hier blijft in dit verwoeste land,
Zullen we hier weinig veroveren, winter noch zomer.
We zijn niet voorzien van haver of graan;
En de Saracenen zitten in zo'n sterke stad,
Dat zij nooit ingenomen of veroverd zouden worden.»
«Heren,» zei Wistace, «aangezien het u behaagt,
Zal ik hier niet langer blijven, nu u mij dat heeft aangeraden.»
Toen werden zowel de tenten als de paviljoenen afgebroken;
En daarna gingen zij snel de zee op.
En de gevangenen zijn in de kerker achtergebleven,
Bedroefd en toornig en diep neerslachtig.
Koning Juliaan van Afrika riep Esmerés:
«Heer metgezel,» zei hij, «toon geen verdriet;
Want ik heb vertrouwen in God, de Koning der majesteit,
Dat wij hier nog uit bevrijd zullen worden.»
«Bij mijn geloof,» zei de priester, «u bent gek geworden!
Dat u denkt ooit nog op een dag in veiligheid te zijn.
Ik heb nergens vertrouwen in, behalve in het hebben van veel ellende.»
«Laat het dan alleen voor uzelf gelden, heer,» zei Esmerés,
«U heeft ons telkens weer te slecht getroost.»
«Zeker,» zei de priester, «nu heb ik goed ervaren
Dat het hart soms de man zijn verdriet vertelt.»
Nu waren zij in de kerker, in grote duisternis.
Eliénor, de schone, had in haar hart groot verdriet;
Zij weent en zucht, zowel bij nacht als bij dag.
En de Rode-Leeuw keerde daar niet terug:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ig6ifchtiz2kzy6fo48twuq9gunwic6
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/180
104
87850
224907
2026-08-16T10:03:16Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224907
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
A son conseil manda, li roys, maint ammachour ;
·ij· noblez ammiraus, enfans d’une serour,
Qu’il avoit mariée, droit en Inde majour.
Chil vinrent à son mant, dont il fisent folour.
Li lions, qui gardoit le sanc nostre Signour,
Les estranla tous ·ij· ; s’en eurent dou piour.
A bailles de la ville, et bien près de la tour,
Venoit querre les gens de la chité d’onnour.
Nulz homs n’ozoit passer, environ ni entour,
S’il ne créoit en Dieu, le père créatour,
Qu’il ne fuist dévourez à honte et à dolour ;
Dont chil de la chité furent en grant paour
Et fremoient les portez d’Abilant toute jour.
Ensément chius lions les métoit en mal tour,
Par le voloir de Dieu, le roy nostre Signour.
Che fist-il par raison : n’i prendrons nulle esrour,
Car sor Dieu ne devons estre deviséour.
Signour, de che lion vous lairai à parler,
Et quant il sera tamps, s’i vorrai retourner.
Wistacez de Boulongne va nagant par le mer,
Et dist, sé Diex le laist à Boulongne arriver,
Car il ira Gaufroi honnir et vergonder.
Mais Gaufrois n’avoit cure de nul homme doubter :
Anemis le faisoit si poissaument régner,
Que tout adès cuidoit de ses fais escaper.
Et on voit c’uns larons qui se met à l’embler,
Quant déablez le fait d’un soel fait escaper,
Il n’aconte noient d’une bourse à couper.
Tant maintient son usaige, et main et à vesprer,
Que l’anemis le fait, en si mal lieu embler,
Qu’il i laisse le pel ; si le mainn’-on finer.
Ensi fu de Gaufroi, au bien vrai recorder ;
En le fin li convint ses mesfais comparer.
A ichel tamps ot fait une dame rouver,
Soer au conte de Flandre ; c’est Blanche, o le vis cler :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Voor zijn raad ontbood de koning menig emir;
Twee edele admiralen, kinderen van een zuster,
Die hij had uitgehuwelijkt, ginds in Groot-Indië.
Zij kwamen op zijn bevel, waarmee zij een dwaasheid begingen.
De leeuw, die het bloed van onze Heer bewaakte,
Wurgde hen allebei; zij kregen het zwaar te verduren.
Bij de omheining van de stad, en heel dicht bij de toren,
Kwam hij de mensen van de eervolle stad opzoeken.
Geen mens durfde erlangs te gaan, ergens in de omtrek,
Tenzij hij geloofde in God, de Vader en Schepper,
Of hij werd met schande en smart verslonden;
Waarom degenen uit de stad in grote vrees verkeerden
En de poorten van Abilant de hele dag gesloten hielden.
Op die wijze bracht deze leeuw hen in een slechte positie,
Door de wil van God, de Koning onze Heer.
Dat deed hij met reden: we moeten hierin geen dwalen begaan,
Want over God mogen we geen verdeeldheid zaaien.
Heren, over die leeuw zal ik nu ophouden te spreken,
En wanneer het tijd is, zal ik daar willen terugkeren.
Wistace van Boulogne vaart over de zee,
En zegt dat, als God hem in Boulogne laat aankomen,
Hij Godfried zal gaan schande en schaamte aandoen.
Maar Godfried had er geen boodschap aan om voor wie dan ook te vrezen:
De vijand liet hem zo machtig regeren,
Dat hij steeds dacht aan zijn daden te ontsnappen.
En men ziet dat een dief die zich op het stelen toelegt,
Wanneer de duivel hem aan één enkele daad laat ontsnappen,
Er niets om geeft om een beurs af te snijden.
Zo houdt hij vast aan zijn gewoonte, 's ochtends en 's avonds,
Totdat de vijand hem op zo'n slechte plek laat stelen,
Dat hij er zijn huid achterlaat; zo brengt men hem tot zijn einde.
Zo verging het Godfried, om het naar waarheid te vermelden;
Uiteindelijk moest hij zijn misdaden bezuren.
In die tijd had hij een dame laten ontbieden,
De zus van de graaf van Vlaanderen; Blanche met het blanke gezicht:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
hnbm314mpkx122c01rc7kcdlseeh58f
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/181
104
87851
224908
2026-08-16T10:08:14Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224908
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et à Mons en Hainnau en fist parlementer.
Dont li contes en fist le journée acorder ;
Et manda à Gaufroi, que Diex puist craventer,
Qu’ens ou chastel à Mons le fesist hosteler ;
Là li feroit sa soer véir et regarder,
Et parmi boin conseil, il en vauroit ouvrer.
Et quant Blanche le sot, en li n’ot qu’à irer :
Si jura Dame-Dieu, qui tout a à sauver,
Que jà n’aroit Gaufrois à mari, ni à per.
Car la belle gentis, dont vous m’oés conter,
Avoit mis le sien coer au plus bel bacheler,
Qui fuist en tout le mont, si lonc c’on scet aler ;
Bauduins de Sebourc, ensi se fist nommer,
Que li contes ot fait à telle honnour monter,
Que chevalier le fist, et volt terre donner,
Et estoit sénescaus, pour le païs garder
De Hainnau et de Flandres : moult se faisoit amer.
A Sebourc fu li enfes, dont vous m’oés parler,
Avoec le chevalier, qui moult fist à loer.
Or avoit une fille, qui moult ot le vis cler :
Bauduins l’enama, s’ala à lui juer ;
Et celle lui ala son amour présenter,
Tant qu’elle fu enchainte, qu’elle prist à enfler.
Quant ses pères le sot, en li n’ot qu’à irer.
Ch’est drois que quant on voit ses enfans mal prouver
C’on en soit courrechiet ; mais on le doit passer.
Quant le danselle fu enchainte et engroissie,
Li sires de Sebourc en ot la chière irie ;
Si dist à Bauduin : « damoisiaus, je vous prie
« En l’onnour Jhésu-Crist, le fil sainte Marie,
« Que ma fille espousez, que vous avez honnie.
« Jà vous ai-je nourri, tous les jours de vo vie ;
« Ne devés envers moi ouvrer de villonnie. »
« Sire, » dist Bauduins, à le chière hardie,
« N’ai soing de marier, pour voir le vous afie.
</poem>
|valign=top|
<poem>
En in Bergen in Henegouwen liet hij daarover onderhandelen.
Waarop de graaf de dag liet vaststellen;
En hij stuurde een bericht naar Godfried, moge God hem neerstorten,
Dat hij hem in het kasteel te Bergen zou huisvesten;
Daar zou hij hem zijn zuster laten zien en aanschouwen,
En met goed advies zou hij daaraan willen meewerken.
En toen Blanche het vernam, was zij louter toornig:
Toen zwoer zij bij de Heere God, die alles moet redden,
Dat zij Godfried nooit tot echtgenoot of metgezel zou hebben.
Want de schone edelvrouwe, over wie u mij hoort vertellen,
Had haar hart verpand aan de mooiste jongeling
Die er ter wereld was, zover men kan gaan;
Boudewijn van Sebourc, zo liet hij zich noemen,
Die de graaf tot zulke eer had laten stijgen,
Dat hij hem tot ridder sloeg en hem land wilde geven,
En hij was seneschalk om het land te beschermen
Van Henegouwen en Vlaanderen: men hield zeer veel van hem.
In Sebourc was het kind, over wie u mij hoort spreken,
Bij de ridder, die zeer te prijzen viel.
Nu had hij een dochter, die een zeer blank gezicht had:
Boudewijn werd verliefd op haar, en ging met haar spelen;
En zij ging hem haar liefde schenken,
Zoveel dat zij zwanger werd, dat zij begon op te zwellen.
Toen haar vader het hoorde, was hij louter toornig.
Het is recht dat wanneer men zijn kinderen zich misdragen ziet,
Men daarover toornig is; maar men moet het voorbij laten gaan.
Toen de jonkvrouw zwanger en zwaar was,
Had de heer van Sebourc een bedroefd gezicht;
Toen zei hij tegen Boudewijn: «Jonker, ik bid u
In de eer van Jezus Christus, de Zoon van de heilige Maria,
Dat u mijn dochter huwt, die u onteerd heeft.
Ik heb u immers opgevoed, alle dagen van uw leven;
U moet jegens mij geen schanddaad begaan.»
«Heer,» zei Boudewijn met de koene blik,
«Ik peins er niet over om te trouwen, kijk dat zweer ik u.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
dd3pxmknc73e81pk2zqar5t2p3zum2b
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/182
104
87852
224909
2026-08-16T10:10:26Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224909
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Mais sé vous m’avés fait aucune courtoisie,
« Bien le vous renderai ; ne vous en doubtez mie.
« Et sé vo fille est enviers moi otroiie,
« Je ne l’en priai pas, par Dieu le fil Marie.
« Femme, par son atrait, est souvent conquisie.
« N’ai soing de marier, par le corpz saint Elye :
« N’oï onques loer, sé m’âme soit garie,
« Homme de mariaige, qu’il fesist en sa vie ;
« Tout adès oi-je dire : folz est qui se marie !
« Donques, sé g’i entroie, je feroie folie.
« Boin fait aler le voie dont on ne se plaint mie.
« Sire, » dist Bauduins, « trop fort me requerrés
« Que je prende moullier. Che seroit foletez
« Sé j’espousoie femme, car je en trouve assez.
« Li hons qui se marie, chertes, est rassottez !
« Sé je me marioie, li prestrez couronnés
« Me feroit fiancher, che est la véritez,
« A tenir à ma femme et foy et loïautez :
« Ains qu’il passast ·j· mois, seroie parjurés,
« Car je trouve puchelles, dont je sui alourdés ;
« Ensi mes séremens seroit tantost faussés.
« Sé ma femme savoit que fuisse aillours alés
« Esbanoïer à dames, pour acomplir leurz grés ;
« Au revenir, seroie tenchiés et ruihotés.
« Si faitement seroie en grant martire entrez.
« Qui marier me voelt, par Dieu qui fu pénés,
« Il cache que je soie honnis et vergondés.
« Autrement ne poet estre ·j· homs quétis clamés. »
Li sires de Sebourc, quant oï Bauduin,
Fu durement dolans ; si tint le chief enclin.
Bauduins de Sebourc, au coraige entérin,
Dist à ses escuïerz : « aprestez mon ronchin.
« A Valenchiènes voel aler le droit chemin. »
Vint à la damoisielle, qui fu en un gardin,
Là où elle plouroit et démenoit grant brin :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Maar als u mij enige hoofsheid heeft bewezen,
Zal ik het u heel goed vergoeden; twijfel er geenszins aan.
En als uw dochter aan mij is toegestaan,
Ik heb haar er niet om gesmeekt, bij God de Zoon van Maria.
Een vrouw wordt dikwijls door haar eigen verleiding veroverd.»
«Ik peins er niet over om te trouwen, bij het lichaam van de heilige Elias:
Ik heb nog nooit horen roemen, zo waarlijk mijn ziel gered moge worden,
Van een man over het huwelijk dat hij in zijn leven sloot;
Altijd hoor ik zeggen: dwaas is hij die trouwt!
Dus als ik daaraan begon, zou ik een dwaasheid begaan.
Het is goed om de weg te gaan waar men niet over klaagt.
Heer,» zei Boudewijn, «u vraagt mij te dwingend
Dat ik een vrouw neem. Dat zou dwaasheid zijn
Als ik een vrouw trouwde, want ik vind er genoeg.
De man die trouwt, voorwaar, is gek geworden!
Als ik zou trouwen, zou de gewijde priester
Mij laten zwerven, dat is de waarheid,
Om mijn vrouw zowel trouw als loyaliteit te bewijzen:
Nog voor er een maand voorbij zou zijn, zou ik meinedig zijn,
Want ik vind meisjes door wie ik verrukt raak;
Zo zou mijn eed algauw verbroken zijn.
Als mijn vrouw wist dat ik elders was gegaan
Om me te vermaken met dames om hun ter wille te zijn;
Bij mijn terugkeer zou ik uitgescholden en berispt worden.
Op die wijze zou ik in een grote marteling zijn geraakt.
Wie mij wil laten trouwen, bij God die de pijn onderging,
Die jaagt ernaar dat ik beschaamd en onteerd word.
Anders kan een man niet ellendig genoemd worden.»
De heer van Sebourc, toen hij Boudewijn hoorde,
Was diep bedroefd; en hij hield het hoofd gebogen.
Boudewijn van Sebourc, met het vastberaden hart,
Zei tegen zijn schildknapen: «Maak mijn rijpaard gereed.
Naar Valenciennes wil ik de rechte weg gaan.»
Hij kwam bij de jonkvrouw, die in een tuin was,
Waar zij weende en groot misbaar maakte:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
jym388nsaebx0j2l6vubcu06xqxwmvd
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/183
104
87853
224910
2026-08-16T10:11:58Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224910
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Quant perchiut son ami, qu’elle ama de coer fin,
« A ! dous amis, » dist-elle, « en l’onnour saint Martin,
« Et de Dieu le poissant, qui de l’iawe fist vin ;
« Vous prie, biau dous sire, que sans nul mal engin,
« Me voeilliés faire honnour, car je sui à déclin.
« Et je vous dirai coze, ains demain au matin,
« Dont vous serez joïans ; sé démenrés grant brin.
« Car chertes vo corps est venus de si haut lin,
« C’on ne vous oze dire qui sont vostre cousin ;
« Car chi ne demourriés, pour l’onnour Constentin.
« Chertes plus n’en sarés, notés sus che latin. »
Quant Bauduins oï le puchelle gentis,
Douchement li pria et dist : « dame de pris,
« Dites-ent plus avant ; car je sui vos amis. »
Mais celle lui en jure les sains de paradis
Plus avant n’en diroit, pour tout l’or de Paris,
S’il n’avoit en couvent qu’il seroit ses maris.
Quant Bauduins l’entent, adont est sus salis.
Li sirez de Sebourc fu du chastel partis,
Dolans et courrechiés, et tristres et marris ;
Et jure Dame-Dieu, le roy de paradis,
Que Bauduins sera détrenchiés et ochis.
Son linaige assambla. D’escuïerz jusqu’à ·x·
Mena avoeques lui, et si les a quatis
En un petit bosquet ; cascuns fu fervestis.
Pour Bauduin ochire est cascuns bien garnis :
Et Bauduins chevauche, qui fu gais et jolis.
Quant il se treuve as champz, dessus l’ample païs,
Et il ot le calandre et le chant des mauvis,
Il s’afiche ès estrierz, comme homs amanevis ;
Et a dit : « mère Dieu, dame de paradis,
« Comme je seroie ore et mesquans et quétis,
« Sé j’espousoie femme, quant d’une sui garnis
« Qui est le plus poissans, et d’avoir et d’amis,
« Qui soit en tout le mont, jusqu’as pors de Brandis ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen zij haar geliefde opmerkte, van wie zij met een zuiver hart hield,
«Ach! Lieve vriend,» zei zij, «in de eer van de heilige Martinus,
En van de machtige God, die van water wijn maakte;
Ik bid u, mooie lieve heer, dat zonder enige boze list,
U mij eer wilt bewijzen, want ik ben nabij de ondergang.
En ik zal u iets vertellen, nog voor morgenochtend,
Waar u verheugd over zult zijn; dan zult u groot misbaar maken.
Want voorwaar, uw lichaam stamt af van zo'n hoge lijn,
Dat men u niet durft te zeggen wie uw neven zijn;
Want hier zou u niet blijven, voor de eer van Constantijn.
Voorwaar, meer zult u er niet van weten, noteer dit Latijn.»
Toen Boudewijn het edele meisje hoorde,
Vroeg hij haar zacht en zei: «Erenwaardige vrouwe,
Vertel er meer over; want ik ben uw vriend.»
Maar zij zweert hem bij de heiligen van het paradijs
Dat zij er geen woord meer over zou zeggen, voor al het goud van Parijs,
Tenzij hij beloofde dat hij haar echtgenoot zou zijn.
Toen Boudewijn dat hoorde, sprong hij terstond op.
De heer van Sebourc was uit het kasteel vertrokken,
Bedroefd en toornig, en treurig en mismoedig;
En hij zweert bij de Heere God, de Koning van het paradijs,
Dat Boudewijn in stukken gehakt en gedood zal worden.
Zijn verwanten verzamelde hij. Van schildknapen tot wel tien toe
Nam hij met zich mee, en hij heeft hen verborgen
In een klein bosje; elk was zwaar bewapend.
Om Boudewijn te doden is ieder goed uitgerust:
En Boudewijn rijdt te paard, die vrolijk en blijmoedig was.
Toen hij zich op het veld bevond, op het weidse land,
En hij de leeuwerik en het lied van de lijsters hoorde,
Zette hij zich schrap in de stijgbeugels, als een geoefend man;
En hij zei: «Moeder Gods, vrouwe van het paradijs,
Hoe rampzalig en ellendig zou ik nu zijn
Als ik een vrouw trouwde, terwijl ik voorzien ben van een
Die de machtigste is, zowel in bezit als in vrienden,
Die er ter wereld is, tot aan de havens van Brindisi;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
kcu5c6sl7u1ashxj1hicjvvr5t3gd8e
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/184
104
87854
224911
2026-08-16T10:15:09Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224911
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Et dont je sui si bien amés et conjoïs.
« Et s’est le plus très belle, selonc le mien avis,
« C’onques mais estorast, en che mont, Jhésu-Cris !
« E ! Blanche, douche amie, l’autre jour me désis
« Sé je me marioie que j’en vaurroie pis ;380
« Je ne vous faurai jà, tant com je soie vis. »
Ensément se devise Bauduins li gentis.
Lors commenche à canter une canchon de pris,
Qui fu faite d’amours, d’amies, et d’amis :
Tant gracieusement en a le chant empris,
Que sé che fuist ·j· angle, venus de paradis,
Ne péust nulz vrais coerz estre plus resjoïs
Qu’à escouter le vois, et le chant, et les dis.
Sé che fuist le plus lais, qui fuist ou siècle vis,
Sé fuist-il, par son chant, amés et conjoïs ;390
Mais de tous biens l’avoit ordenet Jhésu-Cris.
Bauduins de Sebourc chante joïeusement
Une chanson d’amours, faite par sentément,
Que Blance li avoit apris nouviellement.
Un clerc l’avoit rimée tant grasieusement.
Ensi que Bauduins s’esbanie ensément,
Li sali li agais en criant hautement :
« Par chi ne passerés, Bauduins, vraiëment !
« Ains vous ferons morir, à doel et à tourment ;
« S’au signour de Sebourc n’avés en couvenent400
« De sa fille espouser, par vostre sérement,
« Que déchéute avés, par vostre encantement. »
Li escuïer l’enfant, quant virent le content,
Ont laissiet Bauduin ; si s’enfuient briement.
Bauduins remest seulz, de chanter n’ot talent ;
Car tous li ·x· sachièrent les brans apertement :
Mais quant Bauduins a perchiut le convenent,
Il a traite l’espée, qui trenche radement.
A le couverte fu armés souffissaument ;
S’ot un chapel de fer, qui moult valoit d’argent.
</poem>
|valign=top|
<poem>
En door wie ik zo welwillend bemind en ontvangen word.
En zij is de allermooiste, naar mijn mening,
Die Jezus Christus ooit in deze wereld heeft geschapen!
Ach! Blanche, zoete vriendin, onlangs zei u mij
Dat als ik zou trouwen, ik er slechter aan toe zou zijn;
Ik zal u nooit in de steek laten, zolang ik leef.»
Alzo sprak Boudewijn de edele bij zichzelf.
Toen begon hij een voortreffelijk lied te zingen,
Dat gemaakt was over liefde, over vriendinnen en vrienden:
Zó gracieus stemde hij het gezang aan,
Dat al was het een engel geweest, gekomen uit het paradijs,
Geen enkel waarachtig hart meer verheugd had kunnen zijn
Dan bij het luisteren naar de stem, en het gezang, en de woorden.
Al was het de lelijkste geweest die in de wereld leefde,
Toch zou hij door zijn gezang bemind en ontvangen zijn;
Maar met alle gaven had Jezus Christus hem gezegend.
Boudewijn van Sebourc zingt vreugdevol
Een liefdeslied, gemaakt met gevoel,
Dat Blanche hem onlangs had geleerd.
Een klerk had het zo gracieus berijmd.
Terwijl Boudewijn zich aldus vermaakte,
Sprong de hinderlaag tevoorschijn, luid roepend:
«Hier zult u niet langskomen, Boudewijn, waarlijk!
In plaats daarvan zullen we u laten sterven, in rouw en in kwelling;
Tenzij u aan de heer van Sebourc belooft
Zijn dochter te huwen, bij uw eed,
Die u misleid heeft door uw betovering.»
De schildknapen van de jongeling, toen zij het tumult zagen,
Hebben Boudewijn in de steek gelaten; zij vluchtten ijlings.
Boudewijn bleef alleen achter, om te zingen had hij geen lust;
Want alle tien trokken zij openlijk hun zwaarden:
Maar toen Boudewijn de opzet doorzag,
Trok hij het zwaard, dat vlijmscherp snijdt.
Onder zijn mantel was hij voldoende gewapend;
En hij had een ijzeren kap, die veel geld waard was.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ls19xnzm1hqnhrile789n07tsjshc7s
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/185
104
87855
224912
2026-08-16T10:16:36Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224912
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Par coustume s’armoit li enfes ensément,
Pour che c’on a envie adès sus povre gent,
Qui viènent en avant, et riche de noient.
Bauduins trait l’espée, quant s’oï manechier :
Va férir vistement ·j· hardit escuïer,
Le brach, a tout l’escu, li abat ou sentier ;
Et l’autre pourfendi, parmi le hanepier ;
Et le tierch abati à terre du destrier.
Et li ·iiij· l’assalent, et devant et derrier.
Li ·iij· s’en vont fuïant, ne l’ozent aprochier ;
Il ont laissiet tout coi le gentil chevalier.
Et Bauduins se va si à ·iiij· essaïer,
Que tous li plus hardis n’ot coer de lui aidier ;
Il fiert et escrémist, comme diable d’infier :
S’en a ochis les .ij., et mis à destourbier ;
Le signour de Sebourc abati ou sentier,
Et li autres s’enfui, tout le chemin plénier.
Et Bauduins s’escrie, de quan qu’il poet huchier :
« Hé ! sire de Sebourc, par Dieu le droiturier,
« Encore n’avés pas chi trouvé ·j· bregier !
« Par cellui saint Signour, qui tout a à jugier,
« Sé vous ne me eussiez fait si très bien aisier,
« Et donnet à vo court à boire et à menguier,
« Servit et honneret de vestir et chaussier ;
« Je vous alaisse jà vo teste roongnier.
« N’estes mie bien saiges, par Dieu le droiturier,
« Qui maugré moy volés que je prende moullier.
« R’alez-ent, biau dous sire, je ne vous voel bléchier.
« Jammais ne vous pénés de moy à méhaingnier :
« Cheste fois vous pardoins, plus vous doi de loïer ;
« Mais par cellui signour, qui tout a à jugier,
« Sé jammais ammenez, né esté, né ivier,
« Né parent, ni ami, pour moi à dammagier,
« Vous serez li premiers à cui g’irai luitier.
« Je vous commans à Dieu, qui tout a à jugier !
</poem>
|valign=top|
<poem>
Uit gewoonte wapende de jongeling zich aldus,
Omdat men altijd afgunstig is op arme lieden,
Die naar voren treden en rijk zijn aan niets.
Boudewijn trekt het zwaard toen hij zich bedreigd hoorde:
Hij gaat snel een koene schildknaap neerslaan,
De arm, samen met het schild, slaat hij hem af op het pad;
En de ander klieft hij door midden, door de helm heen;
En de derde wierp hij van het rijpaard ter aarde.
En de vier vallen hem aan, zowel van voren als van achteren.
De drie gaan er vandoor, zij durven hem niet te naderen;
Zij lieten de edele ridder geheel met rust.
En Boudewijn gaat zich zo met de vieren meten,
Dat zelfs de allerstoutmoedigste geen hart had om hem te helpen;
Hij slaat en schermt als een duivel uit de hel:
Zo heeft hij er twee van gedood en in het verderf gestort;
De heer van Sebourc wierp hij neer op het pad,
En de ander vluchtte, de hele brede weg af.
En Boudewijn roept, zo hard als hij maar kan schreeuwen:
«Hé! Heer van Sebourc, bij de rechtvaardige God,
U heeft hier nog geen herder gevonden!
Bij die heilige Heer, die over alles moet oordelen,
Als u het mij niet zo zeer naar de zin had gemaakt,
En mij aan uw hof te drinken en te eten had gegeven,
Gediend en geëerd met kleding en schoeisel;
Zou ik nu uw hoofd hebben gaan afhakken.
U bent geenszins wijs, bij de rechtvaardige God,
Die tegen mijn wil wilt dat ik een vrouw neem.
Keer terug, mooie lieve heer, ik wil u niet kwetsen.
Sloof u nooit meer uit om mij te verminken:
Deze keer vergeef ik het u, ik ben u meer beloning schuldig;
Maar bij die heer, die over alles moet oordelen,
Als u ooit nog meebrengt, zomer of winter,
Familielid of vriend om mij schade te berokkenen,
Zult u de eerste zijn met wie ik de strijd aanga.
Ik herneem u aan God, die over alles moet oordelen!
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
80gn0gi24lh29pnwnpp39d90fl1cv4z
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/186
104
87856
224913
2026-08-16T10:18:32Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224913
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Jammais, en vo chastel, ne m’arés au couchier.
« Faites le vostre fille relever et baignier,
« Et si faites l’enfant servir et aeisier.
« A moy n’avés perdut né maille, né denier ;
« ·ij· pour ·j· en arés : on ne poet miex païer ! »
A ches mos s’emparti, plus n’i volt atargier.
Li chevaliers remest, où il n’ot qu’à irier ;
A Bauduin escrie : « enfes, retourne arrier !
« Et je t’amenderai trestout che destourbier.
« Li déable m’ont fait envers toi courrechier ;
« J’amaisse miex à estre par delà Montpellier ! »
Et Bauduins chevauche, tous seus, sans escuïer.
Li sires de Sebourc est retournés arrier :
« Hélas ! » dist li vassaus, « qu’il me doit annoïer
« Quant chius que j’ai nourri, de loïal coer entier,
« Et donnet à ma court tout le sien désirier ;
« M’a ensi déchéut, par mortel encombrier,
« De ma fille la belle, qui faisoit à prisier.
« Et encore en parl-on sus ma franche moullier ;
« Mais ciertes n’en croi cose que j’en oce plaidier,
« Car jamais preude femme ne feroit tel mestier. »
Li sires de Sebourc retourne ens ou chastel,
Et Bauduins chevauche sus le courrant morel.
De Valenchiènez voit, le très noble chastel,
Le porte Cambrisiène, dont haut sont li crénel :
« E ! ville, » dist li enfes, au coraige loyel,
« Com j’ai laiens éut, maintes fois, grant rével ! »
En Valenchiènez entre li enfes, sans rapel ;
Devers le sale au conte chevauche sus grisel ;
S’a le conte trouvé, sus son poing ·j· oisel.
Dou cheval descendi, si l’enclina moult bel.
« Sénescaus, » dist li contes, qui le corpz ot isnel,
« Vous soïés bien venus, foy que doi saint Marcel !
« Aler m’en doi voler ; o moy mi damoisel. »
« Sire, » dist Bauduins, au coraige nouvel,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nooit meer zult u mij in uw kasteel te slapen hebben.
Laat uw dochter opstaan en baden,
En laat het kind verzorgen en het naar de zin maken.
Aan mij heeft u geen penning of stuiver verloren;
Twee voor één zult u er*voor terugkrijgen: men kan niet beter betalen!»
Bij deze woorden vertrok hij, hij wilde daar niet langer dralen.
De ridder bleef achter, waar hij louter toornig was;
Tegen Boudewijn roept hij: «Kind, keer om!
En ik zal u deze hele tegenspoed vergoeden.
De duivels hebben mij jegens u toornig gemaakt;
Ik had liever ginds voorbij Montpellier willen zijn!»
En Boudewijn rijdt verder, helemaal alleen, zonder schildknaap.
De heer van Sebourc is teruggekeerd:
«Helaas!» zei de vazal, «wat moet het mij verdrieten
Wanneer degene die ik heb gevoed met een geheel trouw hart,
En aan mijn hof al zijn wensen heb gegeven;
Mij zo heeft misleid, door een dodelijke rampspoed,
Met mijn schone dochter, die zo te prijzen viel.
En nog spreekt men erover ten nadele van mijn edele vrouw;
Maar voorwaar, ik geloof niets waarvan ik kan pleiten,
Want nooit zou een deugdzame vrouw zulk handwerk bedrijven.»
De heer van Sebourc keert terug in het kasteel,
En Boudewijn rijdt op de snelle zwartbruine.
Van Valenciennes ziet hij het zeer edele kasteel,
De Cambrai-poort, waarvan de kantelen hoog zijn:
«O stad,» zei de jongeling met het trouwe hart,
«Wat heb ik daarbinnen vaak groot feest gehad!»
In Valenciennes treedt de jongeling binnen, zonder aarzelen;
Richting de zaal van de graaf rijdt hij op zijn schimmel;
En hij heeft de graaf aangetroffen, met een vogel op zijn vuist.
Van het paard steeg hij af, en hij boog zeer hoofs voor hem.
«Seneschalk,» zei de graaf, die een vlug lichaam had,
«Wees welkom, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan de heilige Marcel!
Ik moet gaan jagen; met mij mijn jonkers.»
«Heer,» zei Boudewijn met de hernieuwde moed,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
s91lif6jzehkg3ai9e66o244s6nouj3
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/187
104
87857
224914
2026-08-16T10:20:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224914
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« G’irai aveukes vous, par le corpz saint Danel. »
Lors li fist aporter li contez, sans rapel,
·j· faucon qu’il amoit otant com boin chastel ;
Bauduins le saisi, en menant grant rével.
De Valenchiènes issent li nobile dansel :
Là devise, li contes, à Bauduin le bel,
Comment doit marier sa soer, au corps royel,
A Gaufroi, de Nimaie où il a maint crestel.
Quant Bauduins l’entent, mal l’en fist au fourchel ;
Non pourquant respondi, com saiges damoisel :
« Boin fait marier tempre dame de noble apel ;
« Qui longement le garde n’a ville, n’a hammel ;
« En la fin leur convient faire humer candel. »
Li contes va voleir, jusqu’à nonne sonnée,
Et puis est repairiés en sa sale pavée.
Ne fu pas longement, en le ville honnerée,
Quant aler li convint à Mons : à la journée
Que Gaufrois, li traïtres, i avoit ordenée ;
Pour la puchelle Blanche, qui belle fu que fée,
Qu’au conte avoit rouvet ·iij· fois en celle année.
Car li lerres cuidoit que Roze fuist finée ;
Mais elle revenoit, parmi le mer salée.
Hé ! Diex, que Blanche estoit dolante et aïrée,
Que li contes voloit qu’elle fuist mariée :
« Hé ! Bauduins, » dist-elle, « com dure dessevrée ! »
Ou chastel à Courtrai, fu Blanche le senée.
Dolante fu de coer et forment tourmentée ;
Car li jours aprochoit qu’estre devoit menée,
Ens ou chastel à Mons, pour faire l’assamblée
De li et de Gaufroi, qui moult ot renommée,
Qui là devoit venir à le propre journée.
Or escoutez de coi elle s’est avisée :
·j· chevalier apèle, de Flandre la contrée ;
Il n’avoit plus félon, jusques en mer salée,
Car pour ·v· sols tuast ·j· homme de s’espée.
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Ik zal met u meegaan, bij het lichaam van de heilige Daniël.»
Toen liet de graaf hem brengen, zonder aarzelen,
Een valk waar hij evenveel van hield als van een goed kasteel;
Boudewijn greep hem vast, terwijl hij groot feest maakte.
Uit Valenciennes trekken de edele jonkers:
Daar vertelt de graaf aan Boudewijn de schone,
Hoe hij zijn zuster moet uithuwelijken, met haar koninklijk lichaam,
Aan Godfried van Nijmegen, waar hij menig kasteel heeft.
Toen Boudewijn dat hoorde, deed het hem pijn vanbinnen;
Desondanks antwoordde hij als een wijze jonker:
«Het is goed om een dame van nobele naam tijdig uit te huwelijken;
Wie haar lang bewaart, heeft stad noch gehucht;
Uiteindelijk moeten zij de kaars uitzuigen.»
De graaf gaat jagen tot het uur van de none (drie uur 's middags) luidde,
En toen is hij teruggekeerd naar zijn geplaveide zaal.
Het was niet lang daarna in de geëerde stad,
Dat hij naar Bergen moest reizen: op de dag
Die Godfried, de verrader, daar had vastgesteld;
Voor het meisje Blanche, die mooi was als een fee,
Die hij dit jaar al drie keer van de graaf had gevraagd.
Want de dief dacht dat Roze dood was;
Maar zij keerde terug over de zoute zee.
Ach! God, wat was Blanche bedroefd en toornig,
Omdat de graaf wilde dat zij getrouwd zou worden:
«Ach! Boudewijn,» zei zij, «wat een harde scheiding!»
In het kasteel te Kortrijk bevond Blanche de wijze zich.
Bedroefd was zij van hart en hevig gekweld;
Want de dag naderde dat zij weggevoerd moest worden,
Naar het kasteel te Bergen om de verbintenis te sluiten
Tussen haar en Godfried, die grote roem genoot,
Die daar op de vastgestelde dag moest komen.
Luister nu wat zij heeft bedacht:
Een ridder roept zij, uit de streek van Vlaanderen;
Er was geen grotere snoodaard tot aan de zoute zee,
Want voor vijf stuivers zou hij een man doden met zijn zwaard.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
9hb36l5imue4xfywu46v8oqujubexei
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/188
104
87858
224915
2026-08-16T10:21:30Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224915
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Henri,» zei het meisje, «luister naar mijn lot:
«Ik wil dat u van mijn bezit een grote hoeveelheid neemt,
«Mits mijn wil wordt gedaan en volbracht.»
En hij heeft geantwoord, die een onbezonnen hoofd had:
«U zult niets kunnen zeggen, of het zal goed worden uitgevoerd.»
«Henri,» zei het meisje, «neem zonder dralen,
«Vlamingen en Henegouwers; en ieder zal soldij krijgen:
«En ga dan op weg, zonder langer stil te blijven staan,
«Heel dicht bij Nijvel, dat is de toegang tot Brabant;
«Precies op die plek zal passeren, voor er vijftien dagen voorbij zijn,
«Een prins die onlangs door mijn broer aan mij is toegezegd;
«En ik zou nog liever levend verbrand worden,
«Dan dat ik met zo'n verrader getrouwd zou worden;
«Ik wil dat hij gedood wordt, zonder enig uitstel.
«En als u deze zaak goed heeft uitgevoerd,
«Zal ik u zoveel bezit geven bij uw terugkeer,
«Dat er geen uur meer zal zijn dat u mij niet zult prijzen.»
«Dame,» dat zei Henri, «uw zaak is beklonken;
«Ik zal u brengen, zo waarlijk mijn ziel gered moge worden,
«Het hart van de verrader, of zijn afgehakte hoofd.»
Het meisje zei hem: «Neem zonder dralen
«De sleutels van mijn schatkist, want mijn hart stemt ermee in;
«Opdat uw gezelschap dat met u meegevoerd zal worden,
«Des te gewilliger de strijd zal aangaan,
«Wanneer zij zien dat hun eerst geld wordt geteld.
«Want een goed betaalde arbeider levert een goede dagtaak.»
Zoveel deed Blanche de schone, dat Henri vertrok.
Vierhonderd metgezellen verzamelde hij in die week:
En aan ieder overhandigde hij vijftien florijnen als voorschot;
En zij gaan met hem mee, en Henri leidde hen.
In Nijvel in Brabant, aan deze kant, nam hij zijn intrek.
Godfried liet hij bespioneren; en de dag naderde
Dat Godfried naar Brabant moest komen, aan deze kant.
Henri lag in een hinderlaag, die hem zeer goed opwachtte.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
iwadwn49dzm985cs1x15mwwwhu1yz63
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/189
104
87859
224916
2026-08-16T10:23:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224916
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Qu’au devant lui sali : « à le mort ! » escria.
Gaufrois, quant il les vit, sachiés bien qu’il cuida
Que fuissent li fil Roze, dont adont se doubta ;
Non pourquant trait l’espée et l’escu acola :
Car onques plus hardi sour cheval ne monta,
Mais traïtrez estoit, qui moult le condampna.
Es Flamens se féri : à Henri s’assambla ;
De l’espée, à ·ij· mains, bien férir le cuida,
Mais Henris s’est clinés, et li copz avala
Par dessus le destrier si qu’en ·ij· le copa.
Henris chéi à terre, mais en piés se drécha ;
Et li homme Gaufroi acourrurent droit là :
Henri ont assali, qui moult bien se venga,
Non pourquant fu versés ; et Gaufrois le navra,
Trestout, outre le corpz, son espiel li lancha.
Henris crie merchi. Gaufrois li demanda
Que ch’est, né que che fu, né qui l’envoie là ?
Bien jure, s’il n’el dist, qu’il le partuera.
Et Henris, pour le doubte, trestout li devisa
Comment le soer au conte là endroit l’envoïa,
Pour lui faire murdrir ; ensi le commanda.
Et quant Gaufrois l’oï, tous li sans li mua.
Flamens fist assalir, point ne les espargna :
Chil tournèrent les dos ; car cascuns s’esmaïa,
Quant Henris leur falli, qui tous les racusa,
Puis ne vesqui lonc tamps, car li âme en ala ;
Et li Flament s’enfuient, que nulz n’i demourra.
Gaufrois fu si dolans que tous vis esraga.
« Ahi ! » dist-il, « meschans ! male femme chi a.
« Sé je le preng à femme, elle me honnira. »
« Sire, » dist ·j· traïtres, où Gaufrois se fia,
« Moult seriés outrageus, par Dieu qui tout créa,
« Sé la dame espousés, qu’ensi traï vous a :
« Car quant on en prent une, qui si obéira,
« Et par très boin amour, à l’omme s’adonra ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Ik weet niet wat men u zou zeggen; maar zo goed hield hij hem in de gaten,
Dat hij voor hem tevoorschijn sprong: «De dood!» schreeuwde hij.
Godfried, toen hij hen zag, weet wel dat hij dacht
Dat het de zonen van Roze waren, voor wie hij toen vreesde;
Desondanks trok hij het zwaard en klemde het schild vast:
Want nooit steeg een dapperder man op een paard,
Maar hij was een verrader, wat hem zeer veroordeelde.
Op de Vlamingen stortte hij zich: met Henri raakte hij slaags;
Met het zwaard, met twee handen, dacht hij hem goed te raken,
Maar Henri boog zich voorover, en de slag daalde neer
Over het rijpaard, zodat hij het in tweeën hieuw.
Henri viel ter aarde, maar richtte zich op zijn voeten op;
En de manschappen van Godfried renden recht daarheen:
Henri hebben zij aangevallen, die zich zeer goed wreekte,
Desondanks werd hij geveld; en Godfried verwondde hem,
Helemaal door het lichaam heen wierp hij zijn lans.
Henri roept om genade. Godfried vroeg hem
Wie hij is, of wat dit was, of wie hem daarheen zendt?
Hij zweert plechtig dat hij hem zal afmaken als hij het niet zegt.
En Henri, uit vrees, vertelde hem alles hoe
De zuster van de graaf hem daarheen had gezonden,
Om hem te laten vermoorden; zo had zij het bevolen.
En toen Godfried het hoorde, keerde al zijn bloed om.
De Vlamingen liet hij aanvallen, hij spaarde hen geenszins:
Zij keerden de rug toe; want ieder raakte in paniek
Toen Henri hen in de steek liet, die hen allen beschuldigde,
Daarna leefde hij niet lang meer, want zijn ziel ging heen;
En de Vlamingen vluchtten, zodat er niemand achterblijf.
Godfried was zo bedroefd dat hij wel levend razend werd.
«Ach!» zei hij, «ongelukkige! Wat een slechte vrouw is dit.
«Als ik haar tot vrouw neem, zal zij mij te gronde richten.»
«Heer,» zei een verrader in wie Godfried vertrouwen stelde,
«U zou zeer onbezonnen zijn, bij God die alles schiep,
«Als u de dame trouwt die u zo verraden heeft:
«Want wanneer men er zo een neemt, die zo zal gehoorzamen,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
8s5w51mjpj0ouqwsopy43x82s02r97z
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/190
104
87860
224917
2026-08-16T10:27:39Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224917
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« S’est-che moult fort à faire, par Dieu qui tout créa,
« S’elle se prouve bien. De tellez en i a.
« S’il en vient d’une bien ; de ·ij· maus en venra. »
Or fu Gaufrois dolant, quant il sot la querelle
Que tuer le voloit faire la damoiselle ;
Si dist : n’espousera jammais telle pucelle,
Qui murdrir le voloit faire d’une alemèle ;
Mais à Mons en ira, pour dire la nouvelle
A son frère Robert, par coi la damoisielle
En puist avoir annoy ; et sé nulz homs l’apelle,
Qui die : traïson ! il en jura l’anchelle
Qui Jhésu alaita, de sa sainte mammelle,
Qu’il s’en combatera, as champz sus la praièle.
Adont se r’aficha, li glous, dessus le selle ;
Et chevauche vers Mons, o sa maisnie isnelle.
Tout le chemin tenoit se main à se maisselle,
Et disoit : « mère Dieu, com li coerz me favelle
« D’anoy et de meschief ; de chou que la danselle
« Que je cuidoie avoir, et faire damoiselle
« Et joïr de s’amour, dont je sens l’estinchelle,
« M’a ensi envoïet, de sa gent, telle eskielle,
« Pour moi mètre à déclin. Li miens doelz renovelle ;
« Elle aime autrui que moi ! mais n’en donne ·j· astèle.
« Je le ferai ardoir : né jammais à Nivelle
« Ne retourai arier, s’ert arse la pucelle. »
Or chevauche Gaufrois, dolans et irascus ;
Et a tant chevauchiet qu’il est à Mons venus.
Vers le chastel en va, li lerres malostrus :
Là fu li quens Robers ; avoeques lui ses drus ;
Et si fu Bauduins, li damoisiaus crémus.
Atant ès-vous Gaufrois qui est montés lassus.
Quant li contes le voit, tantost est descendus ;
Et li a dit : « Gaufrois, vous soïés bien venus ! »
« Sire, » che dist Gaufrois, « foy que je doi Jhésus,
« J’ai esté en vo terre povrement rechéus !
</poem>
|valign=top|
<poem>
«En met zeer goede liefde zich aan de man zal wijden;
«Dan is het nog heel zwaar werk, bij God die alles schiep,
«Of zij zich goed bewijst. Van zulke vrouwen zijn er.
«Als er uit één iets goeds voortkomt; uit twee zal er kwaad voortkomen.»
Nu was Godfried bedroefd toen hij de toedracht wist
Dat het meisje hem had willen laten doden;
Toen zei hij: nooit zal hij zo'n meisje trouwen,
Die hem had willen laten vermoorden met een mes;
Maar naar Bergen zal hij gaan om het nieuws te vertellen
Aan haar broer Robert, opdat het meisje
Er hinder van mag ondervinden; en als er iemand is die hem uitdaagt,
Die zegt: Verraad!, dan zwoer hij bij de dienstmaagd
Die Jezus zoogde aan haar heilige borst,
Dat hij met hem zal vechten op het veld, op de weide.
Toen zette de schurk zich weer stevig in het zadel;
En hij rijdt naar Bergen met zijn snelle gevolg.
De hele weg hield hij zijn hand aan zijn kaak,
En zei: «Moeder Gods, hoe spreekt mijn hart tot mij
Van hinder en miserie; over het feit dat de jonkvrouw
Die ik dacht te hebben, en tot edelvrouwe te maken
En te genieten van haar liefde, waarvan ik de vonk voel,
Mij zo'n bende van haar volk heeft gezonden,
Om mij ten onder te doen gaan. Mijn verdriet vernieuwt zich;
Zij houdt van een ander dan van mij! Maar ik geef er geen spaan om.
Ik zal haar laten verbranden: en nooit zal ik naar Nijvel
Terugkeren, voor het meisje verbrand is.»
Nu rijdt Godfried, bedroefd en toornig;
En hij heeft zover gereden dat hij in Bergen is aangekomen.
Richting het kasteel gaat de snode dief:
Daar bevond zich graaf Robert; bij hem zijn getrouwen;
En ook was er Boudewijn, de geduchte jonker.
Kijk, daar is Godfried die daarboven is gereden.
Toen de graaf hem ziet, stijgt hij terstond af;
En hij zei tegen hem: «Godfried, wees welkom!»
«Heer,» zei Godfried, «bij het geloof verschuldigd aan Jezus,
«Ik ben in uw land armzalig ontvangen!
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
slbiawkv1qfxm8p897pygdmotzll9o4
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/191
104
87861
224918
2026-08-16T10:36:24Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224918
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« De ·iiijc· mourdreurs ai esté assalus ;
« Par cui le vostre soer, frans contes esléus,
« Me manda, hier matin, amistés et salus !
« Je ne cuidoie mie, par Dieu qui fu vendus,
« Avoir mesfait vers lui, qu’à mort fuisse férus ! »
Quant li contes l’entent, si fu tous esperdus.
« Ma soer, » che dist li contes, « n’est pas de telz argus
« Comme fesist mourdrir ! chius fais n’ert jà scéus ;
« Et sé je le savoie, voir ne viveroit plus. »
Adont li dist Gaufrois, que n’i est remanus :
« Sire, ch’est vérités, par les sains de lassus !
« Demandés à ma gent ; regardez leurz escus,
« Que nous avons par armes despéchiez et rompus !
« Vo soer nous envoïa ses amis, et ses drus ;
« A cui elle donna ses auferrans grenus,
« Et florins, et argent, pour nous faire confus.
« Che li fait faire amours ; ne sai qui est ses drus.
« A vous me plains de li ; pour che sui chi venus :
« Et sé droit ne m’en faitez, vous en serez tenus
« Coupables de che fait, de contes et de dus ;
« Et si vous en apel devant Dieu de lassus,
« Au jour que jugemens sera de lui tenus,
« Car là vous en sera li gerredons rendus.
« Chi ne vous puis grever, valissant ·ij· festus,
« Sus son fumier est li hardis homs véus !
« Sire, » che dist Gaufrois, « de vo soer me desloe :
« Par li fuisse murdris, sé forche ne fuist nôe.
« Sé che fuist aussi bien me soer, com c’est le vôe,
« Je le feroie ardoir, par tous les sains c’on loe ;
« Elle ayme autrui que moi, dont ses maus li effroe.
« Et s’il estoit nulz homs, bien voel que cascuns m’oe,
« Qui désist le contraire ; j’otrie c’on m’esroe,
« Sé récréant n’el fai, au champ dessus le groe.
« Vostre soer ne me prise valissant une escroe ;
« Près fali ne me fist fendre, jusqu’en la joe. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Door vierhonderd moordenaars ben ik aangevallen;
«Door wie uw zuster, edele uitverkoren graaf,
«Mij gisterenochtend vriendschap en groeten zond!
«Ik dacht geenszins, bij God die verkocht werd,
«Haar iets misdaan te hebben, dat ik dood geslagen zou worden!»
Toen de graaf het hoorde, was hij geheel ontzet.
«Mijn zuster,» dat zei de graaf, «is niet van zulke streken
«Dat zij zou laten moorden! Deze daad was nog niet bekend;
«En als ik het zou weten, voorwaar, zij zou niet langer leven.»
Toen zei Godfried hem, waarbij niets achterwege bleef:
«Heer, het is de waarheid, bij de heiligen hierboven!
«Vraag het aan mijn volk; bekijk hun schilden,
«Die wij door de wapens vernield en gebroken hebben!
«Uw zuster zond ons haar vrienden en haar getrouwen;
«Aan wie zij haar fiere paarden gaf,
«En florijnen, en zilver om ons in het verderf te storten.
«Dat laat de liefde haar doen; ik weet niet wie haar getrouwe is.
«Bij u beklaag ik mij over haar; daarom ben ik hier gekomen:
«En als u mij geen recht verschaft, zult u ervoor gehouden worden
«Schuldig te zijn aan deze daad, door graven en hertogen;
«En zo daag ik u aan voor God hierboven,
«Op de dag dat het oordeel door Hem zal worden gehouden,
«Want daar zal u de vergelding ervoor worden geschonken.
«Hier kan ik u niet deren, ter waarde van twee strootjes,
«Op zijn eigen mesthoop is de dappere man te zien!
«Heer,» dat zei Godfried, «van uw zuster ontbind ik mij:
«Door haar zou ik vermoord zijn, als er geen kracht was aangewend.
«Als het evenzeer mijn zuster was als het de uwe is,
«Zou ik haar laten verbranden, bij alle heiligen die men prijst;
«Zij houdt van een ander dan van mij, waardoor haar boosheid haar opschrikt.
«En als er een man was, ik wil dat iedereen mij hoort,
«Die het tegendeel zou beweren; ik sta toe dat men mij radbraakt,
«Als ik hem niet tot overgave dwing op het veld, op het gras.
«Uw zuster acht mij nog geen flard waard;
«Het scheelde weinig of zij had mij laten klieven, tot in de wang.»
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
c0k8c3z5327vnififbh5od7fg96bcgt
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/192
104
87862
224919
2026-08-16T10:38:24Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224919
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et quant Bauduins l’ot, durement s’en fourgoe ;
En derrière li fait le loupe, et puis le moe.
Crueuse plainte fist, li traïtres Gaufrois,
De Blanche la contesse, qui avoit les crins blois.
Li contes des Flamens en fu au coer destrois ;
Il ne savoit que dire, quant il ot ceste vois ;
Et a dit : « mère Dieu, qu’il me vient grans anois,
« Pour ma soer qui joué m’a, de si fais esplois !
« Mais par cellui Signour, qui fu mis en la crois,
« Très chier le comparra, ains que passe li mois. »
Gaufroi en apella ; sé li dist : « sire roys,
« Je manderai ma soer, ens ou païs Flandrois,
« Et s’elle ne s’escuse et démonstre ses drois ;
« Je vous ai en couvent que faite en sera lois,
« Ensi qu’il vous plaira ; il en ert à vo cois. »
« Sire, » dist li traïtres, « vo parlers sont courtois. »
Et li contes de Flandre s’escrie à haute vois :
« Bauduins de Sebourc, chevauchiés démanois
« Ou chastel à Courtrai, dont haus est li berfrois ;
« Là trouverés ma soer, ou chastel maginois.
« Saluez-moi mes hommes, et mes noblez bourgois ;
« Sé m’amenez ma soer. Aprestez vos conrois ;
« Et sé bien ne s’excuse, ch’ert pour lui grans annois.
« Bauduins, » dist li contes, « à Courtrai en irés :
« Blanche, me soer germaine, chi endroit amenrez. »
Et Bauduins respont : « si com vous commandés. »
Puis a dit coiëment : « jammais ne le verrez. »
A privée maisnie, s’est lors acheminés ;
Il passe les champaingnes, et les bos, et les prez,
Dès-si jusqu’à Courtrai ne s’i est arrestez ;
Vers le chastel s’en va, si est dedens entrés.
La pucelle gentis, où grande est le biautez,
Trouva dedens sa chambre, et puchellez assés ;
Lors dist : « chius Dame-Diex, qui en crois fu pénés,
Il garice la belle, où grande est le biautés ! »
</poem>
|valign=top|
<poem>
En toen Boudewijn het hoorde, mishaagde het hem hevig;
Achter zijn rug trekt hij een gezicht naar hem en spot met hem.
Een gruwelijke klacht uitte de verrader Godfried
Over Blanche de gravin, die blonde lokken had.
De graaf der Vlamingen was daardoor in zijn hart gekweld;
Hij wist niet wat te zeggen toen hij deze stem hoorde;
En hij zei: «Moeder Gods, wat komt er een grote hinder over mij,
«Vanwege mijn zuster die zo'n streek met mij heeft uitgehaald!
«Maar bij die Heer, die aan het kruis werd genageld,
«Zeer duur zal zij het bezuren, nog voor de maand voorbij is.»
Godfried riep hij aan; en hij zei hem: «Heer koning,
«Ik zal mijn zuster ontbieden in het Vlaamse land,
«En als zij zich niet verontschuldigt en haar recht aantoont;
«Beloof ik u dat er recht over haar zal worden gedaan,
«Alzo het u zal behagen; het zal aan uw keuze zijn.»
«Heer,» zei de verrader, «uw woorden zijn hoofs.»
En de graaf van Vlaanderen roept met luide stem:
«Boudewijn van Sebourc, rijd onmiddellijk
«Naar het kasteel te Kortrijk, waarvan het belfort hoog is;
«Daar zult u mijn zuster vinden, in het machtige kasteel.
«Groet mijn manschappen en mijn edele burgers;
«En breng mij mijn zuster. Maak uw uitrusting gereed;
«En als zij zich niet goed verontschuldigt, zal het een grote hinder voor haar zijn.
«Boudewijn,» zei de graaf, «naar Kortrijk zult u gaan:
«Blanche, mijn eigen zuster, zult u hierheen brengen.»
En Boudewijn antwoordt: «Alzo u beveelt.»
Toen zei hij stilletjes: «U zult haar nooit meer zien.»
Met een klein gevolg is hij toen op weg gegaan;
Hij trekt over de vlakten, en de bossen, en de weiden,
Tot aan Kortrijk toe heeft hij niet halt gehouden;
Richting het kasteel begeeft hij zich, en hij is daarbinnen gegaan.
Het edele meisje, in wie grote schoonheid is,
Trof hij aan in haar kamer, met vele meisjes;
Toen zei hij: «Moge die Heere God, die aan het kruis leed,
De schone bewaren, in wie grote schoonheid is!»
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gufm0n8ot8qwtnxpf4r9hiytl8wmgpa
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/193
104
87863
224920
2026-08-16T10:39:59Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224920
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Sire, » dist la puchelle, » vous soïés bien trouvés !
« Que fait li quens, mes frères ? or ne le me célez. »
« Belle, » dist Bauduins, « envers moi entendés :
« Si vous mande vos frères que droit à Mons alez ;
« Là est venus Gaufrois, li fors rois couronnez. »
Lors li dist en basset, qu’il ne fu escoutés :
« Gaufrois se plaint de vous, et dist que vous l’avés
« Laidement déchéut, près qu’il ne fu tués.
« Assés près de Nivelle, là il fu encontrés,
« Et sé dist que par vous en fu li fais brassés ;
« Et que vous envoïastes, ne sai s’est vérités,
« Chiaus dont fu assalis ; mais n’est pas afinez. »
« Chertes, » dist la puchelle, « s’en est mes coers irez.
« Li traïtres dit voir, que mal soit-il trouvés,
« Che fu pour vostre amour, et pour vos amistez.
« Or vous pri, dous amis, que conseil me donnés :
« Sé je vois à mon frère, qui tant est naturés,
« Grant despit me fera, s’il est bien enfourmės.
« Mais jà n’i entrerai, sé croire me volés ;
« Ains prenderons joïaus, et deniers monnaés,
« Si en irons à nuit, ains que jours soit levez,
« En estraignes païs, et en lonctains régnés,
« Par coi vous ne soïés perchius, né ravisés.
« J’aing miex avoeques vous endurer povretez,
« Qu’avoec homme vivant tenir ·xx· roïautez. »
Quant Bauduins l’entent, li sans li est muez ;
Sé li dist : « damoiselle, sé venir en volez,
« Je vous jure ma foy, jammais en mes aés,
« Dame, ne vous faurrai, pour estre à mort livrez ! »
Là endroit fu d’iaus ·ij· li convens acordés,
Que la nuit en iront, en estraignez régnés.
Par le puchelle fu uns grans sommiers toursez.
Quant vint à mienuit, ès-les-vous dessevrez :
Privéëment s’en vont, et par champz et par prés,
Car ne le sot nulz homs, qui de mère soit nés.
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Heer,» zei het meisje, «wees welkom!
«Wat doet de graaf, mijn broer? Verzwijg het mij toch niet.»
«Schone,» zei Boudewijn, «luister naar mij:
«Uw broer bevel u dat u rechtstreeks naar Bergen gaat;
«Daar is Godfried gekomen, de sterke gekroonde koning.»
Toen zei hij haar zachtjes, zodat hij niet gehoord werd:
«Godfried klaagt over u, en zegt dat u hem
«Schandelijk heeft misleid, dat hij bijna gedood was.
«Heel dicht bij Nijvel, daar werd hij aangetroffen,
«En hij zegt dat door u de daad was beraamd;
«En dat u stuurde, ik weet niet of het de waarheid is,
«Degenen door wie hij werd aangevallen; maar het is niet voltooid.»
«Voorwaar,» zei het meisje, «daarom is mijn hart bedroefd.
«De verrader spreekt de waarheid, moge hij slecht aangetroffen worden,
«Dat was om uw liefde, en om uw vriendschap.
«Nu bid ik u, lieve vriend, dat u mij raad geeft:
«Als ik naar miin broer ga, die zo goedhartig is,
«Zal hij mij groot onrecht aandoen als hij goed geïnformeerd is.
«Maar nooit zal ik daar binnengaan, als u mij wilt geloven;
«In plaats daarvan zullen we juwelen nemen, en gemunt geld,
«En we zullen vannacht weggaan, voor de dag is opgekomen,
«Naar vreemde landen en naar verre rijken,
«Opdat u niet opgemerkt of gevangengenomen zult worden.
«Ik verdraag liever samen met u de armoede,
«Dan met welke levende man ook twintig koninkrijken te bezitten.»
Toen Boudewijn haar hoorde, keerde zijn bloed om;
En hij zei haar: «Jonkvrouw, als u wilt meekomen,
«Zweer ik u mijn trouw, dat ik nooit in mijn leven,
«Vrouwe, u in de steek zal laten, al zou ik ter dood gebracht worden!»
Precies op die plek werd tussen hen beiden de afspraak gemaakt,
Dat zij die nacht zouden weggaan naar vreemde rijken.
Door het meisje werd een groot lastpaard bepakt.
Toen het middernacht werd, zie hen vertrekken:
Heimelijk gaan zij weg, zowel door velden als door weiden,
Want geen mens wist ervan, die uit een moeder geboren is.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
1kircy91nazd4ltzeuxi4n2r37df6ew
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/194
104
87864
224921
2026-08-16T10:41:29Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224921
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Or s’en va Bauduins, li preus et li senés ;
Sé li contes l’atent, il est mal avisés,
Car il ne le verra en ·xiiij· ans passez.
Or s’en va Bauduins, avoeques sa moullier.
Toute nuit chevauchièrent, par devant l’esclarier,
Au lès devers Tournai prisent à chevauchier ;
D’unes cosez et d’autres prisent à desraisnier.
Grant joie ot la puchelle qu’elle ot son ami chier :
Or laist pour ·j· estraigne son nobile héritier,
Son frère, et ses amis, qui tant font à prisier ;
Mais elle n’i aconte le monte d’un denier.
Ensi fait bonne amour les amans desvoïer.
Par ensi maintenir, et amours essauchier,
Ont éut mainte fois, amant ; maint destourbier,
Et maint annoi de coer, et estet et ivier.
Bauduins va s’amie acoler et baisier ;
Et li dist : « douche dame, j’ai éut désirier
« Lonc tamps de vous tenir, et de vous embrachier :
« Onques ne trouvai lieu, né chambre, né solier,
« Là où je vous péusse tenir, né manoïer ;
« Mais par le foy que doi au père droiturier,
« Je ne chevaucherai, ni avant, ni arrier,
« S’averai acomplit en vous mon désirier.
« Belle, » dist Bauduins, à le chière hardie,
« J’ai, pour vostre gent corpz, mené grant maladie ;
« S’avés esté de moi honnorée et servie.
« Mais pour l’onnour vo frère, belle très douche amie,
« N’ozoie à vous parler, né monstrer druérie ;
« Car li contes m’éust tantost tolut la vie.
« Or vous ai, maugré lui, du tout en ma baillie ;
« Et s’en irons si loncz, sé Diex me bénéie,
« Que jammais n’en sera vraie nouvelle oïe ;
« Mais je vous jur, sour Dieu qu’en crois souffri hasquie,
« Jammais autrui que vous je n’arai, en ma vie. »
A ches mos descendi, en une praiërie :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nu gaat Boudewijn weg, de dappere en de wijze;
Als de graaf op hem wacht, is hij slecht beraadsaamd,
Want hij zal hem in veertien jaar die voorbijgaan niet zien.
Nu gaat Boudewijn weg, samen met zijn vrouw.
De hele nacht reden zij te paard, voor het aanbreken van de dag,
Aan de kant richting Doornik begonnen zij te rijden;
Over de ene zaak en de andere begonnen zij te praten.
Grote vreugde had het meisje dat zij haar dierbare vriend had:
Nu verlaat zij voor een vreemdeling haar edele erfgoed,
Haar broer, en haar vrienden, die zozeer te prijzen vallen;
Maar zij telt het niet mee ter waarde van een penning.
Alzo doet de ware liefde de minnaars dwalen.
Door zich zo te gedragen en de liefde te verhogen,
Hebben zij menigmaal, de minnaars, menige tegenspoed gehad,
En menig hartenleed, zowel in de zomer als in de winter.
Boudewijn gaat zijn geliefde omhelzen en kussen;
En hij zei haar: «Zoete vrouwe, ik heb het verlangen gehad
«Lange tijd om u vast te houden en u te omhelzen:
«Nooit vond ik een plek, noch kamer, noch zolder,
«Waar ik u kon vasthouden of aanraken;
«Maar bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan de rechtvaardige Vader,
«Zal ik niet verder rijden, noch vooruit, noch achteruit,
«Voor ik in u mijn verlangen heb vervuld.
«Schone,» zei Boudewijn met de koene blik,
«Ik heb om uw schone lichaam een grote ziekte doorgemaakt;
«En u bent door mij geëerd en gediend.
«Maar om de eer van uw broer, schone, zeer zoete vriendin,
«Durfde ik niet tot u te spreken, noch minne te tonen;
«Want de graaf zou mij terstond het leven hebben ontnomen.
«Nu heb ik u, ondanks hem, geheel in mijn macht;
«En we zullen zo ver weggaan, zo zegene God mij,
«Dat er nooit meer echt nieuws over gehoord zal worden;
«Maar ik zweer u bij God, die aan het kruis de pijnen leed,
«Dat ik nooit een ander dan u zal hebben in mijn leven.»
Bij deze woorden steeg hij af in een weide:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
5e0nms2l2aiqhz0tdht1waj261kn0gz
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/195
104
87865
224922
2026-08-16T10:42:44Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224922
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
A un arbre ataqua son destrier de Surie ;
Le palefroy la dame qui de biauté flambie,
I ataqua ossi ; et puis l’a embrachie,
A terre le coucha, et celle pas ne crie.
Ne sai que plus avant, biau signour, je vous die :
De baisiers amoureus ont menet druérie ;
Et de parlerz plaisans, estrais de courtoisie,
Se sont là maintenu, tout à leur commandie.
Et puis que vrais amans aime de coer s’amie,
Il ne li requerroit jammais de villonnie ;
Mais bien croi qu’au baisier souvent on se cunchie.
La nuit fu moult umbrage, si ne fait mie cler.
Bauduins de Sebourc fist la belle monter ;
Tout droit envers Tournai commenchent à aler.
Signour, des ·ij· amans je vous larai ester,
Des hommes Bauduin vous vaurrai recorder :
Quant che vint au matin, cascuns se va lever ;
Envers le chastel vont Bauduin demander,
Et le puchelle Blanche, qui le durent garder.
Quant vint à l’esveillier, si ne peurent trouver
Leur dame, nulle part ; si prisent à crier ;
Et dames et puchellez, sergant et bacheler,
Mainnent si grant dolour, c’on les oï bien cler,
Parmi le maistre ville. Dont s’alèrent armer
Chevalier, escuïer, et les chevaus monter.
Pour rataindre la belle, prisent à cheminer :
Li ·j· s’en va vers Lille, l’autres vers Saint-Omer,
Li autres vers Tournai, mais on n’el poet trouver.
Adont s’en vont, à Mons, au conte recorder
Que Bauduins a fait ensi sa soer passer.
Quant li contes de Flandre oï l’entention
Que Bauduins emmainne, sus ·j· cheval Gascon,
Blanche, sa soer germaine ; ne li vint mie à bon :
« Hélas ! » che dist li contes, « déchius sui du larron !
« Il n’est nulz qui se puist garder de traïson.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Aan een boom bond hij zijn rijpaard uit Syrië vast;
Het muildier van de dame, dat blonk van schoonheid,
Bond hij daar ook vast; en daarna heeft hij haar omhelst,
Op de grond legde hij haar neer, en zij schreeuwt geenszins.
Ik weet niet wat ik u meer moet vertellen, schone heren:
Met amoureuze kussen hebben zij de minne bedreven;
En met aangename woorden, ontleend aan de hoofsheid,
Hebben zij zich daar gedragen, geheel naar hun zin.
En aangezien een ware minnaar zijn geliefde met het hart liefheeft,
Zou hij haar nooit om een schanddaad vragen;
Maar ik geloof wel dat men zich bij het kussen vaak misleidt.
De nacht was zeer donker, het was geenszins helder.
Boudewijn van Sebourc liet de schone opstijgen;
Rechtstreeks richting Doornik begonnen zij te gaan.
Heren, over de twee geliefden zal ik nu zwijgen,
Over de manschappen van Boudewijn zal ik u willen vertellen:
Toen het ochtend werd, stond eenieder op;
Richting het kasteel gaan zij Boudewijn zoeken,
En het meisje Blanche, die zij moesten bewaken.
Toen het op wekken aankwam, konden zij nergens
Hun vrouwe vinden; toen begonnen zij te schreeuwen;
Zowel dames als meisjes, serjanten en schildknapen,
Tonen zo'n groot verdriet, dat men hen heel goed hoorde
Door de hoofdstad heen. Waarop ridders zich gingen wapenen,
Schildknapen, en zij bestegen de paarden.
Om de schone in te halen begonnen zij te rijden:
De een gaat richting Rijsel, de ander richting Sint-Omaars,
De ander richting Doornik, maar men kan haar niet vinden.
Toen gaan zij naar Bergen om aan de graaf te vertellen
Dat Boudewijn aldus met zijn zuster is weggegaan.
Toen de graaf van Vlaanderen het bericht hoorde
Dat Boudewijn meeneemt, op een Gascons paard,
Blanche, zijn eigen zuster; beviel het hem geenszins:
«Helaas!» dat zei de graaf, «ik ben bedrogen door de dief!
«Er is niemand die zich kan beschermen tegen verraad.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
clni1mecu0y4t3wjj1xtmymm8jtphwa
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/196
104
87866
224923
2026-08-16T10:45:10Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224923
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Hé ! lères Bauduins, t’aies maléichon !
« Par Dieu, je te querroie enchois dusqu’au coron
« Du monde, qui est grans, que trouvé ne t’ait-on ;
« Puis te ferai morir, à grant destruction.
« Ma soer ferai ardoir, en ·j· fu de charbon. »
Dont fist mander Gaufroi, qui coer ot de grifon :
« Sire roys, » dist li contes, « je me tieng à bricon,
« Car trop sui déchéus, par ·j· quétif garchon,
« Cui j’avoie donnet honnour et grant renon ;
« Entre lui et ma soer, qui ait maléichon,
« Ont menet lor amour, une longe saison ;
« Or le m’a desvoïé, s’en sui en grant frichon.
« Bien sai que droit avés, car par l’avision
« De ma soer vous alèrent assalir li laron ;
« Car de vous espouser n’avoit entention.
« Mais sé Jhésus che donne, qui souffri passion,
« Que jammais le revoie ; et tiengne le glouton ;
« Je prenderai d’iaus ·ij· si grande vengison,
« Comme il vous souffira, et vous venra à bon !
« Et sé mestier de moi aviés, par nul coron,
« Et vous éussiés gerre, ens ou vostre roïon ;
« Secourrir vous iroie, à forche et à bandon,
« A ·xm· Flamens, de ma grant région. »
Gaufrois l’en merchia : lors fist repairison ;
A Nimaye reva, et o lui si baron.
Et li contes remest, en grande souspechon,
Pensant à sa serour, sa main à son menton ;
Mais s’il scéust, de vrai, le haute nourrechon
Dont Bauduins estoit, et sa grant nation,
Né qu’il fuist du linage Godefroi de Buillon,
Bien tenist emploïe sa soer à tel baron.
Et pour chou à le fois sa fille mari-on,
C’on le tient à perdue ; pour telle le tient-on,
Qu’il n’a plus éureuse, en son estracion.
Li contes fu à Mons, en ou castel, pensans ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Ach! Dief Boudewijn, moge je vervloekt zijn!
«Bij God, ik zou je gaan zoeken tot aan het einde
«Van de wereld, die groot is, voor je niet gevonden zou zijn;
«Daarna zal ik je laten sterven, met grote vernietiging.
«Mijn zuster zal ik laten verbranden op een vuur van houtskool.»
Toen liet hij Godfried ontbieden, die het hart van een griffioen had:
«Heer koning,» zei de graaf, «ik houd mijzelf voor een dwaas,
«Want ik ben te zeer bedrogen door een ellendige jongen,
«Aan wie ik eer en grote roem had gegeven;
«Tussen hem en mijn zuster, die vervloekt moge zijn,
«Hebben zij hun liefde bedreven, een lange tijd;
«Nu heeft hij haar van mij weggelokt, waardoor ik in grote rillingen verkeer.
«Ik weet wel dat u in uw recht staat, want door de ingeving
«Van mijn zuster gingen de dieven u aanvallen;
«Want om met u te trouwen had zij geen enkele bedoeling.
«Maar als Jezus dat schenkt, die de passie leed,
«Dat ik haar ooit terugzie, en de schurk te pakken krijg;
«Zal ik op hen beiden zo'n grote wraak nemen,
«Als u zal volstaan, en u welgevallig zal zijn!
«En als u mij nodig mocht hebben, in welke hoek dan ook,
«En u oorlog zou hebben in uw eigen rijk;
«Zou ik u te hulp komen, met kracht en in overvloed,
«Met tienduizend Vlamingen uit mijn grote gewest.»
Godfried bedankte hem ervoor: toen aanvaardde hij de terugreis;
Naar Nijmegen keerde hij terug, en met hem zijn baronnen.
En de graaf bleef achter, in groot achterdocht,
Denkend aan zijn zuster, zijn hand aan zijn kin;
Maar als hij de waarheid had geweten, de hoge opvoeding
Waar Boudewijn afstammeling van was, en zijn grote natie,
En dat hij uit het geslacht van Godfried van Bouillon was,
Zou hij zijn zuster heel goed besteed hebben aan zo'n baron.
En daarom huwelijkt men zijn dochter soms uit,
Omdat men haar voor verloren houdt; voor zo een houdt men haar,
Dat er geen gelukkiger is in haar afkomst.
De graaf bevond zich in Bergen, in het kasteel, peinzend;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
4va0fkvqm2fft3m4nxxdf8tikf6mtzm
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/197
104
87867
224924
2026-08-16T10:46:47Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224924
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Pour sa serour germaine courrechié et dolans.
Son grant conseil manda, que n’i fu arrestans :
Li sires de Sebourc n’i fu pas demourrans ;
Au conte vint parler ; car c’estoit li siens mans.
« A ! sire de Sebourc, » dist li contes vaillans,
« Bauduins, que nourri avés si très lonc tampz,
« M’a traït et décheut, dont je sui bien mesquans !
« Partis s’est, de ma terre, li ors garchons truans :
« Si emmaine ma soer, qui tant ert souffissans ;
« Jammais honnour n’ara, la garche, en son vivans.
« S’en sui si courrechiés que du sens sui issans ! »
Li sires de Sebourc dist : « n’en soïés dolans ;
« Car chertes vous devés estre lies et joïans,
« S’espouser voelt vo soer, Bauduins li sachans ;
« Car c’est li plus gentis qu’au siècle soit régnans.
« Onques tant n’en di, qu’ore en sui recordans,
« Sé vous estes gentis, il est plus souffissans.
« Cha, » dît li chevaliers, « pour Dieu, ne blasmés jà
« Bauduin, le gentil, que mes corpz alleva ;
« Car c’est li plus gentis, qu’onques de pain mengua :
« Roys Ernoulz de Biauvais de sa char l’engenra,
« En le royne Roze, qui ·ix· mois le porta ;
« Et si fu chius ses onclez, c’uns Chisnes amena ;
« Cousins est Godefroi, où tant de bonté a,
« Roy de Jhérusalem, outre mer par delà ;
« Il est du haut linage, qu’onques mal ne pensa.
« Trop miex est assenée, vo soer, c’on ne cuida. »
Li sires de Sebourc au conte recorda
L’estat de Bauduin, et comment le trouva ;
Et les ·xxx· bastars, qu’à Sebourc engenra ;
Et de sa belle fille, comment il l’engrossa ;
Et comment l’assali, comment se revenga.
« Hé ! Diex, » che dist li contes, « com bonnement me va !
« Or sui plus éureus, que mes corpz ne cuida.
« Or ne finerai mais, par Dieu qui tout créa,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Om zijn eigen zuster toornig en bedroefd.
Zijn grote raad ontbood hij, die niet treuzelde:
De heer van Sebourc bleef daar niet achterwege;
Bij de graaf kwam hij spreken; want dat was zijn bevel.
«Ach! Heer van Sebourc,» zei de dappere graaf,
«Boudewijn, die u zo zeer lange tijd heeft opgevoed,
«Heeft mij verraden en bedrogen, waardoor ik zeer ongelukkig ben!
«Vertrokken is hij uit mijn land, de snode, vagebonderende jongen:
«Zo neemt hij mijn zuster mee, die zo voortreffelijk was;
«Nooit meer zal zij eer hebben, de slet, in haar leven.
«Ik ben er zo toornig om dat ik buiten zinnen ben!»
De heer van Sebourc zei: «Wees er niet bedroefd om;
«Want voorwaar, u moet blij en verheugd zijn,
«Als Boudewijn de wijze met uw zuster wil trouwen;
«Want hij is de edelste die er in deze wereld regeert.
«Nooit heb ik er zoveel over gezegd, dat ik het mij nu herinner,
«Al bent u edel, hij is nog voortreffelijker.»
«Hierom,» zei de ridder, «belaat bij God nooit
«Boudewijn de edele, die mijn lichaam heeft opgevoed;
«Want hij is de edelste die ooit van brood heeft gegeten:
«Koning Arnoul van Beauvais verwekte hem uit zijn vlees,
«Bij koningin Roze, die hem negen maanden droeg;
«En zo was deze zijn oom, die een zwaan meebracht;
«Hij is de neef van Godfried, in wie zoveel goedheid is,
«Koning van Jeruzalem, ginds overzee;
«Hij is uit het hoge geslacht dat nooit het kwade dacht.
«Veel beter is uw zuster geplaatst dan men dacht.»
De heer van Sebourc vertelde aan de graaf
De staat van Boudewijn, en hoe hij hem vond;
En de dertig bastaarden die hij in Sebourc verwekte;
En over zijn schone dochter, hoe hij haar bezwangerde;
En hoe hij hem aanviel, en hoe hij zich wreekte.
«Hé! God,» dat zei de graaf, «wat gaat het mij nu goed!
«Nu ben ik gelukkiger dan mijn lichaam had gedacht.
«Nu zal ik niet meer rusten, bij God die alles schiep,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
044tmppsyrtzrh14xxasj575x9hie1e
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/198
104
87868
224925
2026-08-16T10:48:34Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224925
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« S’arai ma soer trouvée, qu’avec l’enfant s’en va ;
« Et sé je les retruis, li miens corpz lor donra
« Le moitiet de ma terre, car bien apartenra. »
Li sires de Sebourc dist qu’avoec lui ira ;
Né à mort, ni à vie, jammais ne li faura,
Dès-si qu’à ichelle heure que trouvet avera
Bauduin de Sebourc, que soef alleva.
Li contes prist messaiges ; ·l· en envoïa
Ou royame de Franche, et si leur commanda
Que Bauduins soit quis, et de chà, et de là.
Et li contes de Flandre point ne s’i arresta :
Pour entrer en le mer ses nefz apareilla ;
Dist qu’à Jhérusalem, au Sépulcre, en ira,
Pour savoir sé jammais Bauduins seroit là.
Li sires de Sebourc o lui en mer entra.
Moult belle compaingnie li contes emmena ;
Moult désire à véoir sa soer, que tant ama,
Et Bauduin aussi, que tant on li prisa.
Mais enchois qu’il les voie, bien ·xiiij· ans sera ;
Ensi com vous orrés, qui le voir en dira.
{{lijn|6em}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
«Voor ik mijn zuster heb gevonden, die met het kind weggaat;
«En als ik hen terugvind, zal mijn lichaam hun schenken
«De helft van mijn land, want het zal hun heel goed toebehoren.»
De heer van Sebourc zei dat hij met hem mee zal gaan;
Noch in dood, noch in leven, zal hij hem ooit in de steek laten,
Vanaf nu tot aan dat uur dat hij gevonden zal hebben
Boudewijn van Sebourc, die hij zo zacht opvoedde.
De graaf nam boden; vijftig zond hij er uit
In het koninkrijk Frankrijk, en hij beval hun
Dat Boudewijn gezocht moest worden, zowel hier als daar.
En de graaf van Vlaanderen hield daar geenszins halt:
Om de zee op te gaan maakte hij zijn schepen gereed;
Hij zei dat hij naar Jeruzalem, naar het Graf, zal gaan,
Om te weten of Boudewijn daar ooit zou zijn.
De heer van Sebourc ging met hem mee de zee op.
Een zeer schone compagnie nam de graaf met zich mee;
Zeer verlangt hij ernaar zijn zuster te zien, van wie hij zozeer hield,
En Boudewijn ook, die men hem zozeer prees.
Maar voor hij hen zal zien, zal het wel veertien jaar duren;
Alzo u zult horen van degene die er de waarheid over zal vertellen.
{{lijn|6em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
6rv5qsw0snup1ca0q7pz8c2j45qamdv
Boudewijn van Sebourg/ZANG VI
0
87869
224926
2026-08-16T10:49:47Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
224926
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=173 to=198 header=1 />
2juvijcyr3k9vwvp0fbjz2aclmx5ol9