Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.15 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/312 104 43060 224976 138107 2026-08-17T09:10:10Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224976 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|284|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>verneemt men, dat dit eerst is voorgekomen op eene verkooping te 's Gravenhage, van daarnaar Londen is gegaan, en dat het daar ter plaatse op eene verkooping is aangekocht en zoo zijnen weg naar hier te lande weder heeft terug gevonden. {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 320.png | width = 240px | align = left | alt = Nest van den Chineschen snijdervogel | cap = {{fine block|Nest van den Chineschen snijdervogel, naar de afbeelding bij {{sc|martinet}}, tot op {{smaller|{{frac|2|3}}}} verkleind.}} | capalign = center}} Doch hoe dit zijn moge, de zamenstelling van elk dezer nestjes is dezelfde. Het bestaat uit drie aaneen gevoegde bladeren van eironden vorm, welker tamelijk lange bladstelen van eenen gemeenschappelijken steel ontspringen. De aldus omsloten peervormige holte is voor een goed deel gevuld met een zacht bedje van boomwol. De draden, waarmede de randen door eenige onregelmatige steken zijn zamengehecht, bestaan mede uit boom wol, en daar deze, bij het door {{sc|martinet}} beschreven voorwerp, rood, wit en blaauw gekleurd is, zoo blijkt, dat het vogeltje, hetwelk zich in de nabijheid van menschelijke woningen ophield, zich daartoe niet van ruwe boomwol bediend heeft, maar van katoendraden, welke reeds door menschenhanden bereid en geverwd waren<ref name=p284> De draden aan het voorwerp uit 's rijks museum bestaan ook uit boomwol of katoen, doch zijn allen wit. Dit nestje is ook kleiner dan het bij {{sc|martinet}} afgebeelde. Dit laatste heeft, volgens de figuur, eene lengte van bijna 11 centim., terwijl het te Leiden bewaarde slechts 7½ centim. lang is. Een gedeelte dezer geringere grootte moet wel is waar op rekening der indrooging gesteld worden, maar dat de</ref>. Men zoude schier in<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> ip8ngrqd3vrrmpngavzsmlqgkywmsjk Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/313 104 43063 224977 138108 2026-08-17T09:11:43Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224977 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh||DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|285}}</noinclude>verzoeking komen te gelooven, dat het de vlag geplunderd heeft, die boven het huis van onzen landgenoot wapperde. Echter heeft het diertje de kunst verstaan om die verschillend gekleurde katoendraden met zijn snaveltje tot eenen enkelen draad zamen te spinnen, terwijl het eindelijk, even als eene naaister zoude doen, door het leggen van een knoop aan het einde des draads, gezorgd heeft, dat het naaisel niet los kan schieten. {{Img float | style = | above = | file = Albumdernatuur61 321.png | width = 260px | align = left | alt = Nest van Arachnothera longirostris | cap = {{fine block|Nest van ''Arachnothera longirostris'', halve grootte, van ter zijde en van boven gezien.}} | capalign = center}} Gij bewondert reeds met mij, geëerde lezers en lezeressen! het kleine vogeltje, dat op zoo zorgvuldige en waarlijk kunstige wijze een wiegje voor zijne jongen vervaardigt. Welligt meent gij, dat de dierlijke nijverheid in dit voortbrengsel haar toppunt bereikt heeft. En toch is datgene, welks afbeelding hiernevens staat, inderdaad <ref follow=p284>door het vogeltje gebezigde bladeren in dit geval toch wérkelijk kleiner waren, schijnt ook te volgen uit de omstandigheid, dat het getal steken, waardoor de bladeren twee aan twee vereenigd zijn, bij dit slechts 3, bij het andere 5 of 6 bedraagt.</ref><noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> rc5eyjsnjgct6jzfqs9rlzz8gijvkzp Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/314 104 43065 224978 134009 2026-08-17T09:16:12Z DoekeHellema 16849 /* Gevalideerd */ 224978 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" />{{rh|286|DE NAAISTERS ONDER DE DIEREN.|}}</noinclude>nog kunstiger gemaakt, hoewel dit eigenlijk eerst blijkt bij eene naauwkeurige beschouwing van de wijze, hoe het is zamengesteld. Ik vond dit nestje in 's Rijks Museum en geloof niet, dat het immer te voren beschreven was<ref>Eene uitvoeriger beschrijving met eene afbeelding van het nest in de ware grootte is onlangs door mij gegeven in de ''Verslagen en Mededeelingen der kon. Akademie'', Deel XII, bl. 95.</ref>. Het is vervaardigd door een vogeltje uit de reeds bij eene vorige gelegenheid (bl. 230) door mij vermelde groep der Nectariniën, dat den naam draagt van ''Arachnothera'' (''Cinnyris'') ''longirostris''. Deze soortnaam, in het Nederduitsch »langsnavelig", wordt genoeg gewettigd door den zeer langen, dunnen, priemvormigen snavel, die in een fijne spits uitloopt. Het is een vogeltje, dat op Java niet zeldzaam is; het hier afgebeelde nestje is af komstig van Buitenzorg. De gedaante van dit nest verschilt zeer van dat der meeste andere Nectariniën, die, gelijk wij zagen, meestal peervormige nestjes bouwen, met eene zijdelingsche opening, en deze ophangen aan het einde van een takje. Dit nest daarentegen vertoont zich als een langwerpige zak, 18 Ned. duimen lang en 8 duimen breed, welke aan het eene einde open is. De bovenwand van dien zak wordt daargesteld door een vederblad van een kokospalm, de benedenwand dooreen aantal geraamten van bladeren. De keuze dezer bouwstof is reeds op zich zelve opmerkelijk. Het diertje had daartoe even goed geheele bladeren kunnen nemen, en wij zullen zoo dadelijk zien, dat hij ook deze voor een ander gedeelte van zijn gebouwtje gebruikt, maar deze zijn veel zwaarder dan het ligte kantwerk, dat overblijft, nadat het weefsel tusschen de bladnerven door beginnende verrotting of op eenige andere wijze verwijderd is. Bovendien dit kantwerk heeft reeds natuurlijke openingen, en dit spaart de moeite van dergelijke met het snaveltje er in te prikken, gelijk het vogeltje anders zoude moeten doen, want al die bladgeraamten zijn onderling door vezelen en zijden draden te zamen verbonden. Onder het mikroskoop herkent men daarin de draden van tweederlei soort van spinsel van rupsen. Zoo ontstaat dan de bolle benedenwand van het nestje, welke als het ware uit aaneen genaaide lapjes kant is zamengesteld.<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 7p9wchjpsoywxtb440xc614tz5sylh4 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/199 104 87870 224927 2026-08-16T12:18:12Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224927 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| !Brontekst !Vertaling |- |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''CHANT VII.'''}}}} {{dhr|1.5em}} <poem> Or s’en va par le mer li quens, avec sa gent ; Li vaissiel vont nagant, par le forche du vent. Tant alèrent siglant, au Dieu commandement, Qu’il virent grans navies et vaissiaus plus de cent : Ch’estoit li quens Wistacez, qui fait repairement, O le royne Roze, qui le coer ot dolent ; Pour Esmeret, son fil, s’esploitoit bien souvent. Ensi qu’à l’aprochier les neifz parfaitement, Fist li contes crier et demander comment On clamoit le signour, à cui tel host apent ? ·j· maronniers respont : « Wistace vraiëment, « Le signour de Boulongne, qui sus le mer s’estent. » Adont pria, li contes, par amours douchement, Qu’il puist parler à lui, sans nul arrestement. Leurz ancres ont getéez, li maronnier, briefment : A grans havés de fer, qu’il gètent radement, Aancrèrent le nefz avironnéëment ; Les planques ont getéez, sor coi font passement. Et li contes de Flandre n’i fist arrestement ; En le nef conte Wistace entra premièrement, Et o lui fu li sires, à cui Sebours apent. S’ont Wistace trouvé, qu’illoeques les atent, Gloriant, Alixandre, qui furent si parent ; Et la royne Roze i estoit en présent. Et quant virent le conte de Flandre proprement, </poem> |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''ZANG VII.'''}}}} {{dhr|1.7em}} <poem> Nu vaart de graaf over de zee, met zijn manschappen; De schepen varen voort, door de kracht van de wind. Zij zeilden zolang, op Gods bevel, Dat zij een grote vloot en meer dan honderd schepen zagen: Het was graaf Wistace, die op de terugweg was, Samen met koningin Roze, wier hart vol verdriet was; Vanwege Esmeret, haar zoon, haastte zij zich zeer. Toen de schepen elkaar heel dicht naderden, Liet de graaf roepen en vragen hoe Men de heer noemde, aan wie zo'n leger toebehoorde?10 Een zeeman antwoordde: «Wistace is het waarlijk, «De heer van Boulogne, wiens land zich aan de zee uitstrekt.» Toen vroeg de graaf, heel vriendelijk en beleefd, Of hij hem mocht spreken, zonder enig uitstel. Hun ankers hebben zij uitgegooid, de zeelieden, al gauw: Met grote ijzeren haken, die zij snel uitwerpen, Ankerden zij de schepen rondom elkaar; De loopplanken wierpen zij uit, waarover men oversteekt. En de graaf van Vlaanderen wachtte niet langer; Aan boord van het schip van graaf Wistace stapte hij als eerste,20 And met hem was de heer, aan wie Sebourc toebehoort. En zij hebben Wistace gevonden, die hen daar opwacht, Samen met Gloriant en Alexander, die hun verwanten waren; En ook koningin Roze was daar aanwezig. En toen zij de graaf van Vlaanderen in eigen persoon zagen, </poem> |}<noinclude></noinclude> rstt8qbdgsr3hly0lim3xnjmo7sbyo4 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/200 104 87871 224928 2026-08-16T12:20:07Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224928 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Là endroit l’ont rechiut, et bien, et noblement. Li contes a parlet bel et courtoisement ; Et dist : « chius Dame-Diex, qui maint el firmament, « Qui nous donne le vin, et le pain de fourment, « Gart ceste compaingnie, que je voi en présent ! « Et le royne Rose trestout premièrement, « Comment que je me plaingne de son engenrement ; « Mais il n’a en mesfaire fors que amendement. » Dist li contes de Flandre : « royne couronnée, « Lies sui que je vous voi, par le Vierge honnerée ; « Jà vous sera par moi une raison contée, « Dont vous serés au coer forment réconfortée. » « E ! Diex, » dist la royne, « qui fis chiel et rouzée, « J’aroie de confort bien mestier ceste année ! » Dist li contes de Flandre : « or oïés ma pensée ; « Jadis fesistes, dame, d’un fil une portée, « Qu’à l’aige de ·iij· ans, c’est vérités prouvée, « Baillastez cel enfant, à ·j· matinée, « A ·j· vo chevalier, coiement à cellée ; « Et sé li commandastes, quant de vous fist sevrée, « Qu’il portast chel enfant à Boulongne, la lée. « Dame, ·j· griefz maus le prist en Hainnau le contrée, « Droit d’encoste Sebourc, la haute tour quarrée ; « Veschi che chevalier, qu’à le propre journée, « Trouva le chevalier malade, en une prée ; « De l’enfant li pria, que sans faire arrestée, « Le portast à Boulongne, la ville bien fremée ; « L’estracion li dist dont sa char estoit née. « Li sirez de Sebourc geta lors sa visée « De chéler cel enfant, qui tant a renommée ; « Et dist qu’à une fille, qu’adont avoit ainsnée, « Donroit cellui enfant, ou tamps, et en l’anée, « Que poissanche et cruchon li aroit Diex donnée. « ·xiiij· ans l’a nourri, en sa sale pavée ; « Et Diex a cest enfant telle biauté prestée, </poem> |valign=top| <poem> Juist daar hebben zij hem ontvangen, goed en edel. De graaf sprak mooi en hoofs; En zei: «Moge de God de Heer, die in het firmament woont, «Die ons de wijn geeft, en het tarwebrood, «Deze gezanten beschermen, die ik hier aanwezig zie!30 «En koningin Rose allereerst, «Hoezeer ik ook te klagen heb over haar nageslacht; «Maar voor misstappen is er niets dan herstel.» De graaf van Vlaanderen zei: «Gekroonde koningin, «Blij ben ik dat ik u zie, bij de gezegende Maagd; «Nu zal u door mij een verhaal verteld worden, «Waarom u in uw hart zeer getroost zult zijn.» «O! God,» zei de koningin, «die de hemel en de dauw schiep, «Ik zou dit jaar troost wel heel goed kunnen gebruiken!» De graaf van Vlaanderen zei: «Luister nu naar mijn gedachte;40 «Ooit bracht u, vrouwe, een zoon ter wereld, «Die op de leeftijd van drie jaar, dat is een bewezen waarheid, «U op een ochtend hebt toevertrouwd, «Aan een van uw ridders, in het geheim en in stilte; «En u droeg hem op, toen hij van u scheidde, «Dat hij dit kind naar Boulogne zou brengen, de brede stad. «Vrouwe, een zware ziekte trof hem in de streek van Henegouwen, «Vlak naast Sebourc, de hoge vierkante toren; «Ziehier deze ridder, die op diezelfde dag, «De ridder ziek aantrof, in een weide;50 «Hij smeekte hem om het kind, zodat hij zonder uitstel, «Het naar Boulogne zou brengen, de goed versterkte stad; «De afkomst vertelde hij hem waaruit zijn vlees geboren was. «De heer van Sebourc bedacht toen een plan «Om dit kind te verbergen, dat zo'n grote faam heeft; «En hij zei dat hij aan een dochter, die toen zijn oudste was, «Dit kind zou geven, mettertijd en in het juiste jaar, «Wanneer God hem kracht en volwassenheid zou hebben gegeven. «Veertien jaar heeft hij hem gevoed, in zijn geplaveide zaal; «En God heeft dit kind zo'n grote schoonheid geschonken,60 </poem> |}<noinclude></noinclude> ttmkth2klp4mehygild62d2c0f7640y Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/201 104 87872 224929 2026-08-16T12:21:31Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224929 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Que dame ne le voit qui n’en soit encantée. « ·j· tournoy establi, de ma gent honnerée ; « A Valenchiènes fu ceste feste estorée : « Là tournoya vo fiex, par telle destinée, « C’onques homs devant lui ne pot avoir durée ; « Et conquesta le pris, par bien férir d’espée. « Là l’enama ma soer ; là fu enamourrée ; « De l’amour de vo fil esprise et allumée. « Je l’enamai ossi, de si vraie pensée ; « Que sénescal le fis de ma noble contrée, « Chevalier l’adoubai, et si donnai colée. « Or n’a mie grantment que j’avoie donnée « Ma soer au roy Gaufroi, qui vous a espousée ; « Disoit que morte estiés, et à vo fin alée. « Droit à Mons en Hainnau en prist une journée : « Là priai Bauduin, à le chière membrée, « Qu’il alast à Courtrai, à maisnie privée, « Et ammenast ma soer, qui tant est belle née. « Bauduins i ala, par telle destinée, « Que dou leu fis bregier, à celle matinée. « Dame, que vous diroie ? Bauduins, vo biaus fis, « A emmenet ma soer, par estraingne païs. « Je ne savoie mie qu’il fuist de telz amis. « Ensi que je estoie, et tristres et marris, « Li sires de Sebourc, qui tant est signourris, « Me recorda tout l’estre, ensi que je vous dis. « Sé vostre fil trouvoie, par le foy Jhésu-Cris, « Le moitiet de ma terre aroit en son pourpris. » Quant la royne Roze a si fais mos oïs, Ne fuist mie aussi lie, pour l’or de ·c· païs. Et Glorians, ses fiex, en est en piés salis ; Et dist : « contez de Flandre, vous soïés bénéis ! « Pour tout l’or de che mont, ne fuisse resjoïs « Tant com je suis au coer, pour les mos que tu dis ; « Puis que j’ai ·j· tel frère, bien doi estre esjoïs. » </poem> |valign=top| <poem> «Dat geen vrouw hem ziet of zij is door hem betoverd. «Een toernooi organiseerde ik, met mijn geëerde lieden; «In Valenciennes werd dit feest gehouden: «Daar streed uw zoon, met zo'n bestemming, «Dat nooit een man voor hem stand kon houden; «En hij won de prijs, door goed met het zwaard te slaan. «Daar werd mijn zuster verliefd op hem; daar werd zij bemind; «Door de liefde voor uw zoon gegrepen en in vuur en vlam gezet. «Ik had hem ook lief, met een zo oprechte gedachte; «Dat ik hem seneschal maakte van mijn edele streek,70 «Tot ridder sloeg ik hem, en gaf hem de ridderslag. «Nu is het nog niet lang geleden dat ik had weggegeven «Mijn zuster aan koning Gaufroi, die u getrouwd heeft; «Hij zei dat u dood was, en aan uw einde gekomen. «Recht naar Bergen in Henegouwen reisde hij op een dag: «Daar vroeg ik Boudewijn, met het krachtige gelaat, «Dat hij naar Kortrijk zou gaan, met een besloten gevolg, «En mijn zuster zou meebrengen, die zo mooi geboren is. «Boudewijn ging erheen, met zo'n bestemming, «Dat hij de plaats deed opschudden, op die ochtend.80 «Vrouwe, wat zal ik u zeggen? Boudewijn, uw schone zoon, «Heeft mijn zuster meegenomen, door vreemde landen. «Ik wist helemaal niet dat hij zulke vrienden had. «Terwijl ik daar was, bedroefd en boos, «Heeft de heer van Sebourc, die zo machtig is, «Mij het hele verhaal verteld, zoals ik het u zeg. «Als ik uw zoon zou vinden, bij het geloof in Jezus Christus, «Zou de helft van mijn land in zijn bezit zijn.» Toen koningin Roze zulke woorden hoorde, Zou zij niet zo blij zijn geweest, zelfs niet voor het goud van honderd landen.90 En Glorians, haar zoon, sprong overeind; En zei: «Graaf van Vlaanderen, wees gezegend! «Voor al het goud van deze wereld, zou ik niet zo verheugd zijn «Als ik in mijn hart ben, om de woorden die u spreekt; «Aangezien ik zo'n broer heb, moet ik wel dolblij zijn.» </poem> |}<noinclude></noinclude> hg28sum5qb2qnpxkprm0p59uifjrm0s Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/202 104 87873 224930 2026-08-16T12:24:20Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224930 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Et je » dist Alixandres, li damoisiaus gentis, « Sé ne fuist pour Gaufroi, qui de nous ert assis, « J’alaisse enchois moult loncz, et par nuis et par dis, « Que je ne le trouvasse, puis qu’il est encor vis. » Ensément vont disant li conte et li marchis. Nobles fu li disners, dont cascuns fu servis ; Mais la royne Roze ne mena jeu, né ris, « Hé ! Diex, » dist la royne, « vrais roys de paradis, « Or ai ·j· enfant mort ; li autres est péris. « Puis ne vi Bauduin, qu’il estoit moult petis, « Et qu’à l’espreuve fu, entre ·ij· bachins, mis ; « Pour savoir s’il estoit né sages, né subtis, « Quant la couronne d’or, qui valoit maint parsis, « Geta encontre terre, dont Gaufrois fu marris ; « Et tresdont li dist-on que li enfes petis « Le porroit bien grever, ains qu’il fuist affinis. « On voit moult avérer des fais c’on a sortis. » Dolante fu la dame, et si fu resjoïe : Dolante d’Esmeret ; et pour Bauduin lie. Ensamble toute jour fu ceste compaignie ; As estoilez luisans ont faite départie. Li contes fist ses nefz nagier devers Surie ; Devers Jhérusalem, où Diex ot mort et vie. Et Wistaces, li bers, ne s’i aresta mie ; Ses ·ij· cousins apelle, hautement leur escrie : « Gloriant, vous irés en Chipre, le garnie ; « Alixandres ira en Escoche, l’antie ; « Si assamblez vos gens, et vostre baronnie. « Au Nimaye venés, bannière desploïe, « Car je l’asségerai, à toute m’ost bannie ; « Si ne m’en partirai, né pour mort, né pour vie, « Si arons le chité et prise et gaïngnie. « Si destruirons Gaufroi qui vendi, par envie, « Vostre père, le roy, à le gent païennie. » Et quant chil ont oï, cascuns lors l’en gracie ; </poem> |valign=top| <poem> «En ik» zei Alexander, de edele jongeling, «Als het niet was wegens Gaufroi, die ons belegert, «Zou ik liever heel ver gaan, zowel bij nacht als bij dag, «Om hem te zoeken en te vinden, aangezien hij nog in leven is.» Zo spraken de graven en de markiezen met elkaar.100 Nobel was het diner, waarvan ieder werd bediend; Maar koningin Roze maakte geen plezier en lachte niet, «O! God,» zei de koningin, «ware koning van het paradijs, «Nu heb ik één kind dood; de andere is verloren. «Sindsdien zag ik Boudewijn niet meer, toen hij nog heel klein was, «En toen hij op de proef werd gesteld, tussen twee schalen geplaatst; «Om te weten of hij wijs of schzander geboren was, «Toen hij de gouden kroon, die vele parisis waard was, «Tegen de grond wierp, waarover Gaufrois misnoegd was; «En sindsdien zei men hem dat het kleine kind110 «Hem wel eens zwaar zou kunnen schaden, voordat alles voorbij was. «Men ziet vaak de voorspelde daden uitkomen.» Bedroefd was de dame, en toch was zij verheugd: Bedroefd om Esmeret; en blij om Boudewijn. De hele dag bleef dit gezelschap samen; Bij de glanzende sterren hebben zij afscheid genomen. De graaf liet zijn schepen varen richting Syrië; Richting Jeruzalem, waar God stierf en leefde. En Wistaces, de held, bleef daar helemaal niet wachten;120 Zijn twee neven roept hij, luid roept hij hen toe: «Gloriant, u zult naar Cyprus gaan, het goedgevoorziene; «Alexander zal naar Schotland gaan, het oude; «En verzamel uw manschappen, en uw baronnen. «Kom naar Nijmegen, met ontplooid vaandel, «Want ik zal het belegeren, met mijn hele opgeroepen leger; «En ik zal er niet van wijken, niet voor de dood, niet voor het leven, «Tot we de stad hebben ingenomen en veroverd. «En we zullen Gaufroi vernietigen die, uit afgunst, «Uw vader, de koning, verkocht aan het heidense volk.» En toen zij dit gehoord hadden, dankte ieder hem;130 </poem> |}<noinclude></noinclude> 8etbohiiug4p7k0ub0oe6pppn4hqvui Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/203 104 87874 224931 2026-08-16T12:27:20Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224931 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Le conseil acordèrent : si fisent départie. Avoec le conte Wistace va Roze, le jolie, De ses enfans se part, dolante et courrechie. Wistaces tant naga, par le mer resoingnie, Qu’à Boulonge arriva, ceste ville garnie. Ydain vint contre lui ; qui son enfant festie, Et Roze sa cousine, pour cui elle larmie ; Puis a dit à son fil : « or ne me chélez mie. « Que fait roys Godefrois, li sires de Surie ; « Et Bauduins mes fiex ; sont-il encore en vie ? » « Dame, » che dist Wistaces, « oïl, je vous afie. « Mes ·ij· frères laissai, par devant Tabarie ; « Il ne font que bien non. Et à le départie, « Me donna Godefrois, à le chière hardie, « Dedens une fiole, par grande signourrie, « Du sang nostre Signour une grande partie : « Or m’en est avenu une laide partie ; « ·j· lerres le m’embla, sé Diex me bénéie, « Es désers d’Abilant, en le lande enhermie ; « Là perdi Esmeret, qui fu de ma lingnie. » Quant Ydain l’entendi, si en fu courrechie ; Tenrement en ploura, le contesse prisie : Car nulz homs n’est, s’il pert, qui ait la chière lie. Après le revenue d’Uistace ; le baron Fist semourre ses ost, à forche et à bandon, Pour aler, à Nimaye, vir Gaufroi le glouton : A ·xm· Boulenois, et blé, et garnison, Entra li quens en mer, à forche et à bandon. Li doy frère germain, dont j’ai fait mention, Issirent de lor terre, à tout poeple foison ; Et vinrent à Nimaye, tout à une saison. Cascuns devant la ville tendi son paveillon. Et quant li glous Gaufrois sot le vraie occoison Que che sont li fil Roze, qui clère a le fachon ; Et li contes Wistaces ; ne li vint mie à bon : </poem> |valign=top| <poem> Zij stemden in met het plan: en zo namen zij afscheid. Met graaf Wistace gaat Roze, de schone, mee, Van haar kinderen scheidt zij, bedroefd en misnoegd. Wistaces zeilde zolang over de ontzagwekkende zee, Dat hij in Boulogne aankwam, deze goedgevoorziene stad. Ydain kwam hem tegemoet; die haar kind verwelkomt, En Roze haar nicht, om wie zij huilt; Toen zei ze tegen haar zoon: «verberg het nu niet voor mij. «Wat doet koning Godefrois, de heer van Syrië; «En Boudewijn mijn zoon; zijn zij nog in leven?»140 «Vrouwe,» dit zei Wistaces, «ja, ik verzeker het u. «Mijn twee broers liet ik achter, voor Tiberias; «Het gaat hen louter goed. En bij het afscheid, «Gaf Godefrois mij, met het moedige gelaat, «In een flacon, als groot teken van heerschappij, «Van het bloed van onze Heer een groot deel: «Nu is mij een vreselijk lot overkomen; «Een dief heeft het van mij gestolen, zo waar God mij zegene, «In de woestijnen van Abilant, op de met gras begroeide hei; «Daar verloor ik Esmeret, die van mijn nageslacht was.»150 Toen Ydain dit hoorde, was zij diep bedroefd; Bitter weende zij, de geprezen gravin: Want er is geen mens die, als hij verliest, een blij gelaat heeft. Na de terugkeer van Uistace; de baron Liet hij zijn legers ontbieden, met kracht en in overvloed, Om naar Nijmegen te gaan, om Gaufroi de schurk op te zoeken: Met tienduizend man uit Boulogne, en graan, en proviand, Ging de graaf scheep, met kracht en in overvloed. De twee vleselijke broers, van wie ik melding heb gemaakt, Trokken uit hun land, met een grote menigte volk;160 En kwamen bij Nijmegen aan, allen in hetzelfde seizoen. Ieder sloeg voor de stad zijn tent op. En toen de schurk Gaufrois de ware reden vernam Dat dit de zonen zijn van Roze, die een stralend gelaat heeft; En de graaf Wistaces; dat beviel hem allerminst: </poem> |}<noinclude></noinclude> rwnhe5430fypfer1n6159n68qszvg1h Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/204 104 87875 224932 2026-08-16T12:29:14Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224932 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Le cloque fist sonner, à forche de randon. Dont se keurent armer li bourgois à fuison ; Et tout li saudoïers, qui estoient Frison. ·xvm· en issirent, as champz sus le sablon, Ordenet et renguiet, pour atendre tenchon : Là furent en conroi, aussi fier que lion ; Les lanches ens ès poins, et au col le blason ; Espéez et espois, au senestre giron ; Les hiaumes ès chiés, plus luisans que laton ; Banièrez, et enseignes, et maint doré pignon. Telz monstroit bonne chière d’atendre ·j· horion, Qu’enfremez vausist estre, par dedens sa maison. Au dehors de Nimaye, sus une verde plaigne, Là fu li glous Gaufrois, qui loïauté n’adaingne : Envers les enfans Roze va démonstrant s’ensaingne, Si orgeleusement s’il fust rois d’Alemaigne. Wistace de Boulongne, à le chière grifaingne, Dist à ses ·ij· cousins : « par le vertu hautaingne, « Il samble que Gaufrois ne donne une castaigne « De tout nostre pooir ; et Diex doinst qu’il s’en plaigne ! « Irons-nous contre lui ; ou droit-chi on remaingne ? » « Sire, » dist Glorians, « par les sains de Rommaingne, « Je ne sai qui ira, de la nostre compaingne ; « Mais ains iroie seus, par le vertu hautaingne, « Qu’à l’encontre Gaufroi, qui ensi nous méhaingne, « Je ne voise jouster. Drois n’est que chi remaingne, « Quant mon père vendi, à celle gent grifaigne. « Qui oublie son père, Jhésu-Cris le lédaigne. » Wistaces de Boulongne, et andoy si cousin, Font leur gens ordener, par delez ·j· gardin : Trompes, taburs, nakaires, i demainnent grant brin. Et Gaufrois amenoit le gent, le droit chemin, Pour l’estour assambler, et commenchier hustin. Li archier vont traiant ; là furent mal voisin, Li ·j· haioit plus l’autre que triacles venin. </poem> |valign=top| <poem> De stormklok liet hij luiden, met grote haast. Toen snelden de burgers zich in groten getale te wapen; En alle huurlingen, die Friezen waren. Achttienduizend trokken eruit, naar de velden op het zand, Geordend en opgesteld, om de strijd af te wachten:170 Daar stonden ze in slagorde, zo trots als een leeuw; De lansen in de vuist en het schild aan de hals; Zwaarden en dolken aan de linkerzijde; De helmen op de hoofden, blinkender dan koper; Banieren en standaarden en menig verguld vaantje. Velen toonden een dapper gezicht om een slag op te vangen, Die liever veilig opgesloten hadden gezeten in hun huis. Buiten Nijmegen, op een groene vlakte, Daar was de schurk Gaufrois, die geen trouw kent: Aan de kinderen van Roze toont hij uitdagend zijn banier,180 Zo hoogmoedig alsof hij de koning van Duitsland was. Wistace van Boulogne, met zijn grimmige gezicht, Zei tegen zijn twee neven: « Bij de allerhoogste kracht, « Het lijkt wel of Gaufrois geen kastanje geeft « Om al onze macht; en moge God geven dat hij erover zal klagen! « Gaan we tegen hem in, of blijven we recht hier staan? » « Heer, » zei Glorians, « bij de heiligen van Rome, « Ik weet niet wie er zal gaan van ons gezelschap; « Maar nog liever zou ik alleen gaan, bij de allerhoogste kracht, « Dan dat ik Gaufrois, die ons zo teistert,190 « Niet tegemoet zou rijden om te steken. Het is niet recht om hier te blijven, « Toen hij mijn vader verkocht aan dat grimmige volk. « Wie zijn vader vergeet, wordt door Jezus Christus veracht. » Wistace van Boulogne en zijn beide neven Laten hun manschappen opstellen, vlak naast een tuin: Trompetten, trommels en pauken maken daar een groots lawaai. En Gaufrois leidde zijn volk over de rechte weg, Om de strijd aan te binden en het gevecht te beginnen. De boogschutters schieten over en weer; zij waren slechte buren, De een haatte de ander meer dan het tegengif het vergif haat.200 </poem> |}<noinclude></noinclude> bh34vvyt3s70w7c8haoazbqa2ck5jmo Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/205 104 87876 224933 2026-08-16T12:31:12Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224933 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Alixandres d’Escoche a brochiet le ronchin, Et abaisse la lanche, qui estoit de sapin : Fiert ·j· homme Gaufroi, en l’escut à or fin, Que tout-outre les ais mist le fer achérin ; Les maillez li passa du haubert doublentin, Le coer li pourfendi, si l’abat mort souvin. Adont escrie Escoche ! moult haut, en son latin. Escochois, Chiprien, Boulenois, Angevin, S’i prouvèrent le jour, à guise de mastin. Mais Gaufrois n’en donnoit le monte d’un frelin ; D’une hache d’achier en a mis maint à fin. Nuls ne l’oze approchier, car trop savoit d’engin. Quant Glorians le voit, pas ne tint chief enclin : De son père li membre, Hernoul, le palazin, Que li lères vendi au poeple Sarrazin ; Puis broche le cheval, o lui un sien cousin, Pour ochire Gaufroi, le traïtour frarin ; « Hé ! Diex, » che dist li enfes, « qui fesis d’iawe vin, « Quant séistez as noches de saint Architréclin, « Comment poés el mont souffrir tel larechin, « Que Gaufrois nous a fait, li cuivers de put lin ! » Glorians li dansiaus, fiex Roze la royne, Féri, devant Gaufroi, le fil de sa cousine ; Que du cheval le fist chéoir panche souvine. Gaufrois vint contre lui, qui de crier ne fine : « Par ma foy, Gloriant, vous arés pute estrine ; « Je méterai à fin toute le vostre orine, « Jà ne serés aidiés du linaige le Chisne, « Jammais bien ne ferai vo mère la royne, « Né jammais ne sera de Nimaye en saisine ! » « Lères, » dist Glorians, « que félon sont ti signe, « Quant tu vendis mon père, à le gent Sarrasine, « Ne te doi pas amer, par la viertu divine, « Onques ne fesis bien, par le puissance dine : « S’as fait mains coerz dolans ; s’as fait maint orpheline ; </poem> |valign=top| <poem> Alexander van Schotland gaf het paard de sporen, En laat de lans zakken, die van dennenhout was: Hij treft een man van Gaufrois op het schild van fijn goud, Zodat het ijzeren staal dwars door het hout heen ging; Hij doorboorde de ringen van zijn dubbele maliënkolder, Kloofde zijn hart en wierp hem dood achterover op de grond. Toen schreeuwde hij "Schotland!" zeer luid, in zijn taal. Schotten, Cyprioten, Boulogners en Angevijnen Bewezen zich die dag als woeste jachthonden. Maar Gaufrois gaf er nog niet de waarde van een penning om;210 Met een stalen bijl heeft hij er velen aan hun einde geholpen. Niemand durfde hem te naderen, want hij kende te veel krijgslisten. Toen Glorians hem zag, hield hij zijn hoofd niet gebogen: Hij herinnert zich zijn vader Hernoul, de paladijn, Die de dief verkocht had aan het Saraceense volk; Toen spuurt hij zijn paard aan, samen met een neef van hem, Om Gaufrois te doden, de trouweloze schurk; « Ach, God! » zei de jongeling, « die van water wijn maakte, « Toen U aanzat bij de bruiloft van de heilige Architriclinus, « Hoe kunt U op de wereld zo'n diefstal dulden,220 « Die Gaufrois ons heeft aangedaan, de ellendeling van slechte komaf! » De jonge edelman Glorians, zoon van koningin Roze, Trof, vlak voor Gaufrois, de zoon van diens nicht; Zodat hij hem op zijn rug van het paard deed vallen. Gaufrois kwam op hem af en hield niet op met schreeuwen: « Bij mijn geloof, Gloriant, je zult een slecht geschenk krijgen; « Ik zal een einde maken aan je hele nageslacht, « Je zult nooit meer geholpen worden door het geslacht van de Zwaan, « Nooit zal ik je moeder de koningin nog goeds doen, « En nooit zal zij het bezit van Nijmegen verkrijgen! »230 « Dief, » zei Glorians, « wat zijn jouw daden goddeloos, « Toen je mijn vader verkocht aan het Saraceense volk. « Ik hoor je niet lief te hebben, bij de goddelijke kracht, « Nooit heb je iets goeds gedaan, bij de waardige macht: « Je hebt vele harten treurend gemaakt; je hebt menig weeskind gemaakt; </poem> |}<noinclude></noinclude> 7xhs8pbk3vtdixgi6ia5cmw8hzmnek8 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/206 104 87877 224934 2026-08-16T15:50:16Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224934 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Murdrez et larrechins tu en scés le doctrine ! » « Va, glous, » che dist Gaufrois, « je ne te prise ·j· pigne ! « Des maus que j’ai fais ne dirai jà le disine, « Sé che n’est par destroit de mort, ou de géhine. » Gaufrois et Glorians se sont moult ramprosné, Puis sont venu ensamble, non pas par amisté ; Des lanches se férirent, où li fer sont enté, Que parmi les blasons en sont outre passé. Li haubert furent fort, quant ne furent faussé ; Non pourquant se férirent, par telle cruauté, Qu’ambedoy sont kéut, et à terre versé. Pour secourre Gaufroi, sont Frison arrivé : Li bourgois de Nimaye li ont le chief sauvé ; Gloriant assalirent, qui estoit sus le pré. Souvent escrie : « Chipre ! le noble royauté ! » Wistace de Boulongne i vint par grant fierté ; Alixandres d’Escoche, o son riche barné. A rescourre l’enfant maint cop i ot donné ; Mainte teste trenchie ; maint poing, maint pié copé. Dessus les champz avoit des mors telle plenté Que d’iaus véoir adont estoit grande pité. Adès sont li mesquant premièrement tué. Pour rescourre l’enfant i ot pesant estour : Sonnoient ches buisinez, chil cor, et chil tabour ; Fuïoient, par les champz, chil qui eurent paour ; Et chil destrier ossi, qui sont en grant fréour ; Car remanant n’en vont maistre, né pongnéour. Gaufrois crie : « Nimaye ! » et puis : « Frise au signour ! » Alixandres : « Escoche ! » va criant toute jour. Glorians crie : « Cypre ! tués le boiséour, « Qui vendi nostre père, à le gent païénour ! » Et Wistaces : « Boulongne à che noble contour ! » Là péussiés véoir le plus pesant estour Qui onques fuist, en terre, prise de gens d’onnour : Conte, roy, duc, et prinche, estoient li plusour ; </poem> |valign=top| <poem> « Moord en diefstal, daarvan ken jij de leer! » « Vooruit, schurk, » zei Gaufrois, « ik schat je nog geen denappel waard! « Van de misdaden die ik heb begaan zal ik nog geen tiende opnoemen, « Tenzij onder de dwang van de dood of door foltering. » Gaufrois en Glorians hebben elkaar heftig beschimpt,240 Toen kwamen ze samen, maar niet in vriendschap; Met de lansen troffen zij elkaar waar de ijzers zijn ingezet, Zodat ze dwars door de schilden heen drongen. De maliënkolders waren sterk, zodat ze niet bezweken; Desalniettemin troffen ze elkaar met zo'n wreedheid, Dat beiden vielen en op de aarde smeten. Om Gaufrois te hulp te schieten, zijn de Friezen gearriveerd: De burgers van Nijmegen hebben zijn leven gered; Zij vielen Gloriant aan, die op de weide lag. Vaak roept hij: « Cyprus! Het nobele koninkrijk! »250 Wistace van Boulogne kwam daarheen met grote trots; Alexander van Schotland, met zijn rijke schare baronnen. Om de jongeling te redden werd daar menige slag uitgedeeld; Menig hoofd afgehouwen; menige hand, menige voet afgehakt. Op de velden lag zo'n overvloed aan doden Dat het zien van hen toen een groot medelijden wekte. Het zijn altijd de armen die als eerste worden gedood. Om de jongeling te redden was er een zware strijd: Zij bliezen op deze bazuinen, deze hoorns en deze trommels; Zij die angst hadden vluchtten over de velden;260 En ook de strijdrossen, die in grote doodsangst verkeerden; Want er bleef geen meester of strijder meer over. Gaufrois roept: « Nijmegen! » en dan: « Friesland aan de heer! » Alexander gaat de hele dag door met roepen: « Schotland! » Glorians roept: « Cyprus! Dood de bedrieger, « Die onze vader verkocht aan het heidense volk! » En Wistaces: « Boulogne voor deze nobele strijd! » Daar had je het zwaarste gevecht kunnen zien Dat ooit op aarde werd geleverd door eervolle lieden: Graven, koningen, hertogen en prinsen vormden de meerderheid;270 </poem> |}<noinclude></noinclude> h1wkhtjuwc1kvose7p6ocifs6e6a2p9 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/207 104 87878 224935 2026-08-16T15:51:37Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> D’aventurer leurz vies, n’orent nulle hidour. Qui ne garde sa vie, jammais n’ara millour. Signour, sé vous fuissiés à Nimaye, le grant, Où li bataille estoit merveilleuse et pesant, Vous péussiés bien dire qu’ambedoy li enfant Aloient fièrement leurs terres chalengnant. Et Gaufrois, li traïtres, le va bien deffendant : D’une hache, à ·ij· mains, va tèlement frapant, Que tout li plus hardi vont le glouton fu… 224935 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> D’aventurer leurz vies, n’orent nulle hidour. Qui ne garde sa vie, jammais n’ara millour. Signour, sé vous fuissiés à Nimaye, le grant, Où li bataille estoit merveilleuse et pesant, Vous péussiés bien dire qu’ambedoy li enfant Aloient fièrement leurs terres chalengnant. Et Gaufrois, li traïtres, le va bien deffendant : D’une hache, à ·ij· mains, va tèlement frapant, Que tout li plus hardi vont le glouton fuïant ; Car le corpz avoit lonc, et fort comme gaïant. N’aconsieut chevalier, né piéton, né sergant, Ne fenge, de le hache, jusqu’au menton devant. Testes, piés, et bras, gist en le plainne tant Que c’est une pités de vir tel convenant ! Wistaces de Boulongne va férir Galerant, Cousin germain Gaufroi, le félon soudoïant ; Le cuisse li abat, toute li va rasant : Et chius est chéus mors, du destrier auferrant, Ne pot, de ses amis, avoir le jour garant. Chascuns, à tel delouvre, va de son corpz pensant. Fière fu la bataille, onques telle ne fu : Là ot maint chevalier à le terre abatu ; Des mors furent jonkié li noble pré herbu, Sanglente fu li herbe, où li mort sont chéu ; Glorians, li dansiaus, ot dépéchié l’escu, Che qu’il en ot sour lui ne vaut mie ·j· festu. Wistaces fu navrez, au gent corpz esléu, Et par che ont laissiet le bataille et le hu. Retraite font corner ; as trés sont revenus. Gaufrois entre en Nimaye, et avoec lui si dru : A tous cheus qui s’estoient le jour bien combatu, Fist donner c. flourins et ·j· cheval grenu ; Pour chou c’une autre fois si soient maintenu. Le poeple aveulissoit, par donner or molu ; Car chieus qui poet donner, aquiert souvent maint dru, </poem> |valign=top| <poem> Om hun levens te wagen, kenden zij geen enkele angst. Wie zijn leven niet spaart, zal nooit een betere krijgen. Heren, als u in het grote Nijmegen was geweest, Waar de strijd wonderbaarlijk en zwaar was, Had u wel kunnen zeggen dat beide jongelingen Trots hun gronden kwamen opeisen. En Gaufrois, de verrader, verdedigt zich goed: Met een bijl met twee handen slaat hij zo hard om zich heen, Dat zelfs de allerdappersten de schurk ontvluchten; Want zijn lichaam was lang en sterk als een reus.280 Geen ridder, voetvolk of schildknap trof hij, Of hij kliefde hem met de bijl tot aan de kin toe. Hoofden, voeten en armen liggen er zoveel op de vlakte Dat het een deernis is om zo'n schouwspel te zien! Wistaces van Boulogne gaat Galerant treffen, De volle neef van Gaufrois, de goddeloze huurling; Hij slaat zijn dijbeen eraf, rakelings snijdend: En deze viel dood neer van zijn ijzergrijze strijdros, Hij kon die dag door zijn vrienden niet worden beschermd. Ieder denkt, bij zo'n slachting, aan zijn eigen hachje.290 Grimmig was de strijd, nooit was er zo een: Daar werd menig ridder tegen de aarde geworpen; Met de doden was de edele, met gras begroeide weide bezaaid, Bloedig was het gras waar de doden waren gevallen; Glorians, de jongeling, had zijn schild vernield, Wat hij er nog van over had aan zijn lijf was nog geen strootje waard. Wistaces was gewond geraakt aan zijn uitgelezen, edele lichaam, En daarom hebben zij de strijd en het krijgsgeschreeuw gestaakt. Zij laten de aftocht blazen; ze zijn teruggekeerd naar de tenten. Gaufrois trekt Nijmegen binnen en met hem zijn getrouwen:300 Aan al degenen die die dag goed hadden gevochten, Liet hij 100 florijnen geven en een vurig paard; Opdat zij zich een andere keer ook zo zouden gedragen. Het volk werd verblind door het geven van gesmolten goud; Want wie kan geven, verwerft vaak menig vriend, </poem> |}<noinclude></noinclude> mnzkpnv7qirz4567ai6sp5ulyrmvi8w Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/208 104 87879 224936 2026-08-16T15:55:53Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224936 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Où ·j· autres a droit, et s’ara tout perdu. La bataille falli, de cascune partie. Wistaces de Boulongne ot le char traveillie, Navrez fu en l’estour, s’ot l’espaule bléchie ; Médechiner se fist, et garir par ·j· mie. Et li lères Gaufrois, cui Dame-Dieu maudie, Donnoit or et argent et monnoie forgie ; Tant qu’il aveulissoit tous cheus de la baillie. Or oïés du glouton, cui li corpz Dieu maudie : Trois traïtours apelle, qui sont de sa lingnie, Garsiles ; et Thiebaus ; Anthiames, de Roussie. « Signour, » che dist Gaufrois, « je vous commande et prie « Que droit en Frise alés, dedens une galie. « Une taille eslevez, par le terre garnie : « Quatre denier païer, d’un lot de vin sour lie ; « Qui ne vent que ·ij· sols, prendés-ent le moitie ; « Faites taille païer, à chascune partie ; « Le ·xe· prendés, sour toute le clergie. « Et s’il est aucuns homs, qui sa fille marie, « Prendés le mariée, et vous, et vo maisnie, « Couchiez avoeques lui, le première nutie ; « Sé le moitiet n’avés, que n’en faille demie, « De tout chou qu’elle ara, soit rente ou signourrie. « Et d’un huis, ·iiij· denier, qui est sus le chaucie ; « Et des fenestrez ·ij·, et fuist bien véroullie ; « De la querque de blé, qui razière est nonchie, « Prendez-ent ·iiij· sols, à cascun le moitie ; « Et au molin otant, si ne le laissiez mie. « D’une beste tuer qu’on veult à boucherie, « ·xij· viez parisis, puis qu’elle est escorchie. « Assamblez ·j· trézor, à Luzarches, l’antie ; « Par coi s’argens me faut, qu’il me fera aïe : « Car ceste guerre-chi durra toute ma vie. » Dient li traïtour : « le coze ert bien traitie. « Nous en ferons ·ij· tamps, soit science, ou folie ; </poem> |valign=top| <poem> Waar een ander het recht aan zijn kant heeft, maar alles zal verliezen. De strijd eindigde aan weerszijden. Wistaces van Boulogne had een afgemat lichaam, Hij was gewond geraakt in de strijd en had zijn schouder bezeerd; Hij liet zich verzorgen en genezen door een arts.310 En de dief Gaufrois, die door Onze-Lieve-Heer vervloekt moge zijn, Gaf goud en zilver en geslagen munt; Zoveel dat hij iedereen in het rechtsgebied omkocht. Hoor nu over de schurk, wiens lichaam door God vervloekt moge zijn: Drie verraders roept hij bij zich, die van zijn familie zijn, Garsiles; en Thiebaus; Anthiames, uit Rusland. « Heren, » zei Gaufrois, « ik beveel en verzoek u « Dat u rechtstreeks naar Friesland gaat, in een galei. « Hef een belasting op in het goedgevulde land: « Vier penningen te betalen op een vat wijn op de droesem;320 « Wie het voor slechts 2 stuivers verkoopt, neem daar de helft van; « Laat aan elke partij belasting betalen; « Neem het tiende deel van de gehele geestelijkheid. « En als er een man is die zijn dochter uithuwelijkt, « Neem de bruid, zowel u als uw gevolg, « En slaap met haar tijdens de eerste nacht; « Tenzij u de helft krijgt, zonder dat er een helft aan ontbreekt, « Van alles wat zij zal bezitten, zij het rente of heerlijkheid. « En van een deur, 4 penningen, die aan de weg ligt; « En van twee vensters, zelfs als deze goed vergrendeld zijn;330 « Van een vracht graan, waarvan de maat is aangekondigd, « Neem daar 4 stuivers van, de helft van elk; « En bij de molen evenzo, laat dat vooral niet na. « Voor het slachten van een beest dat men voor de slagerij wil, « 12 oude parisis, zodra het gestroopt is. « Breng een schat bijeen in het oude Luzarches; « Waarmee, als het geld mij ontbreekt, het mij te hulp zal komen: « Want deze oorlog hier zal mijn hele leven duren. » De verrader zegt: «De zaak is goed geregeld. «We zullen het dubbele doen, of het nu wijsheid is of dwaasheid;340 </poem> |}<noinclude></noinclude> mqz5xbvqmbjnpckdvxuzyingy3c84pc Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/209 104 87880 224937 2026-08-16T15:57:36Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224937 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Ne si porra garder nulz homs qu’il n’i mesdie, « S’il parole de bien, on ne li tenra mie. « On ne se poet chavir, ni avoir signourrie, « Qui ne fait fausseté, traïson, ou boisdie. « Marchandise loïaus ne vault point ·j· aillie. » Dient li traïtour, qui tant furent félon : « Sire Gaufrois, » font-il, « ne dites sé bien non. « Nous en irons en Frise taillier ta région ; « N’i ara abbéie, qui ne nous fache don, « Villain, né païsant, ne nous fache raison.350 « Sé nous véons ·ij· testez métre en ·j· caperon, « Nous leur dirons que c’est pour faire traïson ; « Si leur taurons le teste, par dessous le menton, « Ou nous arons trestout l’avoir de leur maison. « Nous ferons pis assés que dire ne puist-on. » Dont lor donna Gaufrois bonne commission D’exéquter leurz biens, à leur devision : Il poèent, pour argent, rescaper ·j· larron ; Et ·j· preud’omme pendre, fus leur condition. Trestout che qu’il feront, Gaufrois le tient à bon.360 Li traïtour s’en vont, par dedens ·j· dromon, Dès-si jusques en Frise, ne fist arrestizon. Le taille ont eslevée, entour et environ ; Bediaus ont mis partout ; et sergans à foison, Qui amainnent les biens, en la ville de non, C’on apelle Luzarchez : là furent li félon. N’avoit si forte ville, ens ou païs Frison, Et pour che s’i tenoient trestout troy li glouton. Ains telz trézors ne fu, puis le tampz Salemon, Qu’il i ont assamblé, en bien poi de saison.370 La ville ont si menée, li traïtour larron, Marchandise n’i keurt ; nulz n’i gaigne ·j· bouton ; Et sé nulz en parole, et oïr le puist-on, Il est tantost pendus, et puis le sien prent-on. Plouroient chil bourgois, et bourgoises, de non ; </poem> |valign=top| <poem> «En geen mens zal zich kunnen hoeden voor fouten, «Als hij over het goede spreekt, zal men hem niet steunen. «Men kan niet slagen, noch heerschappij verwerven, «Als men geen valsheid, verraad of bedrog pleegt. «Eerlijke handel is nog geen knoflookteen waard. » De verraders zeggen, die zo trouweloos waren: «Heer Gaufrois, » zeggen zij, «spreek vooral niet tegen. «Wij zullen naar Friesland gaan om uw regio te belasten; «Er zal geen abdij zijn die ons geen geschenk geeft, «Geen boer of plattelander die ons geen rekenschap aflegt.350 «Als wij twee hoofden in één kaproen zien steken, «Zullen wij hun zeggen dat het is om verraad te plegen; «Dan zullen we hun het hoofd afhakken, vlak onder de kin, «Of we zullen al het bezit van hun huis afnemen. «We zullen nog veel erger doen dan men kan beschrijven. » Toen gaf Gaufrois hun een goede volmacht Om hun goederen op te eisen, naar eigen goeddunken: Zij konden, voor geld, een dief vrijlaten; Andere eerlijke mannen ophangen, dat was hun voorwaarde. Alles wat zij zullen doen, keurt Gaufrois goed.360 De verraders vertrekken aan boord van een dromon [snel schip], Rechtstreeks naar Friesland, zonder te stoppen. De belasting hebben zij geheven, overal in de rondte; Gerechtsdeurwaarders hebben zij overal aangesteld, en serganten in overvloed, Die de goederen binnenbrengen in de stad met de naam Luzarches: daar hielden de trouwelozen halt. Er was geen sterkere stad in het Friese land, En daarom hielden alle drie de schurken zich daar op. Nooit was er zo'n schat geweest, sinds de tijd van Salomo, Als zij daar hebben verzameld, in een zeer korte tijd.370 De stad hebben zij zo toegetakeld, de verraderlijke dieven, Dat de handel stilligt; niemand verdient er een knoop aan; En als iemand erover spreekt, en men kan hem horen, Wordt hij meteen opgehangen, en daarna pakt men zijn bezit af. De burgers weenden, en de burgeressen evenzo; </poem> |}<noinclude></noinclude> c3k9jujdouocuqqx8wddkrc9otdmwob Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/210 104 87881 224938 2026-08-16T15:59:34Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224938 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> En disant : « sire Diex, qui soufris pation, « Com grans meschiefz avient, en ceste région ! « Ahi ! lerrez Gaufrois, quant vous pendera-on ! » Ensi a fait Gaufrois sa contrée taillier ; De nulle marchandise n’i sot-on gaïngner. Garsiles et Anthiames et Thiebaut, le lanier, Faisoient leurs espies, toute jour, oreillier : Et sé nuls dist ·j· mot, il a mauvais loïer, Car on le mainne pendre, ou tout vif escorcher ; A ses hoirs ne demeure né obole, né denier. Il n’avoit, en la ville, homme de nul mestier, Que il ne couvenist maletote païer. Dessus le boucherie, là où sont li bouchier, Tous les jours qu’on vent char, i font aler Gautier, Qui savoit trop bien faire le bedel pautenier ; Car il savoit très bien les iex esroueillier, Et monstrer une chière de déable d’enfer : Che sambloit, quant regarde ·j· homme de mestier, Quant il parloit à lui, qu’il le déust mengier. Pour chou qu’il estoit fel, li donna à baillier, Chou qu’à le boucherie aferoit à païer, Pour chou que si cruel furent li machecrier. ·j· joesdi au matin fu venus espier Cheus qui tuoient bestes, à ·j· martel d’achier, Dont il les vont frapant, parmi che hanepier : ·j· bouchier i avoit, qu’on apelloit Rénier, Une beste faisoit aporter, ·j· colier, Et geter sus l’estal, tamps fu du despéchier. Perdut avoit ·x· sols, à l’autre détaillier. Atant est li bediau qui li prist à huchier : « Or cha le maletote, il est tamps du saquier. » Li bouchiers le regarde ; et quant l’oy plaidier, Et demander l’argent, vis cuida esragier ; Puis dist : « car attendez, de chi jusqu’au mengier ; « Hui ne fui estrinés, né ne vendi denier. » </poem> |valign=top| <poem> Zij zeiden: «Heer God, die het lijden hebt verdragen, «Wat een groot onheil overkomt deze regio! «Ah! Verdorven Gaufrois, wanneer zal men u ophangen! » Zo heeft Gaufrois zijn landstreek laten belasten; Met geen enkele handel kon men er iets verdienen.380 Garsiles en Anthiames en Thiebaut, de lafaard, Lieten hun spionnen de hele dag de oren spitsen: En als iemand één woord zei, kreeg hij een slechte beloning, Want men nam hem mee om op te hangen of levend te villen; Voor zijn erfgenamen bleef geen obool of penning over. Er was in de stad geen man van welk ambacht dan ook, Die niet verplicht was om de 'maletote' [onrechtvaardige belasting] te betalen. Bij de slagerij, daar waar de slagers zijn, Lieten zij elke dag dat men vlees verkoopt Gautier gaan, Die maar al te goed wist hoe hij de gemene beul moest uithangen;390 Want hij wist heel goed hoe hij met zijn ogen moest rollen, En een gezicht als een duivel uit de hel moest trekken: Het leek wel, wanneer hij naar een ambachtsman keek En tegen hem sprak, alsof hij hem levend wilde verspringen [opeten]. Omdat hij zo wreed was, gaf men hem de leiding Over datgene wat bij de slagerij betaald moest worden, Omdat de slagers zo opstandig waren. Op een donderdagochtend was hij komen spioneren Bij hen die de dieren doodden met een stalen hamer, Waarmee zij hen midden op de schedel slaan:400 Er was daar een slager, die Rénier heette, Die een dier liet aandragen, bij de nek, En het op de kraam gooide, het was tijd om het te slachten. Hij had tien sols verloren bij de vorige verkoop. Toen kwam de beul die tegen hem begon te schreeuwen: «Kom op met de belasting, het is tijd om de buidel te trekken. » De slager kijkt hem aan; en toen hij hem hoorde pleiten En om het geld hoorde vragen, dacht hij dat hij gek werd van woede; Toen zei hij: «Wacht toch, van nu tot aan het eten; «Vandaag heb ik nog geen cent verdiend, noch een penning verkocht. »410 </poem> |}<noinclude></noinclude> d7eu0nljr3tstrdt6tvjc9k0wen9c7t Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/211 104 87882 224939 2026-08-16T16:45:11Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224939 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et li sergans respont : « faites-vous le bregier ? « Sé n’ai ·xij· parsis, foy que doi saint Richier, « J’arai, de vostre beste, le plus maistre quartier. » Quant li bouchiers l’oï ensément manechier, De sa hache l’alast moult volentiers païer ; Non pourquant se commenche moult fort à courrechier, Et li sergans se painne de lui contrarier. Li bouchiers va tantost ·xij· parsis sachier, Sus son estal les gète ; et chius, pour requeillier, I a geté les grans, pour l’argent apongnier ; Et chieus hauche le hache, tel cop li va païer Que le main li détrenche, le sanc en fist raïer : Puis enthose le hache, pour lui à dammaignier, A ·j· cop le fendi, dès-si jusqu’au braïer ; « Outre ! » dist-il, « cuivers, Diex vous doinst encombrier ! « Jammais n’arez, à mi, obole né denier. » Quant li sergans fu mors, et à le fin alés, Li bourgois s’enfui, que n’i est demourés ; Il a dit à sa femme : « tout nostre avoir prendez, « Car je m’en vois en Franche, bons i est li régnez. » Quant li traïtour sceurent que Gautiers fu tués, Il furent moult dolant qui chius fu escapés : Ne trouvèrent sergant, qui puis i soit alés. Qui monstre bonne chière, à moitiet est sauvez ; Et li chétis couars est adès déboutez. Ens au païs de Frise, furent li fel glouton, Qui misent moult de gent, à grant perdition ; En bas dient li gent, par dedens leur maison : « Diex, voeilliés nous vengier de ceste mesprison ! » Par Dieu, si seront-il, à prochaine saison, Sé Diex sauve de mort, et de tribulation, Bauduins de Sebourc, le nobile baron : Chius lor en aidera à avoir vengison ; Et gétera son frère de la male prison, Où moult lonc tamps les tint li rois Rouge-Lion. </poem> |valign=top| <poem> En de sergant antwoordt: «Wil je ruzie maken? «Als ik geen twaalf parisis krijg, bij het geloof in de heilige Richier, «Dan neem ik van jouw dier het beste kwartier mee. » Toen de slager hem zo hoorde dreigen, Wilde hij hem maar al te graag met zijn hakbijl betalen; Niettemin begon hij heel erg woedend te worden, En de sergant deed zijn best om hem te dwarsbomen. De slager gaat meteen twaalf parisis tevoorschijn halen, Gooit ze op zijn kraam; en de ander, om ze te grijpen, Heeft zijn grote handen uitgestrekt om het geld te pakken;420 En de slager heft de bijl, en deelt hem zo'n klap uit Dat hij zijn hand afhakt, het bloed spoot eruit: Daarna heft hij de bijl opnieuw om hem te vernietigen, Met één klap spleet hij hem, tot aan zijn middel; «Eruit! » zei hij, «schurk, moge God u onheil schenken! «Nooit zult u van mij nog een obool of penning krijgen. » Toen de sergant dood was en aan zijn einde gekomen, Vluchtte de burger, die daar niet is blijven hangen; Hij zei tegen zijn vrouw: «Pak al ons bezit, «Want ik ga naar Frankrijk, dat is een goed koninkrijk. »430 Toen de verraders hoorden dat Gautier was gedood, Waren zij zeer bedroefd dat deze was ontsnapt: Zij vonden geen sergeant meer die er daarna nog naartoe wilde gaan. Wie een dapper gezicht toont, is al voor de helft gered; En de laffe stakker wordt altijd weggestoten. In het land van Friesland waren de gulzige schurken, Die veel mensen in het grote verderf stortten; Binnensmonds zeiden de mensen, in hun huizen: «God, wil ons wreken voor dit onrecht! » Bij God, dat zullen ze worden, in het volgende seizoen,440 Als God hem tenminste spaart van de dood en van de tribulatie, Bauduins van Sebourc, de nobele baron: Deze zal hen helpen om wraak te nemen; En hij zal zijn broer bevrijden uit de slechte gevangenis, Waar de koning Rode-Leeuw hen zeer lange tijd vasthield. </poem> |}<noinclude></noinclude> 4uzalfgfm9ndz6hw0egsbv60fr299fv Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/212 104 87883 224940 2026-08-16T16:47:28Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224940 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> En chartre fu li bers, en grant quétivison ; O Julien d’Aufrique, qui tant ot de renon ; Et si estoit li prestres, k’ains n’i dist orison ; Eliénor la belle, qui clère ot le fachon, Qui toute estoit enchainte d’Esmeré le baron : Elle porta ·ix· mois, à grant destrution ; Et quant il plot à Dieu, qui souffri pation, La dame délivra d’un petit enfanchon, Dont elle ot moult de maus et de percussion. Li chartriers ouvra adont comme preud’on ; Sa femme i envoïa, et du fu de charbon. Mais sé li rois, ses sires, en scéust l’occoison, Il l’éust fait morir, à guise de larron. Et la dame crioit clèrement, à haut ton : « Diex, voeilliés moi aidier, par vo saintisme non ! « Dame, sainte Marie, bonne délivrison ! » Et Esmerés plouroit, sa main à son menton ; Et disoit : « douche amie, com j’ai grant souspechon « De vostre noble corpz, qui ait bénéichon, « Qu’aujourd’ui je ne perde ; pour la quétivison « Où nous avons esté, en grant confusion. « Ciertes, sé je vous pierc, en iceste saison, « Je m’ocirai tantos d’espée u de baston. » « Taisiés-vous, biaux dous sires, » dist la dame de non. Ensi se démentoient li amant de renon. La dame fu malade, tant qu’elle délivra D’un biau fil gracieus, que Jhésu-Crist ama ; Car puissedi sainti, pour chou qu’en bien usa : Et est sains Juliens, ne vous en doubtez jà, Mais che n’est mie chieus qui son père tua. Quant li enfez fu nés, li prestrez qui fu là, En iawe consacrée, illoec le présigna ; Comme le roi d’Aufrique, Julien l’apella. Eliénor, la belle, douchement l’alaita ; Au miex qu’elle onques pot son enfant gouverna ; </poem> |valign=top| <poem> In de kerker zat de held, in grote gevangenschap; Samen met Julien van Afrika, die zo'n grote faam had; En er was ook de priester, die er nooit een gebed sprak; En de schone Eliénor, die een helder gezicht had, Die geheel zwanger was van de baron Esmeré:450 Zij droeg het negen maanden, in grote ellende; En toen het God behaagde, die het lijden droeg, Beviel de dame van een klein kindje, Waarvan zij veel pijn en onderging. De kerkerbewaker handelde toen als een rechtschapen man; Hij stuurde zijn vrouw erheen, met houtskoolvuur. Maar als de koning, zijn heer, de reden hiervan had geweten, Zou hij hem hebben laten sterven als een dief. En de dame riep helder, met luide stem: «God, wil mij helpen, bij uw allerheiligste naam!460 «Onze Lieve Vrouw, heilige Maria, schenk een goede verlossing! » En Esmerés weende, met zijn hand op zijn kin; En zei: «Lieve vriendin, wat heb ik een grote angst Voor uw nobele lichaam, dat gezegend moge zijn, Dat ik u vandaag zal verliezen; vanwege de gevangenschap Waarin wij hebben gezeten, in grote ellende. Zeker, als ik u verlies in dit seizoen, Zal ik mijzelf meteen doden met een zwaard of een dolk. » «Zwijg toch, mooie lieve heer, » zei de dame resoluut. Zo klaagden de geliefden van grote faam.470 De dame was ziek, zo dat zij beviel Van een mooie, gracieuze zoon, die Jezus Christus liefhad; Omdat hij later heilig werd, daar hij zijn leven goed besteedde: En hij is Sint-Julianus, twijfel daar maar niet aan, Maar het is absoluut niet degene die zijn vader vermoordde. Toen het kind geboren was, heeft de priester die daar was, Hem ter plekke gezegend met gewijd water; En net als de koning van Afrika, noemde hij hem Julianus. De schone Eliénor gaf hem teder de borst; Zo goed als zij maar kon, zorgde zij voor haar kind; 480 </poem> |}<noinclude></noinclude> 32h0pm7vjo30n3g3i8pmcp7mv1ndkhn Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/213 104 87884 224941 2026-08-16T16:49:10Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> La pucielle labeure, et Jésus li aida. De celle compaignie li miens corpz vous laira ; Dirai de Bauduin, qui o Blanche s’en va : Le royame de Franche, o s’amie, cherqua, Où il jut une nuit ; au matin s’en leva. C’on ne le recognoisse tout adès se doubta : Son avoir despendi, et trestout aloua ; Quant tout ot despendut, ses robes engaga ; Vendirent leurs chevaus, riens ne li demourra. Dont eurent povreté, q… 224941 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> La pucielle labeure, et Jésus li aida. De celle compaignie li miens corpz vous laira ; Dirai de Bauduin, qui o Blanche s’en va : Le royame de Franche, o s’amie, cherqua, Où il jut une nuit ; au matin s’en leva. C’on ne le recognoisse tout adès se doubta : Son avoir despendi, et trestout aloua ; Quant tout ot despendut, ses robes engaga ; Vendirent leurs chevaus, riens ne li demourra. Dont eurent povreté, qui lonc tamps leur dura. L’enfes ne sot riens faire, car point apris ne l’a ; Ossi ne fist la belle, qu’avoeques lui mena. Bauduins de Sebourc moult se desconforta, Mais onques le puchelle point ne se démenta ; Bauduin réconforte, et adès dit li a : « Ne vous esmaïés mie, car Diex nous aidera ! » Ensément Bauduins mainte ville cherqua, Et jure Dame-Dieu qu’en tel lieu s’en ira Où, s’il poet esploitier, saudoïer devenra. Au lès vers Alemaigne, li bers s’achemina : A une matinée, que li solaus leva, Vint à une villette ; et le moustier trouva, Et le prestre apresté, qui messe chantera. Adont dist Bauduins que messe oïr ira ; Car jà de la journée, encombrier n’avera Li homs qui volentiers le messe escoutera : A icheste parole ens ou moustier entra ; S’a le prestre trouvé, qui messe commencha. Ensi que par dechà li prestrez se tourna, Perchoit la damoiselle, qui tant de biauté a. Quant il le vit si belle, tous li sans li mua ; Et a dit coiëment : « vrais Diex, et qu’est-che là ? « Onques plus douche ymaige ou monde ne régna ! « Sé je puis esploitier, par Dieu qui tout créa, « Li cabus qui le mainne, jammais n’en goïra ; </poem> |valign=top| <poem> Het meisje zwoegt, en Jezus hielp haar. Van dit gezelschap zal mijn vertelling u nu verlaten; Ik zal spreken over Boudewijn, die met Blanche vertrekt: Hij trok met zijn geliefde door het koninkrijk Frankrijk, Waar hij één nacht verbleef; ’s ochtends stond hij op. Hij was voortdurend bang dat men hem zou herkennen: Hij gaf al zijn geld uit en betaalde voor alles; Toen hij alles had uitgegeven, verpandde hij zijn kleding; Ze verkochten hun paarden, er bleef hem niets meer over. Daardoor leden zij armoede, die lange tijd aanhield. 490 De jongeman wist niets te doen, want hij had niets geleerd; Dat gold ook voor de schone, die hij met zich mee had genomen. Baudewijn van Sebourc was zeer moedeloos, Maar het meisje verloor nergens haar waardigheid; Zij troost Boudewijn, en zei meteen tegen hem: « Maak u geen zorgen, want God zal ons helpen! » Zo trok Boudewijn door menige stad, En hij zwoer bij de Heere God dat hij naar een plek zou gaan Waar hij, als hij succes kon boeken, huursoldaat zou worden. Richting de kant van Duitsland zette de edelman koers: 500 Op een ochtend, toen de zon opging, Kwam hij bij een klein stadje; en hij vond de kerk, En de priester die klaarstond om de mis te zingen. Toen zei Boudewijn dat hij de mis zou gaan horen; Want de man die vrijwillig naar de mis luistert, Zal de hele dag geen onheil wedervaren: Bij deze woorden ging hij de kerk binnen; En hij trof de priester aan, die de mis begon. Toen de priester zich op deze wijze omdraaide, Bemerkte hij de jonkvrouw, die zoveel schoonheid bezit. 510 Toen hij haar zo mooi zag, draaide al zijn bloed om; En hij zei stilletjes: « ware God, wat is dat daar? « Nooit regeerde er een lieflijker verschijning op de wereld! « Als ik mijn slag kan slaan, bij God die alles schiep, « Zal de schurk die haar leidt, er nooit meer van genieten; </poem> |}<noinclude></noinclude> ad1gei2bhu14bp98l9nf5p0zogew3rv Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/214 104 87885 224942 2026-08-16T16:50:34Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224942 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Le gentilloris fait, mais on l’enganera. » Tout ensément pensant, le messe recorda : Il se haste si fort, qu’assés en oublia ; Il liève Jhésu-Crist, le calice haucha ; Quant il ot Dieu uset, tantost ses mains lava ; Onques il n’ot talent de dire alleluia. A Bauduin s’en vint, qu’à Dieu merchi pria Que pourvéoir le voeille, car bon mestier en a. Atant ès-vous li prestre qui bel le salua ; Et dist : « chius Dame-Diex, qui nous fist et créa, « Et qui pour nous, en le crois, le grief mort endura, « Il vous garice, sire, et ceste dame là ! « Bien samblez gentis homs, par Dieu qui me fourma ! « El nom de gentillèche, et de Dieu qui nous a « Et fais, et ordenez, et si nous deffera ; « Vous dépri, s’il vous plaist, que ne refusez jà « Le disner avoec moi ; et on le vous donra, « En l’onnour de cellui qui sa mort pardonna. « De très haut lieu venez, ne sai qui vous porta ? « Or en venez o moy, et on vous servira « De telz biens que je ai, et que Diex me donra. » « Sire, » dist Bauduins, « si soit com vous plaira. « Qui refuse au matin l’estrine, grant tort a ; « En toute le journée, jà bien ne vendera. » Li prestres emmena, sans nulle demourrée, Bauduin de Sebourc et Blanche l’onnerée. Par dedens sa maison, qui bien fu carpentée, Il fist mètre la table, en le sale pavée ; Et a dit à son clerc, sans nulle demourrée : « Va querre, à la taverne, le plus forte vinée « Que tu i trouveras, s’aporte grant lotée. « Sé je pooie avoir ceste dame enivrée, « Et che félon cabus, qui l’a chi ammenée, « J’en aroie auke nuit, trestoute ma fasée. » Et chieus a respondu : « si soit com vous agrée. » </poem> |valign=top| <poem> « Hij gedraagt zich wel galant, maar men zal hem bedriegen. » Terwijl hij zulke gedachten had, hield hij de mis: Hij haastte zich zozeer, dat hij er heel wat van vergat; Hij heft Jezus Christus omhoog, hij hief de kelk op; Toen hij God genuttigd had, waste hij direct zijn handen; 520 Hij had totaal geen zin om alleluia te zeggen. Hij ging naar Boudewijn toe, die God om genade bad Dat Hij hem wilde bijstaan, want hij had het hard nodig. Kijk, daar is de priester die hem vriendelijk groet; En zei: « deze Heere God, die ons maakte en schiep, « En die voor ons aan het kruis de bittere dood onderging, « Moge Hij u beschermen, heer, en die dame daar! « U lijkt wel een edelman, bij God die mij schiep! « In de naam van de adel, en van God die ons heeft « Gemaakt en geordend, en die ons ook weer zal breken; 530 « Smeek ik u, als het u belieft, dat u geenszins weigert « Het middageten met mij te delen; en men zal het u geven, « Ter ere van Hem die zijn dood vergaf. « Uit een zeer hoge stand komt u, ik weet niet wie u bracht? « Kom nu met mij mee, en men zal u bedienen « Van de goede dingen die ik heb en die God mij zal geven. » « Heer, » zei Boudewijn, « het zij zo als het u behaagt. « Wie ’s ochtends een geschenk weigert, heeft groot ongelijk; « De hele dag zal hij daarna niets goeds meer verkopen. » De priester nam hen zonder enig uitstel mee, 540 Baudewijn van Sebourc en de geëerde Blanche. Binnen in zijn huis, dat goed getimmerd was, Liet hij de tafel dekken, in de geplaveide zaal; En hij zei onmiddellijk tegen zijn klerk: « Ga naar de taveerne, en haal de sterkste wijn « Die je daar zult vinden, en breng een grote maat mee. « Als ik deze dame dronken zou kunnen voeren, « En die boosaardige schurk die haar hierheen heeft gebracht, « Zou ik vannacht de tijd van mijn leven hebben. » En deze antwoordde: « het zij zo als het u schikt. » 550 </poem> |}<noinclude></noinclude> n2bxyyf9gnqrt86wiml7ldxpx7b0lhi Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/215 104 87886 224943 2026-08-16T16:52:53Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224943 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Li prestres s’est assis, qui à nul bien ne bée ; Bauduin fist, lès lui, assir celle journée ; Encontre lui assist le danselle senée, Qui estoit belle et blanche, vermeille et coulourée. Li prestres l’a souvent de ses iex regardée ; Et a dit : « mère Dieu, royne courronnée, « Où a chius fors ribaus ceste dansèle emblée ! « Ne le menra avant, ains li sera ostée. » Adont devant la belle trenche le char salée, Et lui donnoit à boire, à le coupe dorée. Volentiers li éust geté une risée : N’oze pour Bauduin, à le chière membrée ; Car il estoit si grans, c’est vérités prouvée, Qu’il se doubtoit forment n’abatist s’esquinée ; Si qu’il n’ozoit parler, né dire sa pensée. Mais pour chou que la belle fuist de lui avisée, Et que elle pensast le choze à coi il bée ; Dessous le maistre table, qui bien estoit puplée, Li passoit sus le pié, ensi qu’à rechélée : C’est signes qu’il le voelt retenir celle année. Bauduins, li gentis, qui tant ot vasselaige, Avoec le prestre fu, qui ou corpz ot le rage ; Car le femme d’autrui convoita, par outraige. Ensément sont aucun, qui le coer ont volaige, Femmes vont déchevoir, par leur soutil langaige. C’est chou car il déussent retraire de servaige, Dame qui, par conseil, fausse son mariaige : Mais quant ·j· prestrez scet dame, de bel éage, Qui par le sien voloir donne son puchelaige, Il en volent avoir ensi leur courretaige ; Il ne pensent à el que vuire davantaige. S’en dist-on ·j· parler, en ·j· commun langage : Que qui nette maison voelt tenir par usaige, Né prestre, né coulon, ne tiengne en sa manage. Bauduins de Sebourc fu servis richement : </poem> |valign=top| <poem> De priester ging zitten, die op niets goeds uit is; Hij liet Boudewijn die dag naast zich zitten; Tegenover hem zat de verstandige jonkvrouw, Die mooi en blank was, blosjes had en kleurrijk. De priester bekeek haar vaak met zijn ogen; En zei: « Moeder Gods, gekroonde koningin, « Waar heeft deze grote schurk deze jonkvrouw geroofd! « Hij zal haar niet verder meenemen, maar zij zal hem worden ontnomen. » Vervolgens snijdt hij voor de schone het gezouten vlees, En gaf haar te drinken uit de gouden beker. 560 Graag had hij haar een verleidelijke glimlach toegeworpen: Hij durft niet vanwege Boudewijn, met zijn krachtige postuur; Want hij was zo groot, dat is een bewezen waarheid, Dat hij erg bang was dat hij zijn ruggengraat zou breken; Zodat hij niet durfde te spreken, noch zijn gedachten te uiten. Maar opdat de schone zijn bedoelingen zou opmerken, En zij zou denken aan de zaak waar hij op uit is; Onder de hoofdtafel, die goed bezet was, Raakte hij haar voet aan, alsof in het geheim: Dat is het teken dat hij haar dit jaar wil behouden. 570 Baudewijn, de edele, die zoveel dapperheid bezat, Was in het gezelschap van de priester, die waanzin in zijn lijf had; Want hij begeerde de vrouw van een ander, uit pure brutaliteit. Zo zijn er sommigen met een wispelturig hart, Die vrouwen gaan misleiden met hun listige taal. Zij zouden juist een dame moeten behoeden voor zonde, Die, door slechte raad, haar huwelijk ontrouw wordt: Maar wanneer een priester een dame van mooie leeftijd kent, Die uit eigen vrije wil haar maagdelijkheid weggeeft, Dan willen zij daar hun eigen voordeel uit behalen; 580 Zij denken aan niets anders dan aan puur eigenbelang. Daarom zegt men daarover in de volksmond: Wie uit gewoonte een schoon huis wil houden, Moet noch een priester, noch een duif in zijn huishouden houden. Baudewijn van Sebourc werd rijkelijk bediend:</poem> |}<noinclude></noinclude> epkfr46klwn69p4fhu251dv3rg9twcx Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/216 104 87887 224944 2026-08-16T16:54:59Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224944 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Il boit et si mengnue, car il en ot talent ; Mais Blanche si mengna adont moult povrement. Bauduins ne scet mie che que la belle sent, Car sus le piet li passe, li prestres, bien souvent ; Elle le sache à lui, par moult grant mautalent. Il boivent, et mengnuent de che pain de fourment ; Et mengiènent le char, et boivent le pieument. Quant vint après disner ; Bauduins, au corpz gent, A demandé congiet, au prestre, douchement. Et li prestres li dist malicieusement : « Sire, je vous dirai ·j· poy de mon talent ; « Sachiés je ne sui pas de cestui ténement, « Et si n’ai, chi aval, né cousin, né parent ; « Si en sui mains dobtez et prisiés de ma gent : « Et vous estes biaus homs, et de noble jouvent, « Et si samblez venus de haut lieu vraiëment. « Si vous prie et requier, pour Dieu omnipotent, « Qu’anuit vous demourrés, en mon herbergement ; « S’irons par ceste ville avironnéëment, « Véoir mes parosiens, dont il i a grantment ; « Entendre leur ferai trestout chiertainement, « Que nous sommes cousin germain parfaitement ; « Si en arai honneur jusques au finement. » « Sire, » dist Bauduins, « vous parlés sagement. « N’el vous refuseroie, pour ·c· livres d’argent : « Car de vo biens m’avés donnet soufissaument, « Et Diex si le vous mire, à cui li mons apent ; « Car aumosne avés fait, à cest ajournement. « G’irai où vous vaurrés, par le mien sérement. » Dont fu li prestrez lies, quant le parole entent. D’une grant traïson a fait avisement, Pour Bauduin honnir, sé Jhésus le consent. Mais telz pense à le fois, on le voit bien souvent, ·j· malice mauvais, qui dessus li descent. Ensément Bauduins, à le fresche coulour, </poem> |valign=top| <poem> Hij drinkt en hij eet, want hij had er trek in; Maar Blanche at heel schamel en karig. Boudewijn weet helemaal niet wat de schone voelt, Want de priester trapt haar heel vaak op de voet; Zij trekt hem naar zich toe, met zeer grote woede.590 Zij drinken en eten van dit tarwebrood; En zij eten het vlees en drinken de gekruide wijn. Toen het na het eten was, heeft Boudewijn, de edele man, Heel vriendelijk afscheid gevraagd aan de priester. En de priester zei kwaadaardig tegen hem: « Heer, ik zal u een beetje mijn wens vertellen; « Weet dat ik niet uit deze streek kom, « En ik heb hier beneden neef noch bloedverwant; « Daarom word ik minder gevreesd en geëerd door mijn volk: « En u bent een mooie man, en van edele jeugd,600 « En u lijkt werkelijk uit een hoog milieu te komen. « Daarom bid en verzoek ik u, bij de almachtige God, « Dat u vannacht in mijn herberg blijft; « Dan zullen we rondgaand door deze stad trekken, « Om mijn parochianen te bezoeken, van wie er zeer velen zijn; « Ik zal hen heel zeker doen geloven, « Dat wij volkomen volle neven van elkaar zijn; « Zo zal ik er eer aan behalen tot aan het einde. » « Heer, » zei Boudewijn, « u spreekt wijselijk. « Ik zou het u niet weigeren, niet voor 100 pond zilver:610 « Want van uw gaven heeft u mij voldoende gegeven, « En moge God het u vergelden, aan wie de wereld toebehoort; « Want u heeft een aalmoes gedaan, op deze dag. « Ik zal gaan waar u wilt, bij mijn eed. » Toen was de priester blij, toen hij de woorden hoorde. Een groot verraad heeft hij bedacht, Om Boudewijn te schande te maken, als Jezus het toelaat. Maar men ziet heel vaak dat wie zoiets bedenkt, Zelf door een boosaardige list wordt getroffen. Zo bleef Boudewijn, met zijn gezonde kleur,620 </poem> |}<noinclude></noinclude> 2geawy1wo43og2i51g2jv3crk9pcfu3 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/217 104 87888 224945 2026-08-16T17:01:39Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224945 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> O le prestre remest ; et ala toute jour Par le ville, avoec lui, environ et entour. Et li prestres visoit tout adès à son tour, Pour déchevoir l’enfant, qui tant ot de fiérour. Or escoutés l’avis du félon boiséour : Tant ala par le ville car il vint à ·j· four, Le maire i a trouvé, sergans o lui pluisour. Quant li prestres le voit ; dont n’i a fait retour, En le maison entra : et en un lieu destour A le maire menet, qui fu de fole esrour. « Sire, » che dist li prestres, « à vous fai me clamour, « De cestui que vaés, qui tant a de vigour : « ·c· livres li prestai, il a passet maint jour, « Onques n’en poch avoir le monte d’une flour. « Si vauroie moult bien qu’il fuist mis en vo tour, « Tant que fuisse païés. Si vous pri, par amour, « Qu’aujourd’ui me fachiés et aide, et secour, « Tant que j’aie le mien de che fel robéour. » « Qu’est-che que ? » dis li maires, « pour le Dieu que j’aour ! « Je le voi si très grant, et plain de tel fiérour, « Que là je le regarde ; j’en ai grande paour. « Onques mais ne vi homme, par Dieu le créatour, « Qui si très bien éust chière de robéour ! « Sé je més main à lui, pour le vostre clamour, « J’en porroie tantost bien avoir dou piour. « Mais regardés quelz bras ! et confais poingz autour ! « Sé je més main à lui, Diex me mèche en mal jour ! « Mais sé viser poïés art, ni engien, né tour, « Qu’il venist en ma tour ; par Dieu, le sauvéour, « Jammais n’en isteroit, né par nuit, né par jour, « S’aroit fait à vo gré, et païet ma labour. » Et li prestres respont : « par le Dieu que j’aour, « Je l’i menrai très bien ; n’en soïés en esrour. « Or i alés devant, apareilliés la tour. » Dont s’en tourna li maires, que n’i a fait demour. </poem> |valign=top| <poem> Bij de priester; en hij liep de hele dag Met hem door de stad, rondom en overal. En de priester loerde voortdurend op zijn kans, Om de jongeling te bedriegen, die zoveel trots bezat. Luister nu naar het plan van de trouweloze bedrieger: Hij liep zo lang door de stad dat hij bij een oven kwam, Daar trof hij de burgemeester aan, met meerdere sergeanten bij zich. Toen de priester hem zag, keerde hij niet om, Hij ging het huis binnen: en naar een afgelegen plek Heeft hij de burgemeester meegenomen, die dwaas handelde.630 « Heer, » zo zei de priester, « bij u dien ik mijn klacht in, « Over degene die u daar ziet, die zoveel kracht bezit: « 100 pond heb ik hem geleend, er is al menige dag verstreken, « Nooit heb ik er de waarde van een bloem van kunnen krijgen. « Daarom zou ik heel graag willen dat hij in uw toren werd gezet, « Totdat ik betaald ben. Dus ik vraag u, uit vriendschap, « Dat u mij vandaag helpt en bijstaat, « Zodat ik het mijne terugkrijg van deze snode rover. » « Wat is dat? » zei de burgemeester, « bij de God die ik aanbid! « Ik zie dat hij zo enorm groot is, en vol van zulke woestheid,640 « Dat wanneer ik naar hem kijk, ik grote angst krijg. « Nooit eerder zag ik een man, bij God de schepper, « Die zo overduidelijk het gezicht van een rover had! « Als ik mijn hand aan hem sla, vanwege uw klacht, « Zou ik er al gauw heel slecht vanaf kunnen komen. « Maar kijk eens wat een armen! En wat een vuisten rondom! « Als ik mijn hand aan hem sla, moge God mij een slechte dag bezorgen! « Maar als u een list, een kunstgreep of een truc kunt bedenken, « Waardoor hij in mijn toren komt; bij God, de verlosser, « Dan zal hij er nooit meer uitkomen, noch bij nacht, noch bij dag,650 « Totdat hij aan uw wens heeft voldaan en mijn moeite heeft betaald. » En de priester antwoordt: « bij de God die ik aanbid, « Ik zal hem er heel gemakkelijk heenbrengen; wees daar niet bezorgd over. « Gaat u nu maar vooruit, maak de toren gereed. » Toen vertrok de burgemeester, zonder te dralen. </poem> |}<noinclude></noinclude> rcgitp3vajhwtbkkp55u0940zhpz79e Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/218 104 87889 224946 2026-08-16T17:03:33Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224946 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Or croist à Bauduin grant paine, et grant dolour ; Sé Jhésus ne li aide, entrés est en tristour. Pour che dist ·j· proverbez que dient li pluisour : Qui asne et femme mainne, sans paine n’ist du jour. Li maires de la ville est en se tour entrés, Et s’a ·iiij· sergans avoeques lui menés. Et li prestres a dit : « biaus cousins, entendez ; « Alons en celle ville, j’ai chi esté assés, « Alons vir une dame qui tient ches hérités. » Et Bauduins li dist : « g’irai où vous vaurrés. » O le prestre s’en va, qui devant est alés : Venus est à le tour, si passa les fossés ; En le porte est entrés, que n’i est arrestés. Bauduins de Sebourc est en le tour montés ; Et ·j· sergans estoit chà dessous aprestés, Qui le porte frema, et s’a les pons levés. Et li prestres s’escrie, qui bien fu emparlés : « Sire maires, » dist-il, « cestui-chi me tenés ; « Car il me doit ·c· livres, de deniers monnaés, « Et sé il le mes noie, bien les arai prouvez ; « Si que ch’est bien raisons que il soit enferrez, « Tant que soie païés, il en est tampz passés. » Et li maires respont : « bien païés en serez. « Maistrez, » dist-il à lui, « envers moi entendez : « Je més le main à vous, pour che que vous devés « A monsignour che prestre, qui est no bons curés. » Et Bauduins respont : « sé vostre main n’ostés, « Je vous assommerai de mes ·ij· poingz quarrés. » Li maires apella tous ses ·iiij· sergans : « Prendés che créditeur, n’i soïés arrestans. » Chil virent Bauduin, qui estoit si poissans, Si ont dit au maïeur, qui che lor fu contans : « Metés-i vostre main, il a les poingz trop grans. » Li maires l’aherdi vistement par les flans. En sus de lui le boute, Bauduins li vaillans, </poem> |valign=top| <poem> Nu groeit voor Boudewijn een grote moeite en een groot verdriet; Als Jezus hem niet helpt, raakt hij in diepe ellende. Daarom zegt een spreekwoord dat velen uitspreken: Wie een ezel en een vrouw leidt, komt de dag niet zonder moeite door. De burgemeester van de stad is zijn toren binnengegaan,660 En hij heeft 4 serganten met zich meegenomen. En de priester zei: « mooie neef, luister; « Laten we de stad in gaan, ik ben hier nu lang genoeg geweest, « Laten we een dame gaan bezoeken die deze landgoederen bezit. » En Boudewijn zei tegen hem: « ik zal gaan waar u maar wilt. » Met de priester gaat hij mee, die voorop is gegaan: Hij is bij de toren gekomen, zo stak hij de grachten over; Hij is de poort binnengegaan, zonder te stoppen. Boudewijn van Sebourc is in de toren geklommen; En een sergeant stond hierbeneden paraat,670 Die de poort sloot en de ophaalbruggen ophaalde. En de priester roept uit, die welbespraakt was: « Heer burgemeester, » zei hij, « houd deze man voor mij vast; « Want hij is mij 100 pond schuldig, in gemunt geld, « En als hij het ontkent, zal ik het hem terdege bewijzen; « Het is dus volkomen terecht dat hij in de boeien wordt geslagen, « Totdat ik betaald ben, de termijn is al lang verstreken. » En de burgemeester antwoordt: « u zult goed betaald worden. « Meester, » zei hij tegen hem, « luister naar mij: « Ik sla de hand aan u, omdat u schulden heeft680 « Aan mijnheer de priester, die onze goede pastoor is. » En Boudewijn antwoordt: « als u uw hand niet weghaalt, « Zal ik u neerslaan met mijn twee vierkante vuisten. » De burgemeester riep al zijn 4 serganten: « Grijp deze schuldenaar, aarzel niet. » Zij zagen Boudewijn, die zo machtig was, En zeiden tegen de burgemeester, die dit bevel gaf: « Legt u zélf uw hand maar op hem, hij heeft veel te grote vuisten. » De burgemeester greep hem snel bij de flanken. Boudewijn de dappere duwt hem van zich af,690 </poem> |}<noinclude></noinclude> kiug1hc7dx0cdg19zrvdsz92hkr1pi0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/219 104 87890 224947 2026-08-16T17:06:07Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224947 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Puis le fiert, ens ou temple, de ses ·ij· poingz pesans. Tellement le féri, che nous dist li rommans, Le chervèle li froisse ; s’en dégoute li sans. Par une main le prist, puis le fu toupians Trois tours environ lui au quart, le fu getans Encontre ·j· dur piler ; là, le fu envoïans. Tout li froisse et esmie les costes et les flans : Jammais ne mengnera, à le Pasque, de flans. « Outre ! » dist Bauduins, « léchièrez soudoïans ! » Et li prestrez se muche, illoec, desous lez bans ; Et li ·iiij· sergant sakent espois et brans. Jà fust mors Bauduins, li damoisiaus sachans, Sé ne fuïst ·j· tines, ensi c’unz grans perchans, Qu’à ·ij· mains aherdi ; et li tines fu grans. L’un des sergans féri, que n’i fu arrestans, Le teste li effondre ; chieus kay mors sanglans. Bauduins fiert et frape, ne les fu espergnans. Et li prestrez regarde les copz qu’il donne grans, Adont vausist moult bien estre sus les plains campz ; Paour a de morir, si fu Dieu réclamans. « Ahi ! » ce dist li prestres, « comme je sui mesquans ! « Convoitise me fait ichi estre dolans. « Mauvaise est convoitise et orgués et beubans. » Li prestrez fu dolans, qui là s’estoit repus. Bauduins fiert et frape, li damoisiaus crémus : Il a, à ·iij· sergans, tous les bras desrompus ; Les costes et les flans lor a tant débatus Que devant lui, à terre, les a plas estendus. « Par foy, » dist Bauduins, « mal me sui embatus ; « Or, me voeille garder li miens pères Jhésus ! » Et li garchon crioient ; si est levés li hus. Li poeples de la ville est à le tour venus. Bauduins fiert et frape as garchons malostrus : Li ·j· saut ès fossez, li autres s’est perdus, Et dist li ·j· à l’autre : « par le vrai corpz Jhésus, </poem> |valign=top| <poem> Toen slaat hij hem, vol op de slaap, met zijn twee zware vuisten. Zo hard sloeg hij hem, zo vertelt het verhaal ons, Dat hij zijn hersens verbrijzelt; het bloed druipt eruit. Bij één hand greep hij hem, en liet hem toen tollen, Drie rondjes om hem heen, en bij de vierde wierp hij hem Tegen een harde pilaar; daarheen stuurde hij hem. Het verbrijzelt en verpulvert al zijn ribben en zijn flanken: Nooit meer zal hij, met Pasen, vla eten. « Vooruit! » zei Boudewijn, « ellendige schurk! » En de priester verstopt zich daar, onder de banken; En de 4 serganten trekken hun degens en zwaarden.700 Boudewijn was al dood geweest, de verstandige jongeling, Als er niet een kuip was geweest, groot als een flinke boomstam, Die hij met twee handen vastgreep; en de kuip was enorm. Een van de serganten sloeg hij, die werd meteen gestopt, Zijn hoofd slaat hij in; deze valt bloedend dood neer. Boudewijn slaat en beukt, hij spaarde hen niet. En de priester bekijkt de grote klappen die hij uitdeelt, Toen had hij dolgraag op het open veld willen staan; Hij is doodsbang en riep God aan.710 « Ach! » zo zei de priester, « wat ben ik rampzalig! « Hebzucht maakt dat ik hier nu moet lijden. « Slecht is hebzucht, trots en uiterlijk vertoon. » De priester was vol berouw, die zich daar verborgen had. Boudewijn slaat en beukt, de gevreesde jongeling: Hij heeft, bij 3 serganten, alle armen gebroken; Hun ribben en flanken heeft hij zo toegetakeld Dat hij hen voor zich, op de grond, plat heeft uitgestrekt. « Mijn hemel, » zei Boudewijn, « ik ben in een slecht parket beland; « Moge mijn vader Jezus mij nu beschermen! »720 En de knechten schreeuwden; zo ontstond er groot alarm. Het volk van de stad is naar de toren gekomen. Boudewijn slaat en beukt op de onfortuinlijke knechten: De een springt in de gracht, de ander slaat op de vlucht, En de een zei tegen de ander: « bij het ware lichaam van Jezus, </poem> |}<noinclude></noinclude> 7iwzt70vk4gve44hxgm9k4xi0rd3eoh Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/220 104 87891 224948 2026-08-16T17:09:46Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224948 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Li déable d’enfer sont enfremet chà sus. » Bauduins de Sebourc n’i est arrestéus : Le porte va fremer et les pons liève sus ; Puis lui souvint du prestre qui estoit remanus, Dont jura Dame-Diex, qui en crois fu pendus, Qu’ensi n’escapera li prestres malostrus. Dont le quiert par le sale environ, sus et jus : Il est venus au banc où dessous fu repus ; Un poy s’est abaissiez, si a les dras véus Du prestre, qui estoit moult dolans et confus. Et Bauduins s’escrie, li chevaliers membrus : « Vous ne m’eschaperez, par ma foy, dominus. » Quant li prestrez oï le raison Bauduin, Il en fu moult dolans, si tint le chief enclin ; Et a dit : « sire Diex, qui de l’iauwe fist vin, « Comme il se fait mauvais meller de larrechin « Né convoitier aussi le femme à son voisin ! « On en vient, à le fois, à très mauvaise fin. « Amours m’ont déchéut ; s’en sui mis à déclin. » Et Bauduins s’escrie : « foy que doi saint Martin, « Sé vous n’issiés delà, par Dieu, sire Gérin, « Che banc aprenderai qu’il parlera Latin. » Et li prestres s’escrie : « sire, pour saint Fremin, « Or ne m’ochiés mie, de coutel achérin ! « Par dedens mon hostel sont bien mille florin ; « Maintenant vous donrai les clés de mon escrin. » Et Bauduins s’escrie : « jà n’en arai frelin. » Par les jambes le tire ou palais marberin, Et puis dessus le chief li donna tel tatin Qu’il en a fait salir de sanc plain ·j· bachin. Et li prestres s’escrie : « veschi mauvais cousin ! » Bauduins fiert le prestre et frape bien souvent ; Mais de lui à tuer n’ot li dansiaus talent, Pour che qu’il essauchoit le digne sacrament. Et le gent de le ville akeurent vistement, </poem> |valign=top| <poem> "De duivels uit de hel zijn hierboven opgesloten." Bauduyn van Sebourc bleef daar niet dralen: De poort gaat sluiten en de bruggen gaan omhoog; Toen herinnerde hij zich de priester die was achtergebleven, Waarop hij zwoer bij de Here God, die aan het kruis werd opgehangen,730 Dat de onfortuinlijke priester zo niet zal ontsnappen. Toen zocht hij hem overal in de zaal, daarboven en daarbeneden: Hij is bij de bank gekomen waar hij zich onder had verstopt; Hij boog zich een beetje voorover en zag de kleren Van de priester, die zeer bedroefd en verward was. En Bauduyn roept uit, de krachtige ridder: « U zult mij niet ontsnappen, bij mijn geloof, dominus. » Toen de priester de woorden van Bauduyn hoorde, Was hij daar zeer bedroefd over, en hij hield het hoofd gebogen; En hij zei: « Here God, die van water wijn maakte,740 « Wat brengt het toch een onheil om je in te laten met diefstal, « En ook om de vrouw van je buurman te begeren! « Men komt daardoor soms tot een heel slecht einde. « De liefde heeft mij misleid; daardoor ben ik ten onder gegaan. » En Bauduyn roept uit: « Bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan Sint-Martin, « Als u daar niet vandaan komt, bij God, heer Gérin, « Zal ik deze bank zo toetakelen dat hij Latijn zal spreken. » En de priester roept uit: « Heer, bij Sint-Fremin, « Dood mij nu niet met een stalen mes! « Binnen in mijn huis zijn wel duizend florijnen;740 « Ik zal u nu meteen de sleutels van mijn kist geven. » En Bauduyn roept uit: « Ik zal er nog geen cent van aannemen. » Bij de benen trekt hij hem door het marmeren paleis, En toen gaf hij hem zo'n klap op het hoofd Dat hij er een hele schaal vol bloed uit liet spatten. En de priester roept uit: « Wat een slechte neef is dit! » Bauduyn slaat de priester en raakt hem zeer vaak; Maar de jongeman had niet de intentie hem te doden, Omdat hij het waardige sacrament bediende. En de mensen van de stad kwamen snel aangerend,760 </poem> |}<noinclude></noinclude> kdhejuu5c6ryz1ih2ldurkhddg1fnhh Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/221 104 87892 224949 2026-08-16T17:12:21Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224949 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> A pikes, et as dars, et armes ensément : Sont venu à le tour, trestout communalment ; Li pons estoit levés, si en furent dolent. Aucun arbalestrier vont traiant hautement ; Et Bauduins estoit lassus el mandement : Il prist ·j· viés escut, du tamps anchiènement, Puis vint sus les crestiaus ; pières et caillos prent, Encontre terre gète et menu, et souvent. La ville s’estourmi avironnéëment. Blanche fu à l’ostel, qui Bauduin atent : Quant elle oï le noise, et le demainement, Vers le tour acourut, le danselle au corpz gent ; Et disoit : « mère Dieu à cui li mons apent, « Sauvés-moy Bauduin, que j’aimme loïaument ! « Car li faus prestres l’a déchéut laidement. » Mais Blanche fu saisie assés tost de la gent, Qui li ont dit : « galie ! n’escaperés noient. « Vo ribaut malostrus sera pendus au vent ! « No maïeur a ochis, si li va malement. » Blanche réclaimme Dieu, le père omnipotent ; Pour Bauduin plouroit, et prie douchement, Que Jhésus si le gart de mal et de tourment. Et la ville s’esmuit ; cascuns keurt tangrement, Pour assalir le tour, que Bauduin deffent. ·j· chevalier avoit, en cellui ténement, Sires fu de la ville et de che casement : Quant il oï le noise, et le démainement ; Sus son cheval monta, qui ne va mie lent, A le tour est venus, où on assaut forment. Il demande à ses hommes né pour coi né comment Ceste cose est esmute ? On le mena briement Parler à la danselle, qui plouroit tenrement. Li chevaliers le voit, grande pitiés l’emprent ; Sé li dist : « damoiselle, ne me chelés noient. « Est-che li vos maris, par droit espousement, </poem> |valign=top| <poem> Met pikken, en met sperren, en ook met wapens: Zij kwamen allemaal samen naar de toren; De brug was opgehaald, waar zij bedroefd om waren. Sommige kruisboogschutters begonnen hoog te schieten; En Bauduyn was daarboven in het commandocentrum: Hij nam een oud schild, uit de tijd van weleer, Toen kwam hij op de kantelen; hij nam stenen en keien, En wierp ze naar de grond, onophoudelijk en vaak. De stad raakte rondom in rep en roer. Blanche was in de herberg, wachtend op Bauduyn:770 Toen zij het lawaai en het tumult hoorde, Rende zij naar de toren, de jonkvrouw met het schone lichaam; En zij zei: « Moeder Gods aan wie de wereld toebehoort, « Red mijn Bauduyn, die ik trouw liefheb! « Want de valse priester heeft hem schandelijk bedrogen. » Maar Blanche werd al snel gegrepen door de mensen, Die tegen haar zeiden: « Slet! Je zult helemaal niet ontsnappen. « Je onfortuinlijke deugniet zal hangen in de wind! « Onze meier heeft hij gedood, dus het gaat slecht met hem. » Blanche roept God aan, de almachtige Vader;780 Om Bauduyn huilde zij, en zij bidt teder, Dat Jezus hem mag behoeden voor kwaad en kwelling. En de stad raakt in beweging; iedereen rent woedend toe, Om de toren te bestormen, die Bauduyn verdedigt. Er was een ridder in dat rechtsgebied, Hij was de heer van de stad en van dat leengoed: Toen hij het lawaai en het tumult hoorde, Besteeg hij zijn paard, dat beslist niet traag ging, Naar de toren is hij gekomen, waar men hevig aanvalt. Hij vraagt aan zijn mannen waarom en hoe790 Deze zaak in beweging is gebracht? Men bracht hem kort daarop Om te spreken met de jonkvrouw, die bitter huilde. De ridder ziet haar, en groot medelijden bevangt hem; En hij zei tegen haar: « Jongedame, verberg niets voor mij. « Is dat uw echtgenoot, voor de wet getrouwd, </poem> |}<noinclude></noinclude> isdz5dxtehiun5cgfznz052z3nide84 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/222 104 87893 224950 2026-08-16T17:14:13Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224950 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Qui lassus se maintient si foursenéëment ? » « Oïl, sire, » dist-elle, « déchius est laidement, « Par vo prestre félon, cui li corpz Dieu cravent, « Qui ore, à son hostel, nous mena droitement « Mengnier à sa maison ; par le convoitement « Qu’il avoit sus mon corps malicieusement. « Sus le piet me passoit, et menu, et souvent. « Si amena me sire, par son enortement, « Par devant le maïeur, et li dist proprement « Que mes sires avoit acréut grant argent, « ·c· livrez de tournois, de che bon païement ; « Pour lui emprisonner, à tort, mauvaisement ; « Puis le fist, en le tour, entrer isnèlement. « Quant mes sires se vit traiir si faitement, « Le maïeur, et sergans, a tuet vraiëment. » Et dist li chevaliers : « n’en poet mie grantment. « Par le foy que je doi à Dieu omnipotent, « Je l’en déliverrai, sé Diex le me consent. » Ou cheval remonta, tost et apertement, A le tour est venus ; si a dit clèrement : « N’assalez point, signour, car je le vous deffent. « Chius qui plus assaura, je le ferai dolent. » Chil laissièrent l’assaut, sans nul arrestement. Et li chevaliers crie, sans nul délaiëment : « Vassaus ! car descendez, tost et apertement, « Et si venez à mi chi faire parlement. » Et Bauduins respont : « je n’en ferai noient. « J’ai ochis vo maïeur, vés le chà mort sanglent ; « Et sergans, et garchons, ai ochis vraiëment ; « Je voeil morir en armes aujourd’ui vaillamment. « Ja ne descenderai, par le mien sérement, « Sé ne me pardonnés trestout vo mautalent ; « Et le mort de vos hommes, dont j’ai ochis granment. » Et dist li chevaliers : « descendez liëment ; « Je vous pardonne tout, sé mort en aviés cent. » </poem> |valign=top| <poem> « Die zich daarboven zo uitzinnig staande houdt? » « Ja, heer, » zei zij, « hij is schandelijk bedrogen, « Door uw verraderlijke priester, wiens lichaam God moge vernietigen, « Die ons zojuist rechtstreeks naar zijn huis bracht « Om in zijn woning te eten; door de begeerte800 « Die hij kwaadwillig naar mijn lichaam had. « Hij trapte op mijn voet, onophoudelijk en vaak. « Toen bracht hij mijn heer, op zijn aandringen, « Voor de meier, en zei hem uitdrukkelijk « Dat mijn heer veel geld had geleend, « Honderd ponden in tournoois, van die goede munt; « Om hem onterecht, op slechte wijze, gevangen te zetten; « Toen liet hij hem snel de toren binnengaan. « Toen mijn heer zag dat hij zo bedrogen was, « Heeft hij de meier en de serganten werkelijk gedood. »810 En de ridder zei: « Dat kan hem niet veel schelen. « Bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan de almachtige God, « Ik zal hem daaruit bevrijden, als God het mij toestaat. » Hij besteeg het paard weer, snel en behendig, Naar de toren is hij gekomen; en hij zei luid en duidelijk: « Val niet aan, heren, want ik verbied het u. « Degene die nog aanvalt, zal ik berouwen maken. » Zij staakten de aanval, zonder enig dralen. En de ridder roept, zonder enig uitstel: « Vazal! Kom nu naar beneden, snel en behendig,820 « En kom hier met mij een gesprek voeren. » En Bauduyn antwoordt: « Ik zal er niets van doen. « Ik heb uw meier gedood, zie hem hier bloedend dood liggen; « En serganten en schildknapen heb ik werkelijk gedood; « Ik wil vandaag dapper in de wapens sterven. « Nooit zal ik neerdalen, bij mijn eed, « Tenzij u mij al uw misnoegen vergeeft, « En de dood van uw mannen, van wie ik er velen heb gedood. » En de ridder zei: « Daal met een blij gemoed neer; « Ik vergeef u alles, al had u er honderd gedood. »830 </poem> |}<noinclude></noinclude> j9f0qbb75hqngswky1mpb3aejuihlx0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/223 104 87894 224951 2026-08-16T17:16:02Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Bauduyn van Sebourc aarzelde daar niet: Hij daalde af van de toren, opende het gebouw, En liet de brug neer, die aan de hoofdhengel hangt; Voor de ridder knielde hij neer. Wie misdaan heeft, moet immers meteen om vergiffenis smeken. « Heer, » zei Bauduyn, die het hart van een leeuw had, « Over uw priester beklaag ik mij; hij is vol verraad! « Ik dacht bij God, die he… 224951 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Bauduyn van Sebourc aarzelde daar niet: Hij daalde af van de toren, opende het gebouw, En liet de brug neer, die aan de hoofdhengel hangt; Voor de ridder knielde hij neer. Wie misdaan heeft, moet immers meteen om vergiffenis smeken. « Heer, » zei Bauduyn, die het hart van een leeuw had, « Over uw priester beklaag ik mij; hij is vol verraad! « Ik dacht bij God, die het lijden onderging, « Dat hij mij uit zeer goede minne, zonder slechte bedoelingen, « Te eten gaf in zijn woning;840 « Maar het was om mijn vrouw, die een helder gelaat heeft, « Die hij van mij wilde afpakken en een misdaad begaan. « Naar de meier bracht hij mij, daarboven in deze donjon; « En hij wilde dat men mijn lichaam in de gevangenis wierp; « Voor honderd pond tournoois klaagde hij met luide stem. « Schone heer, men viel mij aan; en ik nam een staf, « Waarmee de meier en al zijn metgezellen zijn gedood. « De priester is daarboven, hij heeft nog niet gekregen wat hij verdient. » En de ridder zei: « Hij zal zijn loon wel krijgen! « U heeft goed gehandeld, moge mijn ziel vergeving vinden. »850 Toen gaan ze de priester zoeken, met kracht en in overvloed; De ridder roept hem snel bij zijn naam: « Bij mijn geloof, priester, » zei hij, « door een slechte beweegreden « Heeft u vandaag gehandeld tegen recht en rede in. » « Heer, » zei de priester, « moge mijn ziel vergeving vinden, « Dit komt door de betovering van een duivel of een boze geest! « Ik heb werkelijk gedwaald, en ik heb daar groot berouw van. « Nu geef ik als boete aan deze edele baron « Al het geld dat in ons huis is. » En de ridder zei: « Bij het geloof in Sint Simon,860 « Ik zal u ook op een andere manier straffen; « Waardoor de andere priesters van deze streek « Er een voorbeeld aan zullen nemen voor hun eigen gedrag. « Onder u, schandelijke priesters, die door de biecht « Een dame tot de rede zouden moeten brengen: </poem> |}<noinclude></noinclude> p0rs6i6juiq9o7moe8jloqf3pzt8tvc Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/224 104 87895 224952 2026-08-16T17:19:38Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224952 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Quant elle a, par folie, fait fornication, « Et quant d’ellez savez toute l’entention ; « Pour chou que vous volez avoir d’ellez raison, « Leur dites que briement le saront leur baron. « Puis en vont, par crémeur, en le vostre maison : « Là leur faut obéir, ou poy lor dens, ou non ; « Mais foy que doi à Dieu, qui souffri pation, « Très chier le comparrez ! » Dont hucha ·j· garchon ; Si a fait desvestir le prestre de renon, Dedens une rivière, tantost le geta-on. Che fu el tampz d’iver, une froide saison. Quant li prestrez se fu baignés, à grant foison, Sus une froide pière maintenant l’assist-on ; Et là endroit morut, ne vesqui sé poy non. Pléust à Jhésu-Crist, et à son digne non, Tout li prestre qui ont telle condition, Fuissent ensi servi et de telle fachon. Digne choze est d’un prestre, quant il fait che qu’il doit : Car, par dignes paroles, met en pain bénéoit, Le poissanche de Dieu, folz est qui ne le croit ; Et quant il est si dignes, bien regarder se doit Qu’il ne mèche son tampz entrez mauvais esploit. Plus tost se poet dampner c’uns autres ne porroit, Car il scet l’escripture, et toute le conchoit ; Mais chius qui mains en scet, c’est chius qui miex i croit. Li gentis chevaliers Bauduin emmenoit Droit à l’ostel du prestre, o lui sa femme estoit ; Li chevaliers li donne l’or qui laiens avoit : Bien mille florins d’or, en son escrin, trouvoit. Mais moult envis les prist, Bauduins, là endroit. Li chevaliers jura que tous les averoit ; Et qu’il les a conquis aujourd’ui, de son droit. Qui tort voelt faire autrui, tous lez frais païer doit. {{lijn|6em}} </poem> |valign=top| <poem> « Wanneer zij, door dwaasheid, ontucht heeft gepleegd, « En wanneer u al haar bedoelingen weet; « Omdat u haar naar uw hand wilt zetten, « Zegt u tegen hen dat hun echtgenoten het spoedig zullen weten. « Dan gaan zij, uit angst, naar uw huis:870 « Daar moeten ze u gehoorzamen, of ze nu willen of niet; « Maar bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan God, die het lijden onderging, « Dit zult u heel duur betalen! » Toen riep hij een schildknaap; En hij liet de befaamde priester uitkleden, In een rivier werd hij toen onmiddellijk geworpen. Dat was in de wintertijd, een koud seizoen. Toen de priester overvloedig was gebaad, Zette men hem direct op een koude steen; En ter plekke stierf hij, hij leefde nog maar heel kort. Mocht het Jezus Christus behagen, en zijn waardige naam,880 Dat alle priesters die zo'n aard hebben, Zo bediend zouden worden en op die manier. Het is een priester waardig te doen wat hij moet doen: Want door waardige woorden legt hij in het gezegende brood De macht van God, dwaas is wie dat niet gelooft; En wanneer hij zo waardig is, moet hij goed opletten Dat hij zijn tijd niet doorbrengt met slechte daden. Hij kan zichzelf sneller verdoemen dan een ander dat zou kunnen, Want hij kent de Schrift en begrijpt haar geheel; Maar wie er minder van weet, dat is degene die er het best in gelooft.890 De edele ridder nam Bauduyn mee Recht naar het huis van de priester, waar zijn vrouw bij hem was; De ridder geeft hem het goud dat daarbinnen was: Wel duizend gouden florijnen vond hij in zijn kist. Maar zeer ongaarne nam Bauduyn ze daar aan. De ridder zwoer dat hij ze allemaal zou hebben; En dat hij ze vandaag rechtmatig had veroverd. Wie een ander onrecht wil aandoen, moet alle kosten betalen. {{lijn|6em}} </poem> |}<noinclude></noinclude> hn6x78c4243rkzngkjjwz9sdhjd3990 Boudewijn van Sebourg/ZANG VII 0 87896 224953 2026-08-16T17:21:19Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224953 wikitext text/x-wiki <pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=199 to=224 header=1 /> 4gwlaxnl0ivl0gse15e9rn725v79hja Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/225 104 87897 224954 2026-08-16T19:39:58Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224954 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| !Brontekst !Vertaling |- |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''CHANT VIII.'''}}}} {{dhr|1.5em}} <poem> Oiés du chevalier, qui loyalment ouvra : Tout droit à son hostel Bauduin emmena, Et Blanche le danselle, qui tant de bontet a ; Et, tous le tampz d’ivier, li bers les gouverna ; Et Bauduins, li bers, ossi bien lui aida, Car d’une grande gerre, à che tampz, l’akieva. Quant vint sus le biau tampz, et qu’il renouvela, Bauduins prist congiet ; li sires li donna : ·ij· liewes, voire ·iij·, aussi le convoïa ; Et Bauduins li bers briement s’achemina. Il eurent ·ij· chevaus, que li prestrez païa ; S’emportent les florins, qu’au confesser gaigna. Tant ala Bauduins, qu’en ·j· grant bos entra ; Li forés fu moult longue, par où s’achemina. N’ot gairez loncz alet, à che c’on me conta, Que mordréour li salent, plus de ·xv· en i a ; Bauduin assalirent, garde ne s’en donna : Quant il se vit à terre, car on l’i reversa, Chil ont pris le destrier, qui les florins porta ; Sus estoit le malette, Bauduins l’i posa. Vont seut li mordréour, Bauduins demourra ; A piet keurt après iaus, et l’espée empoingna. Che ne li valut riens, jammais ne les verra. A Blanche, le danselle, Bauduins repaira ; El bos, sus sen cheval, fort plourant le trouva. </poem> |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''ZANG VIII.'''}}}} {{dhr|1.7em}} <poem> Hoor over de ridder, die trouw handelde: Rechtstreeks naar zijn verblijf nam hij Boudewijn mee, En de jonkvrouw Blanche, die zoveel goedheid bezit; En de hele winter lang onderhield de edelman hen; En Boudewijn, de dappere, hielp hem evenzeer, Want in een grote oorlog bracht hij in die tijd de overwinning. Toen de mooie tijd aanbrak en de natuur zich vernieuwde, Nam Boudewijn afscheid; de heer gaf het hem: Twee mijlen, wel drie zelfs, vergezelde hij hen, En Boudewijn de edelman ging snel op weg. (10) Ze hadden twee paarden, die de priester had betaald; Ze droegen de florijnen mee, die hij met biechten had verdiend. Boudewijn reisde zolang tot hij een groot bos binnenging; Het woud was zeer lang, waardoor zijn weg voerde. Hij was nog niet lang onderweg, naar men mij vertelde, Of sruikrovers sprongen tevoorschijn, er waren er meer dan vijftien; Ze vielen Boudewijn aan, die niet op zijn hoede was: Toen hij zich op de grond bevond, want men had hem omgeworpen, Namen zij het strijdpaard mee dat de florijnen droeg; Daarop zat de reistas die Boudewijn erop had geplaatst. (20) De moordenaars vluchtten snel, Boudewijn bleef achter; Te voet rent hij hen achterna, het zwaard in de hand. Dat baatte hem niets, hij zal hen nooit meer terugzien. Naar de jonkvrouw Blanche keerde Boudewijn terug; In het bos, op haar paard, vond hij haar hevig huilend. </poem> |}<noinclude></noinclude> piiirxmfmbocqt7us8ji0a7nkh1ygnp Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/226 104 87898 224955 2026-08-16T19:41:58Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224955 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant Bauduin perchieut, moult haut li escria : « Sire estes-vous bléchiés ? ne le me célés jà. » « Nennil voir, douche amie, mais malement nous va ! « Nos avoirs est perdus, dont grant meschief chi a ; « Ne sarons de coi vivre, en che païs de chà. » « Taisiés-vous, » dist la belle, « Jhésus nous aidera. « Ne plaingniez tel avoir, mal ait qui le gaingna ! « De maise voie vint, de pute part reva. « Avoirs qui vient de prestre ; s’il fait bien, fort i a. » Dolans fu Bauduins qu’il n’ot point de monnoie. Avoec sa mie va, par le bos qui verdoie ; Et prie Jhésu-Crist, qui tous les biens envoie, Qu’en tel lieu puist aler, où bonté li otroie. N’a talent de chanter, à riens ne s’esbanoie : Puis c’on n’a que disner, c’est une povre joye ; Il a dit à le belle : « amie, je vaurroie « Que mes corpz fuist finez de mort qui tout maistroie ! « Et vous fuissiez royne, ou contesse, de Troye ; « Car, pour l’amour de mi, estes en povre voie. « Si m’annoie qu’ensi le miens corpz vous fourvoie, « Mais che fist bon amour, qui ore me chastoie ; « Sé pour mi sui dolans, pour vous trop plus m’annoie, « Car, pour tout l’or du mont, je ne vous gerpiroie. « Mais sachiés, douche dame, que s’à ville venoie, « Pour nous à gouverner le pière porteroie ; « Car je sui grans, et fors, si que bien endurroie « Paine et labour dou corpz, s’un poi apris l’avoie. « Povretez fait moult faire, et richèce desvoie. « Belle, » dist Bauduins, « par Dieu de paradis, « J’aprenderai labeur ; je sui grans et furnis, « S’uns autres a ·v· sols, j’en gaingnerai bien ·vi·. » Et la belle respont : « sire, par Jhésu-Cris, « Jhésus nous aidera, li rois de paradis ; « Car qui se fie en Dieu, il li aide toutdis. « Issi très bien me plaist d’estre avoec vous, amis ! </poem> |valign=top| <poem> Toen zij Boudewijn opmerkte, riep zij hem luid toe: "Heer, bent u gewond? Verberg het toch niet voor mij." "Welnee, lieve vriendin, maar het gaat ons slecht! Al ons bezit is verloren, wat een groot ongeluk is; We zullen niet weten waarvan te leven in dit land hier." (30) "Zwijg stil," zei de schone, "Jezus zal ons helpen. Treur niet om zulk bezit, rampspoed voor wie het verdiende! Langs een slechte weg kwam het, naar een slechte plek keert het terug. Geld dat van een priester komt; als het goeds brengt, is dat een wonder." Boudewijn was bedroefd dat hij geen geld meer had. Samen met zijn geliefde gaat hij door het groene bos; En hij bidt tot Jezus Christus, die al het goede zendt, Dat hij naar een plaats mag gaan waar hem gunst wordt verleend. Hij heeft geen zin om te zingen, nergens schept hij vermakelijk in: Wanneer men niets te eten heeft, is dat een schrale vreugde; (40) Hij zei tegen de schone: "Vriendin, ik zou willen Dat mijn lichaam geëindigd was door de dood die alles beheerst! En dat u koningin of gravin van Troje was; Want omwille van mijn liefde bent u nu op een armzalig pad. Het grieft mij zo dat mijn persoon u aldus in het verderf stort, Maar dat deed de ware liefde, die mij nu straft; Als ik al bedroefd ben om mijzelf, om u lijd ik nog veel meer, Want voor al het goud ter wereld zou ik u niet verlaten. Maar weet, lieve dame, dat als ik in een stad zou komen, Ik stenen zou sjouwen om in ons onderhoud te voorzien; (50) Want ik ben groot en sterk, zodat ik wel zou verdragen De pijn en de arbeid van het lichaam, als ik het een beetje had geleerd. Armoede dwingt tot veel daden, en rijkdom leidt af. Schone," zei Boudewijn, "bij de God van het paradijs, Ik zal de arbeid leren; ik ben groot en fors gebouwd, Als een ander vijf stuivers verdient, verdien ik er wel zes." En de schone antwoordt: "Heer, bij Jezus Christus, Jezus zal ons helpen, de Koning van het paradijs; Want wie op God vertrouwt, Hem helpt Hij altijd. Het behaagt mij zozeer om bij u te zijn, mijn vriend! (60) </poem> |}<noinclude></noinclude> 2jp4yymqrvkeprnf6e2phtjpqf5d9n4 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/227 104 87899 224956 2026-08-16T19:43:53Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224956 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Que par cellui Signour qui en la crois fu mis, « J’aims miez avoeques vous, en chertain le vous dis, « Paine, maus, endurer ; frois hosteus et dur lis, « Qu’avoeques ·j· autre homme, tenant terre et païs. « Quiconques n’a plasanche ne poet avoir délis. » Or, s’en va Bauduins qui la danselle guie : Elle estoit à cheval, Bauduins n’i fu mie, Enchois aloit à piet, par le forest naïe. Tant alèrent parlant, le forest ont laissie ; Parmi ·j· desrubant ont leur voie akoellie. Nonne estoit jà sonnée, pour voir le vous affie, Et si n’avoit nulz d’eulz mengniet de pain maillie. Car monnoie lor fu, par les larons, falie. Bauduins de Sebourc, avoec Blanche s’amie, Montèrent sus ·j· mont outre une praiërie ; Bauduins sé regarde : s’a une tour choisie Et ·j· noble chastel et la tour bateillie ; Et voit, tout environ, mainte tente dréchie. « Hé ! Diex, » dist Bauduins, « dame sainte Marie, « Je ne puis pau avoir, sé Diex me bénéie, « Puis que je sui en lieu où gerre est commenchie ! « Saudoïers devenrai, sé Diex me donne vie ; « Et puis, s’une bataille poet estre commenchie, « Povreté n’averai en l’année acomplie. « Telz amenra cheval qui n’en remenra mie. » Bauduins de Sebourc fu moult liés et joïans, Quant il vit le chastel asségiet, à plains chans. Blanche keurt acoler, qui tant ert avenans, Et li dist : « douche amie, ne vous soïés doubtans ; « Car puis que je voy gerre, si m’aït sains Vinchans, « Ossi riches homs sui comme rois ou soudans. « Nous arons à mengnier ou j’en serai tolans ! « Car g’i ferrai telz copz, de poins que j’ai si grans, « Son cheval me laira tous li plus souffissans. » « Sire, » dist la danselle, « or est mes corpz dolans, </poem> |valign=top| <poem> Dat, bij die Heer die aan het kruis werd genageld, Ik liever met u, dat zeg ik u met zekerheid, Pijn en kwaad verdraag, koude herbergen en harde bedden, Dan met een andere man die landen en gebieden bezit. Wie geen welbehagen heeft, kan geen vreugde ervaren." Nu gaat Boudewijn op weg en leidt de jonkvrouw: Zij zat te paard, Boudewijn liep te voet, Helemaal te voet door het dichte woud. Zolang liepen zij sprekend, tot zij het bos verlieten; Langs een steile helling vervolgden zij hun weg. (70) Het middaguur was al geslagen, dat verzeker ik u voorwaar, En toch had niemand van hen nog een stuk brood gegeten. Want hun geld was hen door de dieven ontnomen. Boudewijn van Sebourc, samen met Blanche zijn geliefde, Klommen op een berg voorbij een weide; Boudewijn kijkt om zich heen: hij ontwaart een toren En een edel kasteel met gekanteelde muren; En hij ziet er rondomheen menige tent opgeslagen. "O God," zei Boudewijn, "Vrouwe Heilige Maria, Ik kan hier niet zonder bezit blijven, zo waar God mij zegene, (80) Nu ik op een plek ben waar een oorlog is begonnen! Söldner (huursoldaat) zal ik worden, als God mij het leven schenkt; En dan, als er een strijd ontbrandt, Zal ik binnen het jaar geen armoede meer kennen. Menigeen zal een paard aanvoeren dat hij niet zal behouden." Boudewijn van Sebourc was zeer blij en verheugd Toen hij het kasteel belegerd zag in het open veld. Hij haast zich om Blanche te omhelzen, die zo bekoorlijk was, En zei haar: "Lieve vriendin, wees niet bevreesd; Want nu ik oorlog zie, zo helpe mij de heilige Vincentius, (90) Ben ik even rijk als een koning of een sultan. We zullen te eten hebben, of ik zal het met geweld nemen! Want ik zal zulke slagen uitdelen met deze grote vuisten van mij, Dat de machtigste zijn paard aan mij zal overlaten." "Heer," zei de jonkvrouw, "nu is mijn gemoed bedroefd, </poem> |}<noinclude></noinclude> ruc5xwf9dod4ptvlccc16qfyotr0s9u Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/228 104 87900 224957 2026-08-16T19:48:27Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224957 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Et si me doubte moult, par Dieu qui est poissans, « Que, pour le povreté que vous estes sentans, « Ne vous embatez si qu’en soïés repentans. » « Dame, » dist Bauduins, « ne vous soïés doubtans : « Sé j’en doy escaper sains et saus et vivans, « Nulz ne me poet grever, sé che n’est Diex li grans. « Belle, » dist Bauduins, « ne vous chaut d’esmaïer, « Je me voeil maintenir à loy de saudoïer. « Descendre vous convient de che courrant destrier ; « Vestir vous convenra à guise d’escuïer, « Par coi prestrez ni autres ne vous puist convoiter. « N’el fai mie pourtant que m’en doie esmaïer : « Mais pour vostre biauté, qui tant fait à prisier, « Diroient tost ribaut, ou aucun fel loudier, « Que seriés ·j· André que je mainne en gibier. « Et telz vous porroit bien dire ·j· lait reprouvier, « Que, de mon poing, aroit faussé le hanepier. « Et on ne treuve pas adès le chevalier « Qui si courtoisement me délivra l’autr’ier ; « Si qu’il se fait moult boin par autrui chastier. « Tant va li kanne à l’iauwe qu’il le convient brisier. » La belle descendi, et Bauduins monta ; A loy d’un escuïer la dame se para, Elle chaindi l’espée et le coutel porta. Bauduins le regarde, qui grant joie en mena, Si dist qu’o son vallet au vespre couchera. Dès-si jusques en l’ost Bauduins n’arresta. Il vint en une loge : le pot au feu trouva, Et le miés et le vin ; bon cabaret i a. Il est entrez dedens, à maingnier demanda. La table est toute mise et blanche nape i a. Et li cabarettierz tantost li demanda S’il voloit boire vin ? Bauduins li cria : « Saquiés-moy du meillour qu’en vostre bouet a ; « Car sachiés, s’il n’est boins, denier n’en arez jà. » </poem> |valign=top| <poem> En ik vrees ten zeerste, bij God de Almachtige, Dat u zich door de armoede die u voelt Zó in het gevaar stort dat u er spijt van zult krijgen." "Dame," zei Boudewijn, "wees niet bevreesd: Als ik er gezond, behouden en levend moet uitkomen, (100) Kan niemand mij deren, behalve God de Grote. Schone," zei Boudewijn, "laat u niet angst aanjagen, Ik wil mij gedragen naar de wet van de huursoldaat. U moet afstijgen van dit snelle rijdier; U zult u moeten kleden in de gedaante van een schildknaap, Opdat geen priester of iemand anders u kan begeren. Ik doe dit niet omdat ik mijzelf angst laat aanjagen: Maar vanwege uw schoonheid, die zozeer te prijzen is, Zouden schurken of gemene kerels al gauw zeggen Dat u een schandknaap bent die ik meevoer voor mijn plezier. (110) En zo iemand zou u wel eens een lelijk verwijt kunnen maken, Zodat hij door mijn vuist zijn schedel zou breken. En men vindt niet altijd meteen de ridder Die mij onlangs zo hoofs heeft bevrijd; Daarom is het heel goed om te leren van andermans schade. De kruik gaat zolang te water tot zij barst." De schone steeg af en Boudewijn steeg op; Als een schildknaap kleedde de dame zich, Zij omgorde het zwaard en droeg de dolk. Boudewijn bekijkt haar, wat hem grote vreugde schenkt, (120) En zei dat hij 's avonds met zijn schildknaap zou slapen. Vanaf dat moment stopte Boudewijn niet tot hij in het legerkamp was. Hij kwam bij een herberg: hij vond de pot op het vuur, En het beste eten en de wijn; er was een goede taveerne. Hij is binnengegaan en vroeg om te eten. De tafel is geheel gedekt en er ligt een wit laken op. En de taveernier vroeg hem terstond Of hij wijn wilde drinken? Boudewijn riep hem toe: "Haal voor mij van de beste die er in uw kelder is; Want weet, als hij niet goed is, krijgt u geen cent." (130) </poem> |}<noinclude></noinclude> 85rh55m8bt8xmynpckjmau8p370gu67 224958 224957 2026-08-16T20:08:41Z Havang(nl) 4330 224958 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Et si me doubte moult, par Dieu qui est poissans, « Que, pour le povreté que vous estes sentans, « Ne vous embatez si qu’en soïés repentans. » « Dame, » dist Bauduins, « ne vous soïés doubtans : « Sé j’en doy escaper sains et saus et vivans, « Nulz ne me poet grever, sé che n’est Diex li grans. « Belle, » dist Bauduins, « ne vous chaut d’esmaïer, « Je me voeil maintenir à loy de saudoïer. « Descendre vous convient de che courrant destrier ; « Vestir vous convenra à guise d’escuïer, « Par coi prestrez ni autres ne vous puist convoiter. « N’el fai mie pourtant que m’en doie esmaïer : « Mais pour vostre biauté, qui tant fait à prisier, « Diroient tost ribaut, ou aucun fel loudier, « Que seriés ·j· André que je mainne en gibier. « Et telz vous porroit bien dire ·j· lait reprouvier, « Que, de mon poing, aroit faussé le hanepier. « Et on ne treuve pas adès le chevalier « Qui si courtoisement me délivra l’autr’ier ; « Si qu’il se fait moult boin par autrui chastier. « Tant va li kanne à l’iauwe qu’il le convient brisier. » La belle descendi, et Bauduins monta ; A loy d’un escuïer la dame se para, Elle chaindi l’espée et le coutel porta. Bauduins le regarde, qui grant joie en mena, Si dist qu’o son vallet au vespre couchera. Dès-si jusques en l’ost Bauduins n’arresta. Il vint en une loge : le pot au feu trouva, Et le miés et le vin ; bon cabaret i a. Il est entrez dedens, à maingnier demanda. La table est toute mise et blanche nape i a. Et li cabarettierz tantost li demanda S’il voloit boire vin ? Bauduins li cria : « Saquiés-moy du meillour qu’en vostre bouet a ; « Car sachiés, s’il n’est boins, denier n’en arez jà. » </poem> |valign=top| <poem> En ik vrees ten zeerste, bij God de Almachtige, Dat u zich door de armoede die u voelt Zó in het gevaar stort dat u er spijt van zult krijgen." "Dame," zei Boudewijn, "wees niet bevreesd: Als ik er gezond, behouden en levend moet uitkomen, (100) Kan niemand mij deren, behalve God de Grote. Schone," zei Boudewijn, "laat u niet angst aanjagen, Ik wil mij gedragen naar de wet van de huursoldaat. U moet afstijgen van dit snelle rijdier; U zult u moeten kleden in de gedaante van een schildknaap, Opdat geen priester of iemand anders u kan begeren. Ik doe dit niet omdat ik mijzelf angst laat aanjagen: Maar vanwege uw schoonheid, die zozeer te prijzen is, Zouden schurken of gemene kerels al gauw zeggen Dat u een {{SIC|André|picadisch dialect:sukkel}} bent die ik meevoer als prooi. (110) En zo iemand zou u wel eens een lelijk verwijt kunnen maken, Zodat hij door mijn vuist zijn schedel zou breken. En men vindt niet altijd meteen de ridder Die mij onlangs zo hoofs heeft bevrijd; Daarom is het heel goed om te leren van andermans schade. De kruik gaat zolang te water tot zij barst." De schone steeg af en Boudewijn steeg op; Als een schildknaap kleedde de dame zich, Zij omgorde het zwaard en droeg de dolk. Boudewijn bekijkt haar, wat hem grote vreugde schenkt, (120) En zei dat hij 's avonds met zijn schildknaap zou slapen. Vanaf dat moment stopte Boudewijn niet tot hij in het legerkamp was. Hij kwam bij een herberg: hij vond de pot op het vuur, En het beste eten en de wijn; er was een goede taveerne. Hij is binnengegaan en vroeg om te eten. De tafel is geheel gedekt en er ligt een wit laken op. En de taveernier vroeg hem terstond Of hij wijn wilde drinken? Boudewijn riep hem toe: "Haal voor mij van de beste die er in uw kelder is; Want weet, als hij niet goed is, krijgt u geen cent." (130) </poem> |}<noinclude></noinclude> 6pz6x5hujbrxvmh4weu778uvl3wgjpc Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/229 104 87901 224959 2026-08-16T20:15:02Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224959 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Chius regarde les poingz que Bauduin porta ; Pour che qu’il les vit gros, durement les doubta. Li hostes aporta et du pain, et du vin, Et de la char salée, et ·j· bon cras pouchin. Bauduins li a dit : « ne me choilés, cousin ; « Qui a esmut le gerre, né che félon hustin ? « Or me di qui a droit, selonc le tien latin ? » Et chius li a dit : « sire, foy que doy saint Martin, « Il a lassus ·j· conte, qui plains est de venin ; « Une dame a robée, par son mauvais couvin, « Fille au duc d’Osteriche, c’on claimme Bauduin. « Or l’avoit ichius dux donnée ·j· palasin, « Le conte de le Marche, no signour, au coer fin ; « Qui fianchie l’a, au chastel de Monclin : « Espouser le devoit, par ·j· joesdi matin. « Mais li contes de Clarves se leva ·j· matin, « Le puchelle roba, et mist sor ·j· ronchin ; « Lassus l’a emmenée, là où sont si meschin. « Li contes de le Marche, pour cellui mètre à fin, « Et pour r’avoir sa femme, au gent corpz entérin, « A che chastel assis, avoec cheulz de son lin ; « Il ne s’en partira, né il, né si voisin, « S’ara che grant chastel abatu ou gardin. » « Par foy, » dist li dansiaus, qui fu de bon doctrin, « Chil dou chastel sont fel, et de mauvais couvin ; « Et pour che qu’il ont tort envers le conte fin, « Averont-il en moy ·j· très mauvais voisin : « Car escripture dist, qui est ou saint latin, « C’on doit le droit aidier, et tort mettre à déclin. » Bauduins de Sebourc, au coraige légier, Demanda le querelle, pour tort et droit jugier ; Car telle conscience avoit ou chevalier, Jà n’essauchast le tort, ains le volt abaissier. Adont prist le hanap, Blanche le va puier : Celle ne but c’un poy, si ne voloit mengnier, </poem> |valign=top| <poem> De waard bekijkt de vuisten die Boudewijn had; Omdat hij zag dat ze groot waren, vreesde hij hen zeer. De gastheer bracht zowel brood als wijn, En gezouten vlees, en een goede vette kip. Boudewijn zei tegen hem: "Verberg het niet voor mij, neef; Wie heeft deze oorlog ontketend en deze felle strijd? Vertel mij nu wie er in zijn recht staat, naar jouw mening?" En de waard zei hem: "Heer, bij het geloof in Sint-Maarten, Daarboven is een graaf, die vol venijn zit; (140) Een dame heeft hij geroofd door zijn slechte list, De dochter van de hertog van Oostenrijk, die men Boudewijn noemt. Nu had deze hertog haar geschonken aan een palatijn, De graaf van de Marche, onze heer met het edele hart; Die zich met haar verloofd heeft in het kasteel van Monclin: Hij zou haar trouwen op een donderdagochtend. Maar de graaf van Kleef stond op een morgen op, Hij roofde het meisje en zette haar op een paard; Daarboven heeft hij haar meegevoerd, waar zijn volgelingen zijn. De graaf van de Marche heeft, om aan die man een einde te maken (150) En om zijn vrouw met het volmaakt schone lichaam terug te krijgen, Dit kasteel belegerd met de zijnen van zijn bloed; Hij zal niet wijken, noch hij, noch zijn buren, Voordat hij dit grote kasteel of de tuin heeft verwoest." "Bij mijn geloof," zei de jongeling, die welopgevoed was, "Zij van het kasteel zijn boosaardig en van slechte aard; En omdat zij onrecht plegen jegens de edele graaf, Zullen zij aan mij een zeer slechte buur hebben: Want de schrift zegt, die in het heilige Latijn staat, Dat men het recht moet steunen en het onrecht tegengaan." (160) Boudewijn van Sebourc, met zijn vurige moed, Vroeg naar de twistzaak om over onrecht en recht te oordelen; Want zo'n geweten had de ridder, Dat hij nooit het onrecht zou steunen, maar het wilde neerhalen. Toen nam hij de beker, Blanche schonk hem in: Zij dronk slechts een weinig en wilde niet eten, </poem> |}<noinclude></noinclude> hyc1xo93v0h8i14i6f7ts45br689qyi Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/230 104 87902 224960 2026-08-16T20:25:09Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224960 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Pour riens que Bauduins l’en sache adont priier. « Belle, » dist Bauduins, « pour le corpz saint Richier, « Ne mengnastes morsel, puis er soir au couchier ; « Mengniés et si buvez, sans point de l’atergier, « Car telz le paiera, che sachiés sans cuidier, « Qui ne nous venroit mie, chi endroit, replégier. « Mais que Jhésu-Cris fache bataille commenchier ; « A tous les plus vaillans me vaurrai assaïer. « Je venderai mon hoste, sé il voelt, ·j· destrier « Et trestoutes les armes qu’afiert à chevalier ; « Mais qu’il en voeille chi le carité païer. » Et li hostes respont : « bien me vaurriés moquier ! « Mais sé plaiges voliés, à mon voloir baillier, « Plustost l’aquateroie c’on ne porroit cuidier. » « Par foy, » dist Bauduins, « veslà mon escuïer, « Qu’en pléges demourra ; boutezle en vo chélier : « Et sé je ne vous baille armures et coursier, « Je voeil que li fachiés tous ses dras despoellier, « Si qu’il ne li demeure né maille, né denier. » « Or avant, » dist li hostez, « or voeilliés déclarier « Pour combien j’arai tout ; dites, sans riens laissier. » « Par Dieu, » dist Bauduins, « il te faut gaïngnier : « Nostre escaut paieras, et no lit au couchier ; « Et tu aras les armes, et le haubert doublier, « Et le cheval aussi, et le sèle, et l’estrier. » Et li hostes respont : « je n’en voeil jà broïer. » Plain ·j· pot, de ·ij· los, lor va du vin sachier ; Puis dist : « or en buvez tout plain vo hanepier ! » Une pièche de char lor va du pot vuidier ; Devant Blanche le mist, la courtoise moullier. Et Bauduins li dist : « or pensés du mengnier, « Et si buvés grans trais, pour vo maus oublier. » Qui volentiers boit vin, Diex li scet bien aidier : Li vins fait marchander, et estet, et ivier ; Et le chervoise fait les marchans réfroidier. </poem> |valign=top| <poem> Wat Boudewijn haar op dat moment ook vroeg of smeekte. "Schone," zei Boudewijn, "bij het lichaam van de heilige Riquier, U heeft geen hap gegeten sinds gisteravond bij het slapengaan; Eet en drink, zonder dralen, (170) Want iemand zal het betalen, weet dat wel zeker, Die ons hier niet zo gemakkelijk zal kunnen vrijpleiten. Maar mocht Jezus Christus de strijd doen ontbranden; Tegen de allerdappersten wil ik mij meten. Ik zal mijn gastheer, als hij wil, een strijdpaard verkopen En alle wapenrusting die bij een ridder hoort; Als hij er hier maar de waarde van wil betalen." En de gastheer antwoordt: "U wilt de spot met mij drijven! Maar als u mij een onderpand wilt geven naar mijn wens, Zou ik het sneller kopen dan men zou denken." (180) "Bij mijn geloof," zei Boudewijn, "daar is mijn schildknaap, Die als onderpand zal achterblijven; sluit hem maar op in uw kelder: En als ik u de wapens en het renpaard niet bezorg, Wil ik dat u hem van al zijn kleren berooft, Zodat hem geen penning of cent overblijft." "Vooruit dan," zei de gastheer, "verklaar nu eens Voor hoeveel ik alles zal hebben; zeg het, zonder iets achter te laten." "Bij God," zei Boudewijn, "je zult er wel bij varen: Onze rekening zul je betalen en ons bed voor de nacht; En jij zult de wapens hebben, en het dubbele maliënkolder, (190) En ook het paard, en het zadel, en de stijgbeugel." En de gastheer antwoordt: "Ik wil hier niet langer over twisten." Een volle pot wijn ging hij voor hen halen; Toen zei hij: "Drink nu uw beker helemaal vol!" Een stuk vlees haalde hij voor hen uit de pot; Voor Blanche zette hij het neer, de hoofse vrouw. En Boudewijn zei haar: "Denk nu aan eten, En drink grote teugen om uw leed te vergeten." Wie vrijwillig wijn drinkt, God weet hem goed te helpen: (200) Wijn doet handel drijven, zowel in de zomer als in de winter; En bier doet de handelaars afkoelen. </poem> |}<noinclude></noinclude> q6tq9fyarcuaf15e10gnt1xbnprxy0e Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/231 104 87903 224961 2026-08-16T20:41:58Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224961 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Boin fait en le taverne boire, et souslatier, Car adès a-on.... du vin, pour bien taillier. Si ne vit onques nulz, né main, ni anuitier, Pendre pel de ribaut à huis de tavernier. Moult fu lies Bauduins, li prex, et li senés ; Et Blanche li a dit : a sire, vous me vendez ! » « Par Diu, » dist Bauduins, « vos corpz ert raquatez. » Quant vint après mengnier, Bauduins s’est levez ; Il a dit à son hoste : « mon escuïer gardez. « Je vois querre saudéez, il en est tampz passez. » Adont, sor son cheval, est li enfes montez, Devant le marissal de l’ost, s’en est alés ; Il fu mis en escript, et ses chevaus passés : Bauduins fu recheus, et puis est retournez. Dedens le cabaret s’est la nuit hostelés. Quant che vint au matin, que solaus fu levez ; Li contes, qui estoit ou chastel enfremés, Fist adouber ses hommes, si a ses cors sonnez. A ·vm· saudoïers, s’est du chastel sevrez. Li contes de le Marche fu à ses maistres trez ; ·iiij· frères avoit hardis et redoubtez : Il ont lors cors d’arain, et grailes, atemprez. On crie parmi l’ost : « traït ! car vous armés ! » « Alarme ! alarme ! » crient. Chascuns s’est adoubez. Bauduins de Sebourc n’ert encore levés ; Ses hostes vint criant : « or sus lères prouvez ! « Le bataille commenche, jà à tamps n’i venrés. « Par le foy que doy Dieu, sé vous ne me livrez « Armurez et cheval, si qu’en couvent l’avés, « Vostre escuïer arai tous ses dras desnués. » « Hostes, » dist Bauduins, « savés que vous ferés. « A men courrant destrier, de l’aveine donnés ; « Par coi, en le bataille, en soie miex portez : « Che sera vos pourfis, sé de lui bien pensés ; « Chevaus ne poet bien traire, s’il n’est bien gouvernez. » </poem> |valign=top| <poem> Het is goed om in de taveerne te drinken en zich te vermaken, Want er is altijd wijn om flink te schenken. En men zag nooit, noch in de ochtend noch in de avond, De stok van een zwerver aan de deur van een waard hangen. Zeer blij was Boudewijn, de dappere en verstandige; En Blanche zei hem: "Heer, u verkoopt mij!" "Bij God," zei Boudewijn, "u zult worden vrijgekocht." (210) Toen het eten voorbij was, stond Boudewijn op; Hij zei tegen zijn gastheer: "Pas goed op mijn schildknaap. Ik ga mijn soldij zoeken, het is er de hoogste tijd voor." Toen is de jongeling op zijn paard gestegen, Voor de maarschalk van het leger is hij verschenen; Hij werd ingeschreven en zijn paard werd gekeurd: Boudewijn werd aangenomen en keerde daarna terug. In de taveerne heeft hij de nacht doorgebracht. Toen de ochtend aanbrak en de zon was opgemaakt; De graaf, die in het kasteel opgesloten zat, (220) Liet zijn mannen wapenen en liet zijn hoorns schallen. Met vijfduizend huursoldaten trok hij uit het kasteel. De graaf van de Marche was in zijn hoofdtent; Vier broers had hij, koen en gevreesd: Zij lieten hun koperen hoorns en bazuinen zuiver klinken. Men roept door het leger: "Verraad! Wapent u!" "Te wapen! Te wapen!" roepen ze. Ieder bewapende zich. Boudewijn van Sebourc was nog niet opgestaan; Zijn gastheer kwam aanrennen en riep: "Op nu, bewezen dief! De strijd begint, u zult er niet op tijd zijn. (230) Bij het geloof in God, als u mij niet levert De wapens en het paard, zoals u beloofd heeft, Zal ik uw schildknaap van al zijn kleren ontbloten." "Gastheer," zei Boudewijn, "weet wat u zult doen. Geef haver aan mijn snelle strijdpaard; Opdat ik in de strijd des te beter gedragen word: Dat zal in uw voordeel zijn, als u goed voor hem zorgt; Een paard kan niet goed trekken als het niet goed geleid wordt." </poem> |}<noinclude></noinclude> 1u5vivtkoou91gpvaygsfb25axxs45p Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/232 104 87904 224962 2026-08-16T20:44:38Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224962 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Bauduins se leva, sans nulle demourrée, Bon auqueton avoit ; porté l’ot mainte année : Cote de fer ot ens, c’est véritez prouvée ; Bauduins le vesti, et chaindi l’espée. Ou destrier est montez, pas n’ot le teste armée. « Qu’est-che ? » che dist li hostes, « pour le Vierge loée, « S’on vous fiert en le teste, tantost l’arez copée ! « Vous estes abilliez, pour bien humer porée ! « Vous despenderiés jà quanques j’ai ceste année : « J’ai chà une huvette, que j’ai lonc tampz gardée. « Or cha, » dist Bauduins, « si le m’aïés prestée. » Chius li va aporter se huvette enfumée, Et Bauduins le prist, qui en fist grant risée ; Tantost com il le tint, l’a à terre getée. Puis broche le cheval, sans nulle demourrée, Vers le bataille va, courrant de randonnée. Li contes de la Marche, qui la chière ot membrée, Avoit enmi les chans se bataille ordenée ; Et li contes de Clerves n’i a fait arrestée, A l’encontre du conte a se gent amenée. La péussiés véoir une fière mellée, Et grande ochision et bataille doubtée : Chil du chastel venoient comme gent foursenée, Ensi que chien rabit ; comme gent desraée, Viènent à cheulz de chà, chascuns ou poing l’espée. Là les coururent sus, à chière foursenée ; Cascuns abat le sien sanglant, enmi la prée. Là véissiés bataille, et si forte assamblée, Qu’ains plus forte ne fu véue, n’esgardée. Et li contes de Clerves menoit telle posnée, Qu’il sambloit qu’il éust sa partie enversée ; Car une gent avoit, si hardie et doubtée, Que tout vont tresbuscant, à icelle journée : N’encontrent saudoïer, qui n’ait la vie ostée. Chil furent Alemant, dont je fai devisée ; </poem> |valign=top| <poem> Boudewijn stond op, zonder enig dralen, Een goed wambuis had hij; hij had het al menig jaar gedragen: (240) Een ijzeren maliënkolder zat erin, dat is een bewezen waarheid; Boudewijn trok het aan en omgorde het zwaard. Op zijn paard is hij gestegen, maar zijn hoofd was niet gewapend. "Wat is dit?" zei de gastheer, "bij de geprezen Maagd, Als men u op het hoofd treft, ligt het er zo af! U bent gekleed alsof u soep gaat eten! U zou alles verkwisten wat ik dit jaar bezit: Ik heb hier een helm die ik lange tijd bewaard heb." "Kom aan," zei Boudewijn, "leen hem mij dan." De waard bracht hem zijn berookte helm, (250) En Boudewijn nam hem en lachte er hartelijk om; Zodra hij hem vasthield, wierp hij hem op de grond. Toen spoorde hij het paard aan, zonder enig dralen, Naar de strijd gaat hij, in gestrekte draf. De graaf van de Marche, die een kloek gelaat had, Had midden in het veld zijn slagorde opgesteld; En de graaf van Kleef aarzelde niet, Tegenover de graaf bracht hij zijn manschappen. Daar had u een felle strijd kunnen zien, En een grote slachting en een geduchte slag: (260) Zij van het kasteel kwamen als dolle honden tevoorschijn, Als razende mensen; als bezetenen, Komen zij op dezen af, ieder met het zwaard in de vuist. Daar vielen ze hen aan, met woest gelaat; Ieder slaat de zijne bloedend neer in de weide. Daar had u een strijd gezien, en zo'n sterke botsing, Als nooit tevoren gezien of aanschouwd was. En de graaf van Kleef voerde zo'n grote hoogmoed, Dat het leek alsof hij zijn tegenstander al had overwonnen; Want hij had manschappen, zo koen en gevreesd, (270) Dat alles bezweek op die dag: Geen huursoldaat kwamen ze tegen of hij verloor het leven. Het waren Duitsers, over wie ik spreek; </poem> |}<noinclude></noinclude> p5q01d8nh010nq8361lype1zn6ijea0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/233 104 87905 224963 2026-08-16T20:49:38Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224963 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Si avant sont alet que l’enseingne ont versée, Au conte de la Marche. Jà fuist sa gent matée, Sé ne fuist Bauduins qui, par une valée, Acourroit radement ; s’avoit le teste armée, ·j· hiaume avoit conquis, à celle matinée. Voit la gent de le Marche toute desbaretée ; Adont réclama Dieu, et le Vierge honnerée ; En l’estour se féri, si tint nue l’espée : ·j· Alemant féri de telle randonnée, Que l’espaule li a, à ·j· soel cop, rasée ; Le second, et le tierch, abat geule baée. « Le Marche ! » va criant, moult haut à le volée. Tout ensi que li leus, qui ist de la ramée, Qui hape le mouton, dont il fait sa goulée ; Esploite Bauduins, à le chière senée. Puis lor va escriant, moult haut à le volée : « Par Diu, ne garirez, male gent desraée ! « Comment qu’à terre soit nostre enseigne getée, « N’est point encor no gent desconfite et mattée ! « Le Marche ! » va criant. Grant gent a rassamblée, Au conte de le Marche, qui fait chière effraée ; O ses frères estoit, en une verde prée, Où il avoit sa gent entour lui ordenée ; Regarde Bauduin, qui mainne grant posnée, Que devant ses grans copz n’avoit nulz homs durée : « Hé ! Diex, » che dist li contes, « qui fesis mer salée, « Com veslà chevalier de haute renommée ! « Alons ! si li aidons, car à bien faire bée ; « Puis qu’il me vient aidier, à bonne destinée, « Je ne li doi falir en coer, ni en pensée. « Mauvaise est li bontez s’elle n’est regardée. » Li contes de le Marche laist courrir le destrier ; Et si ·v· frères aussi, qui sont bon chevalier : En l’estour sont féru, pour Bauduin aidier. N’ont point leur estandart, pour leur gent ralier ; </poem> |valign=top| <poem> Zover rukten zij op dat zij het vaandel omwierpen Van de graaf van de Marche. Reeds was zijn volk overwonnen, Ware het niet dat Boudewijn door een vallei Snel kwam aanrennen; hij had zijn hoofd gewapend, Een helm had hij die ochtend buitgemaakt. Hij ziet het volk van de Marche geheel in verwarring; Toen riep hij God aan, en de geëerde Maagd, (280) In het strijdgewoel wierp hij zich, en hield zijn zwaard ontbloot: Een Duitser trof hij met zo'n vaart, Dat hij zijn schouder met één enkele slag afhieuw; De tweede en de derde sloeg hij dood neer. "De Marche!" roept hij luid in de vlucht. Net als de wolf die uit het struikgewas komt, Die het schaap grijpt en verslindt; Zo gaat Boudewijn tekeer, met zijn schrandere gelaat. Toen riep hij hen luid toe in de vlucht: "Bij God, jullie zullen niet ontkomen, slecht en razend volk! (290) Al ligt ons vaandel op de grond, Ons volk is nog niet verslagen of overwonnen! De Marche!" roept hij. Een grote menigte verzamelde hij Rond de graaf van de Marche, die een verschrikt gelaat toonde; Met zijn broers was hij op een groene weide, Waar hij zijn volk om zich heen had verzameld; Hij kijkt naar Boudewijn, die wild tekeerging, Zodat voor zijn grote slagen geen man standhield: "O God," zei de graaf, "die de zoute zee schiep, Wat een ridder van hoge faam is dat daarginds! (300) Voorwaarts! Laten we hem helpen, want hij streeft naar het goede; Omdat hij mij te hulp komt, onder een gelukkig gesternte, Mag ik hem niet verzaken in hart noch in gedachte. Slecht is de goedheid als zij niet wordt beantwoord." De graaf van de Marche laat zijn strijdpaard rennen; En ook zijn vijf broers, die goede ridders zijn: In het gewoel hebben zij zich geworpen om Boudewijn te helpen. Zij hebben hun standaard niet om hun volk te herenigen; </poem> |}<noinclude></noinclude> oeik4pb2l2tqlqqxvbs19imsw69ffgx Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/234 104 87906 224964 2026-08-16T20:59:29Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224964 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Want alle Duitsers, die sterk en trots waren, Vielen de graaf aan met wel vierduizend man. (310) De graaf en al zijn broers, vier edele prinsen, De laffe Duitsers Vielen zo hevig aan, Dat zij hen alle vijf ter aarde wierpen; Daar werden zij samen ingerekend, zoals ik hoorde verkondigen: Naar de graaf van Kleef werden zij als gevangenen weggevoerd. De graaf liet hen naar zijn banier brengen. Toen Boudewijn hoorde vertellen en verkondigen Dat de prinsen gevangen waren, meende hij wel gek te worden: "O God," zei de jongeling, "die alles moet oordelen, Waarom laat U zo'n dodelijke tegenspoed toe, (320) Dat zij die het recht najagen hinder ondervinden?" Toen werpt hij zich in het gewoel als een koene huursoldaat; En zei dat het beter was te sterven door het stalen zwaard, Dan niet voor het recht zijn deugd te beproeven. Aan God beval hij zich, die alles in handen heeft: Hij slaat hier en daar; hij doet de rijen uiteenwijken; Met kracht en met deugd doorbreekt hij de gelederen; Evenzeer deed hij zich vrezen als een duivel uit de hel. Van een Duitser gaat hij een lans ontrukken; Naar de graaf van Kleef haastte hij zich, (330) Met de lans bracht hij hem zo'n slag toe, Dat hij hem te midden van zijn manschappen van het paard wierp. Hij roept: "De Marche! Voorwaarts, huursoldaten!" Naar de standaard begint hij snel te rijden. Voor de standaard verloor hij zijn paard; Op honderd plekken was hij gewond, van voren en van achteren: "Paard," zei Boudewijn, "je kunt mij niet meer helpen. Aha! Gastheer," zei hij, "het is tijd om u te roepen, Als u hier was, zou u mijn paard hebben." Boudewijn van Sebourc was de allerkoenste, (340) En de meest onverschrokkene tegen zijn vijanden, Die in zijn tijd leefde; dat vertelt ons het geschrift. Koning werd hij van de stad waar God stierf en herrees. </poem> |}<noinclude></noinclude> hz99qns2k9gya7rw8ghivovaq3zxj3g Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/235 104 87907 224965 2026-08-17T07:31:21Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224965 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Dolans fu à son coer, li prinches singnouris, De che que ses chevaus li fu ensi falis : Ne puet aler avant, et sé broce toudis. Par devant l’estandart, illoec li fu ochis ; Et il ressaut en piés, comme chiers esmaris : A ·ij· mains tint l’espée, dont li brans fu fourbis, Il leur détrenche testes, oreilles, et pis. Vers l’estandart s’en va des Alemans hardis ; ·j· chevaliers le porte, qui ot à nom Henris : Il estoit bien montés, dessus ·j· cheval gris. Et Bauduins, li bers, ne s’i est alentis ; Ensi c’on fauque blez, ou tampz qu’il est meuris, Fiert les piés du cheval, si l’en a ·ij· jus mis. Li chevaliers versa, et l’enseingne de pris ; Si très bien le garda Bauduins, li gentis, Ne l’oze relever nulz homs de mère vis. Li contes de le Marche, qui là estoit saisis, Dist à ses ·iiij· frères : « chius là est nos amis ; « Diex le voeille garder, car il ne soit ochis ! » Bauduins se combat, fiert, et frape toutdis ; Ains n’i ot Alemant qui ne s’en soit partis, Car ensi le redoubtent com le leu li brebis. Ensi que Bauduins ot l’enseigne versée, Chil de la Marche i ont leur vertu recouvrée ; Sus les Alemans sont venu, sans demourée : S’ont trouvé Bauduin, qu’à chière foursenée, Deffendoit la banière, qu’il avoit jus clinée. Chil de la Marche i sont venu de randonnée ; Leur signour ont rescous ; leur enseigne ont trouvée, Qu’il ont encontre mont vistement relevée. Alemant s’enfuïrent, dès-si jusqu’à l’entrée Dou chastel lor signour qui la chière ot irée. Li contes i entra, à maisnie privée ; Si a dit à se gent, à moult haute allenée : « Par ·j· soel chevalier est hui no gent mattée ! </poem> |valign=top| <poem> Bedroefd in zijn hart was de edele prins, Omdat zijn paard hem zo in de steek had gelaten: Hij kan niet vooruit, en toch spoort hij telkens aan. Vóór de standaard werd het daar voor hem gedood; En hij springt overeind, als een getergde hert: Met twee handen hield hij het zwaard, waarvan de kling geslepen was, Hij hieuw hun hoofden, oren en borsten af. (350) Naar de standaard van de koene Duitsers gaat hij; Een ridder droeg hem, die Hendrik heette: Hij was goed gezeten op een grijs paard. En Boudewijn, de dappere, aarzelde niet; Zoals men het koren maait wanneer het rijp is, Treft hij de benen van het paard en hieuw er twee af. De ridder viel, en het kostbare vaandel; En zo uitstekend bewaakte Boudewijn de edele het, Dat geen sterveling het dorste op te rapen. De graaf van de Marche, die daar gevangen zat, (360) Zei tegen zijn vier broers: "Die man daar is onze vriend; Moge God hem bewaren, opdat hij niet gedood worde!" Boudewijn vecht, treft en slaat voortdurend; Er was geen Duitser die niet week, Want zij vreesden hem zoals de wolf het schaap. Toen Boudewijn het vaandel had omgeworpen, Herwonnen zij van de Marche hun moed; Op de Duitsers kwamen zij af, zonder dralen: Zij vonden Boudewijn, die met een razend gelaat Het vaandel verdedigde, dat hij had neergehaald. (370) Zij van de Marche kwamen in allerijl aanrennen; Hun heer hebben zij ontzet; hun vaandel hebben zij gevonden, Dat zij snel weer omhoog hebben geheven. De Duitsers vluchtten, tot aan de ingang Van het kasteel van hun heer, die een toornig gelaat had. De graaf ging er binnen met zijn vertrouwelingen; En zei tegen zijn volk met ingehouden adem: "Door één enkele ridder is ons volk vandaag verslagen! </poem> |}<noinclude></noinclude> d3bt6zyze7440wxlai2857uavw4ngrd Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/236 104 87908 224966 2026-08-17T07:33:08Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224966 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Au conte de le Marche avient belle journée, « Quant sa gent l’ont rescous, et le miène matée ! « Or tost fremez no tour, sans point de l’arestée. » La porte du chastel ont briement refremée, Et s’ont le pont levet, à la chainne férée. Et li quens de la Marche n’i a fait arrestée, A Bauduin s’en vint ; sé li fist enclinée, Et li dist : « chevaliers, ma vie avés sauvée, « Et mes frères ossi, par vostre renommée. « Ains plus hardis de vous ne porta mais espée ! « Or vous est à tousjours ma terre abandonnée. » Sour son chief li assist une couronne ouvrée, Reluisant de fin or, as pières ellevée ; Pour tout le miex faisant, li fu habandonnée. Le ménestrauderie est devant lui alée : En l’ost fu remenés, à trompette sonnée ; Grailes, cors, et buisines, sonnent à le volée, Plus de ·xlv·, en une randonnée. Li quens fist amener, sans nulle demourée, Son palefroi amblant, à le crupe trieulée, ·ijm· mars li avoit cousté, en celle année ; Ses armes li donna, blanches com noif sus prée ; Et son tournicle d’or ; disant à le volée : « Mes armes vous otroi, homs de grant renommée, « Pour che que vous avés l’onneur de mi sauvée ! » Là viennent chil hiraut, criant à le volée ; Toute la gent de piet, ont fait une huée : « A cellui qui nous a no vie aventurée ! « Au plus aventureus c’onques chainsist espée ! « Fleur de chevalerie et vertu esprouvée ! « Roze de hardement, car plus qu’achier temprée ! « Proèche, et hardement, et biauté adurée ! « A cellui qui nous a no vie rachatée ! » Après le damoisel s’est li os arroutée, Aussi bien que Diex fuist venus d’une nuée. </poem> |valign=top| <poem> De graaf van de Marche heeft een mooie dag, Nu zijn volk hem heeft ontzet en het mijne heeft verslagen! (380) Sluit nu snel onze toren, zonder enig dralen." De poort van het kasteel hebben zij snel gesloten, En zij hebben de ophaalbrug opgehaald met de ijzeren ketting. En de graaf van de Marche aarzelde niet, Naar Boudewijn ging hij; hij boog diep voor hem, En zei hem: "Ridder, u heeft mijn leven gered, En ook dat van mijn broers, door uw faam. Nooit droeg een koener man dan u een zwaard! Nu staat mijn land voor altijd voor u open." Op zijn hoofd plaatste hij een bewerkte kroon, (390) Blikkend van fijn goud, met edelstenen bezet; Voor de best presterende werd zij hem geschonken. De minstrelen gingen voor hem uit: In het legerkamp werd hij binnengehaald bij trompetgeschal; Bazuinen, hoorns en trompetten schallen luid, Meer dan vijfenveertig tegelijk. De graaf liet onmiddellijk aanvoeren Zijn telganger, met de fraaie kruis, Tweeduizend mark had hij gekost in dat jaar; (400) Zijn wapenrusting gaf hij hem, wit als sneeuw op de weide; En zijn gouden tuniek, terwijl hij luid zei: "Mijn wapens schenk ik u, man van grote faam, Omdat u mijn eer heeft gered!" Daar komen de herauten, luid roepend; Al het voetvolk slaakte een kreet: "Aan hem die voor ons zijn leven heeft gewaagd! Aan de meest avontuurlijke die ooit een zwaard omgorde! Bloem der ridders en bewezen deugd! Roos van koenheid, meer gehard dan staal! (410) Dapperheid, moed en geharde schoonheid! Aan hem die ons het leven heeft teruggekocht!" Achter de jongeling sloot het leger zich aan, Alsof God uit een wolk was neergedaald. </poem> |}<noinclude></noinclude> 314dc2zqgbxpjtsmub3hg79elpib8mt Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/237 104 87909 224967 2026-08-17T07:35:01Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224967 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Bauduins de Sebourc par dedens l’ost entra, Il vint devant le loge, où s’amie laissa : Ses hostes n’el cognut, car ·j· autre abit a, Bien sambloit quens, ou dux, car cascuns l’onnoura ; Blanche loés que le vit, tantost le ravisa ; Telle joie ot au coer qu’en estant se leva, De le loge est issue, vers Bauduin s’en va. Li hostes saut après, pour poy qu’il n’esraga, Blanche la damoisielle, par derrière sacha ; Et parmi le cavèche tellement le tira, Ou elle voeille, ou non, à le terre versa. Puis dist : « lères prouvés, ne m’eschaperés jà ! « Vo maistrez es tués, desvestir vous faura. » Blanche prist à criier, et ·j· grant cri geta. Bauduins l’entr’oy, sa visée i geta ; Il i avoit le dent, pour chou qu’il i ama. Il desrompi la presse, au cabaret s’en va, Il a trouvé son hoste, qui Blanche remena ; Et Bauduins li crie, que point ne s’arresta : « Hostes, laissiés-le coy ! car par Dieu, vés-me chà. « Bien vous tenrai couvent. » Quant chius le ravisa. Il se mist à genoulz, et merchi li pria ; De che qu’ot despendut, dist que riens n’avera. Mais Bauduins, li bers, onques avant n’ala : Son cheval, et ses armes, à cellui présenta ; Maugré lui, et à forche, là endroit les laissa. Bauduins fu preud’oms, bien tint son couvenent ; Son cheval, et ses armes, donna isnèlement, Ensi com il avoit son hoste en convenent. D’un autre boin cheval li fist-on le présent. Bauduins fu servis, le jour, moult noblement ; Ossi fu la danselle, qu’il honnera forment ; En l’ost mainnent grant joie avironnéëment. Et li contes de Clerves ot moult le coer dolant : En son chastel se va conseillant à sa gent, </poem> |valign=top| <poem> Boudewijn van Sebourc trok het legerkamp binnen, Hij kwam voor de herberg waar hij zijn geliefde had achtergelaten: Zijn gastheer herkende hem niet, want hij had andere kledij, Hij leek wel een graaf of hertog, want eenieder eerde hem; Blanche herkende hem zodra zij hem zag; Zulke vreugde had zij in het hart dat zij overeind ging staan, (420) Uit de herberg is zij gegaan, naar Boudewijn gaat zij. De gastheer springt haar achterna, hij werd haast razend, Blanche de jonkvrouw trok hij van achteren mee; En aan haar haar trok hij haar zo hard, Dat zij, of zij wilde of niet, ter aarde viel. Toen zei hij: "Bewezen dief, je zult mij niet ontsnappen! Je meester is gedood, je zult je kleren moeten afstaan." Blanche begon te schreeuwen en slaakte een luide kreet. Boudewijn hoorde het en richtte zijn blik daarheen; Hij was er snel bij, omdat hij haar liefhad. (430) Hij doorbrak de menigte, naar de taveerne gaat hij, Hij vond zijn gastheer die Blanche wegsleepte; En Boudewijn roept hem toe, zonder te stoppen: "Gastheer, laat haar met rust! Want bij God, hier ben ik. Ik zal mijn belofte nakomen." Toen de waard hem hergande, Viel hij op zijn knieën en smeekte hem om genade; Over wat hij had uitgegeven, zei hij dat hij niets hoefde te hebben. Maar Boudewijn, de edele, ging niet verder: Zijn paard en zijn wapens overhandigde hij hem; Ondanks hem en met kracht liet hij ze daar achter. (440) Bauduijn was een rechtschapen man, hij hield zich goed aan zijn belofte; Zijn paard en zijn wapens gaf hij snel, Precies zoals hij zijn gastheer beloofd had. Een ander goed paard schonk men hem prompt. Boudewijn werd die dag zeer edel bediend; Evenzo de jonkvrouw, die hij zeer eerde; In het legerkamp maakte men alom grote vreugde. En de graaf van Kleef had een zeer droef hart: In zijn kasteel ging hij te rade met zijn volk, </poem> |}<noinclude></noinclude> tif5olhotjub22x8kbcsl1opnfh2lo9 224968 224967 2026-08-17T07:37:14Z Havang(nl) 4330 224968 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Bauduins de Sebourc par dedens l’ost entra, Il vint devant le loge, où s’amie laissa : Ses hostes n’el cognut, car ·j· autre abit a, Bien sambloit quens, ou dux, car cascuns l’onnoura ; Blanche loés que le vit, tantost le ravisa ; Telle joie ot au coer qu’en estant se leva, De le loge est issue, vers Bauduin s’en va. Li hostes saut après, pour poy qu’il n’esraga, Blanche la damoisielle, par derrière sacha ; Et parmi le cavèche tellement le tira, Ou elle voeille, ou non, à le terre versa. Puis dist : « lères prouvés, ne m’eschaperés jà ! « Vo maistrez es tués, desvestir vous faura. » Blanche prist à criier, et ·j· grant cri geta. Bauduins l’entr’oy, sa visée i geta ; Il i avoit le dent, pour chou qu’il i ama. Il desrompi la presse, au cabaret s’en va, Il a trouvé son hoste, qui Blanche remena ; Et Bauduins li crie, que point ne s’arresta : « Hostes, laissiés-le coy ! car par Dieu, vés-me chà. « Bien vous tenrai couvent. » Quant chius le ravisa. Il se mist à genoulz, et merchi li pria ; De che qu’ot despendut, dist que riens n’avera. Mais Bauduins, li bers, onques avant n’ala : Son cheval, et ses armes, à cellui présenta ; Maugré lui, et à forche, là endroit les laissa. Bauduins fu preud’oms, bien tint son couvenent ; Son cheval, et ses armes, donna isnèlement, Ensi com il avoit son hoste en convenent. D’un autre boin cheval li fist-on le présent. Bauduins fu servis, le jour, moult noblement ; Ossi fu la danselle, qu’il honnera forment ; En l’ost mainnent grant joie avironnéëment. Et li contes de Clerves ot moult le coer dolant : En son chastel se va conseillant à sa gent, </poem> |valign=top| <poem> Boudewijn van Sebourc trok het legerkamp binnen, Hij kwam voor de herberg waar hij zijn geliefde had achtergelaten: Zijn gastheer herkende hem niet, want hij had andere kledij, Hij leek wel een graaf of hertog, want eenieder eerde hem; Blanche herkende hem zodra zij hem zag; Zulke vreugde had zij in het hart dat zij overeind ging staan, (420) Uit de herberg is zij gegaan, naar Boudewijn gaat zij. De gastheer springt haar achterna, hij werd haast razend, Blanche de jonkvrouw trok hij van achteren mee; En aan haar haar trok hij haar zo hard, Dat zij, of zij wilde of niet, ter aarde viel. Toen zei hij: "Bewezen dief, je zult mij niet ontsnappen! Je meester is gedood, je zult je kleren moeten afstaan." Blanche begon te schreeuwen en slaakte een luide kreet. Boudewijn hoorde het en richtte zijn blik daarheen; Hij was er snel bij, omdat hij haar liefhad. (430) Hij doorbrak de menigte, naar de taveerne gaat hij, Hij vond zijn gastheer die Blanche wegsleepte; En Boudewijn roept hem toe, zonder te stoppen: "Gastheer, laat haar met rust! Want bij God, hier ben ik. Ik zal mijn belofte nakomen." Toen de waard hem herkende, Viel hij op zijn knieën en smeekte hem om genade; Over wat hij had uitgegeven, zei hij dat hij niets hoefde te hebben. Maar Boudewijn, de edele, ging niet verder: Zijn paard en zijn wapens overhandigde hij hem; Ondanks hem en met kracht liet hij ze daar achter. (440) Bauduijn was een rechtschapen man, hij hield zich goed aan zijn belofte; Zijn paard en zijn wapens gaf hij snel, Precies zoals hij zijn gastheer beloofd had. Een ander goed paard schonk men hem prompt. Boudewijn werd die dag zeer edel bediend; Evenzo de jonkvrouw, die hij zeer eerde; In het legerkamp maakte men alom grote vreugde. En de graaf van Kleef had een zeer droef hart: In zijn kasteel ging hij te rade met zijn volk, </poem> |}<noinclude></noinclude> blkya3onplcq4p5vp6goic0h8hkbckv Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/238 104 87910 224969 2026-08-17T07:38:09Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224969 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Comment se vengeroit de chest encombrement ; Et chil li ont dit : « sire, par Dieu omnipotent, « Sé vengier vous volés, de cest avénement ; « Si faites commander vos hommes bellement, « Sans nakaires sonner, et sans trompez d’argent, « Qu’il soient adoubet droit à l’ajournement. « S’isterons du chastel, sé Diex le nous consent, « Puis en irons as trés si très secréëment, « Ne s’em percheveront ; car ne cuident noient « Que nous doions issir de chaiens nullement, « Pour chou que nous avons perdut si laidement. « S’en seront déchéut, s’il vous plaist, temprement. » Dist li contes de Clerves : « vous parlés saigement. « Sé ne croy vo conseil, jammais Diex ne m’ament ; « Car de boin conseil croire, viennent li bien souvent. » Ensi chil du chastel s’alèrent adouber, Car on doit tout adès ses anemis grever. Lendemain au matin, sans noise démener, Issirent du chastel, sans buisines sonner : Li Alemant chevauchent, qui font à redoubter. Chil de l’ost, quant il virent le grant pont avaler, Au conte de le Marche le vont dire et conter. Adont fist ses bataillez, li contes, ordener ; ·vi· batailles a fait, li contes, deviser : Le première volt-il ses corpz propre mener ; Bauduin de Sebourc fist après lui aler ; Et puis ses ·iiij· frères, qui coer ont de sengler. En l’ost font leur buisines retentir et sonner. Et quant chil du chastel prisent à aviser Que chil de l’ost s’aloient fervestir et armer, Dont ne seurent que faire d’arrière reculer. Mais hontes si lor fu adont de retourner ; Et li conte lor prist hautement à crier : « Signour, pour Dieu, vous pri, qui se laissa péner, « En la saintisme crois, pour nous à rachater, </poem> |valign=top| <poem> Hoe hij zich zou wreken over deze tegenslag; (450) En zij zeiden hem: "Heer, bij God de Almachtige, Als u zich wilt wreken over deze gebeurtenis; Geef dan uw mannen in alle stilte bevel, Zonder pauken te slaan en zonder zilveren trompetten, Dat zij gewapend zijn precies bij het aanbreken van de dag. Dan zullen we uit het kasteel trekken, als God het ons toestaat, En dan zullen we zo heimelijk naar de tenten gaan Dat zij het niet zullen merken; want zij vermoeden niets, Noch dat wij op enige wijze vanhier zouden uitbreken, Omdat wij zo smadelijk hebben verloren. (460) Zij zullen spoedig verrast worden, als het u behaagt." De graaf van Kleef zei: "U spreekt wijselijk. Als ik uw raad niet opvolg, moge God mij nooit beteren; Want van het luisteren naar goede raad komt vaak het goede." Zo gingen zij van het kasteel zich wapenen, Want men moet altijd zijn vijanden bestrijden. De volgende morgen, zonder lawaai te maken, Trokken zij uit het kasteel, zonder bazuinen te blazen: De Duitsers rijden te paard, zij die gevreesd moeten worden. Zij van het leger, toen zij de grote brug zagen neerlaten, (470) Gingen het de graaf van de Marche vertellen en berichten. Toen liet de graaf zijn gelederen opstellen; Zes linies liet de graaf vormen: De eerste wilde hij zelf aanvoeren; Boudewijn van Sebourc liet hij achter zich gaan; En daarna zijn vier broers, die het hart van een zwijn hebben. In het legerkamp laten zij hun bazuinen weerklinken en schallen. En toen zij van het kasteel bemerkten Dat zij van het leger zich gingen wapenen en toerusten, (480) Wisten zij niet wat te doen of terug te wijken. Maar het was hun toen een schande om om te keren; En de graaf begon hun luid toe te roepen: "Heren, om Gods wil vraag ik u, die zich liet pijnigen Aan het allerheiligste kruis om ons vrij te kopen, </poem> |}<noinclude></noinclude> gf9xio4g8m0kdtxssx6tgfmfgd4spog Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/239 104 87911 224970 2026-08-17T07:40:19Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224970 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Qu’aujourd’ui me voeilliez aidier et conforter ; « Sé je pierdi ier soir, je doi hui recouvrer. « Cieus vairai aujourd’ui qui me vora amer. » Et li quens de le Marche ne s’i volt arrester ; A toutes ses bataillez, qui font à redoubter, Vint à cheulz du chastel fièrement assambler. La péussiés estour merveillous regarder ; Et maint pong, et maint pié, mainte teste coper ; L’un mort, deseure l’autre, tresbuchier et verser. Bauduins de Sebourc laist le cheval aler : Le lanche a abaissie, au fer trenchant et cler, Et fiert ·j· Alemant, qui moult fist à doubter. Tellement l’assena, sour son escu bocler, Que tout-outre le coer li fist le fer passer ; Puis a traite l’espée, ·j· autre va fraper. Nulz homs, devant ses copz, ne poet vis escaper. Li contes de le Marche i fist moult à loer ; Et tout si ·iiij· frère, qui sont biau bacheler. Et chil du chastel sont hardi comme sengler. Ensi de toutes pars les véissiés meller ; Et chiaus qui sont en vie, dessus les mors passer. Nuls n’i estoit oïs à raënchon crier : Là ne valoit monnoie, c’on vausist présenter. Mauvais est li argens, c’est légier à prouver, Qui ne poet au besoing son maistre rachater. Par devant le chastel, qu’en Alemaingne fu, C’on apelle de Clerves ; là efforchent li hu. Pour une damoiselle, se sont moult combatu ; Si en furent maint homme et mort et confondu. Signour, par femmes sont maint meschief avenu : Car puis c’uns hons en femme voet mettre son argu, Ains devenroit diables, avoecques Bregibus, Qu’il n’en viègne à s’entente ; mais tels i a tendu Qui en a estet pris, et tenus à bobu. Et li estours fu grans, parmi le pré herbu : </poem> |valign=top| <poem> Dat u mij vandaag wilt helpen en steunen; Als ik gisteravond verloor, moet ik vandaag herstellen. Degenen zal ik vandaag zien die mij willen liefhebben." En de graaf van de Marche wilde niet wachten; Met al zijn slagorden, die gevreesd moeten worden, (490) Kwam hij degenen van het kasteel trots bestrijden. Daar had u een wonderbaarlijke strijd kunnen aanschouwen; En menige hand en menige voet, menig hoofd horen afslaan; De een dood op de ander zien neervallen en storten. Boudewijn van Sebourc laat het paard gaan: De lans heeft hij neergehaald, met het scherpe en blanke ijzer, En treft een Duitser, die zeer gevreesd werd. Zo raakte hij hem op zijn ronde schild, Dat het ijzer geheel door zijn hart ging; Toen trok hij het zwaard, een ander gaat hij treffen. (500) Geen mens kon voor zijn slagen levend ontkomen. De graaf van de Marche maakte zich daar zeer te prijzen; En ook zijn vier broers, die schone jongelingen zijn. en zij van het kasteel zijn koen als zwijnen. Zo zag u hen van alle kanten strijden; En degenen die in leven zijn, over de doden heen gaan. Niemand werd daar gehoord die om losgeld riep: Daar baatte geen geld dat men wilde aanbieden. Slecht is het geld, dat is gemakkelijk te bewijzen, Dat in nood zijn meester niet kan vrijkopen. (510) Voor het kasteel, dat in Duitsland was, Dat men Kleef noemt; daar klonken de kreten luid. Om een jonkvrouw hebben zij hevig gevochten; Zodat menig man er gedood en verslagen werd. Heren, door vrouwen is menig onheil geschied: Want zodra een man zijn zinnen op een vrouw heeft gezet, Zou hij eerder een duivel worden, samen met Beëlzebub, Dan dat hij niet zijn doel bereikt; maar sommigen hebben het geprobeerd Die daarbij gevangen zijn genomen en voor gek gezet. En de strijd was groot op de grazige weide:</poem> |}<noinclude></noinclude> gp5xtpybtfdoeqea680sp8dnpleyf3b Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/240 104 87912 224971 2026-08-17T07:41:58Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224971 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Bauduins de Sebourc tint à son col l’escu, Et l’espée en le main, au bon fer esmolu ; N’a homme aconsievi, qu’il n’ait mort abatu. Chil du chastel se sont folement embatu, Car en reculant sont, jusqu’au chastel, venu ; Les eskièles au conte qui de le Marche fu, Les vont avironnant, par forche et par vertu. Et li contes de Clerves a moult grant doel éu, Quant il voit que li sien sont ensi maintenu. Chieus qui pert est dolans, onques eure ne fu. Par devant le chastel, i ot estour pesant. As crestiaus du chastel, à l’entrée devant, Fu la noble puchelle, au gent corpz avenant, Par cui ·xm· en sont à la terre gisant : Moult douchement aloit Jhésu-Crist réclamant ; Et disoit « mère Dieu, que j’ai le coer dolant, « Qu’ensi se vont chil prinche pour moi aventurant ! « Là voi ·j· chevalier, dessus ·j· cheval blanc, « Qui moult laidement va no poeple maistriant. » Et dist ·j· chevaliers : « dame, par Dieu le grant, « Ch’est li aventureus, dont on parole tant, « Qui nous desconfi hier, à l’espée trenchant ; « Laidement me navra, et me geta ou champ, « Car il copa les piés de mon boin auférant, « Et abati l’enseingne, que j’aloie portant. « Pléust à Dieu de gloire, le roy de Bethléant, « Que chaiens le tenisse, en che chastel luisant ! « Mais je le penderoie, com larron soudoïant. » Quant la puchelle l’ot, si en va Dieu jurant Que ne le vaurroit mie, pour quan qu’ell’a vaillant. La bataille fu fière ; fort sont li Alemant, Qui tinrent lorz conrois comme roy ou soudant. Li contes de le Marche estoit ou front devant ; Et li contes de Clerves, qui le coer ot vaillant, Fu par devant ses hommes, sus ·j· cheval courrant : </poem> |valign=top| <poem> Boudewijn van Sebourc hield zijn schild aan de hals, En het zwaard in de hand, met de goede geslepen kling; Geen man bereikte hij of hij sloeg hem dood neer. Zij van het kasteel hebben zich dwaas gedragen, Want al terugwijkend zijn zij bij het kasteel gekomen; De manschappen van de graaf van de Marche Omringen hen met kracht en met deugd. En de graaf van Kleef had zeer groot verdriet, Toen hij zag dat de zijnen er zo aan toe waren. Wie verliest is bedroefd, er was geen gelukkig uur. (530) Voor het kasteel was er een zware strijd. Bij de kantelen van het kasteel, bij de ingang van voren, Stond de edele maagd, met het schone, bekoorlijke lichaam, Om wie er tienduizend op de aarde liggen: Zeer teder ging zij Jezus Christus aanroepen; En zei: "Moeder Gods, wat heb ik een droef hart, Dat deze prinsen zich zo om mij in het gevaar storten! Daar zie ik een ridder op een wit paard, Die ons volk zeer hardvochtig teistert." En een ridder zei: "Dame, bij God de Grote, (540) Dat is de avonturier van wie men zoveel spreekt, Die ons gisteren versloeg met het scherpe zwaard; Smadelijk verwondde hij mij en wierp mij in het veld, Want hij hieuw de hoeven van mijn goede paard af, En wierp het vaandel om dat ik droeg. Mocht het God de glorie behagen, de Koning van Bethlehem, Dat ik hem hierbinnen hield, in dit schitterende kasteel! Dan zou ik hem ophangen als een plunderende huursoldaat." Toen het meisje dat hoorde, zwoer zij bij God Dat zij dat niet zou willen voor al wat zij bezit. (550) De strijd was fel; sterk zijn de Duitsers, Die hun gelederen hielden als een koning of sultan. De graaf van de Marche was in het voorste gelid; En de graaf van Kleef, die een koen hart had, Was voor zijn mannen, op een rennend paard: </poem> |}<noinclude></noinclude> q8ie7s2ig1vjtyi1fatb7zhnfw8i0qo Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/241 104 87913 224972 2026-08-17T07:44:16Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224972 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Voit li quen de le Marche, qui le va manechant, Il demande une lanche, on li va présentant ; Et li quens de la Marche en va une empoingnant. Puis brochent les chevaus, des esperons trenchant, Li doy conte se vont ès estriers affichant ; Les lanches abaissièrent, puis vinrent abrochant ; Et de corpz, et de pis, se vont entr’acointant. Des lanches se férirent, par itel couvenant ; Li contes de le Marche le va bien assenant, Et li contes de Clerves ne va mie falant. Les lanches trespassèrent, par itel essiant, Qu’entre fie et pomun en vont li fer passant. Li quens de Clerves chiet à terre mort sanglant. Et li quens de le Marche ne vaut pas miex ·j· gant, Onques puis ne mengua, ès jours de son vivant, Il est chéus à terre. Bauduins saut avant : Le conte releva ; s’ochist maint Alemant. Bauduins li demande : « com vous est couvenant ? » Dist li quens : « je sui mors ! à Jhésu me commant. « Jou en ai dou pieur, j’ai alet trop avant ! » Atant vinrent si frère, à esporon brochant. Li doy prinche de l’ost se sont mal encontré ; Li un gist mors à terre, l’autres n’a pas santé. Bauduins de Sebourc ot moult le coer iré, Et li frère du conte l’ont forment regrété. Dont se sont vistement chil de l’ost rasamblé. Bauduins de Sebourc a l’estandart porté Dès-si jusques au pont de la grant fremeté : Là furent Alemant tellement atrapé, Que tout i furent mort, et à leur fin alé. Adont ont au chastel si grant assaut livré Qu’il ont, par vive forche, rempli le grant fossé ; Il n’est qui le défende, tout sont mort et tué. Et chastiaus ne vaut riens, s’on ne l’a bien gardé. Au chastel assalir fu moult grans li chimbiaus : </poem> |valign=top| <poem> Hij ziet de graaf van de Marche, die hem bedreigt, Hij vraagt om een lans, men overhandigt hem die; En de graaf van de Marche grijpt er een. Toen sporen zij de paarden aan met de scherpe sporen, De twee graven zetten zich schrap in de stijgbeugels; (560) De lansen haalden zij neer, toen kwamen zij aangerend; En met lichaam en borst troffen zij elkaar. Met de lansen troffen zij elkaar met zo'n vaart; De graaf van de Marche raakte hem goed, En de graaf van Kleef miste evenmin. De lansen drongen door, met dien verstande, Dat tussen lever en longen de ijzers binnendrongen. De graaf van Kleef valt bloedend dood ter aarde. En de graaf van de Marche was niet beter af, Nooit meer at hij in de dagen van zijn leven, (570) Hij is ter aarde gevallen. Boudewijn springt naar voren: De graaf hief hij op; hij doodde menige Duitser. Boudewijn vraagt hem: "Hoe is het met u?" De graaf zei: "Ik ben stervende! Aan Jezus beveel ik mij. Ik heb het onderspit gedolven, ik ben te ver gegaan!" Toen kwamen zijn broers met de sporen aansporen. De twee prinsen van het leger hebben elkaar slecht getroffen; De een ligt dood ter aarde, de ander heeft geen gezondheid meer. Boudewijn van Sebourc had een zeer toornig hart, En de broers van de graaf hebben hem luid beklaagd. (580) Toen hebben zij van het leger zich snel herenigd. Boudewijn van Sebourc heeft de standaard gedragen Tot aan de brug van de grote vesting: Daar werden de Duitsers zodanig in het nauw gedreven, Dat allen stierven en aan hun einde kwamen. Toen hebben zij het kasteel zo'n grote stormloop bezorgd Dat zij met pure kracht de grote gracht vulden; Er is niemand die het verdedigt, allen zijn dood en gedood. En een kasteel is niets waard als het niet goed bewaakt wordt. De bestorming van het kasteel was een zeer groot gevecht: </poem> |}<noinclude></noinclude> 7064p7u4d09kuq21x0enq1r08n5ossa Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/242 104 87914 224973 2026-08-17T07:46:49Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224973 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Bien s’i va esprouvant, Bauduins li dansiaus ; Grandes pières getoient, chil qui sont à crestiaus, Pochons de vive chaus, et de fer grans barriaus ; Et Bauduins escrie : « aportés bois et baus ; « Si carpentez eskièles, pour monter à muraus. « Jammais n’en partirai, s’ert à nous li chastiaus ! » Adont vont carpentant, et copant ches fraisniaus ; ·xxx· eskièles ont faitez, de mairiens grans et haus. A murs les apoïèrent, encontre les quaillaus : Là veissiés monter plenté de bons vassaus ! Meïsmes Bauduins i souffri grans travaus. Es garites entra Bauduins, li loyaus : A l’espée trenchant, dont d’or est li pommiaus, Trenche à cheulz dedens testes et hateriaus. Maugrez cheulz du chastel, fist-il tel voie entr’iaus Que chil qui as eskièles montoient as crestiaus, Entrèrent par dedens. Che ne fu pas réviaus Pour cheus qui furent ens ; pas li geus ne fu biaus. De le porte couliche levèrent les barriaus, Si ont le porte ouverte ; là fu grans li chembiaus : Li mort et li navret gisoient par monchiaus ; Li pons fu avalés, qui estoit levés haus. Chil de l’ost i entrèrent ; tout misent as coutiaus, Fors que la damoisielle, qui se rendi à iaus. Li ·iiij· frère à conte i ont pris leurz hostiaus ; Le conte i aportèrent, qui moult souffroit de maus : Car il estoit lanchiés, tout parmi les boïaus, D’une lanche achiérée, dont bon fu li coutiaus, Quant onques n’i valut haubert, né tourniquiaus. Li contes sent le mort, qui tant est créminaus. Vous poés bien savoir que c’estoit grans travaus ; Savoir le nous faurra, c’est nos derrains assaus ! Par l’enfant Bauduin, qui tant fist à doubter, Conquisent le chastel li noble bacheler. Bauduins fist s’amie noblement hosteler, </poem> |valign=top| <poem> Baudouin de jongeling bewees daar zijn moed; Zij die op de kantelen stonden, wierpen grote stenen, Potten met levende kalk en grote ijzeren staven; En Baudouin riep: « Breng hout en balken; « En timmer ladders om de muren te beklimmen.590 « Nooit zal ik hiervandaan vertrekken voor het kasteel van ons is! » Toen gingen zij timmeren en hakten deze essenboompjes om; ·xxx· ladders hebben zij gemaakt, van grote en hoge balken. Tegen de muren zetten zij ze overeind, tegen de stenen in: Daar kon men een menigte goede vazallen zien klimmen! Baudouin zelf leed er grote ontberingen. In de wachttorens ging Baudouin binnen, de loyale: Met het scherpe zwaard, waarvan de pommel van goud is, Klooft hij bij degenen daarbinnen de hoofden en de nekken. Ondanks degenen van het kasteel sloeg hij zo'n bres tussen hen600 Dat zij die met de ladders naar de kantelen klommen, Binnenkwamen. Dat was geen pretje Voor degenen die daarbinnen waren; het spel was niet mooi. Van de valpoort hieven zij de grendels op, En zo hebben zij de poort geopend; daar was het gevecht groot: De doden en de gewonden lagen er bij hopen; De brug werd neergelaten, die hoog opgetrokken was. Zij van het leger trokken er binnen; alles stelden zij aan het mes, Behalve de jonkvrouw, die zich aan hen overgaf. De ·iiij· broers van de graaf namen er hun intrek;610 De graaf brachten zij erheen, die zeer veel pijn leed: Want hij was doorboord, dwars door de ingewanden, Met een stalen lans, waarvan de kling goed was, Waartegen maliënkolder noch harnasrok hielp. De graaf voelt de dood, die zo angstaanjagend is. U kunt wel weten dat het een zware beproeving was; We zullen het moeten weten, het is onze laatste stormloop! Door het kind Baudouin, die zozeer te vrezen was, Veroverden de edele bacheliers het kasteel. Baudouin liet zijn geliefde adellijk herbergen,620 </poem> |}<noinclude></noinclude> 44efmcjwx5rqrxzzgu7wztja0unkhjb Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/243 104 87915 224974 2026-08-17T07:48:32Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224974 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> En abit d’escuïer l’avoit faite aourner. Li contes de le Marche fist ses frères mander ; Et Bauduin aussi ; et la dame, au vis cler, Que li contes de Clerves li fist jadis rober ; « Signour, » che dist li contes, « voeilliez moi escouter : « Je sens au coer la mort, je n’en puis escaper ! « Jà ne verrai le vespre, né soleil esconser ; « Car au coer sui férus, on ne m’en poet saner. « Damoisielle gentis, moult vous en doit peser, « Mais je ne vous en sai chiertes que demander ; « Che n’est mie par vous, chou est chertain et cler, « Ains fu par le traïtre, qui vint vo corpz embler. « Il vous fist, maugret vous, sur son ceval monter ; « Et en che chastel-chi vous fist-il amener. « Rescourre vous cuidai, et bien reconquester ; « Or est venus meskief dessus moi contourner, « Qu’il me faurra morir, et du siècle finer. « Mais je me sui vengiés, Diex m’el puist pardonner ! « Car j’ai le conte fait du siècle trespasser. « Or ne vous porrai, dame, à moullier espouser ; « Mais enchois que je muire, vous vaurrai marier « Au plus hardi du monde, si lonc c’on puist aler. « Bauduins, biaus dous sire, venés à moi parler : « Vous arés cascun an, tant com porrés durer, « Sus ma noble contrée, mil mars à dispenser ; « Et s’arés che chastel ; et la dame, au vis cler. « Car sachiés que je muir, venés moi acoler ! « Le mort sens, dous amis, hélas c’est à l’aler. » « Sire, » dist Bauduins, « voeilliez à Dieu penser ; « Ne vous doit souvenir fors de Dieu aourer, « Ni à biens de che siècle ne devez point viser. « N’est c’uns trespas devent, en che siècle rengner ! « Après vous, biaus dous sire, nous faurra tous aler. » « Déables i ait part ! » dist li quens, au vis cler, Quant il faut que la tresque il me faurra mener. » </poem> |valign=top| <poem> In het gewaad van een schildknaap had hij haar laten kleden. De graaf van de Marche liet zijn broers ontbieden; En Baudouin ook; en de dame met het heldere gezicht, Die de graaf van Kleef destijds van hem had laten roven; « Heren, » zo sprak de graaf, « wilt naar mij luisteren: « Ik voel de dood in mijn hart, ik kan er niet aan ontsnappen! « Nooit zal ik de avond zien, noch de zon zien ondergaan; « Want in het hart ben ik getroffen, men kan mij er niet van genezen. « Edele jonkvrouw, dit moet u zeer zwaar vallen, « Maar ik weet werkelijk niet wat ik u hierom moet vragen;630 « Het ligt geenszins aan u, dat is zeker en duidelijk, « Maar het kwam door de verrader, die uw lichaam kwam stelen. « Hij deed u, tegen uw wil, op zijn paard stijgen; « En naar dit kasteel hier heeft hij u gebracht. « Ik dacht u te redden en goed te heroveren; « Nu is het onheil over mij gekomen, « Zodat ik moet sterven en uit deze wereld scheiden. « Maar ik heb mij gewroken, moge God het mij vergeven! « Want ik heb de graaf uit de wereld doen heengaan. « Nu zal ik u, dame, niet als echtgenote kunnen trouwen;640 « Maar voordat ik sterf, wil ik u uithuwelijken « Aan de dapperste ter wereld, zo ver men ook reizen kan. « Baudouin, mooie lieve heer, kom met mij spreken: « U zult elk jaar, zolang als u leven mag, « Over mijn edele land duizend mark te besteden hebben; « En u zult dit kasteel hebben; en de dame met het heldere gezicht. « Want weet dat ik sterf, kom mij omarmen! « De dood voel ik, lieve vriend, helaas het is tijd om te gaan. » « Heer, » sprak Baudouin, « wilt aan God denken; « U moet aan niets anders denken dan God te aanbidden,650 « En op de goederen van deze wereld moet u zich helemaal niet richten. « Het leven in deze wereld is slechts een voorbijgaande zaak! « Na u, mooie lieve heer, zullen wij allemaal moeten gaan. » « De duivel mag er deel aan hebben! » sprak de graaf met het heldere gezicht, « Nu het moet dat ik de reidans zal moeten leiden. » </poem> |}<noinclude></noinclude> jtnu2r4xc83nh2nvtwo2tky8cd69z3o Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/244 104 87916 224975 2026-08-17T07:49:57Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224975 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Li contes sent la mort, qui durement l’aigrie ; Il estoit si dolans qu’il laist sa signourrie, Ne li souvint de Dieu, né de sainte Marie : La journée morut, ains l’eure de Complie. Si frère font grant doel : le char ont sevelie ; Le messe font chanter, par grande signourrie. Dieus ! que la dame estoit à son coer courrechie ! Mais pour Bauduin fu à son coer resjoïe ; Bien le cuidoit avoir, la dame, en sa partie, Et disoit : « mère Dieu ! fiex de la Vierge lie ! « Qui che biau bacheler aroit en sa baillie, « Eureuse seroit ! car de chevalerie « Est li plus souverains, de ceste mortel vie. » Li ·iiij· frère au conte, dont je vous sénéfie, Ont dit à Bauduin, qui le chière ot hardie : « Sire francz chevaliers, l’honneur vous est jugie « De ceste dame chi, qui de biauté flambie, « Si l’arés à moullier ; elle est de grant lignie. » « Signour, » dist Bauduins, « vous dites courtoisie. « La dame est souffissans, de grant avoir garnie ; « Mais ne le puis avoir, par Dieu le fil Marie : « Car j’ai femme espousée, si que je ne voel mie « Le nom de saint Aubin avoir, à ceste fie. « Signour, » dist Bauduins, qui coer ot de lion, « Je ai dame espousée, qui est de grant renon ; « Et pour che que je voeil que croire m’en puist-on, « Je le vous monstrerai, sans nulle arrestison. » Dont fist Blanche venir, en abit d’un baron ; Lors le fist desvestir, jusques au pelichon. Quant li prinche le virent, si ont dit à haut ton : « Par ma foy, Bauduins, plains estes de raison ; « En vous maint loyautez, sens, et discrétion. « Jammais ne vous faurrons, par nulle entention ; « Et sé venir vous plaist, en nostre région, « De nostre signourrie averés vo parchon. » </poem> |valign=top| <poem> De graaf voelt de dood, die hem zwaar kwelt; Hij was zo bedroefd dat hij zijn heerschappij achterlaat, Hij dacht niet aan God, noch aan de heilige Maria: Diezelfde dag stierf hij, nog voor het uur van de Complie. Zijn broers maken groot rouwbetoon: het lichaam hebben zij begraven;660 De mis laten zij zingen, met grote pracht en praal. God! Wat was de dame in haar hart bedroefd! Maar vanwege Baudouin was zij in haar hart verheugd; Zij dacht hem wel te krijgen, de dame, als haar deel, En sprak: « Moeder Gods! Zoon van de blijde Maagd! « Wie deze mooie bachelier in haar bezit zou hebben, « Zou gelukkig zijn! Want van de ridderlijkheid « Is hij de allerhoogste, in dit sterfelijke leven. » De ·iiij· broers van de graaf, waarover ik u vertel, Hebben tegen Baudouin gezegd, die een koene blik had:670 « Heer edele ridder, de eer is u toebedeeld « Van deze dame hier, die straalt van schoonheid, « Dus u zult haar als echtgenote hebben; zij is van groot geslacht. » « Heren, » sprak Baudouin, « u spreekt hoofs. « De dame is voortreffelijk, voorzien van groot bezit; « Maar ik kan haar niet hebben, bij God de zoon van Maria: « Want ik heb een vrouw getrouwd, zodat ik geenszins « De naam van Sint-Aubin wil dragen, ditmaal. « Heren, » sprak Baudouin, die het hart van een leeuw had, « Ik heb een dame getrouwd, die van grote faam is;680 « En omdat ik wil dat men mij hierin geloven kan, « Zal ik haar aan u tonen, zonder enig uitstel. » Toen liet hij Blanche komen, in de kleding van een baron; Vervolgens liet hij haar uitkleden, tot aan het onderkleed. Toen de prinsen haar zagen, zeiden zij met luide stem: « Bij mijn geloof, Baudouin, u bent vol van rede; « In u huist loyaliteit, verstand en discretie. « Nooit zullen wij u in de steek laten, met geen enkele bedoeling; « En als het u behaagt om naar onze regio te komen, « Zult u uw deel van onze heerschappij hebben. »690 </poem> |}<noinclude></noinclude> b29elcyvcb8kxpnoa0f9zq7efdrr6yx Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/245 104 87917 224979 2026-08-17T09:33:35Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224979 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Signour, » dist Bauduins, « ne dites sé bien non : « Mais je m’en voeil r’aler dedens ma région. « Chi prens congiet à vous, franc nobile baron. » Adont li ont donnet, li chevalier, maint don : Et or fin et argent, li baillent à foison ; ·j· sommier de denier tantost li querqua-on. Bauduins, li gentis, en fist départison. O lui ·iiij· escuïer, d’icelle région, Du païs se parti. Assez le convoi-on ; A Dieu le commandèrent, qui soufri pation. Et Bauduins chevauche, o lui si compaignon, O lui Blanche s’amie, qui clère ot le fachon. A ·j· port de mer vinrent, où il ot ·j· dromon, Où pélerin estoient, qui sont de che roïon ; Qui devoient aler au temple Salemon, Où Diex resuscita, pour no redemption. Là prist à Bauduin grande dévotion D’aler outre la mer, sans nulle arrestison ; Dist qu’il ira véoir Godefroy de Buillon. La belle en apella, sé li dist à bas son : « Belle, je vous dirai le moie entention ; « Ne poons demourrer ichi longue saison, « Que li contes de Flandre n’en sache l’ocoison. « Sé delà mer estiens, nous n’ariens sé bien non, « Sachiés je viveroie, sans nulle souspechon. » Et la dame respont : « à Dieu bénéichon ! « G’irai lo vous vaurrés, à vo devision ; « Car la dame doit faire le gret de son baron, « Et s’elle ne le fait, n’i a nul boin coron. » Bauduins de Sebourc fist tant au maronnier, Qu’il entra en le mer, qui fait à résoingner. A Dieu se commanda, qui tout a à jugier. Oïés de la dansèle, qui tant fist à prisier : Quant elle vit le mer, et senti le gravier, Le mer li fist si mal bien cuida esragier ; </poem> |valign=top| <poem> « Heren, » sprak Baudouin, « u spreekt louter goeds: « Maar ik wil terugkeren naar mijn eigen regio. « Hier neem ik afscheid van u, edele vrije baronnen. » Toen hebben de ridders hem vele geschenken gegeven: En puur goud en zilver geven zij hem in overvloed; ·j· lastpaard met geld laadde men direct voor hem op. Baudouin, de edele, deed er de uitdeling van. Met hem ·iiij· schildknapen uit die regio, Vertrok hij uit het land. Men geleidde hem een heel stuk; Aan God bevalen zij hem aan, die het lijden onderging.700 En Baudouin rijdt te paard, met hem zijn metgezellen, Met hem Blanche zijn geliefde, die een helder gelaat had. Bij een zeehaven kwamen zij, waar een dromon lag, Waar pelgrims waren, die uit dat rijk kwamen; Die naar de tempel van Salomo moesten gaan, Waar God herrees, voor onze verlossing. Daar overkwam Baudouin een grote devotie Om de zee over te steken, zonder enig uitstel; Hij zei dat hij Godfried van Bouillon zou gaan opzoeken. De schone riep hij bij zich, en zei zachtjes tegen haar:710 « Schone, ik zal u mijn bedoeling vertellen; « We kunnen hier niet lang verblijven, « Zonder dat de graaf van Vlaanderen de reden ervan te weten komt. « Als wij aan de overkant van de zee waren, zouden wij louter goeds hebben, « Weet dat ik daar zou leven, zonder enige achterdocht. » En de dame antwoordt: « Gods zegen! « Ik zal gaan waar u wilt, naar uw believen; « Want de dame moet de wil van haar man doen, « En als zij dat niet doet, loopt het niet goed af. »718 Baudouin de Sebourc deed zozeer zijn best bij de zeeman,720 Dat hij de zee op ging, die ontzag inboezemt. Aan God beval hij zich aan, die over alles heeft te oordelen. Hoort over de jonge dame, die zozeer te prijzen was: Toen zij de zee zag en het zand voelde, Maakte de zee haar zo ziek dat zij dacht krankzinnig te worden; </poem> |}<noinclude></noinclude> lhvri0xaqcm4thb56ule42nbn5qko36 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/246 104 87918 224980 2026-08-17T09:39:51Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Si ne pooit durer, né boire, né mengnier. Bauduins fu dolans, n’i ot que courrechier ; Les conduiseurs du mast emprist à araisnier : « Signour, » dist Bauduins, « pour Dieu vous voeil prier, « Qu’au plus tost que porrés vo neif faire nagier « Pour estre à sèche terre, voelliés-ent esploitier. « Ma femme voelt morir, ne se poet mais aidier ; « Il samble c’on le voie à la mort travaillier. « S’elle moert chi e… 224980 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Si ne pooit durer, né boire, né mengnier. Bauduins fu dolans, n’i ot que courrechier ; Les conduiseurs du mast emprist à araisnier : « Signour, » dist Bauduins, « pour Dieu vous voeil prier, « Qu’au plus tost que porrés vo neif faire nagier « Pour estre à sèche terre, voelliés-ent esploitier. « Ma femme voelt morir, ne se poet mais aidier ; « Il samble c’on le voie à la mort travaillier. « S’elle moert chi endroit, moi verrés marnoïer ; « Je n’i déporterai pélerin, né paumier, « Qu’à mes ·ij· poingz ne voise leur chervélez froissier. » Quant chil l’ont entendu en iaus n’ot qu’esmaïer. Li maronnier ont fait leur chalant arriver Au plus prochain païs qu’il seurent aviser ; C’est li païs de Frize, si com j’oïs conter. Là descendi à terre Bauduins, au coer ber ; Blanche, sa douche amie, fist à cheval monter. Et li ·iiij· escuïer commenchent à esrer. Quant Blanche vint à terre, soi prist à repozer ; Car Bauduins le fist ·xv· jours demourrer A le première ville que li bers pot trouver. Si bien pensa de lui, c’on ne l’en pot blasmer. Et puis isnèlement se volt acheminer : Par le païs de Frize commenchent à esrer, Tant c’une ville virent, qui moult fist à loer ; On l’apelle Lusarches, si com j’oïs conter, En le ville s’en vont pour iaus à hosteler. La ville fu moult forte, ch’ai oï recorder. En celle ville là, dont vous m’oés parler, Furent li traïtour, que Diex puist craventer, Que Gaufroi i tramist, pour ses gens desrober : Or aproche li tamps, qu’il aront à porter. Il n’est tampz, né saison, c’on ne voie passer ; Légièrement le passent chil qui ont à disner. Bauduins de Sebourc en Lusarches entra : </poem> |valign=top| <poem> Zij kon het niet uithouden, noch drinken, noch eten. Baudouin was bedroefd, er was niets dan toorn; De leiders van de mast begon hij aan te spreken: « Heren, » sprak Baudouin, « om Gods wil wil ik u bidden, « Dat u zo snel als u kunt uw schip laat varen730 « Om op het droge land te zijn, wilt daartoe spoed maken. « Mijn vrouw wil sterven, zij kan zichzelf niet meer helpen; « Het lijkt alsof men haar met de dood ziet worstelen. « Als zij hier ter plekke sterft, zult u mij razend zien worden; « Ik zal pelgrim noch palmer ontzien, « Of ik ga met mijn ·ij· vuisten hun hersens inslaan. » Toen zij dit hoorden, was er bij hen louter ontzetting. De zeelieden hebben hun schuit laten aanmeren Bij het dichtstbijzijnde land dat zij wisten te ontdekken; Dat is het land van Friesland, zo vernam ik het vertellen.740 Daar ging Baudouin aan land, met zijn dappere hart; Blanche, zijn lieve vriendin, liet hij te paard stijgen. En de vier schildknapen begonnen voort te reizen. Toen Blanche aan land kwam, nam zij haar rust; Want Baudouin liet haar vijftien dagen verblijven In de eerste stad die de held kon vinden. Zo goed zorgde hij voor haar, dat men hem er niet om berispen kon. En daarna wilde hij zich snel op weg begeven: Door het land van Friesland van beginnen zij te trekken, Totdat zij een stad zagen, die zeer te prijzen was;750 Men noemt haar Lusarches, zo vernam ik het vertellen, Naar de stad gaan zij om zich te herbergen. De stad was zeer sterk, dat heb ik horen vertellen. In die stad daar, waarover u mij hoort spreken, Waren de verraders, moge God hen vernietigen, Die Gaufroi daarheen stuurde, om zijn mensen te beroven: De tijd nadert dat zij het moeten dragen. Er is geen tijd of seizoen dat men niet ziet passeren; Zij die gaan dineren passeren de tijd vlot. Bauduins de Sebourc trok Lusarches binnen :760 </poem> |}<noinclude></noinclude> 40q3yuw4745f4zbegzja4hd9ddfhgpn 224982 224980 2026-08-17T09:50:29Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224982 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Si ne pooit durer, né boire, né mengnier. Bauduins fu dolans, n’i ot que courrechier ; Les conduiseurs du mast emprist à araisnier : « Signour, » dist Bauduins, « pour Dieu vous voeil prier, « Qu’au plus tost que porrés vo neif faire nagier « Pour estre à sèche terre, voelliés-ent esploitier. « Ma femme voelt morir, ne se poet mais aidier ; « Il samble c’on le voie à la mort travaillier. « S’elle moert chi endroit, moi verrés marnoïer ; « Je n’i déporterai pélerin, né paumier, « Qu’à mes ·ij· poingz ne voise leur chervélez froissier. » Quant chil l’ont entendu en iaus n’ot qu’esmaïer. Li maronnier ont fait leur chalant arriver Au plus prochain païs qu’il seurent aviser ; C’est li païs de Frize, si com j’oïs conter. Là descendi à terre Bauduins, au coer ber ; Blanche, sa douche amie, fist à cheval monter. Et li ·iiij· escuïer commenchent à esrer. Quant Blanche vint à terre, soi prist à repozer ; Car Bauduins le fist ·xv· jours demourrer A le première ville que li bers pot trouver. Si bien pensa de lui, c’on ne l’en pot blasmer. Et puis isnèlement se volt acheminer : Par le païs de Frize commenchent à esrer, Tant c’une ville virent, qui moult fist à loer ; On l’apelle Lusarches, si com j’oïs conter, En le ville s’en vont pour iaus à hosteler. La ville fu moult forte, ch’ai oï recorder. En celle ville là, dont vous m’oés parler, Furent li traïtour, que Diex puist craventer, Que Gaufroi i tramist, pour ses gens desrober : Or aproche li tamps, qu’il aront à porter. Il n’est tampz, né saison, c’on ne voie passer ; Légièrement le passent chil qui ont à disner. Bauduins de Sebourc en Lusarches entra : </poem> |valign=top| <poem> Zij kon het niet uithouden, noch drinken, noch eten. Baudouin was bedroefd, er was niets dan toorn; De leiders van de mast begon hij aan te spreken: « Heren, » sprak Baudouin, « om Gods wil wil ik u bidden, « Dat u zo snel als u kunt uw schip laat varen730 « Om op het droge land te zijn, wilt daartoe spoed maken. « Mijn vrouw wil sterven, zij kan zichzelf niet meer helpen; « Het lijkt alsof men haar met de dood ziet worstelen. « Als zij hier ter plekke sterft, zult u mij razend zien worden; « Ik zal pelgrim noch [[SIC|palmdrager|pelgrim na terugkeer]] ontzien, « Of ik ga met mijn twee vuisten hun hersens inslaan. » Toen zij dit hoorden, was er bij hen louter ontzetting. De zeelieden hebben hun schuit laten aanmeren Bij het dichtstbijzijnde land dat zij wisten te ontdekken; Dat is het land van Friesland, zo vernam ik het vertellen.740 Daar ging Baudouin aan land, met zijn dappere hart; Blanche, zijn lieve vriendin, liet hij te paard stijgen. En de vier schildknapen begonnen voort te reizen. Toen Blanche aan land kwam, nam zij haar rust; Want Baudouin liet haar vijftien dagen verblijven In de eerste stad die de held kon vinden. Zo goed zorgde hij voor haar, dat men hem er niet om berispen kon. En daarna wilde hij zich snel op weg begeven: Door het land van Friesland van beginnen zij te trekken, Totdat zij een stad zagen, die zeer te prijzen was;750 Men noemt haar Lusarches, zo vernam ik het vertellen, Naar de stad gaan zij om zich te herbergen. De stad was zeer sterk, dat heb ik horen vertellen. In die stad daar, waarover u mij hoort spreken, Waren de verraders, moge God hen vernietigen, Die Gaufroi daarheen stuurde, om zijn mensen te beroven: De tijd nadert dat zij het moeten dragen. Er is geen tijd of seizoen dat men niet ziet passeren; Zij die gaan dineren passeren de tijd vlot. Bauduins de Sebourc trok Lusarches binnen :760 </poem> |}<noinclude></noinclude> myr4oljbuy4yis1qy1rsjxezziphg3l Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/247 104 87919 224981 2026-08-17T09:43:19Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224981 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Parmi le maistre porte, vers le marchiet s’en va ; Regarde les hosteus, auquel il se traira. Atant ès ·j· garchon, qui haut li escria : « Sire, descendez chi ; on vous herbergera, « Et si arés tout chou, sire, qu’il vous plaira. » Et quant Bauduins l’ot, tantost s’i acorda : Du cheval descendi, que plus n’i arresta, Il est venus à Blanche ; douchement l’embracha, Dou cheval, où elle iert, esroment le r’osta. Entrés est en l’ostel ; et l’ostesse trouva Qui, sus une chaïère, moult tenrement ploura. Quant Bauduins le voit, esrant li demanda : « Dame, pour Dieu, qu’avés ? ne le me chélés jà. « Moult démenés grant doel, par Dieu qui me fourma ! « Est vostres maris mors, qui vo corpz espousa ? » « Nénil, » che dist la dame, qui grant doel démena, « Ciertes, s’il estoit mors je n’en ploroie jà ; « Ains pleure d’autre choze, dont mes coers dolour a, « Et si croi que mes corpz, tous vis, esragera. « Si vous dirai pour coi li coers me partira : « Je ai une pucelle, que li miens corpz porta, « Or est-elle plévie ; demain espousera. « De chi, tout maintenant, ·j· traïtres s’en va ; « Si dist qu’avoec ma fille, à nuit, se couchera, « Sé il n’a la moitiet qu’en mariage ara. « Je li ai en couvent qu’à nuit il avera « Ou me fille, ou l’argent ; dont mes coerz dolour a. « L’un des ·ij· couvient faire, ne sai qu’il m’avenra ? « Ciertes, j’esragerai sé mes avoirs i va ; « Et encor plus, de ma fille il m’anoiëra. « Fel sont li traïtour ; jusqu’à ·iij· en i a, « Lassus, en che chastel. Chertes qui leur faurra, « Né moebles, né chateus, il ne nous demourra. « Que maudis soit nos sires ! qui chi les envoïa, « Pour rober le païs, il l’ont honni piècha. </poem> |valign=top| <poem> Door de hoofdpoort gaat hij naar de markt; Kijkt naar de herbergen waar hij heen zal gaan. Ondertussen roept een jongen hem luidruchtig toe: « Heer, stijg hier af; men zal u herbergen, « En u zult alles hebben, heer, wat u behaagt. » En toen Bauduins het hoorde, stemde hij meteen toe: Van het paard steeg hij af, zonder langer te wachten. Hij is naar Blanche gegaan; teder omarmde hij haar, Van het paard waarop zij zat, tilde hij haar snel af. Binnengekomen is hij in de herberg; en vond de waardin770 Die, op een stoel, zeer bitter weende. Toen Bauduins haar zag, vroeg hij haar terstond: « Dame, om Gods wil, wat bezielt u? Verberg het mij niet. « U toont zulk groot verdriet, bij God die mij schiep! « Is uw echtgenoot dood, die uw lichaam trouwde? » « Welnee, » zei de dame, die groot verdriet toonde, « Zeker, als hij dood was zou ik er niet om huilen; « Maar ik huil om iets anders, waar mijn hart pijn van heeft, « En ik geloof dat mijn lichaam, levend, gek zal worden. « Ik zal u zeggen waarom mijn hart zal breken:780 « Ik heb een meisje, dat mijn lichaam droeg, « Nu is zij verloofd; morgen zal zij trouwen. « Van hier, net op dit moment, gaat een verrader weg; « Die zegt dat hij vannacht bij mijn dochter zal slapen, « Als hij niet de helft heeft van wat zij als huwelijk meekrijgt. « Ik heb hem beloofd dat hij vannacht zal hebben « Ofwel mijn dochter, ofwel het geld; waar mijn hart pijn van heeft. « Een van de twee moet gebeuren, ik weet niet wat mij overkomt? « Zeker, ik word gek als mijn bezit eraan gaat; « En nog meer zal het mij kwetsen om mijn dochter.790 « Slecht zijn de verraders; tot drie toe zijn er, « Daarboven, in dat kasteel. Zeker wie hen tekortdoet, « Noch roerend goed, noch huizen zal ons overblijven. « Moge onze heer vervloekt zijn! die hen hierheen stuurde, « Om het land te beroven, zij hebben het allang geruïneerd. </poem> |}<noinclude></noinclude> as8sqxqlw6xuvwd7bqc6aej91zelhfq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/248 104 87920 224983 2026-08-17T09:56:32Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224983 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Si m’aït Diex de gloire, fuïr nous en faura. » Adont détort ses poingz, et ses cheveus tira ; Onques mais nulle dame si grant doel ne mena. Quant Bauduins le voit, forment li anoïa, Il en ot grant pitiet, quant la dame esgarda ; Lors li dist douchement, que point ne li chéla : « Dame, ne plourés plus, car Diex vous aidera. « Que par cellui Signour, qui sa mort pardonna, « En le paine morrai, où el en avenra ; « Car che mauvais usaige mes corpz abatera ! « Vos champions serai, et tous cheulz par dechà. « As traïtours irai savoir c’on me dira ; « Telz me porra desdire la teste me laira. « Onques si fait usage Jhésus ne commanda ! « Ch’est encontre droiture, si que Diex m’aidera. » « Sire, » che dist la dame, « preud’ons vous engenra. « Et s’esploitier poés che que vos corpz dit m’a, « Tant vous donrai du mien car il vous souffira. » « Dame, » dist Bauduins, « denier n’en arai jà. « Bien ferai le besoingne si que bien vous plaira. « Du vostre ne voel riens, né crois n’en arai jà ; « Mais que j’aie blans dras, quant on se couchera. « Dame, » dist Bauduins, « laissiés vostre plourer ; « Car Jhésus vous poet bien aidier et conforter. » Adont va vistement, en la loge, monter. Li vallet vont le vin à le table aporter : Et Bauduins s’assist ; et le belle, au vis cler ; Et li ·iiij· escuïer sont assis au disner. Et la dame lor va de ses biens présenter. Atant est ·j· sergant qui commenche à crier ; Le dame saut avant, si li va demander : « Sire, que volés-vous ? n’el me voeillés cheller. » Et li sergans respont : « il me convient mener « Vo fille, avoeques moy, à Garsile parler, « Qu’avoeques li vorra ceste nuit repozer ; </poem> |valign=top| <poem> « Zo helpe mij de God van de glorie, vluchten zullen wij moeten. » Dan wringt zij haar handen en trekt aan haar haren; Nooit tevoren toonde een dame zo'n groot verdriet. Toen Bauduins haar zag, ergerde het hem hevig, Hij kreeg groot medelijden toen hij de dame bekeek;800 Toen zei hij haar teder, zonder iets te verbergen: « Dame, huil niet meer, want God zal u helpen. « Want bij die Heer, die zijn dood vergaf, « In de strijd zal ik sterven, of het zal slagen; « Want dit slechte gebruik zal mijn lichaam neerslaan! « Uw kampioen zal ik zijn, en van iedereen hier. « Naar de verraders zal ik gaan om te horen wat men mij zegt; « Wie mij durft tegen te spreken zal zijn hoofd achterlaten. « Nooit heeft Jezus zo'n gebruik bevolen! « Het is tegen het recht, zo waar God mij helpe. »810 « Heer, » zei de dame, « een oprecht man heeft u verwekt. « En als u kunt uitvoeren wat uw lichaam mij gezegd heeft, « Zal ik u zoveel van het mijne geven dat het u zal volstaan. » « Dame, » zei Bauduins, « geen muntstuk zal ik aannemen. « Goed zal ik de taak volbrengen zodat het u zal behagen. « Van het uwe wil ik niets, noch zal ik er ooit een kruis van hebben; « Zolang ik maar witte lakens heb, wanneer men gaat slapen. « Dame, » zei Bauduins, « laat uw huilen varen; « Want Jezus kan u goed helpen en troosten. » Dan gaat hij snel de loge binnen.820 De knapen komen de wijn aan de tabel brengen: En Bauduins ging zitten; en de schone, met het heldere gezicht; En de vier schildknapen zijn gezeten voor het diner. En de dame gaat hun van haar goede spijzen aanbieden. Ondertussen is er een sergeant die begint te roepen; De dame springt naar voren en gaat hem vragen: « Heer, wat wilt u? Verberg het mij niet. » En de sergeant antwoordt: « het past mij mee te nemen « Uw dochter, met mij, om met Garsile te spreken, « Want met haar wil hij deze nacht rusten;830 </poem> |}<noinclude></noinclude> e12kxtb21m1u1u9qoh5er6tov6taxco Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/249 104 87921 224984 2026-08-17T10:19:57Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224984 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Ou il me faut l’avoir partir et dessevrer, « Et l’une des parties par devant mi porter. « Faites, délivrés-vous. Aillours m’estoet aler : « G’irai, ou nom de moi, chiés le fille Gomer, « Que Garsiles m’a fait en me part délivrer ; « Je l’averai à nuit, coi qu’il doive couster, « Car demain au matin le doit-on espouser. « Dame, délivrez-vous ! je ne puis arrester. » Et la dame respont : « sour sains vous puis jurer, « Que je ferai ma fille, qui le viaire a cler, « Mener ens ou chastel, à Garsile, le ber ; « Ou l’avoir, à moitiet, i ferai délivrer. « Li mariés s’en va son conseil assambler, « Car ne scet mie encore comment vorra ouvrer ; « Ou de ma fille rendre, ou l’avoir dessevrer. » Et li sergans respont : « sour sains vous puis jurer, « Sé plus chaiens me faites venir, né retroter, « De ·c· solz, pour ma paine, je vous ferai panner. » Et la dame respont : « che fait à créanter. » Dont s’en va li sergans, plus ne volt arrester. Et la dame s’en va à Bauduin conter Les raisons du sergant, que Diex puist craventer. « Dame, » che dist li enfes, « tout che laissiés ester ; « Car par cellui Signour, qui fist et chiel et mer, « Temprement les ferai d’autre Martin canter. » Bauduins de Sebourc n’i fist arrestement ; Il boit et si mengnue, assés et longement. Et quant che vint ·j· poy dessus l’avesprement, Il a dit à l’ostesse, qui le coer ot dolant : « Or me bailliés vo fille, tost et apertement. « G’irai vir au chastel Garsile, le pulent, « Et Aliamme, et Thiebaut, et trestout le couvent ; « Mais par le foy que doy à Dieu omnipotent, « Ains que reviengne chi, aront leur païement. » « Sire, » cha dit Blanche, « vous pensez folement ! </poem> |valign=top| <poem> « Of ik moet het bezit delen en scheiden, « En een van de delen voor mij uit dragen. « Maak voort, maak u gereed. Elders moet ik heen: « Ik ga, in mijn naam, naar het huis van de dochter van Gomer, « Die Garsiles mij in mijn deel heeft doen toewijzen; « Ik zal haar vannacht hebben, wat het ook moet kosten, « Want morgenochtend moet men haar trouwen. « Dame, maak u gereed! ik kan niet wachten. » En de dame antwoordt: « op de heiligen kan ik u zweren, « Dat ik mijn dochter, die het heldere gezicht heeft,840 « Naar het kasteel zal doen brengen, naar Garsile, de baron; « Of het bezit, voor de helft, zal ik daar laten bezorgen. « De bruidegom is weg om zijn raad te verzamelen, « Want hij weet nu nog niet hoe hij zal willen hEnelen; « Of mijn dochter af te staan, of het bezit te verdelen. » En de sergeant antwoordt: « op de heiligen kan ik u zweren, « Als u mij hier nog eens laat komen of terugdraven, « Zal ik u voor 100 schellingen, voor mijn moeite, laten beboeten. » En de dame antwoordt: « dat is afgesproken. » Toen ging de sergeant weg, hij wilde niet langer blijven.850 En de dame gaat aan Bauduin vertellen De woorden van de sergeant, die God moge vernietigen. « Dame, » zei het kind, « laat dat alles maar zitten; « Want bij die Heer, die hemel en zee maakte, « Binnenkort zal ik hen een toontje lager doen zingen. » Bauduins de Sebourc bleef daar niet stilzitten; Hij drinkt en hij eet, veel en langdurig. En toen het een weinig tegen de avond liep, Zei hij tegen de waardin, die een treurend hart had: « Geef mij nu uw dochter, snel en openlijk.860 « Ik zal in het kasteel gaan kijken naar Garsile, de stinkerd, « En Aliamme, en Thiebaut, en de hele bende; « Maar bij het geloof in God de almachtige, « Voordat ik hier terugkeer, zullen zij hun betaling hebben. » « Heer, » zei Blanche, « u denkt dwaas! </poem> |}<noinclude></noinclude> 1eitx3ofvj0nvb583az7ecmtwaa9loz Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/250 104 87922 224985 2026-08-17T11:23:43Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224985 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Telle choze porrés esmouvoir vraiement, « Qui trop vous coustera ; sé Diex omnipotent « Ne vous aide à porter, et fait avanchement. « Sé croire me voliés, par le mien sérement, « Puis qu’il n’en touche à vous, n’en parleriés noient. » « Belle, » dist Bauduins, « foy que doy saint Lorent, « Chest usaige qu’il ont acquis si faitement, « Ch’est encontre droiture ; si que raisons m’aprent « Qu’il doivent de mal faire, avoir mal païement. « Et g’i méterai paine, par Dieu, si grandement « Voir comme je porrai. Si pri au Sapient « Que, selonc me droiture, me voelle aider briement. » Atant ès le pucelle, qui de biauté resplent ; Par devant Bauduin, qui tant a hardement, S’agenoulla, la belle, qui ot noble jouvent. Lors dist à sa mollier, Bauduins, vistement : « Ma dame, or regardés, pour le saint sacrament, « N’est-che mie pités, et grant encombrement, « De ceste puchelette maintenir si vieument, « Que de gésir o lui, à sa char carnelment ? « Ou d’avoir le moitiet de l’or, et de l’argent, « Que ses pères li donne, en droit mariëment ? « Jà ne me puist aidier, li Pères qui ne ment, « Sé je ne descoustume, ains mon département, « Che servaige villain, qu’ensi honnist la gent ! » Outre la table saut, ses armures parrent : Il vesti le haubert, dont le maille resplent ; Une coife laicha, d’achier fu purement ; Il s’est, à le couverte, armés souffissament. Et quant il fu armez, le puchelette prent ; Vers le chastel l’emmainne, sans nul détriëment. Et Blanche demourra, qui Dieu prie humblement Qu’il gart le sien ami, qu’il n’ait encombrement. Li escuïer li dient, assés courtoisement : « Dame, n’aïés paour du vassal nullement, </poem> |valign=top| <poem> « Zo'n zaak kunt u werkelijk in beweging zetten, « Die u te duur zal komen te staan; tenzij God de almachtige « U helpt het te dragen en voorspoed schenkt. « Als u mij wilde geloven, bij mijn eed, « Omdat het u niet aangaat, zou u er niet over praten. » « Schone, » zei Bauduins, « bij het geloof in Sint Laurens,870 « Dit gebruik dat zij zo hebben ingesteld, « Dat is tegen het recht; zoals het verstand mij leert « Dat zij die kwaad doen, een slechte betaling moeten krijgen. « En ik zal mij ervoor inspannen, bij God, zo groots « Als ik maar kan. Dus bid ik tot de Alwijze « Dat hij, volgens mijn recht, mij snel wil helpen. » Ondertussen is daar het meisje, dat blinkt van schoonheid; Voor Bauduin, die zoveel moed heeft, Knielde zij neer, de schone, die een nobele jeugd had.880 Toen zei Bauduins snel tegen zijn vrouw: « Mijn dame, kijk nu eens, bij het heilig sacrament, « Is het geen deernis, en een grote schande, « Om dit jonge meisje zo schandelijk te behandelen, « Dat hij vleselijk met haar lichaam zal slapen? « Of de helft te hebben van het goud en het zilver, « Dat haar vader haar geeft, bij een rechtmatig huwelijk? « Moge de Vader die niet liegt mij nooit meer helpen, « Als ik niet vóór mijn vertrek een einde maak, « Aan deze laffe slavernij, die de mensen zo onteert! »890 Over de tafel springt hij, zijn wapenrusting verschijnt: Hij trok het hauberk aan, waarvan de maliën blinken; Een kap gespt hij vast, die puur van staal was; Hij heeft zich, onder de mantel, voldoende gewapend. En toen hij gewapend was, neemt hij het jonge meisje; Naar het kasteel leidt hij haar, zonder enig uitstel. En Blanche bleef achter, die God nederig bidt Dat hij haar vriend behoedt, dat hem geen onheil overkomt. De schildknapen zeggen haar, zeer hoofs: « Dame, heb geenszins angst voor de vazal,900 </poem> |}<noinclude></noinclude> 2t1kpomh24we5qpfuuif3ja7e0dmx4w Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/251 104 87923 224986 2026-08-17T11:31:19Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224986 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Car tous les ochirra, s’il ne sont plus de cent. » Or s’en va Bauduins devers le tour antie ; S’emmaine, avoeques li, le puchelle jolie. Il est venus au pont du chastel, qui flambie, Et puis l’a trespassé, que point ne se détrie ; A le porte est venus, et au portier s’escrie : « Portiers, laisse-moi ens, pour Dieu le fil Marie. « Regarde chi endroit, amis, quelle galie « Je vois mener Garsile, qui tant a signourrie ; « Auque nuit l’avera, ens en sa compaignie. « Saces que mes cors vient droit de le boucerie, « Et li amaine car crasse, et grosse, et furnie. « Tu en aras ta part, enchois demain complie ; « Mais il faut que Garsiles l’ait le première fie. » Li portiers cuida bien qu’il soit de le maisnie Garsile, le félon, cui li corpz Dieu maudie : S’a ouvert le wisquet, dont il fist grant folie. Bauduins i entra, qui point ne se détrie, Puis a dit au portier : « metés ens men amie. » Et chius dist : « volentiers. » Adonques a saisie Le pucelle plaisans, qui bien estoit nourrie. Bauduins de Sebourc, entreus qu’il s’essonnie, Li lancha sen coutel entre pomon et fie ; Si soef l’abat mort, qu’il ne brait né ne crie. Puis dist à la pucelle : « damoiselle prisie, « R’alés à mon hostel saluer ma maisnie, « Et ma femme ensément, que laissai courrechie ; « Dites leur que j’ai jà bonne euvre commenchie. » Et celle s’emparti, qui de coer à Dieu prie Qu’à Bauduin, le ber, voeille sauver la vie. Bauduins monte amont, qui l’espée a sachie. Le wisquet refrema ; s’a se voie aqueillie : A une sale vint, si le trouva emplie De ·xv· traïtours, trestous à une fie, A le table séans, qui estoit bien garnie </poem> |valign=top| <poem> « Want hij zal hen allemaal doden, al zijn ze met meer dan honderd. » Nu gaat Bauduins naar de oude toren; Hij neemt met zich mee het mooie jonge meisje. Hij is bij de brug van het kasteel gekomen, dat schittert, En heeft deze toen overgestoken, zonder te aarzelen; Bij de poort is hij gekomen, en roept naar de poortwachter: « Poortwachter, laat mij binnen, omwille van God de zoon van Maria. « Kijk eens hier, vriend, wat een lekkere hap « Ik hier breng voor Garsile, die zoveel heerschappij heeft; « Vannacht zal hij haar hebben, in zijn gezelschap.910 « Weet dat mijn lichaam rechtstreeks van de slagerij komt, « En hem vlees brengt dat vet is, en dik, en welgedaan. « Je zult er jouw deel van hebben, nog voor de completen van morgen; « Maar Garsiles moet haar de eerste keer hebben. » De poortwachter geloofde vast dat hij van het gevolg was Van Garsile, de slechterik, wiens lichaam door God vervloekt zij: Hij opende het poortje, waarmee hij een grote dwaasheid beging. Bauduins ging erdoor, zonder te aarzelen, Toen zei hij tegen de poortwachter: « laat mijn vriendin binnen. » En deze zei: « graag. » Toen greep hij920 Het aangename meisje, dat welgemanierd was. Bauduins de Sebourc, terwijl de wachter druk bezig was, Stootte hem zijn mes tussen long en lever; Zo zachtjes sloeg hij hem dood, dat hij niet kermde of schreeuwde. Toen zei hij tegen het meisje: « Geëerde jonkvrouw, « Ga terug naar mijn verblijf om mijn volgelingen te groeten, « En evenzo mijn vrouw, die ik misnoegd achterliet; « Zeg hen dat ik al een goed werk begonnen ben. » En zij vertrok, terwijl ze uit de grond van haar hart tot God bad Dat hij Boudewijn, de dappere, het leven moge redden.930 Boudewijn klimt naar boven, met het getrokken zwaard. Het luik sloot hij weer; en hij vervolgde zijn weg: Bij een zaal kwam hij, en hij vond die gevuld Met vijftien verraders, allemaal tezamen, Zittend aan de tafel, die goed voorzien was </poem> |}<noinclude></noinclude> p4z4k3fl3tt9blj1e8rjxvv2jk3czni Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/252 104 87924 224987 2026-08-17T11:36:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224987 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> De pain, de char salée, et de bon vin sour lie. Bauduins entre en l’uis ; de Dieu, fil Marie, Se sainna ·iiij· fois. S’a l’espée sachie : Aliame va férir, qui le hannap patie ; Et Bauduins le fiert une telle haingnie Que la teste li est, ens ou hannap, flastrie ; Et puis s’est escriés : « signour, Diex vous bénie ! » Quant li traïtour virent qu’Aliamme fu tués, Entour iaus regardèrent qui laiens fu entrez. Et Bauduins s’escrie : « glouton, vous i morrés. « J’ai à nom Bauduins ; vous ne me ravisés ? » Adont féri Thiebaut, li chevaliers membrez, Si qu’il le pourfendi dès-si jusques au nés. Et quant Garsiles voit qu’il les a deffiés, Tost et isnèlement est en fuites tournés ; En le cuisine vint, li cuivers deffaés. Or escoutés de coi li glous s’est avisés : Nouvellement avoit estet ·j· hours bersés ; Si en pendoit li piaus, velue à trestous lés, Par dedens le cuisine, tout droit à l’un des lez. Garsiles prist le pel, et si s’est ens boutés, Moult très bien l’afubla, environ de tous lés. Il dist au cuisinier : « or ne me racusés ; « ·c· livres te donrai, sé je sui escapés. » Et li keus respondi : « jà ne vous en doubtez. » Par dessous une kave est li lères alés, A manière d’un hours s’est bien atapmez. Et Bauduins estoit, en le sale, remés ; Les traïtres assaut, si lor a escriés : « Par foy, » dist Bauduins, « glouton, vous i morrez ! » L’un trenche le menton, et l’autre les costez. Chil tournèrent le dos, qui les coerz ont irés ; Bauduins les encauche, li preus et li membrez, Chil salent, ens en l’iauwe, par dedens les fossez. Le ville s’estourmi, chascun s’est adoubés ; </poem> |valign=top| <poem> Van brood, van gezouten vlees, en van goede wijn op de droesem. Boudewijn stapt door de deur; in de naam van God, zoon van Maria, Sloeg hij viermaal een kruis. En hij trok zijn zwaard: Aliame gaat hij neerslaan, die de drinkbeker vasthoudt; En Boudewijn brengt hem zo'n zware slag toe940 Dat zijn hoofd, recht in de beker, verbrijzeld is; En toen riep hij uit: « Heren, moge God u zegenen! » Toen de verraders zagen dat Aliame gedood was, Keken ze om zich heen wie daar binnengekomen was. En Boudewijn schreeukt: « Schurken, jullie zullen hier sterven. « Mijn naam is Boudewijn; herkennen jullie mij niet? » Vervolgens sloeg hij Thiebaut, de krachtige ridder, Zodanig dat hij hem doorkliefde tot aan zijn neus. En zodra Garsiles ziet dat hij hen heeft uitgedaagd, Is hij snel en gezwind op de vlucht geslagen;950 In de keuken kwam hij, de trouweloze lafaard. Luister nu eens wat de schurk bedacht: Onlangs was er een beer gevild; En de huid hing daar, harig aan alle kanten, Binnenin de keuken, recht aan een van de wanden. Garsiles nam de huid en is erin gekropen, Heel erg goed hulde hij zich erin, aan alle kanten. Hij zei tegen de kok: « Verraad mij nu niet; « Honderd pond zal ik je geven, als ik ontsnap. » En de kok antwoordde: « Twijfel daar maar niet aan. »960 Onder een keldergat is de dief gaan liggen, Als een echte beer hield hij zich heel stil verborgen. En Boudewijn was in de zaal achtergebleven; Hij valt de verraders aan en heeft hen toegeschreeuwd: « Bij het geloof, » zei Boudewijn, « schurken, jullie zullen hier sterven! » Bij de een klieft hij de kin, en bij de ander de zijden. Zij keerden de rug toe, met een toornig hart; Boudewijn achtervolgt hen, de dappere en krachtige, Zij springen, in het water, tot binnenin de grachten. De stad raakte in rep en roer, iedereen wapende zich;970 </poem> |}<noinclude></noinclude> 3etjk46yisiubb1ig08taxmlunernyz Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/253 104 87925 224988 2026-08-17T11:37:09Z Havang(nl) 4330 /* Niet proefgelezen */ 224988 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>DE SEBOURC. Cuixr VYIIL, 231 Au chastel acouxroient, mais | huis sont ſremez. Li homme Banduin , qu'à l'osiel sont renés, Quant 1| oent Je noise, con démainne à tous jés, Tout-133j. ont dit à Blanche: « dame, bien yous gardés. « Plus ne demourrons chi , Bauduins est iués. » Dont s'enſuient, as chanpz, que nulz n°i est remés. La dame demourra , moult [a ses coers irés; Par dedens -]- chélier, s'est ses corprz enſremez; Là démainne tel doel que c'esl une piiés! Ft Bauduins esloil as traïtours prouvés : 280 Trestous les à ochis, et à le« mort livrés, Fors seulemeni Garsiles, qui est desmanexez. Riens ne vauli Bauduin , s i] n'est retrouvés. Bauduins de Sehonre est Jassus on chasiel :. Oehis soni, par eapée , 11 -xiiij- bede]; Mais Garsiles s'e8Loit houtés en -]. pel, Con avoit à -]- ours o5lée de nouvxet. Li bourgois de Ja vilie, quant ofrent l'appel, Au marchiet sSont venu, el viel, et jovenchel : Li -}]. porle machue, et li autres coutel, Miséricorde, expée, on hbaslon , ou pestel. 990 À |a porle acouxrurent, s'ont passé le ponchel ; T.à lièrent à a porte, où 11 ot lort llaïel, Mille copz ! donnérent, s'on1. deltendu l'eslel. Telle no18e menoient., et 9 yllain chembel, Que bien l'o1 Bauduins, qui pas n'en o1 réxel. Adont isnèlement monta sus -j. crestel, À bourgois s'eseria, en langage moult bel : « Signour, » dist Baucduins, « poux le corpz 8aint Marlel, « Bnsquiés Lonl bellement; eh1i na point de bordek. » % Bauduins de Seboure va e chaslel cherquant ; LI ne trouxe glouton, né œarchon, né sergant, Qu'il ne cope [a lesle , à l'espée lrenchant. Vers le cuisine va 15nélement courrant, Là à trouxé le keus, Iors 11 va esceriant :<noinclude></noinclude> n5buvu02amuek4dvirssfvswtcuz9rw 224989 224988 2026-08-17T11:39:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224989 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Au chastel acourroient, mais li huis sont fremez. Li homme Bauduin, qu’à l’ostel sont remés, Quant il oent le noise, c’on démainne à tous lés, Tout ·iiij· ont dit à Blanche : « dame, bien vous gardés. « Plus ne demourrons chi, Bauduins est tués. » Dont s’enfuient as champz, que nulz n’i est remés. La dame demourra, moult fu ses coers irés ; Par dedens ·j· chélier, s’est ses corpz enfremez ; Là démainne tel doel que c’est une pités ! Et Bauduins estoit as traïtours prouvés : Trestous les a ochis, et à le mort livrés, Fors seulement Garsiles, qui est desmanevez. Riens ne vault Bauduin, sé il n’est retrouvés. Bauduins de Sebourc est lassus ou chastel : Ochis sont, par espée, li ·xiiij· bedel ; Mais Garsiles s’estoit boutés en ·j· pel, C’on avoit a jours ostée de nouvel. Li bourgois de la ville, quant oïrent l’appel, Au marchiet sont venu, et viel, et jovenchel : Li ·j· porte machue, et li autres coutel, Miséricorde, espée, ou baston, ou pestel. A la porte acourrurent, s’ont passé le ponchel ; Là fièrent à la porte, où il ot fort flaïel, Mille copz i donnèrent, s’ont deffendu l’estel. Telle noise menoient, et si villain chembel, Que bien l’ot Bauduins, qui pas n’en ot rével. Adont isnèlement monta sus ·j· crestel, A bourgois s’escria, en langage moult bel : « Signour, » dist Bauduins, « pour le corpz saint Martel, « Busquiés tout bellement ; chi n’a point de bordel. » Bauduins de Sebourc va le chastel cherquant ; Il ne trouve glouton, né garchon, né sergant, Qu’il ne cope la teste, à l’espée trenchant. Vers le cuisine va isnèlement courrant, Là a trouvé le keus, lors li va escriant : </poem> |valign=top| <poem> Naar het kasteel snelden ze toe, maar de deuren zijn gesloten. De mannen van Boudewijn, die in het verblijf waren achtergebleven, Toen zij het lawaai hoorden, dat aan alle kanten opsteeg, Zeiden alle 4 tegen Blanche: « Vrouwe, pas goed op uzelf. « Wij blijven hier niet langer, Boudewijn is gedood. » Toen vluchtten zij naar de velden, zodat er niemand achterbleef. De dame bleef achter, haar hart was zeer bedroefd; Binnenin een kelder heeft zij haar lichaam opgesloten; Daar maakt zij zo'n misbaar van rouw dat het deerniswekkend is! En Boudewijn stond oog in oog met de bewezen verraders:980 Allemaal heeft hij hen gedood en ter dood gebracht, Behalve Garsiles, die onvindbaar is. Het baat Boudewijn niets, als hij niet wordt teruggevonden. Boudewijn van Sebourc is daarboven in het kasteel: Gedood zijn, door het zwaard, de 14 dienaren; Maar Garsiles was in een huid gekropen, Die kortgeleden van een beer was afgehaald. De burgers van de stad, toen zij het alarm hoorden, Zijn naar de markt gekomen, zowel oud als jong: De een draagt een knots, en de ander een mes,990 Een genadedolk, zwaard, of stok, of stamper. Naar de poort snelden ze toe, en ze staken de kleine brug over; Daar sloegen ze op de poort, waar een sterke grendel op zat, Duizend klappen gaven ze erop, en ze belaagden de plek. Zulk een lawaai maakten zij, en zo'n woest tumult, Dat Boudewijn het heel goed hoorde, die er geen rust door had. Toen klom hij gezwind op een kanteel, Tegen de burgers riep hij, in zeer fraaie taal: « Heren, » zei Boudewijn, « bij het heilige lichaam van Martel, « Zoek het maar rustig uit; hier is geen bordeel. »1000 Boudewijn van Sebourc gaat het kasteel doorzoeken; Hij vindt schurk, noch schildknaap, noch dienaar, Of hij hakt hem de kop af, met het scherpe zwaard. Naar de keuken gaat hij gezwind rennend, Daar heeft hij de kok gevonden, en hij roept hem toe: </poem> |}<noinclude></noinclude> 859inoyh3zbm06j6go7yr3uksuzqnq1 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/254 104 87926 224990 2026-08-17T11:42:31Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224990 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Par Dieu, » dist Bauduins, « tu morras maintenant. « Merchi ! » dist li vallès, » en l’onnour Dieu le grant, « Respités-moi la vie, et métés à garant. « Keus sui de la cuisine ; je ferai vo commant : « Encore ai-je tel més, et si très souffissant, « De coi je vous ferai baut, liet, et joïant. « Pas n’avés mort Garsile, le traïtour puant, « Mais je le vous vaurrai enseingner maintenant. » « Or tost, » dist Bauduins, « va le moi enseingnant : « Ta vie sauverai, sé le me vas monstrant. » Adont le va li keus à le kave menant ; Bauduins s’abaissa, si a véut l’ours grant. Il ne pensast jammais, ès jours de son vivant, Que Garsiles se fuist mis en si fait samblant. Lors apella le keu, si li va escriant : « Fiex à putain, » dist-il, « me vas-tu dégabant ? « Che est ·j· hours sauvaigez que je voi chi-devant ! « Par le foy que je doy au Père roy amant, « Ne gaberés jammais personne en vo vivant. » Lors entoise l’espée, au pong d’or reluisant. Et chieus s’est escriés, et li dist en oïant : « Laissiezme à vous parler, ains que m’alés tuant ; « Aventure vous voel dire tout maintenant. » « Par Dieu, » dist Bauduins, « tu me vas alourdant, « Mais quanques tu diras ne te vaura noiant. » « Sire, » che dist li keus, « foi que doy saint Vinchant, « Entreus que vous aliés les traïtours tuant, « Vint Garsiles droit chi, pour li métre à garant : « Une pel d’ours trouva ichi endroit pendant ; « Tout tantost le vesti et ala endossant, « Pour chou que décongnostre il voloit son samblant. « Or pétilliés le pel, de vostre espoit trenchant. « Veschi le corpz de moi, pour faire vo commant ; « Sé je ne vous di voir, si m’alés ochiant. » Et quant Bauduins l’ot, celle part va courrant : </poem> |valign=top| <poem> « Bij God, » zei Boudewijn, « jij zult nu sterven. » « Genade! » zei de jongen, « in de eer van God de Grote, « Spaar mij het leven en stel mij in veiligheid. « Kok ben ik van de keuken; ik zal uw bevelen uitvoeren: « Ik heb nog zo'n gerecht, en zo overvloedig,1010 « Waarmee ik u vrolijk, blij en verheugd zal maken. « U heeft Garsiles niet gedood, de stinkende verrader, « Maar ik wil hem u nu meteen aanwijzen. » « Vooruit dan, » zei Boudewijn, « ga het mij wijzen: « Je leven zal ik sparen, als je het mij gaat tonen. » Toen bracht de kok hem naar het keldergat; Boudewijn boog zich voorover en zag de grote beer. Hij zou nooit hebben gedacht, in alle dagen van zijn leven, Dat Garsiles zich in zo'n gedaante zou hebben gestoken.1020 Toen riep hij de kok en schreeuwde naar hem: « Hoerenzoon, » zei hij, « hou je mij voor de gek? « Dit is een wilde beer die ik hier voor me zie! « Bij het geloof in de Vader, de liefhebbende Koning, « Je zult nooit van je leven meer iemand bespotten. » Toen hief hij het zwaard, met het glanzend gouden gevecht. En de ander schreeuwde het uit en zei hoorbaar: « Laat me met u spreken, voordat u mij gaat doden; « Een avontuur wil ik u nu meteen vertellen. » « Bij God, » zei Boudewijn, « je maakt me verdwaasd,1030 « Maar wat je ook zult zeggen, het zal je niets baten. » « Heer, » zei de kok, « bij het geloof in sint Vincent, « Terwijl u de verraders ging doden, « Kwam Garsiles recht hierheen om zich in veiligheid te brengen: « Een berenhuid vond hij hier in de buurt hangend; « Die trok hij meteen aan en sloeg hem om zich heen, « Omdat hij zijn uiterlijk onkenbaar wilde maken. « Prik nu maar in de huid, met uw scherpe zwaard. « Hier is mijn eigen lichaam, om uw bevel uit te voeren; « Als ik u de waarheid niet zeg, dood me dan maar. »1040 En toen Boudewijn dat hoorde, rende hij die kant op: </poem> |}<noinclude></noinclude> 1fionyav3gmwuxs9wkozs459ly0f4s1 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/255 104 87927 224991 2026-08-17T11:50:32Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224991 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> En le kave bouta le pointe de son brant, Et va férir Garsile, ensi qu’en estequant. Ou ventre, lès le coer, va li espée entrant. Garsiles géte ·j· cri, si va Dieu réclamant ; Et dist à Bauduin, le prinche combatant : « Lères ! tu m’as ochis, je morrai maintenant ! » Quant Bauduins l’entent, si en va sousriant ; Puis a dit : « qu’est-che chi ? bien me vas encantant ! « Or doi-je bien loer le Père roy amant, « Quant les ours fai parler ! Il est bien aparant « Que Diex a fait pour moi miraclez en mon vivant. » Moult fu liés Bauduins quant Garsile trouva ; Lors li a dit : « traïtres, mal ait qui vous porta, « Et Gaufrois, li cuivers, qui chi vous envoïa ! « Chascuns se plaint de vous, ou païs par dechà ; « Le poeple avés honnit, si vous en mesquerra. » « Merchi ! » che dist Garsilez, » et mez corpz vous donra « ·j· sommier de fin or ; jà denier n’en faurra. » « Lères, » dist Bauduins, « denier n’en arai jà. « La gent le renderai à cui on le roba. « Il vient de mal aquest, jà ne me servira ; « Né jà d’un soel denier mes corpz n’en mengnera. » Miex vaut homme ·j· denier, puis que loïaument a, Que ·c· libvres de tort, quant larcin i a. Puis c’uns homs vit d’avoir que mal conquesté a, Qui vient de traïson, qu’autrui déchevera, Jammais puis en sa vie loyalté ne fera ; Car li char et li sans que il en nourrira A vivre faussement adès convoitera. Et no nature est telle qu’elle s’acordera A che que le carongne de nos corpz désirra, Soit en bien ou en mal, où elle se traira. Qui aprent au bien faire, jammais mal ne fera. « Lères, » dist Bauduins, « or est vos jours venus : « J’ai tous vos compaingnons ochis et confondus, </poem> |valign=top| <poem> In het keldergat stak hij de punt van zijn zwaard, En hij treft Garsiles, alsof hij hem doorboort. In de buik, vlak naast het hart, dringt het zwaard naar binnen. Garsiles slaakt een kreet en roept God aan; En zegt tegen Boudewijn, de strijdbare prins: « Dief! Je hebt mij gedood, ik zal nu sterven! » Toen Boudewijn het hoort, glimlacht hij erom; Vervolgens zei hij: « Wat is dit? Je houdt me mooi voor de gek! « Nu moet ik de Vader, de liefhebbende Koning, wel prijzen,1050 « Wanneer Hij beren laat praten! Het is wel duidelijk « Dat God tijdens mijn leven wonderen voor mij heeft verricht. » Zeer blij was Boudewijn toen hij Garsiles vond; Toen zei hij hem: « Verrader, schande over wie u gedragen heeft, « En over Gaufrois, de snoodaard, die u hierheen heeft gestuurd! « Iedereen klaagt over u, in dit land hieromstreeks; « Het volk heeft u te schande gemaakt, en het zal u slecht vergaan. » « Genade! » zei Garsiles, « en mijn lichaam zal u geven « Een lastdier vol fijn goud; er zal geen penning aan ontbreken. » « Dief, » zei Boudewijn, « geen penning zal ik ervan aannemen.1060 « Ik zal het teruggeven aan het volk van wie het gestolen is. « Het komt uit slechte verwerving, het zal mij nooit dienen; « En geen enkele penning zal mijn lichaam ervan meedragen. » Beter is een man één penning waard, mits hij die eerlijk heeft, Dan 100 pond uit onrecht, wanneer er diefstal in het spel is. Aangezien een mens leeft van bezit dat slecht verworven is, Dat voortkomt uit verraad, waarmee hij een ander bedriegt, Zal hij daarna nooit meer in zijn leven rechtschapenheid betonen; Want het vlees en het bloed dat hij ermee zal voeden Zal er altijd naar haken om valselijk te leven.1070 En onze natuur is zo dat zij zich zal schikken Naar wat het karkas van ons lichaam zal begeren, Hetzij in het goede of in het kwade waarheen het zich begeeft. Wie leert het goede te doen, zal nooit het kwade doen. « Dief, » zei Boudewijn, « nu is uw dag gekomen: « Ik heb al uw metgezellen gedood en te gronde gericht, </poem> |}<noinclude></noinclude> la4gbyq6mq936bnter1n3c9bi77pj2s Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/256 104 87928 224992 2026-08-17T11:55:39Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 224992 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Ne vous vault ceste pel, où li poilz est si drus. « Che fu ·j· grans malices et fais et maintenus, « Mais ne vous poet aidier, car vos jours est venus. « Jammais ·j· loyaus homs n’éust eut tel argus « De vestir ceste pel, dont vous estes vestus ; « Mais vo faus tour ne valent valissant ·ij· festus. « Li mal que fait avés vous a chi déchéus, Que vos jours est alés. » Lors n’i est atendus ; De le pointe du branc, qui bien fu esmolus, Le poindi ·iiij· copz. Garsiles est chéus ; Li âme s’emparti. Dont vint là Bugibus Qui sa âme emporta, droit en enfer là jus. Et li keus s’escria, que bien fu entendus : « Damoisiaus débonaires, courtois, et esléus, « Dit vous ai véritez ; ne doi estre férus, « Ochis, né mis à fin, ni à mort confondus ; « Car je vous ai servi miex que de pois au jus. Bauduins de Sebourc est as crestiaus alés : Regarde les bourgois, bien ·xm· assamblez ; Qui ont moult grans merveillez que telz cris est levez, Lassus ens ou chastel as traïtres prouvés ; Et dist li jà l’autre : « le porte n’adézés, « N’entrons mie laiens, che seroit foletés. « Li larron se combatent, che est la vérités, « Pour partir les trésors que il ont assamblés ; « Sé tout s’entretuoient, ne seroit pas pitez. « Jà Dame-Dieu ne plache c’uns en soit eschapez ! « Qui les départira, de Dieu soit craventés ! » Ensi dient ensamble que vous oït avés. Et Bauduins, li prex, est as crestiaus alés ; Si a dit à bourgois : « faites pais, s’entendez. » Fiert à une fenestre ·iij· copz desmesurez, De s’espée trenchant ; puis a dit : « or oés ! « Entre vous bonne gent, que chi voi aünés, « Ne savés qui je sui, mais par tampz le sarés. </poem> |valign=top| <poem> « Deze pels, waarvan het haar zo dicht is, baat u niet. « Dat was een grote boosaardigheid, bedacht en uitgevoerd, « Maar het kan u niet helpen, want uw dag is gekomen. « Nooit zou een rechtschapen man zo'n list hebben gebruikt1080 « Om deze pels aan te trekken, waarin u gekleed gaat; « Maar uw valse streek is nog geen twee strootjes waard. « Het kwaad dat u gedaan heeft, heeft u hier bedrogen, Zodat uw dag voorbij is. » Toen werd er niet gewacht; Met de punt van het zwaard, dat goed geslepen was, Steekt hij hem viermaal. Garsiles is gevallen; De ziel vertrok. Toen kwam Bugibus daarheen Die zijn ziel meenam, recht daar beneden in de hel. En de kok riep uit, zodat het goed gehoord werd: « Edelmoedige, hoofse en uitverkoren jonker,1090 « De waarheid heb ik u gezegd; ik mag niet geslagen worden, « Gedood, noch omgebracht, noch ter dood gebracht; « Want ik heb u beter gediend dan erwten in de saus. Boudewijn van Sebourc is naar de kantelen gegaan: Hij kijkt naar de burgers, wel 10.000 man sterk bijeen; Die zich ten zeerste verbazen dat zulk een geschreeuw is opgestegen, Daarboven in het kasteel bij de bewezen verraders; En de een zei toen tegen de ander: « Raak de poort niet aan, « Laten we daar niet naar binnen gaan, dat zou dwaasheid zijn. « De dieven vechten met elkaar, dat is de waarheid, « Om de schatten te verdelen die zij hebben verzameld;1100 « Als zij elkaar allemaal zouden vermoorden, zou dat geen jammer zijn. « Moge God de Heer nooit toestaan dat er ook maar één ontsnapt! « Wie hen uit elkaar haalt, moge hij door God worden vernietigd! » Zo spraken zij samen, zoals u zojuist heeft gehoord. En Boudewijn, de dappere, is naar de kantelen gegaan; En hij zei tegen de burgers: « Maak vrede en luister naar mij. » Hij slaat met grote kracht drie slagen op een venster, Met zijn scherpe zwaard; toen zei hij: « Luister nu! « Onder u, goede mensen, die ik hier verzameld zie, « U weet niet wie ik ben, maar dat zult u spoedig weten.1110 </poem> |}<noinclude></noinclude> t9gzid7h84nursbbrwf1n6pbntli89k